Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:7719

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-08-2019
Datum publicatie
22-08-2019
Zaaknummer
C/03/265527 / KG ZA 19-263
Rechtsgebieden
Aanbestedingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aanbesteding. Transparantiebeginsel. Beoordelingssystematiek. Doorvragen in de inlichtingenfase. Prijs-kwaliteit.

Arbeidsmobiliteitsdiensten tijdelijk personeel: uitzenden, detacheren, payroll, ZZP.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2019/1268
JAAN 2019/176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/265527 / KG ZA 19-263

Vonnis in kort geding van 22 augustus 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DRIESSEN B.V.,

gevestigd te Helmond,

eiseres,

advocaat mr. J.G. Uijttenhove-Kuitert en mr. J.U. Vonk Noordegraaf,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersonen

1. VEILIGHEIDSREGIO ZUID-LIMBURG, zetelend te Margraten,

2. BsGW BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN WATERSCHAPPEN,

zetelend te Roermond,

3. GEMEENTE BEEK, zetelend te Beek,

4. GEMEENTE BEEKDAELEN, zetelend te Nuth,

5. GEMEENTE BRUNSSUM, zetelend te Brunssum,

6. GEMEENTE ECHT-SUSTEREN, zetelend te Echt,

7. GEMEENTE EIJSDEN-MARGRATEN, zetelend te Margraten,

8. GEMEENTE GULPEN-WITTEM, zetelend te Gulpen,

9. GEMEENTE KERKRADE, zetelend te Kerkrade,

10. GEMEENTE LANDGRAAF, zetelend te Landgraaf,

11. GEMEENTE LEUDAL, zetelend te Heythuysen,

12. GEMEENTE MAASGOUW, zetelend te Maasbracht,

13. GEMEENTE MEERSSEN, zetelend te Meerssen,

14. GEMEENTE ROERDALEN, zetelend te Sint Odiliënberg,

15. GEMEENTE ROERMOND, zetelend te Roermond,

16. GEMEENTE SIMPELVELD, zetelend te Simpelveld,

17. GEMEENTE STEIN, zetelend te Stein,

18. GEMEENTE VAALS, zetelend te Vaals,

19. GEMEENTE VALKENBURG AAN DE GEUL, zetelend te Valkenburg a/d/ Geul,

20. GEMEENTE VOERENDAAL, zetelend te Voerendaal,

21. GENEESKUNDIGE GEZONDHEIDSDIENST ZUID-LIMBURG, zetelend te Heerlen,

22. ISD KOMPAS, zetelend te Nuth, gemeente Beekdaelen,

23. GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING VOOR SOCIALE KREDIETVERLENING EN SCHULDHULPVERLENING IN LIMBURG, zetelend te Geleen, gemeente Sittard-Geleen,

24. ISD BOL, zetelend te Brunssum,

25. GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING OMNIBUZZ, zetelend te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

26. STADSREGIO PARKSTAD LIMBURG, zetelend te Heerlen,

27. GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING REINIGINGSDIENSTEN Rd4, zetelend te Heerlen,

28. SPORTSTICHTING SITTARD GELEEN, zetelend te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

29. WATERSCHAP LIMBURG, zetelend te Roermond,

30. GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING WESTROM, zetelend te Roermond,

31. GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING WERKGEVERSSERVICEPUNT PARKSTAD, zetelend te Heerlen,

32. GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING MER, zetelend te Echt, gemeente Echt-Susteren,

33. HET GEGEVENSHUIS, zetelend te Landgraaf,

gedaagden,

advocaten: mrs. J.A.M. van Heijningen en mr. J.P.M. van Beers

Partijen zullen hierna Driessen en gedaagden gezamenlijk IGOM genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 juni 2019, met producties,

  • -

    de brief van 5 augustus 2019 van IGOM, met producties 1 en 2,

  • -

    de brief van 5 augustus 2019 van IGOM met producties 3 en 4,

  • -

    de brief van 6 augustus 2019 Driessen, met producties,

  • -

    de brief van 7 augustus 2019 van Driessen met het bezwaar tegen het geheimhoudingsverzoek ter zake productie 2 van IGOM,

  • -

    de mondelinge behandeling van 8 augustus 2018 de pleitnota van Driessen en de pleitnota van IGOM.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft ter kort gedingzitting terstond na de eerste termijn op het bezwaar van Driessen tegen de geheime productie 2 van IGOM beslist dat deze productie 2 niet in het geding wordt toegelaten en dat recht zal worden gedaan zonder acht te slaan op deze productie.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

IGOM is het samenwerkingsverband van een groot aantal gemeenten en andere (semi)overheidsverbanden in Zuid en Midden Limburg op het gebied van arbeidsmobiliteit.

2.2.

IGOM heeft een Europese aanbesteding in de markt gezet voor de inhuur van tijdelijk personeel. Gevraagd wordt naar (1) inhuur op uitzend- en detacheringsbasis op schaalniveau 1 tot en met 9, (2) payrolling ongeacht salarisniveau en (3) een inhuurdesk tijdelijk personeel vanaf schaalniveau 10.

De dienstverlener zal de aangesloten organisaties moeten voorzien van integrale dienstverlening (uitzenden, detachering, ZZP-inhuur, payrolling) inclusief systeemdienstverlening (VMS: vendor management systeem). De inhuurdesk moet worden uitgevoerd door een specialistisch dienstverlener, de Managed Service Provider (MSP).

Er moet sprake zijn van een juiste prijs-kwaliteitverhouding, meer rechtmatigheid vooraf, meer eenduidigheid tijdens het proces van inhuur, een betere verantwoording achteraf en maximale ontzorging (aldus onder 4 Request for Proposal (RfP of leidraad), productie 2 dagvaarding).

2.3.

Omvang van de opdracht wordt bepaald door de IGOM-cijfers van inhuur over 2017 (nr. 13 RfP):

• Omzet ≥ schaal 10: €16,8 mln over 256.000 uren

• Omzet Uitzenden detacheren t/m schaal 9, 2017: €4,9 mln over 206.000 uren

• Omzet Payroll 2017: € 9.3 mln over 330.000 uren.

De waarde van de aanbesteding is op basis hiervan bepaald op circa € 155.000.000,00 voor een periode van vijf jaar.

Er wordt gewerkt op basis van een raamovereenkomst.

2.4.

Er wordt aanbesteed op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding, waarbij de prijs voor 40% en de kwaliteit voor 60% gewicht in de schaal legt.

2.5.

Op het onderdeel prijs wordt het gewicht van de subgunningscriteria bepaald door de aantallen die binnen dat betreffende onderdeel ingezet worden (pag. 15 RfP).

  • -

    Uitzenden 25%

  • -

    Payroll 35%

  • -

    Schaal 10 en hoger 40%

Binnen Schaal 10 en hoger is de volgende verdeling van toepassing:

  • -

    Schaal 10(A) 25%

  • -

    Schaal11(A) 25%

  • -

    Schaal 12 20%

  • -

    Schaal 13 10%

  • -

    Schaal 14 10%

  • -

    Schaal 15 en hoger 10%

2.6.

Het onderdeel kwaliteit is onderverdeeld in de volgende subgunningscriteria met bijbehorende wegingsfactoren (pag. 16 RfP):

  • -

    Invulling capaciteitsvragen 20%

  • -

    Besparingsdoelstelling 10%

  • -

    Mate van ontzorging 10%

  • -

    VMS 20%

  • -

    Implementatie 10%

  • -

    Team en presentatie 20%

  • -

    Uitvoering van de werkgeversrol 10%

Het percentage geslaagde invulling van capaciteitsvragen op onderdeel 1 is gesteld op minimaal 90% en op onderdeel 3 op minimaal 80%. Het opgegeven percentage wordt meegenomen binnen het onderdeel besparingsdoelstelling.

2.7.

IGOM heeft een drietal inschrijvingen ontvangen. Een daarvan is terzijde gelegd. Driessen is als tweede geëindigd achter Solvus B.V.

2.8.

IGOM heeft op 9 mei 2019 Driessen geïnformeerd over de uitkomst van de procedure. Deze voorlopige gunningsbeslissing is niet voorzien van een motivering. IGOM verstrekt de motivering, na herhaald verzoek van Driessen, schriftelijk op 16 mei 2019.

2.9.

Driessen heeft tegen de motivering van de voorlopige gunningsbeslissing op 24 mei 2019 bezwaar gemaakt. Op de bezwaren is door IGOM bij brief van 31 mei 2019 uitgebreid inhoudelijk gereageerd. Bij brief van 3 juni 2019 is de beoordeling op het subgunningscriterium kwaliteit aangepast in die zin dat thans de scores zijn gehanteerd, zoals die zijn voorgeschreven.

2.10.

De volgende scores zijn in de motivering opgenomen.

2.11.

In de leidraad is in hoofdstuk 16 “Procedure tot en met voorlopige gunning” het volgende opgenomen inzake de wijze van beoordelen van de inschrijvingen.

g. Beoordeling

De beoordeling vindt plaats in de onderstaande fases.

De gewichten en scores zijn opgenomen in de Gunningsmatrix in het onderdeel “Prijslijsten’. In “Prijslijsten” is ook nadere informatie te vinden over de inschrijfprijs. De criteria waarop de documenten en de presentaties worden beoordeeld zijn te vinden bij de toelichting op de(sub)gunningscriteria.

[…]

Fase 3. Schriftelijke beoordeling

In deze fase worden de ingediende documenten op kwaliteit beoordeeld. De Aanbestedingscommissie beoordeelt de documenten individueel en onafhankelijk van elkaar. De individuele scores worden vervolgens in de commissie besproken. De aanbestedingscommissie stelt per inschrijver de definitieve scores en motiveringen vast.

Fase 4. Beoordeling presentaties

In de derde fase zal de aanbestedende dienst een presentatie houden, waarbij ruim de gelegenheid is tot het stellen van vragen door de aanbestedende dienst. Aanwezigheid wordt van directielid, accountverantwoordelijke, de beoogd coördinator RMC, de MSP consulente/recruiter en de beoogd netwerkmakelaar.

Fase 5. Prijs-kwaliteit

Op basis van scores voor kwaliteit en de ingediende Inschrijfprijs worden de scores berekend. Wij hanteren voor deze aanbesteding een prijs-kwaliteitsverhouding waarbij prijs voor 40 procent en kwaliteit voor 60 procent worden meegenomen. Aan de Inschrijver met de hoogste score wordt voorlopig gegund.

Bij het onderdeel Prijs wordt de zwaarte van de subgunningscriteria bepaald door de aantallen die binnen dat onderdeel ingezet worden. Dit betekent de volgende verdeling:

Uitzenden 25%

Payroll 35%

Schaal 10 en hoger 40%

Binnen Schaal 10 en hoger is vervolgens de volgende verdeling van toepassing:

Schaal 10(A) 25%

Schaal11(A) 25%

Schaal 12 20%

Schaal 13 10%

Schaal 14 10%

Schaal 15 en hoger 10%

In uitzonderlijke gevallen kan het voorkomen dat een offerte na voorlopige gunning alsnog ongeldig wordt verklaard. In dit geval bestaat een kleine kans dat er een wijziging in de onderlinge rangorde van de overgebleven offertes optreedt. Dit betekent dat u na bekend making van de voorlopige gunning, geen rechten kunt ontlenen aan uw rangorde in deze voorlopige gunning.

Met die contractant (de beoogde opdrachtnemer) wordt de zogenaamde concretiseringsfase doorlopen. In die fase moet de beoogd opdrachtnemer aantonen dat hij die kwaliteit gaat leveren die hij heeft beloofd binnen de aangegeven planning en voor de opgegeven inschrijfprijs.

h. Scores voor kwaliteit

De beoordeling van kwaliteit vindt plaats op basis van dominante verschillen. Dit betekent dat de verschillende schriftelijke documenten en de presentaties als geheel een score van 2-4-6-8 of 10 toegekend krijgen. De scores kennen de volgende betekenis:

• 10: Uitstekend, naar het oordeel van het beoordelingsteam heeft Inschrijver een inhoudelijk relevant, toepasselijk en uitstekend antwoord gegeven. Alle gevraagde elementen en aspecten zijn volledig en inhoudelijk met aanzienlijke meerwaarde beantwoord.

• 8: Goed, Naar het oordeel van het beoordelingsteam heeft Inschrijver een inhoudelijke relevant, toepasselijk en goed antwoord gegeven. Alle gevraagde elementen en aspecten zijn volledig en inhoudelijk goed en met meerwaarde beantwoord.

• 6: Voldoende, Naar het oordeel van het beoordelingsteam heeft Inschrijver een inhoudelijk relevant, toepasselijk en voldoende antwoord gegeven. Alle gevraagde elementen en aspecten zijn volledig en inhoudelijk voldoende beantwoord.

• 4: Matig, naar het oordeel van het beoordelingsteam gaat Inschrijver slechts ten dele of beperkt inhoudelijk relevant in op de gevraagde elementen en aspecten Inschrijver geeft naar het oordeel van het beoordelingsteam matig inhoudelijk antwoord op de vraag.

• 2: Slecht, naar het onderdeel van het beoordelingsteam gaat Inschrijver zeer beperkt inhoudelijk relevant in op de gevraagde elementen en aspecten. Inschrijver geeft naar het oordeel van het beoordelingsteam geen inhoudelijk antwoord op de vraag.

De objectiviteit wordt op de volgende wijze gewaarborgd:

• De score wordt in eerste instantie individueel vastgesteld door de verschillende leden van de aanbestedingscommissie;

• Er wordt 1 score per onderdeel toegekend

• Vervolgens worden de scores intern vergeleken binnen de aanbestedingscommissie en wordt bij afwijkende scores dialoog gevoerd over de verschillen van inzicht;

• In consensus wordt door de aanbestedingscommissie uiteindelijk 1 score vastgesteld,

dus geen rekenkundig gemiddelde;

• De scores worden in eerste instantie absoluut bepaald (t.o.v. de vraagstelling), indien noodzakelijk om tot een ranking te komen, zullen ook de relatieve verschillen t.o.v. elkaar meegewogen worden.

De beoordeling van het onderdeel Kwaliteit wordt onderverdeeld in de volgende subgunningscriteria met bijbehorende wegingsfactoren:

• Invulling capaciteitsvragen, zie H6 en PvE (onderdeel 3), 20%

• Besparingsdoelstelling, zie H8 en H 1O, 10%

• Mate van ontzorging, zie H6 en H14, 10%

• VMS, zie H6 en H9, 20%

• Implementatie, zie H17, 10%

• Team en presentatie, H 11 en H16, 20%

• Uitvoering van de werkgeversrol H6b, 10%

2.12.

Potentiële inschrijvers hebben verschillende vragen gesteld over de puntentoekenning op het onderdeel prijs. Relevant zijn in ieder geval de volgende vragen en antwoorden (productie 3 dagvaarding).

1056437

ALGEMEEN Index formule om tot gunning van de beste prijs-kwaliteit verhouding te komen

Ter bepaling van de beste prijs-kwaliteit verhouding wordt meestal gebruik gemaakt van een formule of zgn. utility index Het is inschrijver nu niet duidelijk hoe mede 1n het kader van transparantie. de gunning op wordt berekend Kunt u deze formule toevoegen? Zo nee, waarom niet?

Het lijkt de aanbestedende dienst voldoende, zoals opgenomen in alle beschikbaar gestelde documenten.

1056455

Request for Proposal (RFP) Externe Inhuur IGOM en bijlage 3 tarievenblad Fase 5 Prijs-kwaliteit, pagina 15 en bijlage 3 tarievenblad

U noemt scoringspercentages voor de verschillende onderdelen Het is inschrijver echter niet duidelijk hoe de genoemde percentages zich verhouden tot het verstrekte tarievenblad aangezien daarin de verschillende prijsonderdelen zijn uitgesplitst. Kunt u een rekenvoorbeeld sturen per tabblad van "bijlage3 tarievenblad" hoe de totale beoordeling komt?

Zie Bijlage Toelichting Subgunningscriteria.

1065591

H16 fase 5

In de RFP Fase 5 Prijs - kwaliteit bespreekt u op welke wijze de zwaarte van uitzenden, payroll en het tarief vanaf schaalniveau 10 wordt gewogen met respectievelijk de percentage 25% / 35% / 40%. Het is inschrijver niet duidelijk op welke wijze dit wordt beoordeeld, zowel niet binnen de onderdelen alsmede de onderlinge relatie tussen de onderdelen. Kunt u een rekenvoorbeeld verschaffen op welke wijze u het onderdeel prijs beoordeeld?

De inschrijvingen op prijs worden beoordeeld op basis van de aantallen uren zoals benoemd In de RFP. Voor onderdeel 3 ligt daarbij de focus op schaal 10, 11 en 12.

1066527

Puntentoekenning

In het RFP heeft u aangegeven dat prijs voor 40% en kwaliteit voor 60%, meeweegt. Voor inschrijver is het echter onduidelijk hoe zwaar iedere uitgevraagde omrekenfactor meeweegt in de beoordeling en hoe u uiteindelijk de punten bepaalt. a. Kunt u aangeven hoe zwaar iedere omrekenfactor meeweegt in de totale score (bijvoorbeeld door de weging te baseren op het aantal werkelijke uren per omrekenfactor)? b. Kunt u voor alle vormen van inhuur een rekenvoorbeeld verstrekken zodat duidelijk is voor inschrijvers hoe de berekening van punten plaatsvindt? c. Kunt u aan de hand van een rekenvoorbeeld toelichten hoe u bepaalt welke partij de economisch meest voordelige inschrijving is? d. Indien a, b of c nee, graag uw toelichting.

Zie Bijlage Toelichting Subgunningscriteria. Aanvullend geldt, dat aantallen uren per onderdeel en functieschalen de uiteindelijke score bepalen in combinatie met de aangeboden omrekenfactoren en uurtarieven

1081000

Verduidelijking op antwoord 1056437

U geeft in uw antwoord op vraag 1056437 dat de bijlage subgunningscriteria voldoende inzicht geeft in de onderbouwing van de puntentoekenning op prijs. Ons inziens geeft uw huidige toelichting alleen verduidelijking op de verdeling % punten per onderdeel. Echter, hoe u komt tot een puntenuitkomst per tabblad In absolute zin en ten opzichte van andere Inschrijvers, is ons niet duidelijk. Kunt u dit inzicht verschaffen? Wij maken u erop attent dat de wijze waarop u uw score bepaalt op het prijzenblad altijd volledig transparant en objectief dient te zijn om niet in strijd te zijn met de aanbestedings-grondbeginselen.

Naar mening van aanbestedende dienst is de puntentoekenning voldoende duidelijk. De gemiddelde totale prijs (aantallen x opgegeven factoren, opslagen en tarieven) wordt gezet op score 6, de afwijking tov de gemiddelde totale prijs, geeft de score voor het onderdeel Prijs.

De Bijlage Toelichting Subgunningscriteria, waar in verschillende antwoorden naar wordt verwezen, geeft ten aanzien van de prijs geen andere informatie dan in het hiervoor geciteerde deel van hoofdstuk 16 (§ fase 5 prijs-kwaliteit) staat ten aanzien van de drie groepen inhuur.

3 Het geschil

3.1.

Driessen vordert verkort weergegeven dat de voorzieningenrechter IGOM:

1) PRIMAIR

( a) gebiedt om binnen 48 uur na de datum van het vonnis de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken;

( b) verbiedt de opdracht definitief aan Solvus te gunnen;

( c) gebiedt de opdracht te staken en gestaakt te houden en om binnen twee weken na de datum van het vonnis voor deze opdracht een heraanbesteding te organiseren, voor zover IGOM dezelfde (of niet-wezenlijk gewijzigde) opdracht, nog altijd wenst te gunnen.

SUBSIDIAIR

( a) gebiedt om binnen 48 uur na de datum van het vonnis de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken;

( b) gebiedt om binnen twee weken na de datum van het in deze te wijzen vonnis de in het kader van de aanbestedingsprocedure gedane geldige inschrijvingen te laten beoordelen door een nieuw beoordelingsteam die onafhankelijk is van IGOM, met in achtneming van het in deze te wijzen vonnis;

( c) gebiedt om binnen twee weken na de hiervoor gevorderde herbeoordeling (subsidiair onder (b)) een nieuwe voorlopige gunningsbeslissing te nemen.

MEER SUBSIDIAIR

( a) gebiedt om binnen 48 uur na de datum van het vonnis de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken;

( b) gebiedt om binnen twee weken na de datum van het vonnis, de in het kader van de aanbestedingsprocedure gedane geldige inschrijvingen te laten beoordelen door een nieuw door IGOM samen te stellen en onbevooroordeeld beoordelingsteam, met in achtneming van het vonnis;

( c) gebiedt om binnen twee weken na de hiervoor gevorderde herbeoordeling (subsidiair onder (b)) een nieuwe voorlopige gunningsbeslissing te nemen.

MEER, MEER SUBSIDIAIR

( a) gebiedt om binnen 48 uur na de datum van het vonnis de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken;

( b) gebiedt om binnen twee weken na de datum van het in deze te wijzen vonnis de in het kader van de aanbestedingsprocedure ingediende inschrijving(en) opnieuw te laten beoordelen met in achtneming van het vonnis;

( c) te gebieden om binnen twee weken na de hiervoor gevorderde herberekening (meer subsidiair onder (b)) een nieuwe voorlopige gunningsbeslissing te nemen.

MEER, MEER, MEER SUBSIDIAIR

( a) gebiedt om binnen twee weken na de datum van het in deze te wijzen vonnis aan Driessen een nadere motivering en alle relevante informatie te verschaffen die nodig is voor de toetsing van de beoordeling door IGOM van de inschrijving van Driessen ten opzichte van de inschrijving van Solvus met gelijktijdige bepaling van een nieuwe termijn van ten minste 20 dagen waarbinnen IGOM niet de concretiseringsfase zal starten.

NOG MEER SUBSIDIAIR

dan wel dat de voorzieningenrechter een andere voorlopige voorziening zal treffen die passend wordt geacht en die recht doet aan de belangen van Driessen.

2) IN ALLE GEVALLEN

Te bepalen dat IGOM bij de niet nakoming van ieder afzonderlijk opgelegd verbod, gebod, veroordeling of anderszins steeds een dwangsom van € 100.000,00 verbeurt voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, en/of iedere keer, dat IGOM de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van het vonnis niet nakomt,

3) IN ALLE GEVALLEN

IGOM te veroordelen tot betaling aan Driessen:

( a) de nakosten, als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis; en

( b) de kosten van deze procedure vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis.

3.2.

Driessen legt, kort gezegd, aan de vordering ten grondslag dat de beoordelingssystematiek intransparant en ondeugdelijk is op de onderdelen prijs en kwaliteit en dat als gevolg daarvan de aanbesteding niet volgens de regels is verlopen.

  • -

    De berekening van de gemiddelde prijs en de vertaalslag van de totaalscore naar het cijfer zijn niet transparant: de factor -0.1 waarmee is vermenigvuldigd, heeft geen basis in de aanbestedingsstukken.

  • -

    De beoordelingssystematiek is ondeugdelijk: er is geen maximumscore voor de prijs, de scores op de verschillende subgunningscriteria van de prijs zijn niet kenbaar gemaakt.

  • -

    De beoordelingssystematiek op kwaliteit is niet transparant: de (sub)gunningscriteria zijn zeer ruim geformuleerd, de weging van het tarievenboek is niet duidelijk.

  • -

    De beoordelingscommissie heeft fouten gemaakt inzake de scores.

  • -

    De motivering is onvoldoende.

Driessen stelt dat in geval niet tot heraanbesteding, maar tot herbeoordeling moet worden overgegaan, de herbeoordeling moet worden uitgevoerd door een nieuwe beoordelingscommissie. Op een andere manier kan de objectiviteit niet gewaarborgd worden.

Driessen stelt spoedeisend belang bij en recht op de gevraagde voorziening te hebben.

3.3.

IGOM voert verweer. Kern van het verweer is dat de potentiële inschrijvers alle informatie op het subgunningscriterium prijs en kwaliteit hadden, die nodig was om in te schrijven en de beoordeling te kunnen controleren.

Ook als de factor -0.1 niet wordt toegepast, blijft de winnaar van de aanbesteding dezelfde partij. Erkend wordt dat de beoordelingscommissie aanvankelijk een onjuiste puntentoekenning heeft gehanteerd, maar dit is hersteld door een herbeoordeling uit te voeren. Ook met de nieuwe beoordeling en puntentoekenning van het subgunningscriterium kwaliteit, blijft de winnaar van de aanbesteding dezelfde partij.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De spoedeisendheid vloeit voort uit de aard van zaak.

4.2.

Aan de orde is de vraag of de wijze waarop het beoordelingsregime is beschreven en uitgevoerd, voldoet aan de eis van transparantie: de aanbestedende dienst dient zodanig te handelen dat het voor potentiële gegadigden van te voren duidelijk is welke eisen worden gesteld, hoe wordt getoetst of gewogen of is voldaan aan de eisen en wat het beoogde resultaat is. Hierbij moet de aanbestedende dienst zodanig handelen dat achteraf aangetoond kan worden dat wat van tevoren is gemeld ook daadwerkelijk zo is gebeurd.

4.3.

Bij mededeling van de gunningsbeslissing in een reguliere Europese aanbestedingsprocedure, zoals hier aan de orde, dient de aanbestedende dienst “alle relevante redenen” te melden. Daartoe behoren op grond van artikel 2.130 lid 2 Aanbestedingswet 2012 de “kenmerken en voordelen van de uitgekozen inschrijving”. Het beginsel van transparantie vereist (onder meer) dat de uiteindelijke beslissing zo wordt gemotiveerd dat inschrijvers de wijze van beoordeling kunnen toetsen en kunnen controleren of de beoordeling de gunningsbeslissing rechtvaardigt.

De bepaling van de score op het onderdeel prijs

De factor -0.1

4.4.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de in de door IGOM uitgevoerde scorebepaling gehanteerde vermenigvuldigingsfactor -0.1 niet uit de aanbestedingsstukken blijkt. Dit hoeft geen beletsel te zijn om de factor toch te mogen hanteren, indien iedere behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende potentiële inschrijver wist of kon weten dat in dit soort score-formules deze factor wordt toegepast.

4.5.

IGOM stelt (1) dat om de afwijking ten opzichte van het gemiddelde te vertalen van een percentage naar een cijfer de gangbare statische methode van het berekenen van de standaarddeviatie is gehanteerd, en (2) dat om een afwijkingspercentage ten opzichte van het gemiddelde in een cijfer te vertalen de percentages zijn vermenigvuldigd met -0.1.

Driessen betwist dat de factor -0.1 gangbaar is en dat geen van de inschrijvers dit hoefde te verwachten.

4.6.

IGOM laat na concreet te onderbouwen waarop haar stellingen zijn gebaseerd en enige andere voldoende duidelijke, zekere en rechtsgeldige bron waaruit een en ander blijkt, is niet te vinden. Het bepalen van de score met gebruikmaking van de factor -0.1 is dan ook niet toegestaan.

Ter zitting heeft IGOM een berekening gemaakt van de eindscore op het onderdeel prijs zonder toepassing van de factor -0,1 en heeft IGOM geconcludeerd dat met de nieuw berekende score op prijs de totaalscore (prijs-kwaliteit) van Driessen ook lager is dan die van Solvus, zodat het al dan niet hanteren van de factor voor de uitkomst van de gunning niet uitmaakt.

Driessen heeft de ter kort geding zitting naar voren gebrachte herberekening van haar score op het onderdeel prijs en de conclusie voor het eindresultaat niet betwist.

4.7.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat IGOM de factor -0.1 niet achteraf had mogen introduceren in de bepaling van de score op het onderdeel prijs. Er is echter geen aanleiding om te moeten oordelen dat (alleen al) vanwege het ten onrechte hanteren van een van te voren onbekende factor in de berekening van de score op prijs heraanbesteed moet worden. Bij een juiste toepassing van de berekening van de prijsscore op basis van de wel van te voren bekende gegevens, wijzigt de uitkomst van de aanbesteding immers niet.

De uren per fase inzake subgunningscriterium uitzenden/detacheren

4.8.

Tussen partijen is niet in discussie dat uit het prijzenblad dat moet worden ingevuld blijkt van een onderverdeling per functie (BV1, administratief/ondersteund, en BV2, uitvoerend/technisch) en per fase (A, tot en met 78 weken, en B, vanaf 78 weken met maximaal 4 jaar en 6 contracten). Driessen heeft geen punt gemaakt van de onderverdeling 100.000 uur zonder extra – 100.000 uur met extra – 6.000 uur, zodat de voorzieningenrechter bij de beoordeling daarvan uitgaat. Driessen heeft ter zitting voorts niet betwist dat in de markt bekend is of bekend verondersteld mag worden dat de inhuur voor het overgrote deel uit administratief/ondersteund personeel bestaat, noch heeft zij betwist dat de omrekenfactoren en opslagen tot stand zijn gekomen op basis van de marktkennis van de inschrijver(s) inzake in de markt voor inhuur van (semi)overheidsdiensten gebruikelijke uren en fasen en dat voorts daarop hun kostprijsmodel is gebaseerd (zie in dit verband voetnoot 12 pleitnota van IGOM).

Tussen partijen is ook geen punt van debat dat voor de berekening van de prijs op deze 5 groepen de omrekeningsfactor vermenigvuldigd moet worden met het voor de groep betreffende urenaantal.

4.9.

Driessen stelt zich op het standpunt dat pas uit productie 3 en 4 van IGOM, de fictief ingevulde gunningmatrix, blijkt wat de urenaantallen per fase/functiegroep zijn. Driesen stelt dat zij verschillende vragen heeft gesteld over de verdeling, maar naar haar mening geen behoorlijk antwoord kreeg.

4.10.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat in beginsel alle in de door IGOM in haar productie 3 uitgevoerde scorebepaling gehanteerde urenaantallen en omrekenfactoren en opslagen bij subonderdeel uitzenden per fase (A-BV 1, B-BV 1, A-BV 2, B-BV 2 en vakantiekrachten) fictieve cijfers betreffen. IGOM heeft echter in reactie op de opmerkingen van Driessen dat de uren per fase/functie vooraf niet bekend waren of konden zijn, niet gesteld dat de gehanteerde onderverdeling in uren op dit onderdeel niet overeenstemt met de werkelijkheid. Dat deze gegevens (bijvoorbeeld 36.000 uur fase A BV1) volgens Driessen niet kunnen worden herleid uit het totaal aantal uren (206.000 uren) en de wegingsfactor (25%) wordt door IGOM overigens ook niet weersproken. IGOM stelt zich thans op het standpunt dat er in de inlichtingenfase geen vragen zijn gesteld over uren en fasen en dat Driessen na de tweede Nota van Inlichtingen ook geen vragen meer heeft gesteld te dien aanzien.

4.11.

Voorshands staat vast dat in de inlichtingenfase geen specifieke vragen over urenaantallen in relatie tot de fasen/functiegroepen bij subonderdeel 1 uitzenden/detacheren zijn gesteld. Dit had op basis van het tarievenblad en de antwoorden op verschillende vragen wel op de weg van Driessen gelegen, omdat klaarblijkelijk zonder urenaantal de prijs niet berekend kan worden per fase/functie. Uit vraag 1065587 (basisinformatie ter berekening tarief, eerste NvI) blijkt dat vragen zijn gesteld over fasen en urenaantallen om tot een “gedegen financieel aanbod” te kunnen doen inzake subonderdeel 2 payroll en subonderdeel 3 vanaf schaalniveau 10. Het antwoord op deze vraag in combinatie gelezen met het antwoord op vraag 1066527 (puntentoekenning, eerste NvI) waar voor het eerst in de stukken een toelichting wordt gegeven op de vaststelling van de prijsscore: “Aanvullend geldt, dat aantallen uren per onderdeel en functieschalen de uiteindelijke score bepalen in combinatie met de aangeboden omrekenfactoren en uurtarieven.” had voor Driessen aanleiding moeten zijn om specifieke vragen over de uren op faseniveau en functieniveau te stellen inzake subonderdeel 1 uitzenden/detachering.

4.12.

Driessen baseert haar betoog volledig op het feit dat zij vooraf geen inzicht heeft in de urenaantallen en dat zij achteraf geconfronteerd wordt met urenaantallen per fase (c.q. schaal), zoals die blijken uit productie 3 en 4 van de zijde van IGOM. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit inzicht in de inlichtingenfase verkregen had kunnen worden door het stellen van (de juiste) vragen. Nu dit niet is gebeurd, kan niet worden volgehouden dat het beoordelingssysteem niet transparant is.

De voorzieningenrechter voegt daaraan toe dat omdat in dit geval sprake is van twee inschrijvers de onderlinge verhouding gelijk blijft onafhankelijk van het aantal uren dat wordt gehanteerd. Driessen zal als laagste aanbieder op het onderdeel prijs altijd het beste scoren.

4.13.

Er is geen aanleiding om te moeten oordelen dat vanwege het hanteren van urenaantallen die van te voren niet gedeeld zijn met de potentiële inschrijvers heraanbesteed moet worden. Bij een correcte toepassing van de door de inschrijvers opgegeven omrekenfactoren en opslagen (uren x factor /opslag) ligt de onderlinge verhouding op de prijs van de aanbesteding met deze twee inschrijvers vast. De stelling dat er geen maximumprijs is bepaald maakt dat niet anders.

De bepaling van de score op het onderdeel kwaliteit

4.14.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie de volgende uitgangspunten bij de beoordeling van kwalitatieve criteria hebben te gelden.

De voorzieningenrechter komt slechts een beperkte toetsingsvrijheid toe wanneer het aankomt op de beoordeling van een kwalitatief criterium. Aan de aangewezen beoordelingscommissie, waarvan de deskundigheid in beginsel moet worden aangenomen, moet dienaangaande de nodige vrijheid worden gegund, mede waar van een rechter niet kan worden verlangd dat deze specifieke deskundigheid bezit op het gebied van het onderwerp van de opdracht. In beginsel is het daarom niet aan de voorzieningenrechter om kwalificaties aan onderdelen van de inschrijving te verbinden, zoals uitstekend of goed, of het equivalent daarvan in puntenscores. Er is alleen plaats voor ingrijpen door de rechter indien sprake is van een onbegrijpelijke beoordeling, dan wel procedurele of inhoudelijke onjuistheden/onduidelijkheden, die zouden kunnen meebrengen dat de gunningsbeslissing niet deugt. Voorts geldt dat enige mate van subjectiviteit inherent is aan de beoordeling van een kwalitatief criterium. Weliswaar staat dat (enigszins) op gespannen voet met de objectieve beoordelingssystematiek van het aanbestedingsrecht en de daarop toepasselijke beginselen van transparantie en gelijke behandeling, maar het behoeft – op zichzelf – nog niet mee te brengen dat ook daadwerkelijk sprake is van strijd met dat recht dan wel die beginselen.

4.15.

Van belang is dat (i) het voor een kandidaat-inschrijver duidelijk is wat van hem wordt verwacht, (ii) de inschrijvingen aan de hand van een zo objectief mogelijk systeem worden beoordeeld, en (iii) de gunningsbeslissing zodanig inzichtelijk wordt gemotiveerd dat het voor de afgewezen inschrijver(s) mogelijk is om de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen.

Verder is van belang dat – in geval van een beoordelingssystematiek zoals hier aan de orde – van een inschrijver mag worden verwacht dat hij in eigen bewoordingen aangeeft op welke wijze hij de verlangde kwaliteit gaat leveren. Daarmee wordt hij in de gelegenheid gesteld zich te onderscheiden van de andere inschrijvers en aldus zijn meerwaarde aan te tonen. Mede gelet hierop behoeft een aanbestedende dienst dan ook niet aan te geven wat nodig is om een maximale score op een criterium te behalen. Hieraan is inherent dat een inschrijvende partij de ruimte wordt geboden om op eigen wijze aan te geven hoe hij de gewenste kwaliteit invult. Daardoor wordt hij optimaal gestimuleerd om inventief in te schrijven en kenbaar te maken begrip en inzicht te hebben voor/in die aspecten van de opdracht die volgens hem relevant zijn voor de aanbestedende dienst.

4.16.

De kern van de bezwaren van Driessen ziet juist op hetgeen net naar voren is gebracht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er met hantering van de net genoemde maatstaven, geen plaats is voor ingrijpen. Driessen heeft namelijk de uiteindelijke puntenscore niet meer betwist en inzake de (uiteindelijk) gegeven motivering heeft zij evenmin voldoende feitelijk aannemelijk gemaakt dat sprake is van een onbegrijpelijke beoordeling, noch is voorshands aannemelijk gemaakt dat sprake is van procedurele of inhoudelijke onjuistheden/onduidelijkheden, die zouden kunnen meebrengen dat de gunningsbeslissing niet deugt.

4.17.

Er is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voldoende aanleiding om op grond van hetgeen naar voren is gebracht te moeten oordelen dat er heraanbesteed of herbeoordeeld moet worden.

De proceskosten

4.18.

Driessen zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van IGOM. Deze worden begroot op € 1.619,00, te weten € 639,00 aan griffierecht en

€ 980,00 aan salaris advocaat.

De nakosten en rente worden toegewezen als bepaald in het dictum.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt Driessen in de kosten van het geding aan de zijde van IGOM begroot op € 1.619,00, vermeerderd met de nakosten ad € 157,00, indien wel aanschrijving en geen betekening van het vonnis plaatsvindt en ad € 246, indien betekening plaatsvindt, en met de wettelijke rente, als bedoeld in artikel 6:19 Burgerlijk Wetboek, vanaf 14 dagen na de betekening van het vonnis tot aan de dag van algehele betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskosten veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: EvB coll: