Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:7499

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-08-2019
Datum publicatie
19-08-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1274
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:2032, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Betreft beroep tegen de afwijzing van een verzoek om vergoeding van planschade als gevolg van het Provinciaal Inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg 2012 wegens actieve risicoaanvaarding. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanleg van een weg met vier rijstroken ten oosten van eisers woning ten tijde van de aankoop van de woning in 2006 was te verwachten. Verder is niet in geschil dat de waardevermindering van eisers woning volledig toegeschreven dient te worden aan de aanleg van een rotonde bij de woning van eiser. De rechtbank volgt verweerder niet in diens standpunt dat ook de aanleg van de rotonde op basis van de Startnotitie tracé/m.e.r. BPL Parkstad van 5 september 2000 en het Pol 2001 met de daarbij behorende kaarten voor eiser voorzienbaar was en verklaart het beroep gegrond. De rechtbank volgt verweerder verder niet in diens subsidiaire standpunt dat een normaal maatschappelijk risico van 4% dient te worden gehanteerd. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en stelt het normaal maatschappelijk risico vast op 3% en bepaalt de hoogte van de tegemoetkoming die verweerder aan eiser dient te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2019-0157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 18/1274

uitspraak van de meervoudige/enkelvoudige kamer van 15 augustus 2019 in de zaak tussen

[naam 1], te [woonplaats], eiser,

(gemachtigde: mr. G.H. Blom),

en

het college van Gedeputeerde Staten van Limburg, verweerder,

(gemachtigden: mr. M. Kloth, mr. T.E.F. Reijnders en mr. M.G. Nielen).

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 24 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar dat eiser tegen het primaire besluit heeft gemaakt, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2019.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens de Schadecommissie BPL Parkstad Limburg (de Schadecommissie) is [naam 2] verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 10 mei 2016 bij verweerder een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming in planschade als gevolg van het inwerkingtreden van het Provinciaal Inpassingsplan BPL Parkstad Limburg 2012 (PIP BPL). Hij heeft daarbij onder meer vermeld dat hij de woning aan de [adres] in [plaatsnaam] op 11 juni 2006 heeft gekocht en in eigendom heeft verkregen.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser voor advies voorgelegd aan de Schadecommissie. De Schadecommissie heeft verweerder geadviseerd om aan eiser een tegemoetkoming in planschade toe te kennen van € 3.400,00 te vermeerderen met de wettelijke rente. De Schadecommissie heeft vastgesteld dat de grens van het PIP BPL op ongeveer 80 meter afstand van het perceel van aanvrager aan de [adres] in [plaatsnaam] ligt en dat deze gronden onder het voorgaande planologisch regime de bestemming “Groenvoorzieningen” hadden met de aanduiding (V). Dit hield in dat de gronden bebouwd mochten worden met diverse kleine gebouwtjes ten behoeve van een volkstuinencomplex. Dit maakte plaats voor een inrichting van dit gebied conform het PIP BPL, waarin de gronden voor “Verkeer” zijn bestemd. De inrichting van de tot “Verkeer” bestemde gronden moet plaatsvinden volgens de op de verbeelding bij het PIP BPL aangeduide dwarsprofielen. Ter hoogte van het object van eiser is geen dwarsprofiel op de verbeelding opgenomen. Feitelijk is ter hoogte van de Burg. Franssenstraat een rotonde voorzien. De Schadecommissie is van mening dat de planologische wijziging van de indeling van het gebied een rustiger beeld geeft en dat er visueel geen sprake is van een verslechterde situatie. Uitzichtschade is er dus niet volgens de Schadecommissie. Voorheen lag op een afstand van ruim 170 meter van eisers perceel de Dentgenbachweg, welke weg destijds ook als zodanig bestemd was. Onder het nieuwe regime komt op circa 80 meter afstand een rotonde te liggen die hoofdzakelijk zal dienen als ontsluiting voor het bedrijventerrein aan de Tunnelweg. Het akoestisch klimaat zal door de aanleg van de rotonde significant (toename van 6,5 dB) verslechteren. Qua luchtkwaliteit zal een redelijk en handelend koper volgens de Schadecommissie niet een lagere prijs over hebben voor eisers perceel als gevolg van de nieuwe rotonde. Ten aanzien van de situeringswaarde stelt de Schadecommissie zich op het standpunt dat die nadelig wordt beïnvloed door de komst van de rotonde achter eisers woning en door de schaalvergroting van de infrastructuur in het gebied. Als gevolg van genoemde schadefactoren is de waarde van eisers object vóór en na de peildatum, 11 maart 2015, volgens de Schadecommissie verminderd met € 6.000,00 (€ 130.000,00 -/-

€ 124.000,00). Omdat sprake is van de aanleg van een nieuwe rotonde en het voormalige volkstuinencomplex totaal is heringericht, stelt de Schadecommissie het normaal maatschappelijk risico vast op het wettelijk forfait van 2% (€ 2.600,00), waardoor voor tegemoetkoming in aanmerking komt € 3.400,00 (€ 6.000,00 -/- € 2.600,00). Ten aanzien van de voorzienbaarheid stelt de Schadecommissie vast dat eiser het object in mei 2006 heeft gekocht en op 11 juli 2006 in eigendom heeft verkregen en dat de vraag voorligt of eiser destijds op basis van concrete beleidsvoornemens rekening had behoren te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse nadelig kon veranderen. In dat kader vermeldt de Schadecommissie dat de provincie op 29 juni 2001 het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL 2001) heeft vastgesteld, waarin is opgenomen dat de bereikbaarheid van Parkstad Limburg aanmerkelijk verbeterd kan worden door het realiseren van een BPL. In verband daarmee is (eerder) onderzoek gedaan naar het nut en de noodzaak van de weg in de Tracénota/MER BPL Parkstad Limburg, fase 1 van 5 september 2000. Daarin zijn alternatieven voor de situering van de BPL opgenomen die uiteindelijk zijn vertaald in corridors. Binnen deze corridors zou nadien het definitieve tracé bepaald moeten worden. Op de kaart bij het POL 2001 is de corridor aangegeven waarbinnen het tracé van de BPL Parkstad Limburg (de buitenring) bepaald moest worden. Uit die kaart had eiser volgens de Schadecommissie kunnen afleiden dat de Dentgenbachweg meegenomen zou worden in het beoogde gebied waar de buitenring zou komen te liggen. Uit het POL 2001 kan echter niet worden opgemaakt dat het voormalige volkstuinencomplex ook onderdeel zou gaan uitmaken van de buitenring en dat aldaar een verkeersvoorziening zou komen. De Schadecommissie is van mening dat de waardevermindering van het object van eiser volledig is toe te schrijven aan deze rotonde en dat deze ontwikkeling ten tijde van de aankoop voor eiser niet was te voorzien.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder volgt het advies van de Schadecommissie niet ten aanzien van de voorzienbaarheid. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ook de rotonde op basis van de Startnotitie tracé/m.e.r. BPL Parkstad en het POL 2001 voor eiser voorzienbaar was ten tijde van de aankoop van het object op 11 mei 2006. Daarin zijn niet alleen de corridors opgenomen, waarbinnen in een later stadium het precieze tracé is bepaald, maar is ook vermeld dat er aanvullende maatregelen op het lokale wegennet nodig zullen zijn om de beoogde afname van de verkeersdruk te realiseren. Daarvan uitgaande had een redelijk handelend koper op 11 juni 2006 rekening moeten houden met het risico dat infrastructurele maatregelen zouden worden gerealiseerd in de nabijheid van de woning. Dat geldt volgens verweerder temeer nu direct ten zuiden van de woning de bestaande Kerkradersteenweg ligt en direct ten noorden een bestaand bedrijventerrein, en de middels het PIP BPL mogelijk gemaakte rotonde de logische resultante is van het feit dat de bestaande weg en het bedrijventerrein op de nieuwe provinciale weg moeten worden aangesloten. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) stelt verweerder dat eiser rekening had kunnen houden met de aanleg van een rotonde nu voor het aannemen van risicoaanvaarding niet is vereist dat de schadeveroorzakende maatregel tot in detail is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen met nauwkeurigheid kan worden bepaald. De schade dient daarom volledig voor rekening van eiser te blijven.

3.1.

Daarnaast heeft verweerder nog een (subsidiair) standpunt ingenomen over de hoogte van het normaal maatschappelijk risico dat volgens hem 4% (in plaats van het wettelijk minimum) zou moeten bedragen. Daartoe overweegt verweerder dat sprake is van een normale maatschappelijke ontwikkeling die past binnen het beleid. Dit geldt ook voor de rotonde ten noordoosten van eisers woning omdat die onderdeel uitmaakt van de parallelstructuur die noodzakelijk is voor de ontsluiting van het noordelijk gelegen bedrijventerrein op de Kerkradersteenweg en de buitenring. De Dentgenbachweg voorzag in die ontsluiting en het is logisch te veronderstellen dat als die weg (deels) wordt vervangen door de buitenring, zoals voorzien in het beleid, een bepaalde parallelstructuur noodzakelijk zal zijn om het bedrijventerrein te blijven ontsluiten. Op de locatie van de rotonde vigeerde voorheen een groenbestemming, die de realisatie van een volkstuinencomplex nabij de woning van eiser mogelijk maakte. Verder past de rotonde ook niet volledig binnen de structuur van de omgeving, aldus verweerder. De rotonde is echter wel een noodzakelijk en logisch uitvloeisel van de reconstructie van de Dentgenbachweg en past wat dat betreft wel in de ruimtelijke structuur. Omdat de rotonde landschappelijk wordt ingepast is de afwijking van de structuur van de omgeving daarmee uitermate gering volgens verweerder. Er zijn verder geen individuele omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven tot het verlagen of verhogen van de drempel van 4%, aldus verweerder.

4. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar door verweerder bij het bestreden besluit ongegrond is verklaard.

5. Eiser voert in beroep onder verwijzing naar het in bezwaar ingebrachte rapport van Tog Nederland B.V. (Tog) van 31 oktober 2017 en een rapport van Tog van 18 mei 2018 aan dat eiser ten onrechte voorzienbaarheid wordt tegengeworpen. Met de beoordeling van de schadeaspecten (geluid en situeringswaarde) en de taxatie van de schade kan eiser wel instemmen. Eiser kon uit het POL 2001 niet of in onvoldoende mate afleiden dat het voormalige volkstuinencomplex ook onderdeel uit zou gaan maken van de BPL en dat daar eveneens een verkeersbestemming gerealiseerd kon gaan worden. In het POL 2001 waren die gronden immers aangeduid als ‘Stedelijke groenzone (P8)’ en die komen volgens de definitie in het POL 2001 voor tussen bestaande stedelijke sportcomplexen, en anderzijds landbouwgronden waar (in de toekomst) sprake kan zijn van de realisatie van mensgerichte natuur, multifunctioneel bos, openluchtrecreatie en sport. De gronden die in het POL 2001 zijn voorzien van de aanduiding ‘corridor BPL Parkstad’ bevinden zich op betrekkelijk ruime afstand ten noordoosten en oosten van eisers woning. Het gaat volgens eiser te ver om te veronderstellen dat hij rekening moest houden met een rotonde op de gekozen locatie omdat binnen de aanduiding ‘corridor BPL Parkstad’ al een forse ruimtereservering is opgenomen ten behoeve van bij de hoofdinfrastructuur behorende aansluitingen en/of voorzieningen. Eiser betoogt verder dat er geen concrete beleidsvoornemens openbaar zijn gemaakt waaruit hij kon afleiden dat ten noordoosten van zijn woning in de realisatie van een rotonde zou worden voorzien. Omdat binnen de corridor nog een definitieve keuze moest worden gemaakt, was de wijze waarop aansluitingen op het definitieve tracé vormgegeven zouden worden extra onzeker.

5.1.

Eiser kan zich verder ook niet verenigen met het subsidiair gehanteerde normaal maatschappelijk risico van 4%. Verweerder heeft weliswaar uitgebreid uiteengezet waarom de komst van de BPL was te verwachten, maar die argumenten zijn niet van toepassing op de komst van een rotonde vlak bij zijn woning. De aanleg van een rotonde op die plaats lag op grond van het POL 2001 niet alleen niet in de lijn der verwachtingen maar past ook niet binnen de ruimtelijke structuur nu op die gronden voorheen een groen- en natuurbestemming rustte en die gronden feitelijk in gebruik waren als volkstuin. Volgens eiser zou het normaal maatschappelijk risico in dit geval niet tot een aftrek van meer dan 3% mogen leiden. Eiser verzoekt het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen en verweerder te veroordelen in de proceskosten, waaronder de deskundigenkosten, waarvan de nota’s zijn bijgevoegd.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Actieve risicoaanvaarding

8. De voorzienbaarheid van een planologische wijziging dient beoordeeld te worden aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de investeringsbeslissing, bijvoorbeeld ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak, voor een redelijk denkend en handelend koper, aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft (uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:757). Om op grond van een concreet beleidsvoornemen voorzienbaarheid te kunnen aannemen, moet een redelijk denkend en handelend koper uit de openbaarmaking daarvan kunnen begrijpen op welk gebied dat beleidsvoornemen betrekking heeft, wat de zakelijke inhoud ervan is, en dat hij van de inhoud ervan kan kennisnemen (uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3715).

9. Voor het aannemen van voorzienbaarheid is niet vereist dat verwezenlijking van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel volledig en onherroepelijk vaststaat, of dat deze maatregel in detail is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen met nauwkeurigheid kan worden bepaald. Beslissend is of op het moment van investering de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat hiermee bij de beslissing tot investering rekening kon worden gehouden (uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:763). Bij het bepalen van de voorzienbaarheid van de schade komt geen betekenis toe aan de grootte van de ten tijde van de beslissing tot investering bestaande kans dat de schade niet zou ontstaan (uitspraak van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1049). Een redelijk denkend en handelend koper hoeft bij de keuze voor een bepaald in een startnotitie uitgewerkt tracé niet zonder meer rekening te houden met de aanleg van bijkomende infrastructurele werken. Beslissend is of de aanleg van die werken op het moment van de aankoop van de woning door de verzoeker om planschade voorzienbaar was (uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3090).

10. Indien de planschade voorzienbaar is, blijft deze voor rekening van de koper, omdat hij in dat geval wordt geacht de mogelijkheid van verwezenlijking van de negatieve ontwikkeling ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak te hebben aanvaard (uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW8135).

11. Met het oog op de beoordeling van de voorzienbaarheid dient het bestuursorgaan een vergelijking te maken tussen de ruimtelijke gevolgen van het planologische regime waarvan gesteld wordt dat het planschade heeft veroorzaakt en de ruimtelijke gevolgen van de voor de aanvrager meest ongunstige uitwerking van de in het beleidsvoornemen bedoelde ontwikkelingsmogelijkheden (uitspraak van de Afdeling van 30 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4047).

12. Actieve risicoaanvaarding mag niet worden tegengeworpen bij rechtsopvolging onder algemene titel of daarmee gelijk te stellen wijzen van verkrijging (uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9702).

13. Verweerder heeft bij de behandeling van het beroep ter zitting verklaard dat uit de gegevens in het kadaster blijkt dat eisers moeder na het overlijden van haar echtgenoot als enig eigenaar is geregistreerd. Eiser heeft de woning in 2006 onder bijzondere titel verkregen en is toen als eigenaar in het kadaster geregistreerd. Eiser heeft de juistheid van het vorenstaande niet weersproken en de rechtbank is van oordeel dat verweerder voor de peildatum voor de voorzienbaarheid terecht is uitgegaan van de aankoopdatum in mei 2006.

14. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanleg van een een weg met vier rijstroken ten oosten van eisers woning al in 2006 was te verwachten. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de waardevermindering van eisers woning geen gevolg is van de aanleg van de BPL, maar van de rotonde ten noordoosten van zijn woning. De rotonde is op 140 meter afstand van eisers woning gesitueerd en dient ter ontsluiting van het noordelijk van eisers woning gelegen bedrijventerrein Dentengenbach op de Kerkradersteenweg en de BPL. Partijen verschillen van mening over de vraag of de aanleg van de rotonde aldaar op het moment van aankoop van de woning in mei 2006 voorzienbaar was voor eiser. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op basis van de Startnotitie tracé/m.e.r. BPL Parkstad van 5 september 2000 en het POL 2001 dat op 29 juni 2001 is vastgesteld, voor eiser niet alleen voorzienbaar was dat de buitenring ten oosten van zijn woning zou worden gerealiseerd, maar dat dit ook geldt voor deze rotonde. De rotonde ligt weliswaar niet binnen de locaties van de in de startnotitie en in het POL beschreven alternatieven voor de situering van de BPL maar volgens verweerder diende een redelijk denkend en handelend koper tevens rekening te houden met de aanleg van parallelstructuur die moest zorgen voor ontsluiting van het bedrijventerrein Dentgenbach op de Kerkradersteenweg en op de buitenring. De Dentgenbachweg voorzag voorheen in ontsluiting van het bedrijventerrein en deze weg is gereconstrueerd door de realisatie van de buitenring. De aanleg van de rotonde ter ontsluiting van het bedrijventerrein is volgens verweerder een noodzakelijk en logisch uitvloeisel van de reconstructie van de Dentgenbachweg in verband met de aanleg van de BPL en was daarom voorzienbaar ten tijde van de aankoop van de woning.

15. De rechtbank volgt verweerder niet in diens betoog dat de aanleg van de rotonde ten noordoosten van eisers woning op basis van de Startnotitie tracé/m.e.r. BPL Parkstad van 5 september 2000 en het Pol 2001 met de daarbij behorende kaarten voor eiser voorzienbaar was. Dat de ten zuiden van eisers woning gelegen Kerkradersteenweg moest gaan aansluiten op de BPL en de enkele vermelding dat de aanleg van de ring gevolgen zou kunnen hebben voor aansluitingen daarop, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Dat geldt ook voor de vermelding dat overige aanvullende maatregelen nodig zouden zijn om de beoogde afname van de verkeersdruk op het lokale wegennet te realiseren. Een concreet aanknopingspunt dat ter plaatse van zijn woning een aansluiting zou kunnen komen, kan daaruit niet worden afgeleid. De rechtbank vermag verder niet in te zien dat de omstandigheid dat de BPL voor een deel de Dentgenbachweg heeft vervangen er noodzakelijk en logischerwijs toe zou leiden dat de aanleg van een aansluiting ter hoogte van zijn woning zou kunnen gaan plaatsvinden. Dat geldt naar het oordeel van de rechtbank eveneens voor het feit dat een nieuwe aansluiting van de BPL op het bedrijventerrein Dentgenbach moest worden gerealiseerd. De rechtbank volgt verweerders redenering wel dat het bedrijventerrein bij realisering van de BPL daarop moest worden aangesloten en dat de onderhavige rotonde mede deze functie heeft, maar vindt dit onvoldoende om aan te nemen dat eiser in 2006 rekening had moeten houden met de kans dat deze aansluiting ter plaatse van zijn woning zou worden gerealiseerd. Van enige kenbaarheid van de mogelijkheid dat ter plaatse een aansluiting zou worden gerealiseerd of van voorzienbaarheid daarvan in die zin dat met de kans dat daar een aansluiting zou kunnen komen, rekening moest worden gehouden, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het primaire standpunt van verweerder dat geen tegemoetkoming in planschade kan worden verleend omdat eiser actieve risicoaanvaarding dient te worden tegengeworpen, niet houdbaar is. De daartegen gerichte beroepsgrond slaagt.

Normaal maatschappelijke risico

16. Artikel 6.2, eerste lid, van de Wro luidt als volgt:

"Binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade blijft voor rekening van de aanvrager."

Artikel 6.2, tweede lid, van de Wro luidt als volgt:

"In ieder geval blijft voor rekening van de aanvrager:

a. […];

b. van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade, (…):"

17. De vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro tot het normaal maatschappelijk risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de aanvrager rekening had kunnen houden in die zin dat die ontwikkeling in de lijn van de verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop die ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het in een reeks van jaren gevoerde planologische beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel. Vergelijk de overzichtsuitspraak planschade van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, onder 5.9 en 5.10.

Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4668), is de vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico in de eerste plaats aan het bestuursorgaan, dat daarbij beoordelingsruimte toekomt. Het bestuursorgaan dient deze vaststelling naar behoren te motiveren. Indien de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, toetst de rechter deze motivering en kan hij, indien de gegeven motivering niet volstaat, de omvang van het normale maatschappelijk risico zelf vaststellen door in een concreet geval zelf te bepalen welke drempel of korting redelijk is.

18. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich op goede gronden op het standpunt dat de aanleg van infrastructurele werken, zoals de BPL en daarbij behorende aan- en afritten en rotondes, een normale maatschappelijke ontwikkeling betreft en dat die ook in zoverre in de lijn der verwachtingen lag dat de ontwikkeling past binnen het door de provincie voorafgaand aan het vaststellen van het PIP BPL gevoerde beleid. Gelet op onder meer recente jurisprudentie van de Afdeling is dan een hoger normaal maatschappelijk risico dan het forfait aangewezen (uitspraken van de Afdeling van 1 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1434 en 1436). Uit de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1884, inzake een tracébesluit dat de uitbreiding van een bestaande snelweg mogelijk maakte, volgt dat de verbreding van een snelweg als reactie op de intensivering van het verkeer een normale maatschappelijke ontwikkeling is die, indien deze past binnen het (gedurende een reeks van jaren gevoerde) ruimtelijk beleid, kan leiden tot een aftrek van 5% van de waarde van de woning onmiddellijk vóór het ontstaan van de schade voor zover die ontwikkeling ook geheel in de ruimtelijke structuur van de omgeving past. Omdat de minister in genoemde zaak niet aannemelijk had gemaakt dat de uitbreiding van de snelweg geheel in de ruimtelijke structuur van de omgeving paste, zag de Afdeling daarin aanleiding voor het hanteren van een aftrek van 4%. In het onderhavige geval past de ontwikkeling naar het oordeel van de rechtbank niet in de ruimtelijke structuur van de omgeving en de rechtbank volgt verweerder daarom niet in diens conclusie dat deze ontwikkeling zodanig in de lijn der verwachtingen lag dat in dit geval een normaal maatschappelijk risico van 4% redelijk is. De locatie had voorheen een ‘groenbestemming’ en het lag op zich niet in de lijn der verwachting dat de ontwikkeling juist op die gronden zou plaatsvinden. De ontwikkeling past verder - ondanks de landschappelijke inpassing – ook naar haar aard en omvang niet in de bestaande ruimtelijke structuur van de omgeving, zoals verweerder ook heeft vastgesteld. Verweerder betoogt echter dat naast de landschappelijke inpassing van belang is dat de rotonde een noodzakelijk en logisch uitvloeisel is van het vervallen van een deel van de Dentgenbachweg. De rechtbank heeft verweerder niet gevolgd in dat standpunt, maar – afgezien daarvan – is dit naar het oordeel van de rechtbank ook geen steekhoudend argument om deze ontwikkeling passend in de feitelijk bestaande ruimtelijke structuur te achten. Qua afstand tot de woning van eiser en omvang van de schade past de ontwikkeling ook niet geheel in de lijn der verwachtingen zodat deze factoren in elk geval geen aanleiding geven om de drempel voor het maatschappelijk risico om die redenen naar boven (afgezet tegen het forfait) bij te stellen. Nu de aanleg van de rotonde als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd, die binnen het door het provinciebestuur gevoerde beleid past, maar wat betreft haar aard niet in de ruimtelijke structuur past en in zoverre niet in de lijn der verwachtingen lag, acht de rechtbank, mede in aanmerking genomen de afstand tot de woning van eiser en de omvang van de schade, in dit geval een aftrek wegens normaal maatschappelijk risico van 3% van de waarde van de woning aangewezen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat dit percentage ook past bij de overigens door verweerder gehanteerde lijn. Daar waar sprake is van een nieuwe ontwikkeling hanteert verweerder in deze zaken in beginsel immers een aftrek wegens normaal maatschappelijk risico van 3%. Indien sprake is van reconstructie van een bestaande weg, hanteert verweerder in beginsel een aftrek van 4%. De beroepsgrond slaagt.

Zelf in de zaak voorzien

19. Het voorgaande betekent dat verweerder ten onrechte aan eiser geen tegemoetkoming heeft toegekend. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het primaire besluit herroepen en, uitgaande van de niet door eiser bestreden taxatie van de schade op € 6.000,00, zoals vastgesteld door de Schadecommissie, en van een aftrek wegens normaal maatschappelijk risico van 3% van de waarde van de woning (€ 3.900,00), bepalen dat verweerder aan eiser een tegemoetkoming in planschade toekent van € 2.100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.

20. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.048,00 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,00 en een wegingsfactor 1). Verder komen de door eiser gemaakte deskundigenkosten in verband met de contra-expertises van Tog van 31 oktober 2017 en 18 mei 2018 van in totaal € 847,00 voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit voor zover daarbij is geweigerd aan eiser een

tegemoetkoming in planschade te verlenen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser als tegemoetkoming in planschade een bedrag van € 2.100,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst van de aanvraag tot aan de dag van algehele voldoening, dient te vergoeden;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,00 aan eiser te

vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van

€ 2.895,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Th.M Schelfhout, voorzitter, en mr. R.J.G.H. Seerden en mr. N.M.J. Janssen, leden, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 15 augustus 2019

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.