Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:6921

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
26-07-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1407 + AWB - 18 _ 1408
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank laat de door de burgemeester van de gemeente Venlo verleende terrasvergunningen aan twee horecabedrijven op de Parade in Venlo in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 18/1407 en AWB/ROE 18/1408

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2019 in de zaken tussen

V.O.F. [naam beddenspeciaalzaak] , te Venlo, eiseres,

(gemachtigde: mr. M.J.A.M. Muijres),

en

de Burgemeester van de gemeente Venlo, verweerder,

(gemachtigde: mr. C.H.J.M. Michels).

Als derde-partijen hebben deelgenomen:

[horecabedrijf 1] , te Venlo,

(gemachtigde: L.A.P.E. Simons),

en

[horecabedrijf 2] , te Venlo,

(gemachtigde: K. Wijmans).

Procesverloop

Bij besluiten van 2 november 2017 (de primaire besluiten) heeft verweerder aan derde-partijen een terrasvergunning verleend voor de inrichtingen aan de [Parade] in Venlo.

Derde-partijen hebben afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten.

Bij besluiten van 11 mei 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van derde-partijen gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de aan de primaire besluiten verbonden voorwaarden 8, 10 en 11 bij het onderdeel “Inrichting terras” ingetrokken en twee nieuwe voorwaarden daarvoor in de plaats gesteld.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift voor beide zaken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld van [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van J.A. van Egmond. Derde-partij [horecabedrijf 1] heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [naam] . Derde-partij [horecabedrijf 2] is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op respectievelijk 23 juni 2017 en 3 juli 2017 hebben derde-partijen bij verweerder een aanvraag ingediend om een vergunning tot het hebben van tafels en stoelen, dienende als terras, op de weg, gelegen nabij hun horeca inrichtingen aan de [Parade] in Venlo.

Bij de primaire besluiten heeft verweerder de gevraagde terrasvergunningen verleend en daaraan voorwaarden verbonden. Zoals (8) de vergunning geldt uitsluitend voor 1 parasol in het midden van het terras, (9) bij plaatsing van de parasol dient de vrije doorgang op het plein naar het pand van de beddenspecialist vrij te blijven, (10) de parasol mag maar een maximale diameter hebben van vier meter; de hoogte van de parasol van voetstuk tot volant moet twee meter zijn en van volant tot top 0,5 meter, (11) de parasol moet ingeklapt zijn op dagen dat de zon niet schijnt, (12) de parasol moet ingeklapt zijn als het terras niet in gebruik of het terras gesloten is. Derde-partijen hebben afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten. Zij konden zich niet vinden in het aantal toegestane parasols en de voorwaarde dat de parasol alleen gebruikt mag worden als de zon schijnt.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van derde-partijen gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de aan de primaire besluiten verbonden voorwaarden 8, 10 en 11 bij het onderdeel “Inrichting terras” ingetrokken en twee nieuwe voorwaarden daarvoor in de plaats gesteld. Te weten (8) de vergunning geldt voor maximaal twee parasols haaks op de weg, achter elkaar en aan de rechterzijde van het terras voor derde-partij [horecabedrijf 1] en maximaal twee parasols parallel aan de weg voor derde-partij [horecabedrijf 2] , (10) de parasols mogen maximaal vijf meter breed en diep zijn, en minimaal een hoogte hebben vanaf het voetstuk tot de volant/rand van twee meter.

2. Eiseres is het niet eens met de bestreden besluiten. Zij wijst op dezelfde uitspraak van de rechtbank Roermond van 23 oktober 2000 en de daarin gemaakte belangenafweging. Hoewel verweerder zegt acht te slaan op deze uitspraak en de uitspraak duidelijk maakt hoe de belangen dienen te worden afgewogen, besluit verweerder vervolgens toch om de voorwaarden ten gunste van de derde-partijen en ten nadele van eiseres te wijzigen.

Eiseres is in belangrijke mate gericht op passanten. In dat kader is het voor eiseres van groot belang dat haar winkel zichtbaar blijft. Deze zichtbaarheid is al verminderd door de aanwezige parasols en zal alleen nog maar meer afnemen ten gevolge van de bestreden besluiten. Verder ziet eiseres de door verweerder genoemde omstandigheid dat er geen verhoogde ligging van het eilandterras meer is, eerder als een verslechtering in plaats van een verbetering. Door de verhoging stonden de parasols hoger waardoor de etalage beter zichtbaar was. Daarnaast kloppen de uitspraken van verweerder over de reeds aanwezige belemmeringen van zicht vanuit de noordelijk en de zuidelijke kant niet. Verweerder houdt volgens eiseres onvoldoende rekening met de feitelijke situatie ter plaatse. De ruimte die tussen de terrassen open blijft is 3,5 meter breed en zorgt niet voor voldoende zicht op de winkel van eiseres. Vooral in het geval als de terrassen vol zitten, is het zicht op de etalage minimaal. De aan de bestreden besluiten verbonden voorwaarden laten volgens eiseres te veel ruimte aan derde-partijen. Niet duidelijk is hoe lang de parasols geopend mogen zijn. De voorwaarden zijn op deze manier onvoldoende concreet en duidelijk en nooit te handhaven. Tot slot stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder haar belang bij de zichtbaarheid van haar winkel moet afwegen tegen het belang van derde-partijen bij het hebben van een terras met parasols. Wat haar betreft weegt haar belang zwaarder.

3. In artikel 2:10, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Venlo / APV Venlo staat dat het zonder vergunning verboden is de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat verweerder de vergunning kan weigeren:

a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

b. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

4. Daarnaast gelden in de gemeente Venlo de Beleidsregels terrassen horecabedrijven gemeente Venlo (de Beleidsregels). Daarin staat onder het kopje “Werkingssfeer” dat voor een eilandterras een vergunning is vereist. Onder het kopje “Inrichting” staat bij punt 7 dat het terras alleen mag worden ingericht met stoelen, banken, tafels, statafels, barkrukken, windschermen, parasols en een bestekbak. In bijzondere situaties kan de gemeente een verbod tot het plaatsen van windschermen en parasols instellen.

5. De rechtbank stelt vast dat partijen enkel verdeeld zijn over de nieuwe voorwaarden 8 en 10 bij het onderdeel “Inrichting terras”. Te weten (8) de vergunning geldt voor maximaal twee parasols en (10) de parasols mogen maximaal vijf meter breed en diep zijn, en minimaal een hoogte hebben vanaf het voetstuk tot de volant/rand van twee meter. Eiseres wenst handhaving van de oude situatie van slechts één parasol per inrichting met een diameter van maximaal vier meter en een hoogte van maximaal 2,5 meter. Derde-partijen wensen twee parasols aan een paal met een afmeting van maximaal vijf bij vijf meter. Eiseres wil dat de parasols gesloten worden/blijven als er geen zon is. Derde-partijen willen hun parasols gedurende de openingstijden open hebben ten behoeve van het algehele comfort op het terras en het verlengen van het terrasseizoen. Als gevolg van het rookverbod wordt het terras ook bij niet zonnige dagen gebruikt.

6. De rechtbank stelt voorop dat bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om terrasvergunningen te verlenen, verweerder beoordelings- en beleidsruimte toekomt. De rechter toetst of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

7. Verweerder heeft bij de besluitvorming mede gekeken naar een uitspraak van de rechtbank Roermond van 23 oktober 2000 over de plaatsing van drie parasols ten behoeve van drie inrichtingen met ieder een diameter van vier meter en een maximale hoogte van 2,5 meter op het thans niet meer aanwezige verhoogde gedeelte van het plein aan de Parade.

De rechtbank heeft deze vergunningen toen in stand gelaten. De voorwaarden die door derde-partijen ter discussie worden gesteld, te weten de voorwaarde dat er per inrichting slechts één parasol is toegestaan en de voorwaarde dat de parasol alleen gebruikt mag worden als de zon schijnt, vloeien voort uit een vergunning en een rechtszaak van ruim zeventien jaar geleden. Volgens verweerder is de feitelijke situatie op de Parade niet meer hetzelfde als zeventien jaar geleden, omdat de verhoging voor de winkel van eiseres en waarop de terrassen waren toegestaan, niet meer aanwezig is. Hierdoor kan het winkelend publiek onder de parasols heen kijken. Ook zijn de behoeftes van de mensen volgens verweerder veranderd. De mensen willen ook op een terras zitten als de zon niet schijnt.

Het terras van derde-partij [horecabedrijf 1] is circa 70 vierkante meter groot. Het varieert in diepte van 8.60 tot 11.45 meter en in breedte van 7 tot 7.70 meter. Doordat de twee parasols van vijf bij vijf meter achter elkaar en aan de rechterkant van het terras worden geplaatst, beslaan de parasols niet de gehele oppervlakte van het terras en blijft er een bredere ruimte beschikbaar voor enigszins onbelemmerd zicht op de winkel van eiseres. Gezien de hoogte van de parasols, kan er volgens verweerder onder de parasols door zicht blijven op het winkelpand van eiseres. Dit is ook op de ter zitting getoonde foto’s te zien. Het terras van derde-partij [horecabedrijf 2] is circa 60 vierkante meter groot. Het varieert in diepte van 5.20 tot 8.60 meter en in breedte van 8.50 tot 9.30 meter. Gezien de hoogte van de parasols van ongeveer vier bij vier meter, kan er volgens verweerder onder de parasols onderdoor zicht blijven op het winkelpand van eiseres. Gelet op de afmetingen van de terrassen, is het hebben van slechts één parasol volgens verweerder aan de geringe kant.

Daarnaast heeft verweerder als belangrijk punt genoemd dat door de aanwezigheid van parasols op een terras het terras aantrekkelijker wordt en langer bezet blijft. Het langer gebruik kunnen maken van terrassen komt de levendigheid van de stad ten goede. Dit betreft een aspect dat de gemeente nastreeft en mede gerealiseerd kan worden door het buiten vertoeven aantrekkelijker te maken. Dat de bezoekers langer op de terrassen van derde-partijen blijven zitten, kan ook in het voordeel van eiseres werken, omdat de bezoekers vanaf de terrassen de etalages van eiseres kunnen bekijken.

Verweerder acht het niet aannemelijk dat het toestaan van meer parasols per inrichting op de Parade en het toestaan dat deze parasols ook bij geen zon geopend mogen blijven, zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de bedrijfsvoering van eiseres. Verweerder heeft daarom de belangen van derde-partijen zwaarder laten wegen dan de belangen van eiseres nu hiermee ook de levendigheid van de stad is gediend.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het juiste toetsingskader toegepast door de aanvragen te toetsen aan artikel 2:10 van de APV en de beleidsregels. Verweerder heeft binnen dat kader en op basis van de feiten en omstandigheden zoals die ten tijde van de besluiten op bezwaar golden aan derde-partijen in redelijkheid een terrasvergunning met maximaal twee parasols kunnen verlenen en bovendien daaraan niet de voorwaarde hoeven verbinden dat de parasols ingeklapt moeten zijn op dagen dat de zon niet schijnt. Verweerder heeft met inachtneming van het hiervoor beschreven kader in voldoende mate rekening gehouden met de belangen van eiseres. Verweerder heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat twee parasols met een omvang van maximaal vijf meter breed en vijf meter diep het zicht op de etalages van de winkel van eiseres niet onevenredig belemmeren. Eiseres kan niet worden gevolgd in haar stelling dat verweerder haar belangen onvoldoende in acht heeft genomen. De rechtbank wijst erop dat verweerder diende te beslissen op basis van de feiten en omstandigheden zoals die golden op het tijdstip waarop het bestreden besluit werd genomen. Dat verweerder in 1999 anders heeft beslist, brengt niet met zich dat de bestreden besluiten onrechtmatig zijn. Bovendien gelden de beleidsregels waarin bijvoorbeeld staat dat de terrassen in ieder geval van 02:00 tot 07:00 uur gesloten moeten zijn. Deze tijden kunnen verkort worden in de exploitatievergunning van het betreffende horecabedrijf. Verder staat er in de Beleidsregels dat in het geval het terras niet in gebruik is dan wel het horecabedrijf gesloten is, de ondernemer verplicht is de parasols in te klappen en ingeklapt te houden. Verweerder heeft deze punten dan ook niet in de voorwaarden hoeven vastleggen, omdat die al in de beleidsregels staan. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat zij financiële schade lijdt en dat de omzet – mede in het licht van de concurrentie in de stad – als gevolg van de parasols is teruggelopen. Zij heeft dat op geen enkele wijze onderbouwd, terwijl zij daar toch ruim voor in de gelegenheid is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van zodanige onevenwichtigheid van de afweging van de betrokken belangen dat moet worden geoordeeld dat verweerder in redelijkheid niet tot verlening van de terrasvergunningen heeft kunnen komen.

Dit betekent dat verweerder de primaire besluiten deels in redelijkheid heeft gehandhaafd en deels in redelijkheid twee nieuwe voorwaarden aan de vergunningen heeft verbonden.

9. De beroepen zijn ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.H. Vonk-Menger, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 25 juli 2019

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.