Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:6842

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
06-09-2019
Zaaknummer
C/03/265560 / KG ZA 19-270
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing conservatoir beslag. Niet summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering tot zekerheid waarvan het beslag is gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/265560 / KG ZA 19-270

Vonnis in kort geding van 23 juli 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUREGIO RECYCLING B.V.,

gevestigd te Born, gemeente Sittard-Geleen,

eiseres,

advocaat mr. M.J. Keuss,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. G.J.M. Verburg.

Partijen zullen hierna Euregio Recycling en [gedaagde] genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 21;

  • -

    de akte houdende overlegging producties 1 tot en met 6 zijdens [gedaagde] ,

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van Euregio Recycling;

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Euregio Recycling en [gedaagde] maakten deel uit van een groep van ondernemingen die samen de [naam 1] vormden. De groep legde zich toe op de recyclage en verwerking van schroot en de waardevolle materialen die zich daarin bevinden. De groep had vestigingen in Born, Den Bosch, Helmond, Oss en Venlo. De broers [naam eigenaar 1] , [naam eigenaar 2] en [naam eigenaar 3] waren eigenaren van de [naam 1] .

2.2.

Tussen [naam eigenaar 2] en [naam eigenaar 3] enerzijds en [naam eigenaar 1] , en diens zoon [naam zoon eigenaar 1] , anderzijds, zijn geschillen ontstaan. Die geschillen hebben er toe geleid dat in 2016 is besloten de groep te ontvlechten. Ieder van de broers zou éénderde van het familiebedrijf krijgen. [naam eigenaar 2] en [naam eigenaar 3] zijn samen verder gegaan onder de namen [gedaagde] en [naam 2] , en [naam eigenaar 1] en diens zoon [naam zoon eigenaar 1] zijn verder gegaan onder de naam Euregio Recycling.

2.3.

In het kader van het streven naar een spoedige ontvlechting van de [naam 1] is door [naam eigenaar 1] , [naam zoon eigenaar 1] , [naam eigenaar 2] en [naam eigenaar 3] , op voorspraak van ABN AMRO, de besloten vennootschap Custom Management B.V. (hierna: Custom Management) ingeschakeld. [naam interim-bestuurder] , verbonden aan Custom Management, werd als interim-bestuurder van de [naam 1] aangesteld. [naam interim-bestuurder] liet zich op zijn beurt bijstaan door [naam 3] .

2.4.

In het kader van de ontvlechting zijn afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in een zogenaamd Memorandum of Understanding (verder te noemen: MoU). In het kader van de ontvlechting is overeengekomen dat de vestiging in Born aan Euregio Recycling ( [naam eigenaar 1] en [naam zoon eigenaar 1] ) zou worden toegedeeld en dat vestigingen in Helmond en Den Bosch aan [gedaagde] ( [naam eigenaar 2] en [naam eigenaar 3] ) zouden worden toegedeeld. De vestiging in Oss is verkocht aan een derde, waarna de vestiging in Venlo als laatste moest worden verdeeld.

2.5.

Artikel 5 van de MoU luidt als volgt:

“ [naam zoon eigenaar 1] en [naam eigenaar 1] verbinden zich jegens [naam eigenaar 2] en [naam eigenaar 3] om na de Ontvlechting te bewerkstelligen dat afspraken worden gemaakt over de levering van Rubber (non-Ferro) ter verwerking tegen marktconforme condities door de vestiging te Born aan de vestiging te Helmond voor een periode van 3 (drie) jaar na de Ontvlechting.”

2.6.

Bij verzoekschrift van 20 mei 2019 heeft [gedaagde] verzocht conservatoir beslag te mogen leggen op vorderingen van Euregio Recycling op [gedaagde] , op vorderingen van Euregio Recycling op [naam 2] , op vorderingen van Euregio Recycling op Euregio Holding B.V. (hierna: Euregio Holding) en op roerende zaken van Euregio Recycling.

2.7.

Aan dat verzoek heeft [gedaagde] het volgende ten grondslag gelegd. De verwerkingsstraat van de [naam 1] bevond en bevindt zich in Helmond bij [gedaagde] . De vestiging in Born, die aan Euregio Recycling is toegedeeld, beschikt niet over een dergelijke verwerkingsstraat. Ook na de ontvlechting moest echter het schroot afkomstig van de vestiging te Born verwerkt worden. Euregio Recycling moest van het zogenaamde non-ferro af kunnen, terwijl [gedaagde] de faciliteit behield om de non-ferro te verwerken. Het was derhalve voor beide partijen gunstig als zij de non-ferrostroom konden behouden. Daarom hebben partijen bij de MoU nadere afspraken gemaakt over de non-ferrostroom. De continuatie van de verwerking van de non-ferro, afkomstig van Euregio Recycling, door [gedaagde] was een belangrijk onderdeel van de ontvlechting. In verband daarmee is het hiervoor geciteerde artikel 5 in de MoU opgenomen, aldus [gedaagde] .

2.8.

Volgens [gedaagde] is na de ontvlechting nader uitvoering gegeven aan artikel 5 van de MoU. De nadere uitvoering hield in dat partijen zijn overeengekomen dat gedurende een periode van drie jaar na de ontvlechting Euregio Recycling jaarlijks 5.000 à 7.000 ton non-ferro zou leveren aan [gedaagde] en dat Euregio Recycling voor de verwerking daarvan door [gedaagde] een vergoeding aan [gedaagde] zou betalen van € 80,-- per ton. Nadat Euregio Recycling volgens [gedaagde] eerst uitvoering had gegeven aan deze overeenkomst – volgens [gedaagde] is tussen 1 juni 2017 en 21 november 2017 in totaal 1.795 ton non-ferro aan haar geleverd door Euregio Recycling – is Euregio Recycling vanaf 21 november 2017 zonder aankondiging gestopt met de nakoming van de non-ferro-overeenkomst. Ondanks sommaties weigert Euregio Recycling aan haar verplichtingen tot het verder leveren van non-ferro te voldoen. In een bij de rechtbank Oost-Brabant aanhangige bodemprocedure tussen partijen vordert [gedaagde] in reconventie een schadevergoeding voor de niet-geleverde non-ferro. [gedaagde] begroot de schade in het verzoekschrift tot beslaglegging op een bedrag van € 1.056.400,--. Zij gaat daarbij uit van de verplichting om 5.000 ton per jaar te leveren, tegen een prijs van € 80,-- per ton en de stelling dat slechts 1.795 ton is geleverd. Omdat de [gedaagde] de non-ferro tegen te verwaarlozen kost verwerkt, is de gemiste omzet volgens haar te beschouwen als geleden schade.

2.9.

Op grond daarvan begroot [gedaagde] haar vordering overeenkomstig de richtlijn in de beslagsyllabus op een bedrag van € 1.294.860,--.

2.10.

Bij beschikking van 20 mei 2019 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek toegewezen, met dien verstande dat hij heeft bepaald dat het beslag op de roerende zaken geen betrekking mag hebben op handelsvoorraad, en is de vordering waarvoor beslag mag worden gelegd begroot op € 1.294.860,--.

2.11.

[gedaagde] heeft op 29 mei 2019 de toegestane beslagen gelegd.

3 Het geschil

3.1.

Euregio Recycling stelt dat de gelegde beslagen moeten worden opgeheven. Zij stelt daartoe dat summier blijkt van de ondeugdelijkheid van het ingeroepen recht tot zekerheid waarvoor de beslagen dienen.

3.2.

Volgens Euregio Recycling is geen overeenkomst tot stand gekomen ter uitvoering van hetgeen in artikel 5 van de MoU is overeengekomen. Beslag is enkel mogelijk voor een bestaande vordering waarvan het beloop bepaalbaar is. Voor een toekomstige vordering is geen beslag mogelijk, zoals een vordering waarvoor nog nadere rechtshandelingen nodig zijn.

3.3.

Er is volgens Euregio Recycling ook geen afspraak gemaakt met Custom Management en er is zeker niet afgesproken dat Euregio Recycling minstens drie jaar lang een minimum hoeveelheid non-ferro zou moeten aanleveren tegen een minimumprijs van € 80,-- per ton. Bovendien is volgens Euregio Recycling op haar vestiging in Born geen 15.000 ton aan non-ferro aanwezig. Euregio Recycling verwerkt vrijwel alleen nog maar materiaal voor derden, waardoor zij zelf nog maar slechts circa 500 ton per jaar aan non-ferro ter beschikking heeft.

3.4.

Euregio Recycling stelt verder dat zij op 26 februari 2018 per e-mail aan Custom Management heeft gevraagd om overleg te voeren over artikel 5 van de MoU. Omdat op die uitnodiging geen reactie is gekomen, mocht Euregio Recycling er, naar zij stelt, vanuit gaan dat [gedaagde] niet meer in staat of bereid was en zou blijven om tegen marktconforme tarieven non-ferro te leveren.

3.5.

Omdat partijen ieder werden bijgestaan door advocaten en financieel adviseurs, en kennelijk geen van dezen de moeite heeft genomen de beweerde afspraak op schrift te stellen, terwijl partijen op voet van oorlog leefden en direct overleg tussen partijen niet mogelijk was, is het volgens Euregio Recycling onder die omstandigheden ondenkbaar dat tussen partijen een mondelinge overeenkomst tot stand is gekomen, zoals door [gedaagde] is gesteld. Ook [naam interim-bestuurder] , die als volledig bevoegd interim-bestuurder van de [naam 1] in staat was Euregio Recycling en [gedaagde] aan afspraken over non-ferro te binden, heeft niets op schrift gezet, om de simpele reden dat volgens Euregio Recycling geen overeenkomst over de levering van non-ferro bestond.

3.6.

Euregio Recycling betwist ook de hoogte van de beweerde vordering tot zekerheid waarvoor de beslagen zijn verzocht en ook verkregen. [gedaagde] begroot de schade volgens Euregio Recycling ten onrechte op de gemiste omzet. Volgens artikel 6:96 lid 1 BW moet immers onder vermogensschade worden verstaan geleden verlies of gederfde winst, derhalve niet omzet. Het gevorderde bedrag van ruim € 1.294.860,-- aan gederfde omzet kan geen schade zijn. De kostprijs van de verwerking van de non-ferro had in mindering moeten worden gebracht op de gestelde omzet, om tot de gederfde winst te kunnen komen.

3.7.

Indien beslag is gelegd voor een veel te hoge hoofdvordering, dient in het kader van de vraag of sprake is van disproportionele beslaglegging summierlijk de hoogte van de hoofdvordering, waarvoor het beslag is gelegd, komen vast te staan.

3.8.

De gelegde beslagen zijn ook disproportioneel, omdat de roerende zaken waarop beslag is gelegd een veelvoud waard zijn van de omstreden vordering.

3.9.

Euregio Recycling vordert op grond van het vorenstaande dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. de gelegde conservatoire beslagen met onmiddellijke ingang opheft;

subsidiair

II. het gelegde conservatoire eigenbeslag onder [gedaagde] , het gelegde conservatoire derdenbeslag onder Euregio Holding B.V. en het conservatoire derdenbeslag onder [naam 2] Holding met onmiddellijke ingang opheft;

meer subsidiair

III. bepaalt dat [gedaagde] na betekening van het in dezen te wijzen vonnis geen nieuwe beslagen ter zake de reconventionele vordering, die is ingesteld in de zaak met kenmerk C/01/301337 HA ZA 18-543, meer mag leggen, totdat over al hetgeen dat ten grondslag ligt aan het door [gedaagde] te dien aanzien gevorderde definitief is beslist, zulks bij overtreding op straffe van een dwangsom van € 50.000,-- per overtreding;

IV. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien die niet wordt voldaan binnen drie dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis.

3.10.

[gedaagde] voert verweer. De betwistingen en verweren worden, voor zover van belang, hieronder weergegeven en beoordeeld.

4 De beoordeling

4.1.

De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

4.2.

Volgens artikel 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.3.

De vraag of het leggen van een conservatoir beslag als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt, dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op (een van) die goederen in zijn belangen wordt getroffen.

Het bestaan van de vordering

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de omstreden vordering van [gedaagde] . Het wekt, gelet op de verstoorde verhouding tussen partijen, het feit dat zij (mede in verband daarmee) zich (hebben) laten bijstaan door meerdere advocaten en financieel adviseurs en het bepaalde in artikel 5 van de MoU, bevreemding dat de overeenkomst met de inhoud als door [gedaagde] gesteld, niet schriftelijk is vastgelegd. Dit betekent echter niet dat de voorzieningenrechter op grond daarvan van oordeel is dat een dergelijke overeenkomst ook niet zou zijn overeengekomen. Een dergelijke overeenkomst kan immers ook mondeling zijn aangegaan, of besloten liggen in de wijze waarop partijen in de praktijk hebben gehandeld. De MoU vereist voor het tot stand komen van een dergelijke overeenkomst ook niet dat deze op schrift is gesteld.

4.5.

In een e-mail van 15 februari 2018 van [naam 3] (samen met een zekere [naam 4] ) aan mr. Vader en mr. Keuss (de advocaten van Euregio Recycling) schrijft deze:

“Geachte confrères,

Zoals eerder deze week telefonisch aangekondigd, berichten wij u in verband met de afspraken over de levering van rubber (non-ferro), alsmede het in de MoU opgenomen anti-ronselbeding als volgt.

In artikel 5 van de MoU is overeengekomen dat [naam zoon eigenaar 1] en [naam eigenaar 1] zich jegens [naam eigenaar 2] en [naam eigenaar 3] verbinden na de ontvlechting te bewerkstelligen dat afspraken worden gemaakt over de levering van rubber (non-ferro) ter verwerking tegen marktconforme condities door de vestiging te Born aan de vestiging te Helmond voor een periode van drie jaar na de ontvlechting. Conform deze bepaling is overeengekomen dat de vestiging Born/Zutendaal voor een periode van drie jaar jaarlijks 5.000 tot 7.000 ton tegen een verwerkingsprijs van € 80,= per ton ter verwerking aan de vestiging Helmond zal aanbieden.(…) Custom Management sommeert [naam zoon eigenaar 1] en [naam eigenaar 1] de levering per ommegaande weer te hervatten, alsmede schriftelijk te bevestigen dat zij aan deze sommatie gehoor zullen geven en de gemaakte afspraken omtrent het leveren van non-ferro (weer) na zullen komen. (…)”

4.6.

[naam 3] is geen raadsvrouw van een van partijen (geweest). Zij stond, naar vaststaat, [naam interim-bestuurder] bij, die was verbonden aan Custom management, welke vennootschap door [naam eigenaar 1] , [naam zoon eigenaar 1] , [naam eigenaar 2] en [naam eigenaar 3] in het kader van het streven naar een spoedige ontvlechting van de [naam 1] was ingeschakeld (zie rechtsoverweging 2.3). [naam interim-bestuurder] had de rol van mediator bij de ontvlechting. Euregio Recycling stelt zelf dat [naam interim-bestuurder] , als volledig bevoegd interim-bestuurder van de [naam 1] , in staat was Euregio Recycling en [gedaagde] aan afspraken over non-ferro te binden. Hieruit volgt dat aan de woorden van [naam 3] , als degene die op haar beurt [naam interim-bestuurder] bijstond, bijzondere waarde kan en moet worden toegekend. Haar vaststelling kan niet worden vermoed partijdig te zijn omdat zij het standpunt van een van de partijen verdedigt/vertolkt. Nu [naam 3] in de hiervoor geciteerde e-mail bevestigt hetgeen volgens [gedaagde] tussen partijen is overeengekomen ten aanzien van de non-ferro, en zij niet, zoals Euregio Recycling suggereert, namens [gedaagde] een wilsverklaring aflegt, blijkt niet summierlijk van de juistheid van het standpunt van Euregio Recycling, dat partijen ter uitwerking van het bepaalde in artikel 5 van de MoU niets zijn overeengekomen.

4.7.

Euregio Recycling heeft nog verwezen naar de inhoud van het proces-verbaal van comparitie van 15 maart 2019 in een tussen partijen bij de rechtbank Oost-Brabant aanhangige bodemprocedure onder rolnummer C/01/337301 / HA ZA 18-543, meer in het bijzondere naar de opmerkingen van de behandelend comparitierechter daarin. Aan diens opmerkingen kunnen geen bijzondere betekenis worden toegekend. Onduidelijk is op welke e-mail van [naam 3] in de e-mail van 26 februari 2019 (productie 15 bij de dagvaarding) wordt gereageerd, zodat de voorzieningenrechter niet kan beoordelen of een logische reactie op die eerdere e-mail van [naam 3] zou zijn geweest dat er reeds een afspraak over de non-ferro zou zijn geweest.

4.8.

Dat partijen (nog) niets zouden zijn overeengekomen over de leveringen, blijkt ook summierlijk niet, nu tussen 1 juni 2017 en 21 november 2017 een drietal leveringen met een totaal van volgens [gedaagde] 1.795 ton tegen een prijs van € 80,-- per ton heeft plaatsgevonden. Euregio Recycling heeft ook niet verklaard waarom zij in het kader van de bedoelde drie leveringen, veronderstellende dat het om proefleveringen gaat, een vergoeding van € 80,-- per ton – een volgens Euregio Recycling niet-commercieel, want te hoog, tarief – heeft betaald. Euregio Recycling stelt dat het slechts ging om proefleveringen, maar de voorzieningenrechter acht dat niet voldoende aannemelijk gemaakt door Euregio Recycling. Bovendien is de geleverde hoeveelheid niet te rijmen met de stelling (nr. 16 van de dagvaarding) van Euregio Recycling dat zij niet een overeenkomst heeft gesloten – en ook niet zou sluiten – met [gedaagde] met de inhoud zoals door [gedaagde] gesteld, omdat zij op de vestiging te Born slechts kon beschikken over 500 ton per jaar.

De gegronde vrees voor verduistering

4.9.

Euregio Recycling heeft gesteld dat het beslag onnodig is, omdat er geen sprake kan zijn van een gegronde vrees voor verduistering. Volgens haar is niet gebleken dat het vertrouwen in [naam eigenaar 1] nagenoeg nul zou zijn en dat hij zijn broers op alle mogelijke manieren zou trachten te benadelen. De beslagen zaken zijn volgens Euregio Recycling ook van een zodanige omvang dat deze niet gemakkelijk kunnen worden onttrokken. Onttrekking is volgens Euregio Recycling ook niet logisch, omdat Euregio Recycling deze benodigt in haar productieproces. De vrees voor onttrekking is volgens Euregio Recycling ook niet gegrond, nu zij al enige tijd op de hoogte was van de gepretendeerde vordering tot zekerheid waarvoor het ontslag is gelegd, en desondanks de zaken niet aan verhaal heeft onttrokken.

4.10.

Gelet op de gebleken gespannen verhouding tussen partijen, is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet denkbeeldig dat vermogen aan ontslag zal worden onttrokken. Dat de omvang van de beslagen zaken (machines) zou maken dat deze niet gemakkelijk aan een beslag kunnen worden onttrokken, is niet beslissend voor de vraag of de vrees voor verduistering gegrond is. Immers, de machines kunnen ook zonder dat zij fysiek aan beslag worden onttrokken, juridisch, bijvoorbeeld door een verpanding, of levering waarbij de zaken in de feitelijke macht van Euregio Recycling blijven, aan beslaglegging worden onttrokken.

De hoogte van de vordering

4.11.

[gedaagde] heeft ter onderbouwing van de hoogte van haar schade, tot zekerheid waarvoor de beslagen zijn gelegd, gesteld dat de variabele kosten verwaarloosbaar zijn. Haar schade is volgens haar dan ook gelijk aan de misgelopen omzet.

4.12.

Echter, niet summierlijk is gebleken dat [gedaagde] geen schade heeft geleden. Een kortgedingprocedure leent zich er naar haar aard niet voor om de hoogte van de gepretendeerde schade vast te stellen, zodat, indien niet summierlijk is gebleken dat er geen schade is geleden, van de juistheid van de stellingen van de beslaglegger daaromtrent moet worden uitgegaan.

De evenredigheid van de belangen van partijen

4.13.

De stelling van Euregio Recycling, dat zij door de beslagen op haar roerende zaken (bedrijfsmiddelen) onevenredig in haar belangen wordt geschaad, moet worden verworpen. Het belegde beslag op de productiemiddelen van Euregio Recycling betreft slechts een “papieren beslag.” De beslagen roerende zaken zijn niet weggevoerd en staan ook anderszins volledig en ongehinderd ter beschikking aan het productieproces van Euregio Recycling. [gedaagde] heeft bovendien ter zitting verklaard dat zij er geen bezwaar tegen heeft dat Euregio Recycling de beslagen machines onderhoudt en dat zij onderdelen daarvan (tijdelijk) vervangt indien een wijziging in de productie dat vereist, ook indien een dergelijke vervanging zou leiden tot (tijdelijke) waardevermindering van de machine.

4.14.

Euregio Recycling zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 639,00;

- salaris advocaat € 980,00;

Totaal € 1.619,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt Euregio Recycling in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.619,00:

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.H.A. Venner-Lijten, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: MT