Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:682

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-01-2019
Datum publicatie
25-01-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 988
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan eiseres is strafontslag verleend. Verweerder heeft aan dit ontslagbesluit de volgende verwijten ten grondslag gelegd: (1) het voorhanden hebben / aan inbeslagneming onttrekken van een wapen en munitie en (2) het meewerken aan het witwassen van een Porsche Cayenne en/of het geldbedrag ten behoeve daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat eiseres de haar verweten gedragingen heeft begaan en dat zij zich daarmee heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. De rechtbank acht de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag evenredig aan het vastgestelde plichtsverzuim. De rechtbank heeft voorts in deze zaak onaannemelijk geacht dat eiseres niet op de hoogte was van de criminele activiteiten van haar partner. Verder heeft eiseres nagelaten elke schijn van betrokkenheid bij het criminele milieu, waarin haar partner zich ophoudt, althans heeft opgehouden, te voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 18/988

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 januari 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. W.J.F. Geertsen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder

(gemachtigden: mr. A.J.M. van Diem en mr. I. Swennen).

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2017 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eiseres met onmiddellijke ingang op grond van artikel 8:15:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (de CAR/UWO) geschorst en haar bezoldiging gedurende de schorsing met toepassing van artikel 8:15:2, tweede lid, van de CAR/UWO ingehouden.

Bij besluit van 2 november 2017 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiseres met ingang van 6 november 2017 strafontslag verleend.

Bij besluit van 28 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. J.G. van Ek, die voor haar gemachtigde waarneemt. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en G. Gillissen.

Overwegingen

1. Eiseres is ruim tien jaar bij verweerders gemeente werkzaam geweest in de functie van secretaresse bij bureau [werkgever] . In deze functie heeft eiseres secretariële ondersteuning geboden aan het bureauhoofd en de consulenten [werkgever] . Voorts fungeerde zij als eerste aanspreekpunt van het bureau [werkgever] en had zij contacten met wethouders, schoolbesturen, ouders, leerlingen en ketenpartners van het bureau. In verband met haar functie had eiseres toegang tot privacygevoelige gegevens, waaronder (strafrechtelijke) informatie over de jongeren en hun ouders.

2. Op 4 april 2016 heeft een politie-inval plaatsgevonden in de woning van de heer [naam] ), de partner van eiseres en tevens de vader van haar zoon. Deze inval vond plaats in het kader van een grootscheeps strafrechtelijk onderzoek naar een netwerk van harddrugshandel en witwaspraktijken. Zowel [de partner] als eiseres werden daarbij aangehouden en in verzekering gesteld door de politie. Door de onduidelijkheid over de reden en achtergrond van de aanhouding van eiseres, heeft verweerder eiseres vanaf

12 april 2016 buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend. Vervolgens heeft het Openbaar Ministerie op 19 mei 2017 verweerder geïnformeerd dat eiseres vervolgd zal gaan worden wegens het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie en het witwassen van een Porsche Cayenne (hierna: Porsche) en/of het geldbedrag ten behoeve van de Porsche. Uiteindelijk heeft verweerder in september 2017 een kopie van het volledige strafdossier van eiseres ontvangen van het Openbaar Ministerie. Vervolgens is eiseres op 27 september 2017 in de gelegenheid gesteld om tijdens een gesprek met vertegenwoordigers van verweerder haar visie te geven op het vervolgingsvoornemen van het Openbaar Ministerie en de daaraan ten grondslag liggende feiten.

3. Verweerder heeft hierop het primaire besluit 1 genomen en het voornemen kenbaar gemaakt om eiseres de straf van ongevraagd ontslag op te leggen. Tevens is eiseres met onmiddellijke ingang geschorst en is besloten haar bezoldiging gedurende de schorsing in te houden. Eiseres is in de gelegenheid gesteld haar zienswijze te geven met betrekking tot het voorgenomen strafontslag, van welke gelegenheid eiseres gebruik heeft gemaakt.

4. Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder beslist conform het voornemen. Verweerder heeft besloten eiseres op grond van artikel 8:13 van de CAR/UWO met ingang van 6 november 2017 de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag op te leggen en bepaald dat deze onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd. Verweerder heeft aan het ontslagbesluit de volgende verwijten ten grondslag gelegd:

- het voorhanden hebben / aan inbeslagneming onttrekken van een wapen met munitie;

- het meewerken aan het witwassen van een Porsche en/of het geldbedrag ten behoeve daarvan.

5. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen beide primaire besluiten. Tevens heeft eiseres de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

6. Bij uitspraak van 21 december 2017 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiseres afgewezen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot ontslag van eiseres reeds vanwege het tweede ten laste gelegde verwijt. De rechtbank verwijst naar deze uitspraak met zaaknummers AWB/ROE 17/3898 en AWB/ROE 17/3899.

7. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

8. Eiseres kan zich op de hierna te bespreken gronden niet met het bestreden besluit verenigen.

Schorsing

9. Ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de CAR/UWO kan onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 de ambtenaar door het college worden geschorst wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan.

Ingevolge artikel 8:15:2, tweede lid, van de CAR/UWO kan tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, aanhef en onder a, tot de in de strafaanzegging of -oplegging genoemde datum van ingang van het ontslag de bezoldiging geheel of gedeeltelijk worden ingehouden, behoudens het bepaalde in het derde lid. Met ingang van de datum van het ontslag wordt de uitkering van de bezoldiging geheel gestaakt.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kan het betaalbare gedeelte van de bezoldiging aan anderen dan de ambtenaar worden uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft de ambtenaar in ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan het op hem verhaalbare gedeelte van de premies voor pensioen.

10. Ten aanzien van de schorsing op grond van artikel 8:15.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de CAR/UWO en de inhouding van haar bezoldiging heeft eiseres zich in bezwaar – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat daarvoor onvoldoende grondslag aanwezig was en dat verweerder ten onrechte de duur van de schorsing niet heeft aangeduid.

11. In beroep heeft eiseres ten aanzien van de schorsing alleen aangevoerd dat de gronden van bezwaar als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. De rechtbank stelt vast dat verweerder op die gronden in het bestreden besluit uitvoerig is ingegaan. Eiseres heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van deze bezwaargronden in het bestreden besluit onjuist dan wel onvolledig is.

12. Gelet op het vorenstaande treft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit, waarbij het schorsingsbesluit van 3 oktober 2017 (het primaire besluit 1) is gehandhaafd, dan ook geen doel.

Strafontslag

13. Ingevolge artikel 16:1:1, eerste lid, van de CAR/UWO, voor zover hier van belang, kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt deswege disciplinair worden gestraft.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen en nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

In artikel 8:13 van de CAR/UWO is bepaald dat als disciplinaire straf aan de ambtenaar ongevraagd ontslag kan worden verleend.

14. De rechtbank stelt voorop dat eiseres, anders dan zijzelf stelt, op de hoogte moet zijn geweest van de criminele activiteiten van haar partner [naam] . Eiseres heeft een langdurige relatie met [naam] en in de woning van [de partner] zijn persoonlijke spullen van eiseres aangetroffen, die er op duiden dat het verblijf van eiseres in de woning meer dan incidenteel was. Verder is eerder in de woning van [de partner] , te weten op 24 april 2014, een vuurwapen aangetroffen, waarvoor hij een gevangenisstraf heeft opgelegd gekregen. Eiseres heeft aan een collega verteld dat zij [de partner] toen is gaan opzoeken in de gevangenis. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank – gelijk de voorzieningenrechter – het standpunt van eiseres dat zij niet op de hoogte was van [naam] criminele activiteiten dan ook onaannemelijk.

15. Aan het eiseres aangerekende plichtsverzuim ligt enerzijds ten grondslag het feit dat eiseres ten tijde van de politie-inval heeft getracht om een (geladen) vuurwapen te verbergen voor de politie en anderzijds dat eiseres haar partner [naam] heeft gefaciliteerd door het op haar naam stellen van een Porsche om zo de herkomst dan wel de rechthebbende te verhullen, terwijl zij wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat de Porsche althans het geld ten behoeve van de aankoop van deze auto (deels of voor het merendeel) afkomstig is uit (drugs)misdrijf.

16. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB (zie onder meer de uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) is voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven, noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt. Voorts moet het plichtsverzuim de ambtenaar zijn toe te rekenen en dient de opgelegde straf evenredig te zijn aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

17. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voor zijn besluitvorming gebruik heeft kunnen maken van de gegevens die naar voren zijn gekomen uit het strafrechtelijk onderzoek. De voorhanden zijnde processen-verbaal van de politie bevatten voldoende deugdelijk vastgestelde gegevens waaraan verweerder de overtuiging kon ontlenen dat eiseres de verweten gedragingen heeft begaan. Uit deze gegevens komt onmiskenbaar naar voren dat voorafgaand aan de plaatsing van eiseres op de bank, deze bank is gecontroleerd op voorwerpen. Meer in het bijzonder is gezocht naar de aanwezigheid van wapens door leden van het aanhoudings- en ondersteuningsteam, omdat [de partner] bij de politie te boek staat als vuurwapengevaarlijk. Daarbij zijn de kussens van de bank afgehaald en werd er niets aangetroffen. Na afloop van de huiszoeking is de woonkamer opnieuw gecontroleerd. Het onderzoeksteam heeft toen onder het kussen van de bank op de plek waar eiseres de hele tijd heeft gezeten, een (geladen) vuurwapen gevonden. Eiseres ontkent dat zij een vuurwapen voorhanden heeft gehad en dat het bestreden besluit is gebaseerd op onjuiste aannames of vermoedens. De rechtbank stelt voorop dat de bevindingen over het controleren van de bank aan het begin en einde van de huiszoeking, het fouilleren van eiseres en de positionering van eiseres op de bank zijn vastgelegd in op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de politie. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om aan de inhoud van deze processen-verbaal te twijfelen. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat eiseres wel degelijk kan worden gelinkt aan dit vuurwapen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de voorhanden zijnde processen-verbaal duidelijk is gebleken dat aan het begin van de doorzoeking (iets na 05.02 uur) de bank op aanwezigheid van wapens is doorzocht, de zoon van eiseres en de vriend van haar stiefdochter werden gefouilleerd en eiseres en haar stiefdochter niet. Alle aanwezigen werden in de woonkamer geplaatst op verschillende van elkaar gescheiden zitplaatsen. Zij stonden onder toezicht van de politie. Eiseres zat als enige op de bank. Om 05.44 uur werden eiseres en haar stiefdochter gefouilleerd door een vrouwelijke opsporingsambtenaar. Aan het einde van de doorzoeking is door een verbalisant geconstateerd dat eiseres nog steeds op dezelfde plek zat, maar dat inmiddels haar zoon, stiefdochter en de vriend van de stiefdochter ook op de bank hadden plaats genomen. De rechtbank stelt vast dat de stiefdochter, haar vriend en de zoon van eiseres “schoon” op de bank hebben gezeten. Zij waren immers, voordat zij op de bank waren gaan liggen, reeds geruime tijd daarvoor gefouilleerd en er werden toen bij hen geen wapens aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank kan het dan ook niet anders dan dat eiseres met het gevonden vuurwapen in verband kan worden gebracht, want zij is de enige geweest die ongefouilleerd op de bank heeft gezeten. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee genoegzaam komen vast te staan dat eiseres geprobeerd heeft het vuurwapen te verbergen in de bank en dat zij op enig moment op de dag van de politie-inval een vuurwapen voorhanden heeft gehad. Dat niet exact is komen vast te staan hoe eiseres dit vuurwapen onder het kussen van de bank heeft verstopt, acht de rechtbank van ondergeschikte betekenis.

18. Met betrekking tot het tweede deel van het verweten plichtsverzuim, te weten het witwassen van de Porsche en/of het geld ten behoeve van de aanschaf van de Porsche, is de rechtbank van oordeel – gelijk de voorzieningenrechter – dat dit afdoende is komen vast te staan. Door partijen wordt niet betwist dat de Porsche in feite toebehoort aan [de partner] en op naam staat van eiseres. Uit de voorhanden zijnde processen-verbaal van politie is gebleken dat de auto is aangekocht in Duitsland via een bepaalde verkoopconstructie, in die zin dat [autobedrijf] de auto heeft aangekocht en vervolgens heeft doorverkocht aan eiseres. De Porsche is contant afgerekend door [de partner] (gemachtigd door [autobedrijf] ), die de auto zelf in Duitsland is gaan ophalen. Weliswaar heeft eiseres haar eigen auto verkocht en dit bedrag overgemaakt naar [de partner] , maar laatstgenoemde heeft het merendeel van de aankoopsom op tafel gelegd. Zoals hiervoor reeds is vermeld onder rechtsoverweging 16, acht de rechtbank het onaannemelijk dat eiseres geen weet had van het feit dat haar partner [naam] betrokken is geweest bij criminele activiteiten. Gelet hierop én het feit dat [de partner] te weinig legaal inkomen had om de Porsche te betalen, had eiseres moeten weten althans op zijn minst redelijkerwijs kunnen vermoeden dat de auto gekocht was met geld afkomstig van misdrijf. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat eiseres de financiering van de Porsche tot op heden verder ook niet inzichtelijk heeft gemaakt. Voor zover eiseres heeft betoogd dat [de partner] in auto’s handelde en een legaal inkomen had, overweegt de rechtbank dat verweerder onweersproken heeft gesteld dat het autobedrijf van [de partner] eerst na de aanschaf van de Porsche is opgericht en tot 16 februari 2016 geen bedrijfsvoorraad aan auto’s heeft gehad, zodat er onvoldoende aanleiding is om dit betoog van eiseres voor waar aan te nemen. Het standpunt van eiseres dat de Porsche op haar naam is gezet op grond van verzekeringstechnische overwegingen (lagere verzekeringspremie) doet naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake. Het meewerken aan het witwassen is – gezien het vorenstaande – naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond. Ook deze gedraging merkt de rechtbank als plichtsverzuim aan.

19. Voor zover eiseres in beroep heeft aangevoerd dat verweerder bij de besluitvorming vooringenomen is geweest, de verwijten zijn gebaseerd op bij elkaar gezochte omstandigheden en aannames en verweerder op valse gronden de intentie had om een einde te maken aan het dienstverband van eiseres, overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder is naar het oordeel van de rechtbank in het geval van eiseres zorgvuldig te werk gegaan door aanvankelijk het onderzoek van de politie af te wachten, voordat tot het treffen van disciplinaire maatregelen is overgegaan. Verder is verweerder op basis van de inhoud van het politiedossier tot de conclusie kunnen komen dat eiseres zich heeft schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde verwijten, die aan het strafontslag ten grondslag liggen. Van bij elkaar gezochte omstandigheden en aannames, zoals eiseres stelt, is de rechtbank niet gebleken. Het betoog van eiseres dat verweerder eiseres op valse gronden heeft willen ontslaan is niet, althans onvoldoende, onderbouwd met objectieve gegevens.

20. De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat eiseres de haar verweten gedragingen heeft begaan en dat zij zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, inhoudende het doen of nalaten dat een ambtenaar bij een goede uitoefening van zijn functie in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Dat het plichtsverzuim eiseres niet toe te rekenen zou zijn, is gesteld noch gebleken, zodat verweerder bevoegd was eiseres disciplinair te straffen.

21. De rechtbank acht de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag evenredig aan het vastgestelde plichtsverzuim. Er is immers sprake van ernstig plichtsverzuim. De omstandigheid dat de gedragingen, die ten grondslag liggen aan het plichtsverzuim, in de privésfeer liggen, maakt niet dat deze gedragingen niet als zodanig aangemerkt kunnen worden. Eiseres heeft immers gehandeld in strijd met de voor een ambtenaar van de gemeente geldende strenge eisen van integriteit en betrouwbaarheid. Eiseres heeft nagelaten elke schijn van betrokkenheid bij het criminele milieu, waarin haar partner [naam] zich ophoudt, althans heeft opgehouden, te voorkomen. Verweerder heeft zijn belang bij een integere overheidsorganisatie naar het oordeel van de rechtbank kunnen laten prevaleren boven de persoonlijke belangen van eiseres bij behoud van haar functie. De omstandigheid dat eiseres naar eigen zeggen altijd goed heeft gefunctioneerd, kan aan het voorgaande niet afdoen.

Conclusie

22 Het beroep is ongegrond.

23 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.J. Rutten (voorzitter), en mr. M.A.H. Span-Henkens en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2019.

griffier rechter/voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 25 januari 2019

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.