Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:6803

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-07-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
C/03/260286 / HA ZA 19-82
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/260286 / HA ZA 19-82

Vonnis bij vervroeging van 24 juli 2019

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiseres,

advocaat mr. R.F. Cohen

tegen

[gedaagde] ,

wonende aan een geheim adres ,

gedaagde,

advocaat mr. A.M. Holmes

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met twee producties;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 2 juli 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 24 september 2002 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

2.3.

De vrouw heeft op 4 maart 2011 de echtscheiding aangevraagd. De man heeft bij verweerschrift een zelfstandig verzoek tot echtscheiding gedaan. Bij brief van 16 juni 2011 heeft de vrouw haar verzoek tot echtscheiding ingetrokken. De man heeft zijn verzoek tot echtscheiding gehandhaafd. Bij beschikking van de rechtbank van 25 juni 2014 is de echtscheiding uitgesproken en is partijen bevolen over te gaan tot verdeling van hun huwelijksgemeenschap. De beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Sittard-Geleen op 1 december 2014.

2.4.

De man is eind 2012 uit de voormalige echtelijke woning aan de [adres] in [S.] vertrokken en is in februari 2015, althans na 1 december 2014, weer in de woning getrokken. Partijen hebben daarna tot 31 oktober 2018 in de woning samengewoond.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair,

a. de man veroordeelt zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en het notarieel transport van de woning, staande en gelegen te [S.] , aan de [adres] , een en ander op verbeurt van een dwangsom van € 500,- voor elke dag of gedeelte van een dag dat niet wordt voldaan aan het in deze te wijzen vonnis nadat het in deze te wijzen vonnis zal zijn betekend, met dien verstande dat bij verkoop eerst de op de woning rustende hypotheek afgesloten bij de ASR-bank met nummer [hypotheeknummer] van in totaal € 118.962,- wordt voldaan alsmede de courtagekosten van de makelaar en dat het dan nog overblijvende restant tussen partijen gelijkelijk wordt verdeeld,

b. de man veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 2.500,-, zijnde de helft van de waarde van de aan gedaagde toebedeelde inboedelzaken,

c. de man veroordeelt om te gedogen dat de rechtbank een deskundige benoemt teneinde de omvang en de waarde vast te stellen van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen, voor zover partijen daaromtrent geen overeenstemming hebben bereikt,

d. de man veroordeelt in de kosten van de procedure,

subsidiair

a. de verdeling vaststelt van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen,

b. de man veroordeelt om:

1. zijn medewerking te verlenen aan de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen;

2. de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen op een wijze als door de rechtbank is vastgesteld te gedogen;

3. te gedogen dat de rechtbank een deskundige benoemt teneinde de omvang en de waarde vast te stellen van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen voor zover partijen daaromtrent geen overeenstemming hebben bereikt,

één en ander op verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor elke dag of gedeelte van een dag dat niet wordt voldaan aan het in deze te wijzen vonnis nadat het in deze te wijzen vonnis zal zijn betekend,

c. de man veroordeelt in de kosten van deze procedure.

De vrouw legt hieraan ten grondslag dat de man weigert mee te werken aan de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap en dat de inboedel die in de voormalige echtelijke woning is achtergebleven en die de man onder zich heeft, alsmede de hypotheekschuld en de woning zelf tussen partijen moeten worden verdeeld.

3.2.

De man stelt dat partijen de wijze van verdeling al hebben geregeld bij overeenkomst van 26 oktober 2018. Die overeenkomst houdt in dat de vrouw een bedrag van € 2.500,- zou krijgen, de volledige inboedel van de woning aan de [adres] en een nieuwe vloer voor haar woning en dat de vrouw dan zou meewerken aan de overdracht van de woning en de hypotheek aan de man. De man heeft tevens gesteld dat de vrouw een bedrag van € 10.600,- aan contanten heeft meegenomen uit de echtelijke woning en dat dit bedrag moet worden meegenomen in de verdeling. De man heeft betwist dat in de echtelijke woning een gemeenschappelijk inboedel is achtergebleven. Hij heeft in februari 2015, toen hij weer in de woning trok, een lege woning aangetroffen. Ook heeft de man gesteld dat de vrouw de inboedel eind 2018 al heeft meegenomen.

4 De beoordeling

4.1.

Zowel de primaire als de subsidiaire vorderingen van de vrouw strekken tot verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap door de rechtbank op de voet van art. 3:185 lid 1 BW. Tussen partijen is niet in geding dat de peildatum voor de omvang en de samenstelling van de gemeenschap 1 december 2014 is.

Woning en hypotheekschuld

4.2.

Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de woning aan de [adres] door de man zal worden overgenomen onder ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld en dat, als de man er niet in slaagt dit met de bank te regelen, de woning dan via makelaar [naam makelaar] te Sittard-Geleen te koop zal worden gezet. Partijen zijn tevens overeengekomen dat, indien het bestaan van de door de man gestelde overeenkomst van 26 oktober 2018 door de man niet wordt bewezen, de overwaarde van het huis gelijkelijk bij helfte wordt verdeeld met in achtneming van mogelijke uitkomsten van bewijsopdrachten die gevolgen hebben voor de totaal te verdelen som.

4.3.

Hoewel partijen zijn overeengekomen dat de man zal worden toegelaten tot het leveren van bewijs van het bestaan van de door de man gestelde overeenkomst, is er thans geen noodzaak of belang om de man toe te laten tot dat bewijs. Ter zitting is door de vrouw immers expliciet en ondubbelzinnig erkend dat de betreffende overeenkomst inderdaad is gesloten. De stelling van de vrouw, later ter zitting, dat zij slechts een aanbod heeft gedaan dat door de man niet is aanvaard en ook niet is uitgevoerd, kan aan die erkenning niet afdoen, nu de vrouw eveneens heeft gesteld op 30 oktober 2018 van de man in het kader van de uitvoering van de overeenkomst € 800,- te hebben ontvangen om een nieuwe vloer te leggen. Hoe dan ook geldt dat de vrouw, gezien bovenstaande, de stelling van de man dat partijen de betreffende overeenkomst hebben gesloten, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Ook om deze reden bestaat er geen noodzaak of belang om de man nog toe te laten tot bewijs hieromtrent.

4.4.

De rechtbank gaat, gezien bovenstaande, ervan uit dat partijen bij overeenkomst van 26 oktober 2018 de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap hebben geregeld. Die regeling houdt in dat de volledige inboedel van de woning aan de [adres] naar de vrouw gaat en dat de man de nieuwe vloer voor haar woning betaalt en dat de vrouw meewerkt aan de overdracht van de woning en de hypotheek aan de man. Daarmee staat vast dat de nominale overwaarde van de woning aan de [adres] niet hoeft te worden vastgesteld, maar dat de verdeling van de woning en de hypotheekschuld moet worden afgewikkeld op de wijze zoals voorzien in de overeenkomst van 26 oktober 2018. De rechtbank begrijpt dat als de man er niet in slaagt om, in het kader van de overeenkomst die partijen ter zitting hebben bereikt, de vrouw te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld en de woning dus via de makelaar te koop moet worden aangeboden, ervan moet worden uitgegaan dat de man de overeenkomst van 26 oktober 2018 niet kan nakomen. De raadsman van de vrouw heeft ter zitting verklaard dat hij namens de vrouw de overeenkomst vernietigt (naar de rechtbank begrijpt: ontbindt) omdat deze niet is uitgevoerd. Gezien die verklaring zal de rechtbank ervan uitgaan dat de overeenkomst in ieder geval als ontbonden heeft te gelden op het moment dat de man er niet in slaagt om de vrouw, in het kader van de overeenkomst die partijen ter zitting hebben bereikt, te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. In dat geval moet de overwaarde van de woning, ingevolge de ter zitting gesloten overeenkomst, in beginsel wel gelijkelijk bij helfte worden verdeeld, met inachtneming van mogelijke uitkomsten van hierna te geven bewijsopdrachten die gevolgen hebben voor de totaal te verdelen som.

Inboedel

4.5.

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat partijen bij overeenkomst van 26 oktober 2018 de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap hebben geregeld, behoeft de inboedel, waarvan de vrouw heeft gesteld dat die op 31 december 2014 in de woning aanwezig was en daar is achtergebleven toen zij eind 2018 uit de woning vertrok, thans niet te worden verdeeld en hoeft ook de waarde van die inboedel niet te worden vastgesteld. Voor het geval de overeenkomst van 26 oktober 2018 als ontbonden heeft te gelden (zie rov. 4.4), overweegt de rechtbank als volgt: De man heeft betwist dat op 1 december 2014 de inboedel waarvan de vrouw verdeling wenst in de woning aanwezig was en heeft gesteld dat de woning leeg was toen hij daar begin 2015 terugkeerde. Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv rust op de vrouw de stelplicht en bewijslast van het feit dat op 1 december 2014 in de woning de inboedel (zoals die ter zitting door de vrouw is opgesomd) aanwezig was. De rechtbank acht voorshands voldoende aannemelijk dat op die datum de inboedel aanwezig was. Tussen partijen staat immers vast dat de vrouw (samen met de twee kinderen van partijen, vgl. rov. 2.5 van de beschikking van deze rechtbank van 25 juni 2014) op dat moment in de woning woonden. De door de vrouw ter zitting opgesomde zaken betreffen zaken die passen bij een dergelijke huishouding. Het is ook niet aannemelijk dat de vrouw en kinderen in een lege woning woonden. De rechtbank zal de man toelaten tot tegenbewijs van het voorshands aannemelijk geachte feit dat in de woning op 1 december 2014 de volgende inboedel aanwezig was:

-Bankstel

-Bed

-Tv

-Computer

-Koelkast

-Bankjes

-Droger

-Dressoir

-Eettafel en 4 stoelen

-Wasmachine

-Inbouwfornuis

-Potten, pannen en bestek

-Koffiezetapparaat

-Waterkoker

-Magnetron

-Vries-koelcombinatie

-Lampen

-Glasservies

-Kinderkamer: 2 kinderbedden, een kast en een tv

-Playstation

-Waterautomaat

-Bijzettafeltjes (3)

-Kleding van de vrouw en haar schoenen

4.6.

De man heeft ook gesteld dat de vrouw op 1 november 2018, althans in de periode van 31 oktober tot en met 21 november 2018, de inboedel die in de voormalige echtelijke woning aanwezig was al heeft meegenomen (met uitzondering van de droger en 3 jassen). De rechtbank zal de man toelaten tot bewijs van deze stelling.

4.7.

Voor het geval de overeenkomst van 26 oktober 2018 als ontbonden heeft te gelden (zie rov. 4.4) en in geval de man vervolgens niet slaagt in de levering van het aan hem opgedragen tegenbewijs of bewijs, zal de rechtbank de inboedel toedelen aan de man tegen een waarde van € 5.000,-, onder vergoeding van de helft van die waarde aan de vrouw. De man heeft de stelling van de vrouw dat het gaat om een inboedel met een waarde van € 5.000,- immers niet betwist.

Contanten

4.8.

Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de man in staat zal worden gesteld te bewijzen dat € 10.060,- aan contanten aanwezig was in de woning aan de [adres] toen hij eind 2012 uit die woning vertrok en dat de vrouw deze contanten op 1 december 2014 onder zich had.

4.9.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

laat de man toe tot tegenbewijs van het voorshands aannemelijk geachte feit dat in de woning op 1 december 2014 de volgende inboedel aanwezig was:

-Bankstel

-Bed

-Tv

-Computer

-Koelkast

-Bankjes

-Droger

-Dressoir

-Eettafel en 4 stoelen

-Wasmachine

-Inbouwfornuis

-Potten, pannen en bestek

-Koffiezetapparaat

-Waterkoker

-Magnetron

-Vries-koelcombinatie

-Lampen

-Glasservies

-Kinderkamer: 2 kinderbedden, een kast en een tv

-Playstation

-Waterautomaat

-Bijzettafeltjes (3)

-Kleding van de vrouw en haar schoenen;

5.2.

laat de man toe te bewijzen dat

a. de vrouw op 1 november 2018, althans in de periode van 31 oktober tot en met 21 november 2018, de inboedel die in de voormalige echtelijke woning aanwezig was heeft meegenomen (met uitzondering van de droger en 3 jassen);

b. € 10.060,- aan contanten aanwezig was in de woning aan de [adres] toen hij eind 2012 uit die woning vertrok en dat de vrouw deze contanten op 1 december 2014 onder zich had;

5.3.

bepaalt (MK)dat, indien de man bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal worden gehouden ten overstaan van mr. Loof, rechter, in het gerechtsgebouw te Maastricht aan het St. Annadal 1 op een datum en tijdstip als door de rechter zal worden bepaald, nadat de man bij akte heeft opgegeven of getuigen zullen worden voorgebracht, in dat geval onder opgave van het aantal en - zo mogelijk - de personalia van de getuigen;

5.4.

verwijst in dat geval de zaak naar de rol van 21 augustus 2019(4 weken na datum vonnis) voor akte houdende opgave getuigen aan de zijde van de man, alsmede voor akte houdende verhinderdata in de eerste vier maanden vanaf de datum van opgave aan de zijde van beide partijen;

5.5.

bepaalt dat de man indien hij het bewijs niet of niet uitsluitend door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, hij die bewijsstukken en/of andere bewijsmiddelen op de rol van 21 augustus 2019 in het geding moet brengen;

5.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Loof en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2019.