Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:6788

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-07-2019
Datum publicatie
01-08-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1561
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete opgelegd wegens het niet tijdig inburgeren. Beroep gegrond.

De rechtbank is van oordeel – in lijn met hetgeen in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:119) is opgenomen – dat eiser gedurende de periode dat hij in een AZC verbleef geen inspanningen hoefde te verrichten in het kader van de inburgeringsplicht, De rechtbank acht dit ook in het onderhavige geval redelijk. De door eiser opgelopen vertragingen in 2013, 2014 en 2015 kunnen niet aan eiser worden tegengeworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 18/1561

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E.H.A. van den Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke boete van € 500,- opgelegd op grond van de Wet inburgering (Wi).

Bij besluit van 8 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is in 2013 naar Nederland gekomen. Bij brief van 17 februari 2014 heeft verweerder aan eiser laten weten dat hij vanaf 2 december 2013 inburgeringsplichtig is en hij vóór 1 december 2016 het inburgeringsdiploma moet hebben behaald. Op 14 augustus 2014 heeft verweerder een “herinnering inburgeringsplicht” verstuurd. Op 27 november 2014 heeft eiser een lening voor inburgeringscursus aangevraagd bij Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Deze lening is op 4 december 2014 toegekend door DUO. Bij brief van 19 februari 2015 heeft verweerder aan eiser een overzicht verstrekt van zijn inburgeringsgegevens. In deze brief staat opnieuw dat eiser op 1 december 2016 klaar moet zijn met inburgeren. Bij brief van 27 november 2015 heeft verweerder eiser wederom in kennis gesteld van het feit dat eiser vanaf 3 december 2013 inburgeringsplichtig is. Tevens is medegedeeld dat hij extra tijd krijgt om in te burgeren, omdat hij langer dan acht weken in een AZC heeft verbleven. Eiser dient vóór 18 mei 2017 te voldoen aan de inburgeringsplicht. Deze brief is verstuurd naar het woonadres van eiser, [adres]. De hiervoor genoemde, overige correspondentie is verstuurd naar het AZC te Sweikhuizen en het camping terrein Duinrell te Wassenaar. Bij brieven van 25 februari 2016 en van 1 september 2016 heeft verweerder een “overzicht inburgeringsgegevens” verstrekt aan eiser.

2. Bij brief van 22 mei 2017 heeft verweerder eiser bericht dat hij niet op tijd heeft voldaan aan zijn inburgeringsplicht en een boete krijgt die voorlopig wordt vastgesteld op

€ 1.250,-. Verder heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij twee jaar extra krijgt om zijn inburgeringsdiploma te halen. Dit betekent dat eiser vóór 18 mei 2019 moet zijn ingeburgerd.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke boete van

€ 500,- opgelegd. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser niet op tijd is ingeburgerd. Eiser is nog steeds inburgeringsplichtig en krijgt twee jaar extra tijd (tot en met 18 mei 2019) om in te burgeren. Tevens is aan eiser medegedeeld dat hij het geleende geld aan DUO moet terugbetalen.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

5. Eiser heeft in beroep naar voren gebracht dat hij op 24 april 2018 is geslaagd voor zijn inburgeringsexamen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet tijdig (vóór 18 mei 2017) is ingeburgerd terwijl in de brief van 22 mei 2017 wordt vermeld dat die termijn wordt verlengd tot 18 mei 2019. Eiser betwist dat hij wist of had behoren te weten dat hij vanaf 2 december 2013 moest inburgeren. De brief van 17 februari 2014 waarin deze verplichting met terugwerkende kracht is opgelegd, heeft eiser niet ontvangen. Volgens eiser is zijn naam niet correct gespeld en is het niet duidelijk of deze brief wel is aangekomen tijdens de destijds heersende chaos op de tijdelijke AZ camping terrein Duinrell te Wassenaar. Latere correspondentie heeft eiser kennelijk wel ontvangen, maar in die brieven staat niet dat hij de lening moet terugbetalen indien hij niet vóór 1 december 2016 slaagt voor het inburgeringsexamen. Op 7 maart 2017 heeft eiser verlenging aangevraagd van de inburgeringstermijn en deze wordt zonder nadere motivering afgewezen. De koppeling tussen het aantal gevolgde cursusuren (554) en het boetebedrag is niet duidelijk. Het kabinet heeft aangekondigd dat de wet niet werkt en dat de Wi wordt aangepast. In de aanvullende gronden van beroep verwijst eiser naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:119) waarbij is gesteld dat de informatievoorziening aan vreemdelingen destijds onjuist was en dat dit wel degelijk betrokken dient te worden bij de verwijtbaarheid. De tijd die eiser in een AZC heeft verbleven, telt niet mee voor de inburgeringstermijn, zo volgt uit voormelde Afdelingsuitspraak. Voorts is eiser van mening dat sprake is van een dubbele bestraffing. Naast het opleggen van een boete (punitieve sanctie) wordt ook een terugbetalingsverplichting opgelegd voor hetzelfde gedrag, namelijk het niet tijdig behalen van de inburgering.

6. Op dit geding is de Wi van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de Wet van 23 juni 2017 (Stb. 2017, 285) op 1 oktober 2017. Nu eiser al inburgeringsplichtig was vóór inwerkingtreding van de Wijzigingswet, zijn op hem de volgende bepalingen van toepassing. De verplichting tot inburgering is neergelegd in artikel 7 van de Wi (oud). De bevoegdheid voor verweerder om een boete op te leggen is neergelegd in artikel 31, eerste lid, van de Wi (oud).

7. De stelling van eiser dat de besluitvorming innerlijk tegenstrijdig is, omdat enerzijds de inburgeringstermijn wordt verlengd, terwijl anderzijds wordt gesteld dat eiser niet tijdig is ingeburgerd, slaagt niet. De rechtbank overweegt dat in artikel 32 van de Wi (oud) is bepaald dat verweerder in de boetebeschikking een nieuwe termijn van ten hoogste twee jaren stelt waarbinnen de inburgeringsplichtige alsnog aan de inburgeringsplicht moet voldoen. Zoals verweerder in zijn verweerschrift heeft aangegeven, betreft dit de uitvoering van een wettelijke bepaling. Het moet eiser worden toegegeven dat de toelichting in de besluitvorming niet uitgebreid is, maar er is geen sprake van een innerlijke tegenstrijdigheid of een anderszins onduidelijk besluit.

8. Het is vervolgens tussen partijen in geschil of eiser gedurende de tijd die hij in een AZC heeft doorgebracht, inburgeringsplichtig was. Volgens eiser niet, (mede) onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2019. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat het standpunt van verweerder, niet correct is weergegeven in deze Afdelingsuitspraak. Ook tijdens het verblijf in een AZC is iemand inburgeringsplichtig, dat volgt namelijk uit de wet, althans de wetgever heeft het niet nodig geacht hierover een aparte bepaling op te nemen. Verweerder vindt het begrijpelijk dat inburgeren tijdens een verblijf in een AZC lastiger is, zodat om die reden wordt tegemoetgekomen aan de inburgeringsplichtige, door de inburgeringstermijn met acht weken te verlengen, ongeacht de duur van het verblijf in het AZC.

9. De rechtbank stelt vast dat in de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2019 het volgende is opgenomen: “De minister heeft ter zitting van de Afdeling desgevraagd bevestigd dat appellant geen inspanningen hoefde te verrichten in het kader van zijn inburgeringsplicht gedurende de periode dat hij in een AZC verbleef.”

In de onderhavige beroepszaak heeft verweerder erkend dat inburgeren tijdens het verblijf in een AZC lastig is en de rechtbank onderschrijft dit standpunt. Verweerder heeft echter niet duidelijk kunnen maken waarom de beleidsmatige keuze is gemaakt om – ongeacht de verblijfsduur in een AZC – de inburgeringstermijn altijd met acht weken te verlengen. Bovendien, zo moet de rechtbank constateren, heeft verweerder in de onderhavige procedure niet in lijn met de eigen beleidsmatige keuze gehandeld, terwijl ook niet duidelijk is geworden waarom in het geval van eiser de termijn met ruim vijf maanden is verlengd. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het standpunt van verweerder in de onderhavige procedure. De rechtbank is van oordeel – in lijn met hetgeen in de Afdelingsuitspraak van

16 januari 2019 is opgenomen – dat eiser gedurende de periode die hij in een AZC verbleef, geen inspanningen hoefde te verrichten in het kader van zijn inburgeringsplicht. De rechtbank acht dit ook in het onderhavige geval redelijk. Het is immers onduidelijk in hoeverre de brieven die verweerder aan eiser heeft gestuurd, terwijl hij in een AZC verbleef, hem daadwerkelijk hebben bereikt. Verweerder heeft weliswaar verzendadministratie overgelegd, maar hiermee is niet aannemelijk geworden dat de brieven op een correcte wijze zijn verzonden, temeer nu eiser heeft betwist brieven te hebben ontvangen, terwijl hij op de tijdelijke AZ camping terrein Duinrell te Wassenaar verbleef. Op 27 november 2014 heeft eiser weliswaar een lening bij DUO aangevraagd – en verweerder veronderstelt dat eiser daarom op de hoogte moet zijn geweest van de inburgeringsplicht – maar eiser heeft toegelicht dat dit is gedaan door Vluchtelingenwerk Nederland en dat hij hiervan geen weet had, althans dat hij dit niet begreep. In het feit dat eiser op 1 april 2015 opnieuw een lening bij DUO heeft aangevraagd, ziet de rechtbank een bevestiging van de stellingen van eiser. Als eiser had geweten dat hem al een lening was toegekend en dat hij moest inburgeren, dan had hij geen nieuwe lening aangevraagd, omdat hem deze al was toegekend. Eiser heeft wel erkend dat hij brieven heeft ontvangen van verweerder, terwijl hij in het AZC te Sweikhuizen verbleef. In die tijd waren de AZC’s echter overvol en de informatievoorziening was slecht geregeld.

10. Het is vervolgens de vraag tot welke datum eiser in een AZC heeft verbleven. Ter zitting heeft verweerder naar voren gebracht dat eiser per 4 maart 2015 stond ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) op het [adres] . Eiser heeft toegelicht dat de brp-registratie misschien al eerder was geregeld, maar dat hij feitelijk pas in april/mei 2015 woonde op het betreffende adres. Verweerder heeft deze verklaring van eiser niet weersproken. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat eiser tot en met april 2015 in een AZC heeft verbleven, zodat deze tijd niet meetelt bij het bepalen van de inburgeringstermijn.

11. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het samenstel van feiten en omstandigheden, zoals weergegeven in de vorige rechtsoverwegingen, verweerder in dit geval had moeten afzien van boeteoplegging.

12. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank herroept het primaire besluit van 12 oktober 2017. Dit betekent dat eiser geen boete hoeft te betalen. Zoals tijdens de behandeling ter zitting is besproken, vervalt dan ook de terugbetalingsverplichting voor eiser van de lening bij DUO.

13. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser. Eerst tijdens de beroepsfase heeft eiser zich laten bijstaan door een professioneel gemachtigde. Dit betekent dat verweerder een bedrag van € 1.024,- aan proceskosten moet betalen aan eiser (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 46,- dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, rechter, in aanwezigheid van

mr. D.S.A.W. Raes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 24 juli 2019

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.