Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:672

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-01-2019
Datum publicatie
28-01-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1252
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

AW. Beoordeling + (ongeschiktheids)ontslag. Medisch aspect (medicijngebruik). Niet gebleken dat beoordeling op onvoldoende gronden berust. Verbetertraject. Houding en gedrag van eiser. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 17/1252

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 januari 2019 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. A.W. van Duijnhoven),

en

het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg, verweerder

(gemachtigde: mr. A.G. Kerkhof).

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers beoordeling over het jaar 2015 vastgesteld met als eindoordeel dat het functioneren van eiser onvoldoende is.

Bij besluit van 21 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak tussen partijen met kenmerk

AWB 17/1253, plaatsgevonden op 19 december 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde,

[naam 2] en [naam 3].

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst voor nader overleg tussen partijen. Bij faxbericht van 9 maart 2018 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank meegedeeld dat partijen er niet in zijn geslaagd om een minnelijke regeling te treffen en bij brief van

20 april 2018 heeft hij een (medisch) stuk overgelegd. De gemachtigde van verweerder heeft hierop gereageerd bij brief van 3 mei 2018. Aangezien partijen, desgevraagd, niet hebben laten weten te willen worden gehoord op een nadere zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is per 1 oktober 1994 in dienst getreden van Waterschap Peel en Maasvallei, de rechtsvoorganger van verweerder. Eiser was laatstelijk werkzaam in de functie van senior beleidsmedewerker Advies/Ecologie. Bij brief van 17 november 2014 heeft verweerder eiser een verbetertraject (met deskundige begeleiding door de coach [naam 4]) aangezegd vanwege de zorgen die waren gerezen omtrent zijn wijze van functioneren. Op 29 januari 2015 heeft verweerder eisers (negatieve) beoordeling over het jaar 2014 vastgesteld en aan hem bekend gemaakt. Deze beoordeling is in rechte komen vast te staan. In de periode van

2 december 2014 tot en met 18 augustus 2015 zijn periodieke evaluatiegesprekken met eiser gehouden. Het verbetertraject is verlengd tot oktober 2015. Bij het primaire besluit heeft verweerder de beoordeling over het jaar 2015 vastgesteld (score: E). Het eindoordeel van deze beoordeling luidt dat het functioneren van eiser als onvoldoende moet worden gekwalificeerd, waarbij het verbetertraject (functioneringstraject) als niet geslaagd kan worden beschouwd.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt -kort weergegeven- dat met betrekking tot geen van de vier verbeterpunten die ten aanzien van het functioneren van eiser zijn geformuleerd een structurele verbetering heeft plaatsgevonden. Deze punten zijn:

-zichtbaarder naar bestuur en organisatie worden;

-samenwerking met collega’s verbeteren, met name coaching ecologen en samenwerking met [naam 5];

-bij in- en extern overleg/presentatie standpunten/beleid waterschap positief uitdragen;

-verbetering planmatig werken, waaronder opruimen stukken.

Voor wat betreft eisers medicijngebruik (antidepressiva) stelt verweerder dat het causaal verband tussen het onvoldoende functioneren van eiser en het gebruik van medicijnen onvoldoende is aangetoond.

3. Eiser persisteert bij hetgeen hij in bezwaar heeft aangevoerd en voert verder in beroep aan -kort samengevat- dat onvoldoende duidelijk is geworden of er medische oorzaken (zijn medicijngebruik) ten grondslag liggen aan zijn gedrag in de beoordelingsperiode. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft hij informatie van klinisch psycholoog Verzijl en psychiater Klaver alsmede informatie van psychiater in opleiding Reifenschweiler en psychiater Stadtbaumer overgelegd.

4 De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2016:3259) is de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of die beoordeling op voldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het bestuursorgaan dit met concrete feiten onderbouwen. Niet doorslaggevend is of elk feit dat het bestuursorgaan ter onderbouwing aanvoert boven elke twijfel is verheven en of sommige feiten niet (geheel) juist zijn vastgesteld of geïnterpreteerd. Bepalend is of de gegeven waardering, gelet op het totale beeld van het in beschouwing genomen gezichtspunt, de terughoudende rechterlijke toetsing kan doorstaan. Gelet op de aangevoerde en inhoudelijk uitgewerkte beroepsgronden beperkt het geschil zich tot de onderstaand te bespreken problematiek.

5. Over het verbetertraject overweegt de rechtbank dat uit de evaluatiegesprekken niet blijkt dat sprake is van een (structurele) verbetering bij eiser op voornoemde vier verbeterpunten. Bovendien heeft verweerder eiser op 24 juli 2015 per emailbericht ontheven uit het project “beekontwikkeling”, hem meegedeeld dat hij niet meer deelneemt aan overleggen waar externe organisaties ook bij aanwezig zijn en hij geen externe voorlichting of representaties geeft, vanwege drie (in de bij de email behorende bijlage beschreven) incidenten, waarbij eiser zich heeft gedragen in strijd met de uitgangspunten van het verbetertraject. Eiser heeft zich bij deze ontheffing van een deel van zijn taken uiteindelijk neergelegd.

6. Over het medisch aspect (eisers medicijngebruik) overweegt de rechtbank het volgende. Het in opdracht van verweerder door de HSK-groep hiernaar verrichte onderzoek heeft, blijkens de e-mail van verweerders bedrijfsarts van 27 juli 2016 niet tot de eenduidige conclusie geleid dat de antidepressiva het gedrag van eiser hebben beïnvloed. Voorts heeft verweerder (onweersproken) gesteld dat ook in de dagelijkse praktijk op eisers werkplek geen wezenlijke veranderingen zijn opgemerkt in houding en gedrag van eiser ten opzichte van zijn eerdere gedrag.

Ook heeft eiser zich, blijkens de gedingstukken, gedurende het verbetertraject niet expliciet beroepen op een beïnvloeding van zijn gedrag als gevolg van zijn medicijngebruik, waar verweerder rekening mee had moeten houden.

Uit de door eiser bij brief van 21 november 2017 overgelegde informatie van klinisch psycholoog Verzijl en psychiater Klaver blijkt dat eiser van karakter eigengereid is en dat hij niet altijd tactisch is. Ook hieruit leidt de rechtbank af dat geenszins is komen vast te staan dat de antidepressiva van invloed waren op eisers gedrag gedurende de beoordelingsperiode.

Blijkens de door eiser bij brief van 20 april 2018 overgelegde informatie van psychiater in opleiding Reifenschweiler en psychiater Stadtbaumer heeft eiser in 2013 een eenmalige depressieve episode meegemaakt, hetgeen bij verweerder bekend was en waarmee ook rekening is gehouden. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet worden afgeleid dat de medicijnen van invloed waren op zijn gedrag ten tijde hier van belang.

7. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat het onvoldoende functioneren van eiser (in overwegende mate) is toe te schrijven aan zijn medicijngebruik.

8. De rechtbank is op grond van voorgaande overwegingen van oordeel dat niet is gebleken dat onderhavige beoordeling op onvoldoende gronden berust.

9 Het beroep is ongegrond.

10 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens (voorzitter),

mr. F.A.G.M. Vluggen en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van

mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 25 januari 2019

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.