Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:669

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-01-2019
Datum publicatie
28-01-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1253
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

AW. Beoordeling + (ongeschiktheids)ontslag. Medisch aspect (medicijngebruik). Niet gebleken dat beoordeling op onvoldoende gronden berust. Verbetertraject. Houding en gedrag van eiser. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 17/1253

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 januari 2019 in de zaak tussen

[Naam 1] , te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. A.W. van Duijnhoven),

en

het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg, verweerder

(gemachtigde: mr. A.G. Kerkhof).

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser eervol ontslag verleend per 1 september 2016 op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie, anders dan op grond van ziekte of gebreken.

Bij besluit van 21 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak tussen partijen met kenmerk AWB 17/1252, plaatsgevonden op 19 december 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde,

[naam 2] en [naam 3].

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst voor nader overleg tussen partijen. Bij faxbericht van 9 maart 2018 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank meegedeeld dat partijen er niet in zijn geslaagd om een minnelijke regeling te treffen en bij brief van

20 april 2018 heeft hij een (medisch) stuk overgelegd. De gemachtigde van verweerder heeft hierop gereageerd bij bief van 3 mei 2018. Aangezien partijen, desgevraagd, niet hebben laten weten te willen worden gehoord op een nadere zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank verwijst voor wat betreft de voorgeschiedenis naar haar uitspraak in de bovengenoemde zaak met kenmerk AWB 17/1252. Naar aanleiding van het advies van de bezwaarcommissie van 13 april 2016, uitgebracht naar aanleiding van eisers bezwaar tegen de ontheffing van een deel van zijn taken, heeft verweerder een medisch onderzoek laten uitvoeren door de bedrijfsarts en de HSK-groep. Op basis van de terugkoppeling hiervan door de bedrijfsarts heeft verweerder geen aanleiding gezien om het ontslagvoornemen niet ten uitvoer te leggen.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt -kort weergegeven- dat eiser binnen projectgroepen geen sturende rol kon vervullen (onder meer), omdat hij vast bleef houden aan eigen standpunten die afweken van het staande beleid, maar ook omdat hij zich in sommige situaties niet liet aansturen door een projectleider (voorbeeld: het samenwerkingsprobleem met [naam 4], projectleider Beekontwikkeling). Bovendien is, volgens verweerder, bij herhaling duidelijk geworden dat het optreden van eiser bij bijeenkomsten met externen niet conform de beleidslijnen was, die binnen het waterschap waren uitgezet. Gedurende het (zorgvuldig doorlopen) verbetertraject is geen/weinig verandering opgetreden in het gedrag van eiser. Naar aanleiding van een drietal incidenten is aan eiser zelfs een beperking opgelegd met betrekking tot het omgaan met externe contacten. Ten aanzien van eisers medicijngebruik wijst verweerder op het onderzoek door de HSK-groep. Hieruit blijkt onvoldoende dat eisers gebruik van antidepressiva zijn gedrag beïnvloeden.

3. Eiser voert in beroep aan -kort samengevat- dat zijn deskundigheid niet in twijfel wordt getrokken. Onvoldoende duidelijk is geworden of er medische oorzaken ten grondslag liggen aan het gedrag van eiser. In dit verband wordt door eiser verwezen naar hetgeen in bezwaar is aangevoerd. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft eiser in de loop van de procedure nog medische stukken overgelegd.

4 De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 8:6 van de Sectorale Arbeidsvoorwaardenregelingen Waterschapspersoneel (SAW) kan aan de ambtenaar (eervol) ontslag worden verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van de functie, anders dan op grond van ziekte of gebreken.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2016:1548) dient de ongeschiktheid voor de functie zich te uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn. Daarvoor is niet steeds vereist dat de functievervulling van de ambtenaar inhoudelijk niet naar behoren is. Ook indien houding en gedrag van de ambtenaar hem ongeschikt maken voor zijn werkzaamheden, kan van functieongeschiktheid worden gesproken.

Volgens eveneens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2014:1098) is een ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan wegens ziekte of gebreken in het algemeen niet toelaatbaar, als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. Dit is anders in als uitzonderlijk aan te merken situaties waarin het bieden van een verbeterkans niet zinvol zou zijn.

5. Bij brief van 17 november 2014 heeft verweerder eiser een verbetertraject aangezegd naar aanleiding van een aantal in deze brief beschreven voorvallen/incidenten. Eiser heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zich te laten begeleiden bij dit traject. Bij besluit van 4 februari 2016 heeft verweerder de beoordeling die betrekking heeft op het functioneren van eiser over het jaar 2015 (dat wil zeggen met inachtneming van het verbetertraject) vastgesteld. Het eindoordeel van deze beoordeling hield in dat het functioneren van eiser als onvoldoende is beoordeeld, waarbij het functioneringstraject als niet geslaagd kan worden beschouwd. Uit deze beoordeling blijkt dat eiser in het beoordelingstijdvak weinig tot geen (beleids)stukken heeft geproduceerd, dat hij van het deelprojectleiderschap (project Beekontwikkeling) is ontheven, geen medewerkers heeft begeleid, zijn omgevingsbewustzijn laag is, zich onvoldoende kan aanpassen aan veranderende opdrachten of gewijzigde standpunten en dat hij er niet in slaagt om in het contact met anderen doelstellingen te bereiken of gedrag effectief te beïnvloeden. Voorts blijkt uit deze beoordeling dat er geen fundamentele verbetering is opgetreden in eisers wijze van functioneren ten opzichte van de destijds geformuleerde (4 concrete) aandachtspunten. De rechtbank verwijst voor wat betreft de toetsing door de rechtbank van de inhoud van voornoemde beoordeling naar haar overwegingen in de zaak met kenmerk AWB 17/1252.

6. Met betrekking tot eisers stelling dat zijn (ongewenst) gedrag zou zijn veroorzaakt door zijn medicijngebruik (antidepressiva) ten tijde hier van belang overweegt de rechtbank dat zij van oordeel is dat niet is gebleken dat het onvoldoende functioneren van eiser (in overwegende mate) is toe te schrijven aan zijn medicijngebruik. De rechtbank verwijst daartoe naar haar overwegingen in de zaak met kenmerk AWB 17/1252. De rechtbank heeft in die uitspraak geconcludeerd dat niet is gebleken dat onderhavige beoordeling op onvoldoende gronden berust.

7. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers houding en gedrag hem ongeschikt maken voor zijn werkzaamheden als senior beleidsmedewerker Advies/Ecologie (anders dan op grond van ziekte of gebreken).

8 Het beroep is ongegrond.

9 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens (voorzitter),

mr. F.A.G.M. Vluggen en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van

mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 25 januari 2019

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.