Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:6227

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-07-2019
Datum publicatie
04-07-2019
Zaaknummer
03/702706-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Limburg veroordeelt een 46-jarige man uit Heerlen voor het medeplegen van valsheid in geschrifte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden en tot een taakstraf van 80 uur. De verdachte wordt vrij gesproken van oplichting van de gemeente Heerlen en ambtelijke corruptie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/702706-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 juli 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboortegegevens] ,

wonende te [adresgegevens]

De verdachte wordt bijgestaan door mr. S. Weening, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 18 en 20 juni 2019. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: samen met anderen opzettelijk offertes en opdrachten heeft geaccordeerd en facturen heeft doen toekomen aan de crediteurenadministratie, waarin werkzaamheden waren opgenomen voor hogere bedragen dan de werkelijke kosten van die werkzaamheden;

Feit 2: samen met anderen de gemeente Heerlen heeft opgelicht door offertes en opdrachten voor niet verrichte werkzaamheden naar de gemeente Heerlen te sturen en deze facturen en offertes te accorderen en aan de crediteurenadministratie te doen toekomen, dan wel als ambtenaar van de gemeente Heerlen [naam] heeft gevraagd om een dienst om hem te bewegen valse offertes en/of opdrachten te versturen.

3 De voorvragen

3.1

Het standpunt van de verdediging

Het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde is deels nietig. Het onder 1 ten laste gelegde is op onderdelen onbegrijpelijk en innerlijk tegenstrijdig. Ook het onder 2 ten laste gelegde ontspoort taalkundig. De tekst is niet begrijpelijk en er lijkt ook geen strafbaar feit ten laste gelegd. Immers, ten laste gelegd is dat een dienst is gevraagd om [naam] te bewegen iets te doen, terwijl [naam] geen ambtenaar is.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

Tegen de achtergrond van het dossier is volstrekt helder wat verdachte onder 1 ten laste is gelegd. Uit de workflowhistorie die in het dossier zit, blijkt de manier van werken binnen de gemeente. De rol van de verdachte is ook duidelijk. Ook het onder 2 subsidiair ten laste gelegde is niet nietig. Het kan niet anders dan dat de verdachte bedoeld is als de ambtenaar die een dienst vraagt om in strijd met zijn ambtsplicht iets te doen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Vastgesteld moet worden dat er nogal wat haken en ogen zitten aan de vertaling van het procesdossier naar de tenlastelegging. De verdediging wijst hier terecht op. Maar bezien tegen de achtergrond van het dossier is wel voldoende duidelijk wat de verdachte onder 1 ten laste wordt gelegd. Dit geldt ook voor het de verdachte onder 2 subsidiair ten laste gelegde. Ter zitting is ook niet gebleken dat de verdachte niet wist welke verwijten de officier hem onder 1 en 2 subsidiair maakt. Het onder twee subsidiair ten laste gelegde kan verbeterd worden gelezen in die zin dat de verdachte degene is die in strijd met zijn ambtsplicht iets zou hebben gedaan waarvoor hij [naam] een dienst heeft gevraagd.

Of, en zo ja in hoeverre de vertaling van het procesdossier in de tenlastelegging in dit geval in de weg staat aan een bewezenverklaring zal in paragraaf 4.3 worden besproken.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Het onder 1 ten laste gelegde kan integraal worden bewezen. Door de verdachte en medeverdachte [naam] zijn met medewerking van burgerpseudodienstverlener [naam] voor zes projecten valse offertes en opdrachtbonnen opgemaakt en verwerkt in de administratie van de gemeente Heerlen. Op 15 november 2016 is besloten over te gaan tot aanhouding van de verdachten in dit onderzoek. Alleen het project aan de [naam] was toen uitgevoerd en ook betaald door de gemeente. De bewezenverklaring van de onder 2 ten laste gelegde voltooide oplichtingen moet om die reden worden beperkt tot dit project.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdachte bekent dat hij strafbare feiten heeft gepleegd, maar moet worden vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging omdat de tenlastelegging gebrekkig is. De verdachte heeft in oktober 2016 de valse offertes van [naam] ontvangen en vervolgens valse opdrachtbonnen gemaakt voor de zes projecten. Hij heeft de valse offertes en opdrachtbonnen echter niet voor akkoord ondertekend of geparafeerd zoals ten laste is gelegd. In het werkproces wordt niet ondertekend of geparafeerd. Ondertekenen of paraferen kan ook niet als ‘gebruikmaken’ in de zin van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) worden gekwalificeerd. Bij de concretisering van het gebruik van de valse documenten wordt verder verwezen naar ‘voornoemde’ facturen, maar eerder worden helemaal geen facturen benoemd. Offertes en opdrachtbonnen zien tot slot op werkzaamheden die nog moeten plaatsvinden. In de tenlastelegging is echter opgenomen dat het zou gaan om werkzaamheden die al ‘hadden’ plaatsgevonden. Het onder 1 ten laste gelegde kan daarom niet worden bewezen.

Het onder 2 primair ten laste gelegde kent soortgelijke gebreken. De gemeente is niet bewogen tot afgifte door de valse offerte en opdrachtbon maar door de valse factuur. De factuur wordt ook hier in het eerste deel van de tenlastelegging echter niet genoemd. Daar komt bij dat onder 2 primair ten laste is gelegd dat het zou gaan om een offerte en een opdrachtbon ‘voor niet verrichte werkzaamheden en niet geleverde goederen’. Dat kan niet worden bewezen. Het onder 2 subsidiair ten laste gelegde kan ook niet worden bewezen. De verdachte heeft [naam] niet gevraagd om te handelen ‘in strijd met diens plicht, dan wel in diens bediening’. De verdachte heeft [naam] helemaal niets gevraagd. De verweten handeling is niet door de verdachte gepleegd, maar door medeverdachte [naam] . Omdat medeplegen niet ten laste is gelegd, kan het feit niet worden bewezen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Inleiding

Op 26 mei 2016 heeft de heer [naam] , directeur van [naam] Verhuur en Steigerbouw, zich bij de gemeente Heerlen gemeld met de mededeling dat een ambtenaar corrupt zou zijn. Medeverdachte [naam] zou [naam] hebben gevraagd of hij op een snelle manier € 5.000,- wilde verdienen. [naam] zou zorgen dat [naam] een opdrachtbon voor geleverde steigers bij het Werkplein voor € 15.000,- zou krijgen waarna hij [naam] voor dat bedrag een factuur kon sturen. [naam] zou op zijn beurt van [naam] ’ eigen bedrijf een factuur ontvangen van € 10.000,-. Zo zou [naam] er € 5.000,- aan overhouden. [naam] had verder bij [naam] materiaal gehuurd dat [naam] bij hoveniersbedrijf [naam] in rekening moest brengen van [naam] . De gemeente heeft aangifte2 gedaan tegen [naam] , waarop onderzoek is gevolgd, waarbij [naam] vanaf 7 juni 2016 is ingezet als zogenaamde burgerpseudodienstverlener3. [naam] heeft in dit kader onder regie van de politie contacten met [naam] onderhouden en diensten verleend aan [naam] . De verdachte is tijdens dit onderzoek, medio augustus 2016 als verdachte in beeld gekomen4. Het onderzoek heeft geleid tot de verdenking van de in de tenlastelegging opgenomen feiten5.

De feitelijke gang van zaken in deze zaak zoals daarvan is gebleken uit het dossier

De verdachte was werkzaam als projectuitvoerder vastgoed bij bureau [naam afdeling] van de gemeente Heerlen6. In die functie was hij gemachtigd namens de gemeente opdrachten te verstrekken aan derden. De verdachte kon zelf verplichtingen aangaan tot € 10.000,-. Voor het verstrekken van opdrachten boven de € 10.000,- diende toestemming van de budgethouder te worden verkregen7. De verdachte vroeg voor een opdracht een verplichtingennummer aan, waarop de wederpartij de werkzaamheden kon declareren, en de verdachte maakte vervolgens een opdrachtbon die naar de wederpartij werd gezonden. Op de opdrachtbon stond het verplichtingennummer, een omschrijving van de werkzaamheden en de kosten in geval niet op basis van nacalculatie werd gewerkt. Wanneer vervolgens de factuur binnenkwam, beoordeelde de verdachte de factuur, gaf daarop akkoord waarna deze voor betaling gereed werd gemaakt. De betaling diende te worden geaccordeerd door de budgethouder waarna tot betaling werd overgegaan. De administratie van de gemeente Heerlen is geautomatiseerd. Medewerkers geven in het geautomatiseerde systeem hun akkoord door middel van een handeling binnen dit systeem (aanvinken)8. Uit de verklaringen van de direct leidinggevende van de verdachte en het hoofd van de afdeling [naam afdeling] blijkt dat inhoudelijke controle van aangegane verplichtingen en betalingen door de budgethouder nagenoeg niet plaatsvond9.

De verdachte kende medeverdachte [naam] (hierna: [naam] ) van het werk. [naam] was tot 1 augustus 2016 in dezelfde functie werkzaam geweest10. De verdachte en [naam] hielden na vertrek van [naam] bij de gemeente contact. [naam] had eerder met medewerking van [naam] de gemeente opgelicht. [naam] had daartoe een offerte verzonden aan de gemeente voor werkzaamheden die helemaal niet zouden plaatsvinden. [naam] had op basis van die offerte [naam] opdracht gegeven tot de werkzaamheden, waarop [naam] een factuur had gezonden, die [naam] geaccordeerd had waarna door de gemeente tot betaling was overgegaan. [naam] had vervolgens een groot deel van de ‘winst’ uitbetaald aan [naam]11.

De verdachte en [naam] besloten vlak na het vertrek van [naam] bij de gemeente dit nogmaals te doen. Ditmaal zou [naam] offertes uitbrengen voor wel uit te voeren werkzaamheden, maar daarvoor een hoger bedrag in rekening brengen dan hij normaal in rekening bracht. De verdachte zou de opdrachtbonnen opmaken en de facturen accorderen. [naam] onderhield daarbij de contacten met [naam] . Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat het idee tussen hem en [naam] gaandeweg was ontstaan. De verdachte had het idee van de verhoogde offertes bedacht, [naam] had de mogelijkheid ‘om te verzilveren’ omdat hij het contact met [naam] had. De ‘winst’ zou gelijkelijk verdeeld worden tussen de verdachte, [naam] en [naam]12.

En aldus geschiedde. Begin oktober 2016 heeft [naam] een zestal offertes gestuurd aan de verdachte voor plaatsing en verhuur van steigers bij zes panden van de gemeente. [naam] had deze offertes opgemaakt aan de hand van een door de verdachte opgestelde opgave van de werkzaamheden die uitgevoerd moesten worden en de (verhoogde) kosten die [naam] daarvoor in rekening kon brengen13. De verdachte heeft vervolgens opdrachtbonnen verstrekt aan [naam] waarin deze bedragen waren verwerkt14. Bij een pand aan de [naam] zijn daadwerkelijk steigers geplaatst. Deze werkzaamheden zijn door [naam] ook gefactureerd en door de gemeente is daarop betaald15. Bij de andere panden is het zover niet gekomen omdat medio november 2016 is overgegaan tot aanhouding van de verdachten.

Het verweer en de reactie daarop van de officier van justitie

De feitelijke gang van zaken is in deze zaak door de verdediging niet betwist. De verdediging heeft gewezen op gebreken in de tenlastelegging. De officier van justitie heeft ervoor gekozen om geen gebruik te maken van zijn wettelijke mogelijkheid tot wijziging van de tenlastelegging.

De gebondenheid van de rechter aan de tenlastelegging

De rechter is bij het onderzoek ter zitting gebonden aan de bewoordingen van de tenlastelegging en moet de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) beantwoorden op basis van de tenlastelegging. De rechter spreekt daarmee recht niet op basis van een voorval in het leven van de verdachte maar op basis van een beschrijving van dat voorval. De tenlastelegging mag echter gedurende de gehele behandeling in feitelijke aanleg door de officier van justitie nog worden gewijzigd zodat het belang van deze zogenoemde grondslagleer beperkt is. Ook de rechter staan een aantal correctiemechanismen ter beschikking tegen de nadelen van de grondslagleer. De rechter kan de tenlastelegging in de lijn van de gebruikte bewoordingen en in het licht van het dossier interpreteren, gedeeltelijk bewezen verklaren, kennelijke verschrijvingen herstellen en de tenlastelegging verbeterd lezen. Bij verbeterd lezen worden feitelijke onjuistheden hersteld.

De beoordeling

In deze zaak is de vertaling van de strafbare feiten die uit het procesdossier blijken naar de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten gebrekkig. De omschrijving van de strafbare feiten bevat taalkundige onjuistheden als het terugverwijzen naar zaken die eerder niet zijn genoemd (‘voornoemde facturen’ onder 1 en 2 primair) en het omschrijven van de materiële valsheden op een wijze die niet strookt met de aard van de valse geschriften (ten aanzien van offertes en opdrachten spreken van al verrichte werkzaamheden en al geleverde goederen en diensten). Bij de omschrijving van de strafbare feiten worden handelingen beschreven als ‘ondertekenen’ en ‘paraferen’ die, uitgaande van de letterlijke betekenis van deze begrippen, niet hebben plaatsgevonden. De omschrijving van de strafbare feiten in feit 2 bevat ook feitelijke onjuistheden. Er worden zes voltooide oplichtingen ten laste gelegd terwijl alleen voor de [naam] door de gemeente ook is betaald. Verder is ten laste gelegd dat het bij de betreffende offertes van [naam] en daaropvolgende opdrachten van de verdachte namens de gemeente zou gaan om werkzaamheden die niet zouden zijn verricht of goederen die niet zouden zijn geleverd. In werkelijkheid waren de werkzaamheden die zouden plaatsvinden tegen een te hoog bedrag geoffreerd.

De rechtbank moet, nu de officier van justitie niet tot wijziging van de tenlastelegging is overgegaan, beoordelen of door de verdachte gepleegde strafbare feiten uitgaande van de tenlastelegging door toepassing van een van de correctiemechanismen die de rechtbank ter beschikking staan, bewezenverklaard kunnen worden. Een en ander mede tegen de achtergrond van het expliciete verweer van de verdediging.

Het de verdachte onder 1 ten laste gelegde

De verdediging heeft gesteld dat de offertes en bestelopdrachten of opdrachtbonnen niet voor akkoord zijn ondertekend of geparafeerd zodat dit niet bewezen verklaard kan worden. De rechtbank denkt daar anders over. De verdachte is op basis van valse offertes van [naam] valse opdrachtbonnen gaan maken. [naam] heeft op basis van een van deze valse opdrachtbonnen op zijn beurt aan de [naam] steigers geplaatst en hiervoor een valse factuur opgesteld en naar de gemeente gezonden. Deze factuur is door de verdachte in de geautomatiseerde administratie akkoord bevonden en doorgezet naar de crediteurenadministratie die de betaling heeft verzorgd. Daarmee hebben zowel de verdachte als [naam] over en weer de door hen opgemaakte en verzonden valse geschriften in wezen akkoord bevonden of geaccordeerd. De rechtbank is van oordeel dat de (letterlijke) bewoordingen van de tenlastelegging in die zin kunnen worden geïnterpreteerd. De rechtbank ziet niet in waarom in dat geval geen sprake zou zijn van het gebruik maken van valse geschriften. Ook het feit dat de verdachten de geschriften zelf valselijk hebben opgemaakt staat niet aan een bewezenverklaring van het (daaropvolgende) gebruik van de geschriften door de verdachten in de weg.

De verdediging heeft er verder op gewezen dat de offertes en bestelopdrachten of opdrachtbonnen zagen op werkzaamheden die nog moesten plaatsvinden op het moment dat deze geschriften zijn opgemaakt en verzonden en niet op werkzaamheden die al hadden plaatsgevonden en dat het gebruik onder meer zou bestaan uit het doen toekomen van een eerder genoemde factuur aan de crediteurenadministratie terwijl eerder alleen de offertes en de bestelopdrachten/opdrachtbonnen worden genoemd als geschriften waar gebruik van zou zijn gemaakt. Dat klopt allemaal. De rechtbank is van oordeel dat deze slordigheden niet hersteld kunnen worden door voor ‘hadden plaatsgevonden’ ‘zouden plaatsvinden’ te lezen en bij de bewezenverklaring het gebruik te beperken tot het accorderen van de offertes en de bestelopdrachten of opdrachtbonnen maar dat wel een gedeeltelijke bewezenverklaring kan volgen, namelijk voor zover de werkzaamheden hebben plaatsgevonden. De bewezenverklaring moet dan ook worden beperkt tot het gebruik van de offerte en de bestelopdracht of opdrachtbon en factuur voor alleen het project aan de [naam] .

Het de verdachte onder 2 primair ten laste gelegde

De onder feit 2 primair in de tenlastelegging opgenomen feitelijke onjuistheden lenen zich, mede gelet op hetgeen hierover is opgemerkt door de verdediging en de overige taalkundige onjuistheden, niet (ook nog) voor verbeterde lezing. Dit betekent dat de verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Het de verdachte onder 2 subsidiair ten laste gelegde

Ook van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde moet de verdachte worden vrijgesproken. Uit het onderzoek ter zitting is niet gebleken dat de verdachte [naam] heeft gevraagd om tegen een deel van de beoogde opbrengst mee te werken aan de door de verdachte en [naam] bedachte constructie om de gemeente Heerlen op te lichten. Nu medeplegen niet ten laste is gelegd kan ook het onder 2 subsidiair ten laste gelegde niet bewezen worden verklaard.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1.

in de periode van 15 augustus 2016 tot en met 15 november 2016 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften, te weten

- een offerte, een bestelopdracht of opdrachtbon en een factuur betreffende de [naam] 5,7 en 9 ten bedrage van € 2.664,90 exclusief BTW;

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die geschriften echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte en zijn medeverdachte die offerte en bestelopdracht of opdrachtbon hebben geaccordeerd en vervolgens de factuur voor betaling hebben doen toekomen aan de crediteurenadministratie;

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat -zakelijk weergegeven-

- op die geschriften werkzaamheden en/of levering (van diensten en goederen) waren vermeld, die niet voor zulk bedrag, hadden plaatsgevonden door [naam] Verhuur en Steigerbouw BV.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1:

medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De straf en/of de maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 150 uur, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de straf te matigen. Een voorwaardelijk strafdeel acht hij in het geval van de verdachte weinig zinvol.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zijn functie als gemeenteambtenaar misbruikt door [naam] een opdracht te geven en hem daarvoor een te hoog bedrag bij de gemeente in rekening te laten brengen. De verdachte had dit plan opgevat in overleg met oud-collega [naam] die deze (soortgelijke) handelwijze eerder had toegepast toen hij zelf nog bij de gemeente werkte. [naam] had de contacten met [naam] en verdachte kon namens de gemeente opdrachten geven aan derden. Op deze wijze is bij een project aan de [naam] voor een veel te hoog bedrag een steiger geplaatst. Met het geld van deze opdracht hebben de verdachte en [naam] door hen bij [naam] gehuurd materieel verrekend. De verdachten waren van plan deze handelwijze bij nog vijf projecten toe te passen. Zover is het door ingrijpen van politie en justitie niet gekomen.

De verdachten zijn geraffineerd te werk gegaan. Er leek niets mis te kunnen gaan, ware het niet dat [naam] onder regie van de politie opereerde waardoor de verdachte en [naam] in het zicht van justitie hun plannen uitvoerden.

De verdachte heeft het vertrouwen dat zijn werkgever in hem stelde ernstig geschaad. De verdachte heeft ook het vertrouwen dat burgers in de gemeente moeten kunnen hebben ernstig geschaad. De door de verdachte afgelegde ambtsbelofte zich te gedragen als een goed ambtenaar betaamt, onkreukbaar en betrouwbaar te zijn en niets te zullen doen dat het aanzien van het ambt of de gemeente zal schaden is van weinig waarde gebleken. Wat misschien nog wel het meest verontrust, is dat de verdachte geen enkel motief lijkt te hebben gehad. Hij heeft de rechtbank zelfs drie jaar na dato niet kunnen uitleggen waarom hij tot de strafbare feiten is gekomen. Het ging makkelijk en er zou een losbandige sfeer hebben geheerst op de afdeling, aldus de verdachte op zitting. De verdachte had kennelijk weinig nodig om tot forse strafbare feiten te komen.

Verdachte heeft straf verdiend. In de woorden van verdachte: wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat een gevangenisstraf deel van deze straf moet uitmaken om de ernst van de feiten uit te drukken. Gezien de beperkte bewezenverklaring komt de rechtbank echter tot een aanzienlijk lagere straf dan geëist door de officier van justitie. De rechtbank acht in beginsel een taakstraf van 100 uur en een gevangenisstraf van 2 maanden gerechtvaardigd. Omdat de verdachte een zogenaamde first offender is en mede in aanmerking genomen de overige consequenties die het feit voor de verdachte al heeft gehad, kan de gevangenisstraf voorwaardelijk worden opgelegd.

Overschrijding redelijke termijn

Uitgangspunt16 is dat de behandeling van een strafzaak tegen een verdachte, nadat de verdachte kennis heeft gekregen van de verdenkingen tegen hem, binnen twee jaar dient te zijn afgerond met een eindvonnis. Dan is voldaan aan het recht op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn. Bijzondere omstandigheden kunnen maken dat een langere termijn ook nog als redelijk kan worden aangemerkt. Bijzondere omstandigheden waarvan de redelijkheid van de duur afhankelijk is, zijn onder meer de ingewikkeldheid van de zaak en de invloed van verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De vermindering van de straf is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden.

De redelijke termijn heeft in deze zaak een aanvang genomen met de inverzekeringstelling van de verdachte op 15 november 2016. Gelet op voormeld uitgangspunt had uiterlijk op 15 november 2018 een vonnis gewezen moeten zijn. Het eindproces-verbaal is op 16 februari 2017 ondertekend. In deze zaak is er geen sprake van bijzondere omstandigheden. De rechtbank moet dan ook vaststellen dat de redelijke termijn in deze zaak waarin op 4 juli 2019 uitspraak wordt gedaan, met ruim 7 maanden is overschreden. De aan de verdachte op te leggen straf zal om die reden nog verder gematigd worden.

Alles in aanmerking nemende is de rechtbank tot de volgende beslissing met betrekking tot de straf gekomen. De verdachte zal een taakstraf worden opgelegd van 80 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van de onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5. is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde feit tot een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

- zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;

  • -

    veroordeelt de verdachte voorts tot een taakstraf voor de duur van 80 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar rato van twee uren per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Wapenaar, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en

mr. M.E.M.W. Nuijts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Penders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 4 juli 2019.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 15 augustus 2016 tot en met 15 november 2016 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e)

geschrift(en), te weten

- een offerte en/of een bestelopdracht betreffende [adresgegevens] ten

bedrage van 1621,50 exclusief BTW en/of

- een offerte en/of een bestelopdracht betreffende [adresgegevens] ten

bedrage van 1776,60 exclusief BTW en/of

- een offerte en/of een bestelopdracht betreffende [adresgegevens] ten

bedrage van 2664,90 exclusief BTW en/of

- een offerte en/of een bestelopdracht betreffende [adresgegevens] ten

bedrage van 4235,00 exclusief BTW en/of

- een offerte en/of een bestelopdracht betreffende [adresgegevens] ten

bedrage van 3066, 75 exclusief BTW en/of

- een offerte en/of een bestelopdracht betreffende [adresgegevens] ten

bedrage van 10.469,25 exclusief BTW.

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte en/of zijn medeverdachte die offerte(n) en/of opdrachtbon(nen) voor akkoord heeft/hebben ondertekend en/of heeft/hebben geparafeerd en/of (vervolgens) voornoemde factuur voor betaling heeft/hebben doen toekomen aan de crediteurenadministratie;

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat -zakelijk weergegeven-

- op/in dat/die geschrift(en) (een) werkzaamhe(i)d(en) en/of levering ((van (een) dienst(en) en/of goeder(en)) was/waren vermeld en/of aangegeven, die (in het geheel) niet, in elk geval niet voor zulk(e) bedrag(en), had(den) plaatsgevonden door (een of meer medewerk(st)(er)(s) van) [naam] Verhuur en Steigerbouw BV;

2.

hij in of omstreeks de periode van 15 augustus 2016 tot en met 15 november 2016 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door

listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de gemeente Heerlen heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten 18.573,50 euro, althans een geldbedrag, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) -zakelijk weergegeven-

- een offerte en/of een bestelopdracht betreffende [adresgegevens] ten

bedrage van 1.621,50 exclusief BTW en/of

- een offerte en/of een bestelopdracht betreffende [adresgegevens] ten

bedrage van 1.776,60 exclusief BTW en/of

- een offerte en/of een bestelopdracht betreffende [adresgegevens] ten

bedrage van 2.664,90 exclusief BTW en/of

- een offerte en/of een bestelopdracht betreffende [adresgegevens] ten

bedrage van 4.235,00 exclusief BTW en/of

- een offerte en/of een bestelopdracht betreffende [adresgegevens] ten

bedrage van 3.066, 75 exclusief BTW en/of

- een offerte en/of een bestelopdracht betreffende [adresgegevens] ten

bedrage van 10.469,25 exclusief BTW.

(telkens) voor niet verrichte werkzaamhed(en) en/of niet geleverde goederen

gezonden aan en/of ingediend bij de gemeente Heerlen en/of

- voornoemde factu(u)r(en) en/of offerte(n) voor akkoord ondertekend en/of

geparafeerd en/of

- ( vervolgens) voornoemde factu(u)r(en)/offerten voor betaling doen toekomen aan de crediteurenadministratie, waardoor de gemeente Heerlen werd bewogen tot

bovenomschreven afgifte;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in de periode van 18 augustus 2016 tot en met heden in de gemeente Heerlen, in elk geval in Nederland, als ambtenaar van de gemeente Heerlen een dienst heeft gevraagd aan [naam] teneinde die [naam] te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen te weten een of meerdere valse (verhoogde) offertes en/of bestelopdrachten, ad 23.834 euro, te sturen naar de gemeente Heerlen voor de montage en demontage van steigers op

meerdere adressen in Heerlen.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het procesdossier van de Rijksrecherche van het onderzoek GUARDEA, proces-verbaalnummer 20160054, gesloten d.d. 16 februari 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 3666.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 7 juni 2016, (o.a.) dossier pagina’s 451-455.

3 Bevel burgerpseudodienstverlening d.d. 7 juni 2016 en overeenkomst tot pseudodienstverlening met een burger d.d. 7 juni 2016, beiden opgenomen in het BOB-dossier.

4 Proces-verbaal van bevindingen afspraken en contacten met [naam] aangaande burgerpseudodienstverlening, gesloten d.d. 5 december 2016, (o.a.) dossier pagina’s 512 tot en met 561, vanaf pagina 530.

5 Onderzoek GUARDEA, Zaaksdossier 03.

6 Proces-verbaal van bevindingen ambtenaarschap verdachte d.d. 27 september 2016, dossier pagina’s 1335 tot en met 1342.

7 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam] d.d. 7 december 2016, (o.a.) dossier pagina’s 664 tot en met 669, op pagina’s 666 en 667 en proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam] d.d. 11 januari 2017, (o.a.) dossier pagina’s 687 tot en met 693, op pagina 688.

8 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam] voornoemd, overzichten workflowhistorie en verklaring van de verdachte op de zitting van 18 juni 2019.

9 Processen-verbaal van verhoor van de getuigen [naam] voornoemd.

10 Proces-verbaal van bevindingen ambtenaarschap medeverdachte [naam] , (o.a.) dossier pagina’s 401 tot en met 414.

11 Onderzoek GUARDEA, zaaksdossier 01.

12 Verklaring van de verdachte op de zitting van 18 juni 2019.

13 Overzicht aangetroffen tijdens de doorzoeking bij de gemeente Heerlen in de persoonlijke netwerkomgeving van de verdachte: zie PV bevindingen dossierpagina’s 1689 tot en met 1694, op p. 1693.

14 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam] d.d. 13 oktober 2016 met bijlagen, dossierpagina’s 1724 tot en met 1764 op pagina 1727.

15 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam] d.d. 28 november 2016 met bijlagen, dossierpagina’s 1765 tot en met 1791 op pagina 1767 tot en met 1770 en Proces-verbaal van aangifte d.d. 6 december 2016, dossierpagina’s 1345 tot en met 1348.

16 In het arrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) heeft de Hoge Raad algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht van een verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn en het rechtsgevolg dat aan een vastgestelde inbreuk op dat recht dient te worden verbonden.