Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:6177

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-07-2019
Datum publicatie
03-07-2019
Zaaknummer
03/038224-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid officier van justitie. Ernstige bezwaren. Gedeeltelijk uitstel VI.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 03/038224-18 (vordering tot achterwege blijven voorwaardelijke

invrijheidstelling)

V.i.-zaaknummer : 99/000580-24

Datum uitspraak : 3 juli 2019

Tegenspraak (gemachtigde raadsman)

Beslissing van de meervoudige kamer op een vordering van het openbaar ministerie in het arrondissement Limburg

De vordering houdt in dat de rechtbank beslist dat de voorwaardelijke invrijheidstelling van

[verdachte]

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

gedetineerd in PI Limburg Zuid -De Geerhorst te Sittard

hierna te noemen: de veroordeelde,

achterwege blijft.

De veroordeelde wordt bijgestaan door mr. J.W.E. Luiten, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Het onderzoek van de zaak

De rechtbank heeft de vordering behandeld tijdens de openbare zitting van 19 juni 2019. De rechtbank heeft gehoord de officier van justitie en de gemachtigde raadsman van veroordeelde.

Voorts is als deskundige gehoord [naam casemanager] , casemanager bij PI Limburg Zuid -De Geerhorst te Sittard.

2 Het procesverloop

De veroordeelde is bij onherroepelijk geworden vonnis van het Landgericht Aachen te Duitsland d.d. 30 juni 2016 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2190 dagen.

De tenuitvoerlegging is gelast bij erkenningsbeslissing van 19 februari 2018 door de Minister van Justitie en Veiligheid in het kader van de WETS onder parketnummer 03/038224-18.

Deze rechterlijke uitspraak gedaan in Duitsland is, vergezeld van een ingevuld certificaat gedateerd op 9 augustus 2017, door Der Leitende Oberstaatsanwalt in Aachen aan het Openbaar Ministerie in Nederland gezonden met het oog op de tenuitvoerlegging in Nederland van de gevangenisstraf. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid in Nederland heeft op 19 februari 2018 beslist deze rechterlijke uitspraak te erkennen. De veroordeelde is op 7 maart 2018 feitelijk overgedragen aan Nederland en zit sindsdien het resterende deel van zijn straf in Nederland uit.

Voorts is veroordeelde bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank Limburg

d.d. 11 juli 2018 onder parketnummer 03/866104-16 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden.

De begindatum van de detentie is 28 augustus 2015. De veroordeelde zou, gelet op artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, op 16 november 2019 in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. De termijn van de VI beslaat 770 dagen.

3 De beoordeling

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

Ter zitting heeft de officier van justitie primair verzocht om de behandeling van de vordering aan te houden zodat de rechtbank kan bevelen dat veroordeelde voor de rechtbank verschijnt zodat hij zich kan verantwoorden. Subsidiair volhardt de officier van justitie bij de vordering. De rechtbank heeft op de zitting het verzoek tot aanhouding afgewezen.

De officier van justitie legt aan zijn vordering ten grondslag dat bij een celinspectie op 27 februari 2019 de volgende zaken op de (eenpersoons)cel van veroordeelde zijn gevonden:

  • -

    1 Iphone met lader;

  • -

    1 gsm merk Alcatel met lader;

  • -

    diverse spuiten met naalden;

  • -

    2 flesjes en 2,10 gram anabolen;

  • -

    17,80 gram hasj;

  • -

    5,75 gram cocaïne;

  • -

    2,7 gram XTC.

Het is niet bekend dat veroordeelde zelf drugs gebruikt. Als afdelingsreiniger kon hij zich echter wel vrijelijk over de afdeling bewegen. Het vermoeden bestaat dan ook dat hij heeft gehandeld in drugs.

Daarnaast loopt er een nieuwe strafzaak tegen veroordeelde, waarbij hij wordt verdacht betrokken te zijn bij een levensdelict.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vordering, nu deze niet onverwijld is ingediend. Immers blijkt uit de toelichting van de officier van justitie ter zitting dat hij kort na het aantreffen van de drugs in de cel van veroordeelde daarvan op de hoogte is gesteld. De officier van justitie heeft de vordering tot herroeping echter pas ingediend op 21 mei 2019. Gelet op de jurisprudentie van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 14 juli 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:4214) en de rechtbank Den Haag d.d. 17 november 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:13659) kan het tijdsverloop van drie maanden niet meer worden aangemerkt als onverwijld.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen nu onvoldoende is onderbouwd dat er ernstige bezwaren aanwezig zijn dat veroordeelde zich aan een misdrijf heeft schuldig gemaakt. De enkele melding van een bijzonder voorval is daartoe onvoldoende, nu daaruit alleen blijkt dat veroordeelde is betrokken bij een incident en verdere essentiële informatie ontbreekt. Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam d.d. 7 maart 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:1835) heeft de raadsman betoogd dat dit onvoldoende is om vast te kunnen stellen dat waarschijnlijk is dat verdachte een misdrijf heeft begaan.

Meer subsidiair heeft de raadsman in het kader van de proportionaliteit verzocht de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen voor een aanzienlijk kortere periode dan dat deze zou duren.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ingevolge artikel 15d, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) richt het openbaar ministerie, indien het van oordeel is dat er op een van de gronden, genoemd in het eerste lid, reden is de voorwaardelijke invrijheidstelling met een bepaalde termijn uit te stellen of achterwege te laten, onverwijld een daartoe strekkende schriftelijke vordering tot de rechtbank.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de officier van justitie kennelijk al op 27 februari 2019 op de hoogte was van het aantreffen van goederen in de cel van veroordeelde. Het formulier ‘Melding bijzonder voorval’ is vervolgens pas op 21 mei 2019 opgemaakt door de PI. De rechtbank neemt deze officiële melding als beginpunt voor de termijn waarop de officier van justitie tot het indienen van zijn vordering kan overgaan. Omdat de officier van justitie vervolgens op 24 mei 2019 de vordering heeft ingediend, is dit naar het oordeel van de rechtbank onverwijld gebeurd.

Voorts bepaalt artikel 16d, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht dat een vordering tot het achterwege laten van een voorwaardelijke invrijheidstelling uiterlijk dertig dagen vóór het tijdstip van voorwaardelijke invrijheidstelling dient te zijn ontvangen op de griffie van de rechtbank.

In dit geval is 16 november 2019 de datum waarop de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde kan ingaan. De vordering van het openbaar ministerie is op 24 mei 2019 ter griffie ontvangen en is daarmee tijdig ingediend. Daarmee is ook aan deze voorwaarde voor ontvankelijkheid voldaan. Het verweer wordt daarom verworpen.

3.3.2

De inhoudelijke beoordeling

Volgens de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna VI) geldt als uitgangspunt dat een veroordeelde, als is voldaan aan het bepaalde in artikel 15 Sr, vervroegd in vrijheid wordt gesteld na het ondergaan van het in dit artikel omschreven deel van de gevangenisstraf. Op grond van het bepaalde in artikel 15d, eerste lid, Sr kan de VI echter worden uitgesteld of achterwege blijven, als één of meer van de in dat artikel limitatief opgesomde omstandigheden zich voordoen. Deze beslissing wordt genomen door de rechtbank op vordering van de officier van justitie.

De vordering tot het achterwege laten van de VI in deze zaak is gegrond op de omstandigheid dat veroordeelde zich tijdens de detentie ernstig zou hebben misdragen, welke misdraging eruit zou blijken dat tegen hem ernstige bezwaren ter zake van een misdrijf bestaan.

Op grond van het bepaalde in artikel 15d, eerste lid, onder b sub 1, Sr kan een VI worden uitgesteld wanneer ernstige bezwaren bestaan ter zake van een misdrijf. Dit houdt in dat een gewone verdenking van een misdrijf onvoldoende is. Om aan deze grond te voldoen moet het op basis van de stukken waarschijnlijk zijn dat de veroordeelde het betreffende misdrijf heeft begaan.

Uit het formulier ‘Melding bijzonder voorval’ blijkt dat tijdens een celinspectie met behulp van een speurhond in de cel van veroordeelde diverse contrabande zijn aangetroffen, te weten: :

  • -

    1 Iphone met lader;

  • -

    1 gsm merk Alcatel met lader;

  • -

    diverse spuiten met naalden;

  • -

    2 flesjes en 2,10 gram anabolen;

  • -

    17,80 gram hasj;

  • -

    5,75 gram cocaïne;

  • -

    2,7 gram XTC.

Gelet op deze combinatie van aangetroffen goederen is de rechtbank van oordeel dat sprake is van ernstige bezwaren met betrekking tot overtreding van de Opiumwet.

Het geheel achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling acht de rechtbank, gelet op de ernst van de misdraging in relatie tot de VI-periode van 770 dagen, echter niet proportioneel. Het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling zal daarom gedeeltelijk worden toegewezen, in die zin dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld voor een periode van 6 maanden, te rekenen vanaf 16 november 2019. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vordering;

- wijst de vordering tot achterwege blijven van de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk toe in die zin dat de voorwaardelijke invrijheidstelling tijdelijk wordt uitgesteld en bepaalt de duur waarop de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld op een periode van 6 maanden, te rekenen vanaf 16 november 2019;

- wijst de vordering voor het overige af.

Deze beslissing is gegeven door C.M. Nollen, voorzitter, mr. H.H. Dethmers en mr. N.H.W. Montulet-van der Meer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 juli 2019.

mr. N.H.W. Montulet-van der Meer is buiten staat deze belsisisng mede te ondertekenen.