Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:5983

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-06-2019
Datum publicatie
28-06-2019
Zaaknummer
03.057684.19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt een 61-jarige, licht verstandelijk beperkte man vrij van poging tot doodslag op Wilders. De rechtbank gelooft niet dat de man de bedoeling had om Wilders iets aan te doen. Het past bij de persoon van de – zwakbegaafde - verdachte dat hij niet heeft begrepen dat een dergelijke grap op een dergelijk moment totaal misplaatst was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03.057684.19

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 juni 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,

wonende te [adresgegevens verdachte] ,

gedetineerd in PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.W.M. van Doorn, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 juni 2019. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: voorbereidingshandelingen voor het plegen van moord, doodslag of zware mishandeling heeft gepleegd dan wel [slachtoffer] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;

Feit 2: wapens bij zich had, waarvan kon worden aangenomen dat zij voor geen ander doel bestemd waren dan om letsel toe te brengen en/of te dreigen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen. Zij baseert haar standpunt op de verklaringen van de verdachte, zoals gerelateerd in de

processen-verbaal van bevindingen van wijkagent [naam wijkagent] , verbalisant [verbalisant 1] en hulpofficier van justitie [verbalisant 2] . Ten overstaan van deze personen heeft de verdachte verklaard dat hij de politicus [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) de “kop” zou inslaan met een bijl, terwijl hij daadwerkelijk een bijl en andere wapens bij zich had. Bovendien heeft de verdachte tegenstrijdige verklaringen afgelegd omtrent zijn wetenschap over de komst van [slachtoffer] naar Heerlen. Ten slotte heeft de officier van justitie erop gewezen dat de verdachte, gedurende de tijd waarop hij zich in het centrum van Heerlen bevond, met zijn fiets aan de hand heen en weer liep langs de flyerroute van [slachtoffer] en hierbij om zich heen keek. Gedurende deze tijd had hij gelegenheid zich te beraden over zijn voorgenomen handelen.

De officier van justitie acht ook het onder 2 tenlastegelegde bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte middelen bij zich had die bestemd waren tot het toebrengen van letsel en hij daarop ook het opzet had. De officier van justitie is van oordeel dat de door haar aangevoerde bewijsmiddelen en omstandigheden er niet op wijzen dat dit alles een grote grap betrof, zoals de verdachte heeft verklaard.

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

3.2

Het standpunt van de verdediging

Feit 1 primair en subsidiair

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte weliswaar ten overstaan van wijkagent [naam wijkagent] , met wie de verdachte volgens zijn eigen zeggen altijd flauwekul maakt, heeft opgemerkt dat hij naar [slachtoffer] kwam kijken om hem zijn “köpke” in te slaan, maar dat de verdachte wegens zijn licht verstandelijke beperking zich niet realiseerde welke impact zijn opmerking op het moment van de ophanden zijnde komst van [slachtoffer] naar Heerlen teweeg kon brengen. Het was voor de verdachte een “grote grap”. Dat deze misplaatst was, had de verdachte door zijn verstandelijke beperking niet in de gaten. De verdachte heeft zowel tegen wijkagent [naam wijkagent] , verbalisant [verbalisant 1] en hulpofficier van justitie [verbalisant 2] genoemde bewoordingen geuit. Ten aanzien van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] betrof dit echter slechts het antwoord op de door [verbalisant 1] gestelde vraag of de verdachte wist waarom hij was aangehouden; het was geen verklaring omtrent wat hij van plan was geweest.

Voor de aanwezigheid van de gereedschappen heeft de verdachte een consistente en aannemelijke verklaring afgelegd; hij gebruikt deze spullen regelmatig en heeft deze vrijwel voortdurend in zijn fietstas. Hij heeft deze op 9 maart 2019 niet bewust in zijn fietstas gedaan. De verdachte had geen kwade bedoelingen met deze voorwerpen. Aan de hand van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte de intentie had hiermee een ernstig misdrijf te begaan, evenzo ontbreekt de overtuiging dat hij dit van plan was.

Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman aanvullend aangevoerd dat er geen sprake is van voorwaardelijk opzet, nu de verdachte vanuit zijn verstandelijke beperking de feitelijke dreiging van zijn woorden niet goed heeft ingeschat.

De raadsman verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Feit 2

De raadsman heeft naar voren gebracht dat dit feit niet bewezen kan worden verklaard, nu er geen enkele mate van bewustzijn bij de verdachte aanwezig was over het feit dat de voorwerpen in zijn fietstas of jaszak als wapens konden worden beschouwd. De verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van dit feit.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens de afwezigheid van alle schuld. Hij verkeerde immers in de overtuiging dat de voorwerpen die hij bij zich droeg geoorloofd waren, nu hij deze voorwerpen bijna dagelijks als gereedschap gebruikt.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Op zaterdag 9 maart 2019 stond een bezoek van [slachtoffer] aan de gemeente Heerlen gepland in het kader van de campagne voor de verkiezingen van de Provinciale Staten. Het bezoek zou plaatsvinden tussen 12:00 en 13:00 uur in het centrum van Heerlen en [slachtoffer] zou een vooraf vastgestelde route volgen. Gezien de beveiligingsrisico’s was er die dag veel politie op de been.

Vóór de aankomst van [slachtoffer] , om 11:50 uur, werd de verdachte aangehouden door verbalisant [naam wijkagent] .

[naam wijkagent] beschreef in zijn proces-verbaal van aanhouding dat hij die dag belast was met de beveiliging in het centrum van Heerlen in verband met het bezoek van [slachtoffer] en dat hij de verdachte op 9 maart 2019 rond 11:45 uur tegenkwam op de hoek van de Saroleastraat en de Stationsstraat. [naam wijkagent] is ook wijkagent in de wijk in Hoensbroek waar de verdachte woont en hij en de verdachte kennen elkaar en ze spreken regelmatig met elkaar over zaken die spelen in de wijk. [naam wijkagent] vroeg aan de verdachte waarom hij in Heerlen was. De verdachte zou hierop hebben geantwoord: "Ik kom voor dat varken". Toen [naam wijkagent] aan hem vroeg wie hij bedoelde, zei de verdachte dat hij [slachtoffer] bedoelde. Vervolgens hoorde [naam wijkagent] dat de verdachte zei: "Ik heb een bijl in mijn fietstas en daar sla ik hem zijn kop mee in."

[naam wijkagent] heeft de verdachte er vervolgens op gewezen dat hij dit niet zomaar kon laten voorbijgaan en dat hij hier iets mee moest. [naam wijkagent] heeft in de fietstas gekeken en zag dat daar daadwerkelijk een bijl in zat. [naam wijkagent] heeft de verdachte vervolgens om 11:50 uur aangehouden, waarna zij samen naar het politiebureau, dat vlak bij de plaats van aanhouding ligt, zijn gelopen.

[naam wijkagent] heeft de verdachte op het politiebureau vervolgens overgedragen aan verbalisant [verbalisant 1] . Aangezien er sprake was van een korte en hectische overdracht, waarbij het verbalisant [verbalisant 1] niet duidelijk was of de verdachte op dat moment wist waarom hij was aangehouden, vroeg [verbalisant 1] op dat moment aan de verdachte of hij wist waarom hij was aangehouden. [verbalisant 1] beschreef in zijn proces-verbaal van bevindingen dat de verdachte op dat moment (11:55 uur) zou hebben geantwoord: “Ja, omdat ik [slachtoffer] de kop wil inslaan met een bijl en iets met WWM”. [verbalisant 1] heeft vervolgens aan de verdachte gevraagd om zijn zakken leeg te maken, waarna de verdachte twee hobbymessen uit zijn jaszak haalde en op de toonbank plaatste. [verbalisant 1] nam deze twee hobbymessen vervolgens in beslag omstreeks 11:56 uur. Later die middag werd in de fietstas nog een bahco aangetroffen.

In het dossier bevindt zich ook een proces-verbaal van voorgeleiding voor de hulpofficier van justitie [verbalisant 2] . Volgens [verbalisant 2] was de verdachte -kennelijk op hetzelfde moment van de overdracht aan [verbalisant 1] (11:55 uur)- voorgeleid voor [verbalisant 2] en zou de verdachte toen tegenover hem/haar hebben verklaard: "Ik had een bijl en messen bij me omdat ik die [slachtoffer] zijn kop in wilde slaan. Die is nog niet van mij af.”

De verdachte is op 9 maart 2019 voor het eerst gehoord om 14:49 uur. Hij verklaarde onder meer dat hij die dag onderweg was naar Heerlen om bij Bufkes een broodje te eten. Hij was onderweg een kennis tegen gekomen die vertelde dat er veel politie was in Heerlen. In Heerlen kwam hij de wijkagent tegen. Die vroeg hem wat hij kwam doen. De verdachte zei: “Ik zei dat ik naar [slachtoffer] kwam kijken en dat ik hem de knikker zou komen inslaan. Ik en de wijkagent ouwehoeren veel met elkaar. We kennen elkaar goed.”

Ook zei de verdachte: “Ik heb gezegd dat ik hem niet moet en de knikker insla. Maar zo bedoel ik het niet.”

Over de bijl in zijn tas heeft de verdachte verklaard dat die in zijn fietstas zat, maar dat hij dat was vergeten. De stanleymessen had hij bij zich om de tiewraps om zijn derailleur te kunnen lossnijden.

In zijn verhoor de volgende dag, 10 maart 2019, heeft de verdachte verklaard:

“Als ik er nu aan terug denk dan is het eigenlijk een grote grap. Ik was aan het ouwehoeren met die wijkagent en zei tegen hem dat ik er inderdaad voor [slachtoffer] was en zei voor de grap dat ik hem wel op zijn knikker zou slaan en dat ik een bijl bij mij had. Ik heb dit nooit willen doen en had ook in eerste instantie niet in de gaten dat het allemaal zo serieus zou worden. Ik stem zelf op [slachtoffer] dus ik zou die man nooit wat aandoen. Je kan dit aan de hele buurt vragen. Het is eigenlijk een grote grap als ik het zo achteraf bekijk. Ik bedoel hiermee te zeggen dat dingen een beetje uit de context getrokken worden. Ik heb nog nooit ruzie gehad of iemand wat aangedaan.”

Deze verklaring, dat zijn opmerking niet serieus was bedoeld en dat hij nooit de intentie heeft gehad om de heer [slachtoffer] iets aan te doen, is de verdachte – zij het in nu en dan wisselende bewoordingen – tot op de terechtzitting van 20 juni 2019 blijven volhouden.

Later, tegenover de psycholoog die hem heeft onderzocht en tegenover de rechtbank, heeft de verdachte meer verteld over de reden waarom hij de bijl in zijn fietstas had en de stanleymessen bij zich droeg. Wat de bijl betreft heeft hij verklaard dat hij wel eens in de natuur wietplanten zet. Dat was hij ook van plan te gaan doen in de buurt van kasteel Hoensbroek. Daar was hij de dag vóór 9 maart 2019 naartoe gegaan met zijn bijl, omdat hij van plan was geweest om op die plek wat lage boompjes weg te hakken om de grond klaar te maken voor de wietplanten, die hij in april in de grond wilde zetten. Hij was vergeten deze bijl weer uit zijn fietstas te halen, dus die zat er op 9 maart 2019 nog steeds in.

Toen hij de wijkagent tegen kwam had hij het handvat van de bijl uit zijn fietstas zien steken en herinnerde hij zich weer dat die nog in zijn fietstas zat van de dag ervoor.

Over de stanleymessen heeft hij verklaard dat hij erg van tweedehands spulletjes houdt en dagelijks naar de kringloopwinkel gaat om te kijken of er wat nieuws is binnengekomen. Als hij spullen koopt, dan bindt hij die vast op zijn fiets met touw. Hij heeft altijd stanleymessen op zak om die touwen door te snijden als hij de spullen wil losmaken van zijn fiets. De bahco heeft hij ooit als gereedschap gebruikt en vervolgens jarenlang in de fietstas laten liggen; de bahco was volledig verroest.

Over zijn aanwezigheid op de Saroleastraat/Stationstraat in Heerlen die dag, heeft de verdachte ter zitting verteld, dat hij aanvankelijk van plan was om een broodje te gaan eten bij “Bufkes” gelegen bij de woonboulevard in Heerlen. Hij kwam toen bij de woonboulevard te Heerlen een kennis tegen die hem vertelde dat er veel wouten (naar de rechtbank begrijpt: politie) op de been waren in het centrum van Heerlen en dat hij zich toen herinnerde dat hij eerder in de media gezien had dat [slachtoffer] een bezoek aan Heerlen zou brengen. Omdat de verdachte naar eigen zeggen “een grote fan” van [slachtoffer] is, besloot hij toen om naar [slachtoffer] te gaan kijken en dan daar een broodje te eten bij een ander filiaal van “Bufkes” gelegen in het centrum van Heerlen (Corio Center).

Getuige [getuige] heeft bevestigd dat hij de verdachte tegen kwam op de rotonde bij de woonboulevard en dat getuige tegen de verdachte zei dat er veel politie op de been was in het centrum van Heerlen. De verdachte zei vervolgens dat hij naar het centrum van Heerlen ging.

Het wettelijk kader

Zoals de officier van justitie in haar requisitoir ook heeft opgemerkt, is de vraag waar het in deze strafzaak om draait of de rechtbank gelooft dat de opmerkingen die de verdachte heeft gemaakt waren bedoeld als grap, of dat de rechtbank de overtuiging heeft dat de verdachte die dag daadwerkelijk de intentie had om [slachtoffer] met een bijl op zijn hoofd te slaan.

Immers, voor een bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen is nodig dat de verdachte opzettelijk middelen (spullen) bij zich heeft die bestemd zijn voor het plegen van een ernstig misdrijf én moet het opzet van de verdachte ook gericht zijn op het begaan van dat misdrijf.

Het wettig bewijs voor beide bestanddelen is in het dossier wel voorhanden. De verdachte had een bijl in zijn fietstas en heeft zelf tegen een politieagent gezegd dat hij daar [slachtoffer] “zijn kop mee in zou slaan”.

Waar het dus in de kern om draait is of de rechtbank ook de overtuiging heeft dat de verdachte écht de intentie had om die dag [slachtoffer] met een bijl te lijf te gaan. Anders dan de officier van justitie heeft de rechtbank die overtuiging niet. De rechtbank heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

Geen overtuiging van verdachtes opzet

De rechtbank vindt voor dit oordeel vooral van belang wat over de persoon van de verdachte bekend is geworden. De verdachte is onderzocht door een psycholoog, dr. Van Winkel, die op 18 mei 2019 een rapport heeft uitgebracht. Uit dit rapport, en andere in het dossier beschikbare informatie, komt het volgende naar voren.

De verdachte is een 61-jarige man met een nagenoeg blanco strafblad. De verdachte is hartpatiënt. Zoals ook de psycholoog opmerkt, is de verdachte merkbaar beperkt belastbaar in fysieke zin.

De psycholoog beschrijft de verdachte als een man die een vrij solitair en teruggetrokken bestaan leidt, waarbij het verzamelen en handelen in tweedehands spullen zijn lust en zijn leven zijn. Hij maakt oppervlakkige praatjes met anderen en staat blijkbaar bekend als een man die wel in is voor een grap, maar verder weinig diepgaande contacten heeft. Hij heeft hier zelf volledig vrede mee en kan hier ook tevreden over zijn.

De psycholoog heeft ook vastgesteld dat het voor de verdachte moeilijk is om zich verbaal uit te drukken. Hij zoekt geregeld naar woorden om uit te drukken wat hij bedoelt. Daarnaast kan verdachte bepaalde momenten moeilijk in de tijd plaatsen. Verdachtes intelligentie wordt zwakbegaafd tot benedengemiddeld ingeschat.

Ook de rechtbank heeft geconstateerd dat de verdachte soms moeite heeft bepaalde gebeurtenissen goed in de tijd te duiden en dat hij soms woorden gebruikt die door anderen op een andere wijze kunnen worden geïnterpreteerd. Het vereist vaak doorvragen om erachter te komen wat de verdachte precies bedoelt. Om die reden kent de rechtbank niet veel gewicht toe aan het feit dat de verdachte soms – op het eerste oog – wat wisselend lijkt te verklaren over de bijl in zijn fietstas en de reden waarom hij op 9 maart 2019 naar Heerlen is gegaan. De verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd worden ondersteund door andere gegevens uit het dossier. Zo is er de verklaring van de getuige [getuige] , die bevestigt dat hij de verdachte erop attendeerde dat er die dag veel politie op de been was in het centrum van Heerlen, hetgeen de verdachte naar eigen zeggen herinnerde aan de komst van [slachtoffer] en leidde tot een wijziging van zijn plannen. Voorts zijn er de camerabeelden van de gemeente Heerlen, die bevestigen dat de verdachte na aankomst in het centrum van Heerlen enige tijd binnen is geweest in het Corio Center, alwaar een filiaal van de keten Bufkes is gelegen. Die verklaringen van de verdachte (zoals zijn verklaringen voor het bij zich hebben van de bijl, de bahco en de messen) zijn niet op voorhand onaannemelijk.

Daar komt bij dat de verklaringen die de verdachte op verschillende momenten tegenover verschillende mensen (politieagenten, de rechter-commissaris, de psycholoog en in de rechtbank) heeft afgelegd door deze mensen allemaal op papier gezet zijn. Meestal is zo’n vastlegging nooit een letterlijke weergave van iemands woorden, maar een interpretatie of zakelijke weergave daarvan. De rechtbank wil daarom niet al te veel gewicht toekennen aan de precieze bewoordingen in die opgeschreven verklaringen. Dat geldt temeer bij deze verdachte, die vanwege zijn beperkte verbale capaciteiten niet al te letterlijk moet worden begrepen.

Het bovenstaande geldt naar het oordeel van de rechtbank vooral ten aanzien van de hiervoor al genoemde twee processen-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , waarvan de rechtbank in het bovenstaande al heeft overwogen dat die hetzelfde voorval lijken te beschrijven en een weergave zijn van wat de verdachte heeft geantwoord op de vraag of hij wist waarvan hij werd verdacht.

Deze processen-verbaal dragen dan ook niet bij aan de overtuiging dat de verdachte daadwerkelijk de intentie had om [slachtoffer] iets aan te doen.

Daarbij heeft de rechtbank in haar overwegingen meegenomen dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat iemand die daadwerkelijk een aanslag wil plegen op [slachtoffer] dit van te voren aankondigt tegen een politieagent die met diens beveiliging is belast.

Nu de verdachte tevens een niet op voorhand onaannemelijke verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij op de bewuste dag een bijl in zijn fietstas had en twee stanleymessen op zak, draagt ook de aanwezigheid daarvan niet bij aan de overtuiging dat de uitlatingen van de verdachte tegenover de wijkagent iets anders waren dan een grap.

De rechtbank heeft zich nog afgevraagd hoe iemand ertoe kan komen om in deze situatie een dergelijke volstrekt misplaatste grap te maken. Ook daarop geeft het rapport van de psycholoog antwoord. Daarin staat namelijk dat het, gelet op de lage verstandelijke capaciteiten van de verdachte, goed voorstelbaar is dat hij moeilijk kon overzien welke impact zijn woorden op dat moment in de onderhavige gevoelige context hadden. Ook tijdens het gesprek met de psycholoog leek de verdachte zich nog steeds niet bewust van het feit dat er op elk moment een reële dreiging kan opdoemen op het moment dat [slachtoffer] in de openbaarheid komt. En vervolgens, dat dit absolute alertheid vraagt van ordehandhavers op zo'n ogenblik en dat hierbij elke eventuele vorm van dreiging uiterst serieus wordt genomen om risico's zoveel mogelijk te beperken.

Rondom het meenemen van een bijl, bahco en twee stanleymessen naar de locatie

waar [slachtoffer] op dat moment zou verschijnen, heeft de psycholoog overwogen dat eveneens gesteld kan worden dat de verdachte vanuit zijn verstandelijke beperking niet goed overzien kan hebben, welke dreiging dit meegebracht heeft.

Conclusie

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank niet overtuigd dat de verdachte op 9 maart 2019 de intentie heeft gehad om [slachtoffer] daadwerkelijk iets aan te doen. De verdachte heeft die dag een – weliswaar volstrekt misplaatste – grap gemaakt tegenover een agent die hij kende uit zijn wijk. Hij dacht dat deze agent de “humor” daarvan wel zou inzien. Dat die agent dat vervolgens niet deed, is overigens ook volstrekt begrijpelijk. De opmerking werd gemaakt tien minuten voordat de meest bedreigde en best beveiligde politicus van Nederland in het centrum van Heerlen zou aankomen en heel Heerlen stond dus “op scherp”. Om dan, refererend aan een vergeten bijl in een fietstas, de grap te maken dat je [slachtoffer] “de kop komt inslaan” is vragen om problemen, en die heeft de verdachte sindsdien dan ook gehad. Hij zit inmiddels al meer dan honderd dagen in voorarrest. Nu de rechtbank echter tot het oordeel komt dat het niet de intentie van de verdachte was om [slachtoffer] daadwerkelijk iets aan te doen, zal de verdachte worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Ten aanzien van de bedreiging

Hetzelfde feitencomplex is subsidiair ten laste gelegd als bedreiging. Ook daarvoor acht de rechtbank, gelet op het bovenstaande, het opzet niet bewezen. Ook van dit feit zal de verdachte worden vrijgesproken.

Feit 2

Wat betreft het tweede feit overweegt de rechtbank dat, gelet op de verklaring die de verdachte heeft gegeven voor het bij zich dragen van de bijl, messen en bahco, niet bewezen kan worden geacht dat van deze voorwerpen - gelet op hun aard en/of de omstandigheden waaronder ze onder de verdachte werden aangetroffen - redelijkerwijs kon worden aangenomen dat ze bestemd waren voor geen ander doel dan om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen.

Ook van dit feit zal de verdachte worden vrijgesproken.

4 Het beslag

De inbeslaggenomen bijl, de messen en de bahcosleutel zullen worden teruggegeven aan de verdachte.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van de onder 1 primair en subsidiair en onder 2 tenlastegelegde feiten;

Beslag

- gelast de teruggave van de volgende inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte:

  • -

    1: een mes;

  • -

    2: een mes;

  • -

    3: een bijl;

  • -

    4: een stuk gereedschap;

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P.A. Bisscheroux, voorzitter, mr. C.G.A. Wouters en

mr. M.E. Notermans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Schuwirth, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 28 juni 2019.

Buiten staat

Mr. M.E. Notermans is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1

hij op of omstreeks 9 maart 2019 in de gemeente Heerlen, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord (artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht), althans doodslag (artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht), althans zware mishandeling (artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht) opzettelijk een bijl en/of een baco en/of twee (stanley)messen, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, en/of, terwijl hij zich ophield aan de route waar [slachtoffer] zou gaan lopen, tegen de daar aanwezige verbalisant [naam wijkagent] heeft gezegd, nadat die [naam wijkagent] hem vroeg wat hij in Heerlen deed: "Ik kom voor dat varken, voor [slachtoffer] " en/of "Ik heb een bijl in mijn fietstas en daar sla ik hem zijn kop mee in";

( art 46 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 maart 2019 in de gemeente Heerlen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door zich met zijn fiets te posteren langs de route waar voornoemde [slachtoffer] zou gaan lopen en/of in zijn, verdachtes, fietstas een bijl te vervoeren en/of een baco en/of in zijn jaszak twee

(stanley)messen bij zich te dragen, en/of (vervolgens) tegen verbalisant [naam wijkagent] te zeggen dat hij aldaar aanwezig was om [slachtoffer] met een bijl de kop in te slaan, althans woorden van soortgelijke strekking;

( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 9 maart 2019 in de gemeente Heerlen, (een) wapen(s) van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten:

- een (complete) bijl (steel ca 37 cm, bijl 14 cm, bijlblad 9 cm en aan beide kanten geslepen) en/of

- een (zogenoemde) Engelse sleutel/bahco en/of

- een (zilverkleurig) (hobby)mes (met een uitschuifbaar snijdeel) en/of

- een (zwart) (hobby)mes (met een uitschuifbaar snijdeel), zijnde (een) voorwerp(en) waarvan, gelet op zijn/hun aard en/of de omstandigheden waaronder het/ze werd/werden aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het/ze bestemd was/waren om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen.

( art 27 lid 1 Wet wapens en munitie )