Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:5958

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-06-2019
Datum publicatie
28-06-2019
Zaaknummer
C/03/251092 / HA ZA 18-294
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beslag/instellen eis in hoofdzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/251092 / HA ZA 18-294

Vonnis bij vervroeging van 26 juni 2019

in de zaak van

de naamloze vennootschap naar Belgisch recht

HULSBOSCH BOUWBEDRIJF N.V.,

gevestigd te Bree (België),

verweerster in reconventie,

advocaat: mr. F.W. Linders,

tegen:

1 [eiser in reconventie sub 1] ,

wonend te [woonplaats] ,

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

2. [naam bv] BEHEER B.V.,

gevestigd te Eijsden, gemeente Eijsden-Margraten,

eisers in reconventie,

advocaat: mr. M.F.J.M. van Rooy.

Verweerster in reconventie zal hierna ‘Hulsbosch’ worden genoemd, eiser sub 1 in reconventie zal worden aangeduid als ‘ [eiser in reconventie sub 1] ’, eiseres sub 2 in reconventie als ‘Beheer B.V.’ en eisers in reconventie gezamenlijk zullen worden aangeduid als ‘ [eisers in reconventie] c.s.’.

De nummering van het tussen partijen gewezen vonnis van 17 oktober 2018 wordt voortgezet.

7 Het verloop van de procedure

7.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussen partijen gewezen vonnis in het incident van 17 oktober 2018 en het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 23 april 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1519 waarin dit vonnis is bekrachtigd;

- de conclusie van antwoord in reconventie met productie nr. tien;

- de conclusie van repliek in reconventie met producties drie en vier;

- de conclusie van dupliek in reconventie met productie nr. elf.

7.2

[eisers in reconventie] c.s. hebben vonnis gevraagd, Hulsbosch heeft gevraagd een akte te mogen nemen, hetgeen is geweigerd omdat Hulsbosch het laatste processtuk heeft ingediend. Tenslotte is vonnis bepaald.

8 De feiten

8.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende vaststaande feiten.

a. Hulsbosch exploiteert een aannemingsbedrijf. [eisers in reconventie] en Beheer B.V. zijn als vennoten verbonden in de maatschap ‘ [naam maatschap] ’ (hierna: ‘de Maatschap’).

b. Hulsbosch heeft met de Maatschap een aannemingsovereenkomst gesloten tot het bouwen van een mestkelder op het terrein van de Maatschap (productie 2 bij dagvaarding).

c. Tussen partijen is een geschil ontstaan, waarbij Hulsbosch betaling vordert van € 73.331,- voor door haar verricht werk. De Maatschap betwist tot betaling gehouden te zijn, omdat de mestkelder volgens haar niet deugdelijk is.

d. In het kader van voornoemd geschil heeft Hulsbosch de Maatschap als verweerster sub 1 en vennoot [eisers in reconventie] als verweerder sub 2 en Beheer B.V. als verweerster sub 3 gedagvaard voor de rechtbank van Koophandel Antwerpen, afdeling Tongeren. Deze heeft bij uitspraak van 30 mei 2014 (productie 1 antwoord in conventie) de vordering ontoelaatbaar verklaard ten aanzien van [eisers in reconventie] c.s. In het beroep tegen die uitspraak heeft het Hof van Beroep Antwerpen bij arrest van 29 oktober 2015, rov. 6 overwogen (productie 4 bij dagvaarding):

“De partijen zijn het erover eens dat Belgisch recht van toepassing is. Er is bijgevolg geen reden om de maten van de maatschap als hoofdelijk gehouden aan te zien met de maatschap, nu deze laatste de enige is die met Hulsbosch heeft gecontracteerd: alle offertes, facturen en de aanmaning van Hulsbosch zijn alleen naar de maatschap gestuurd (…).”

e. Na de uitspraak van het Hof van Beroep van 29 oktober 2015 heeft de in sub d. genoemde rechtbank bij tussenvonnis van 11 januari 2019 (productie 4 repliek reconventie) geoordeeld dat de door Hulsbosch uitgevoerde werken behept zijn met gebreken die een inhouding van betaling rechtvaardigen en dat partijen elkaar over en weer vorderingen zijn verschuldigd, maar dat de hoogte nader moet worden vastgesteld.

f. Bij verzoekschrift van 26 april 2018 (productie 8 dagvaarding) heeft Hulsbosch de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof gevraagd om conservatoir beslag te mogen leggen op het onroerend goed [adres] , [plaats] van rekwestrant [eiser in reconventie sub 1] , kadastraal bekend als Eijsden [kadasternummer] groot 1.270 m2 met bepaling dat de eis in de hoofdzaak moet worden ingesteld binnen 14 dagen na het gelegde beslag. Het verlof is overeenkomstig het verzoek verleend op 30 april 2018. Het beslag is gelegd op 9 mei 2018 (akte Hulsbosch d.d. 12 juli 2018). Hulsbosch heeft de eis in de hoofdzaak ingesteld bij dagvaarding van 23 mei 2018, waarbij [eisers in reconventie] c.s. zijn gedagvaard voor deze rechtbank en locatie.

g. In het hiervoor genoemde vonnis van 17 oktober 2018 heeft deze rechtbank zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van de in de inleidende dagvaarding geformuleerde vorderingen in conventie.

9 Het geschil

9.1

[eiser in reconventie sub 1] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Hulsbosch veroordeelt om binnen 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis over te gaan tot opheffing van alle gelegde conservatoire beslagen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- aan [eiser in reconventie sub 1] , voor iedere dag dat Hulsbosch in gebreke blijft aan het te wijzen vonnis te voldoen.

[eiser in reconventie sub 1] heeft daartoe aangevoerd dat op het hem toebehorend perceel [adres] te [plaats] conservatoir beslag is gelegd. Dit beslag moet worden opgeheven omdat de vordering waarvoor dit beslag is gelegd, niet bestaat althans is het bestaan daarvan zodanig twijfelachtig dat het beslag moet worden opgeheven.

9.2

Hulsbosch voert aan dat de vereiste belangenafweging moet leiden tot afwijzing van de vordering.

10 De beoordeling

10.1

Bij de beoordeling van de vordering tot beslagopheffing moeten in elk geval worden afgewogen alle ter zake relevante feiten en belangen. Een daarbij relevant feit is of het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch al dan niet onherroepelijk is. Het arrest is gewezen op 23 april 2019. Een eventueel cassatieberoep moet krachtens art. 402 Rv binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld. De zaak zal daarom worden verwezen naar de rol van 31 juli 2019 voor akte uitlating partijen over de vraag of al dan niet cassatie is ingesteld. Indien cassatie is ingesteld, dient daarvan bewijs te worden overgelegd.

10.2

Ambtshalve wordt het volgende aan de orde gesteld. Hulsbosch heeft de onderhavige vordering ook ingesteld in België, waar die hoofdzaak nog steeds loopt (zie rov. 8.1 sub d en e). Die hoofdzaak in België is aanhangig gemaakt enige jaren voordat de onderhavige eis in de hoofdzaak bij deze rechtbank is aangebracht. De door Hulsbosch aanhangig gemaakte hoofdzaak in Nederland en de door Hulsbosch aanhangig gemaakte hoofdzaak in België hebben dezelfde grondslag. Dit doet de vraag rijzen of de voorwaarde in het beslagverlof van 30 april 2018 dat de eis in de hoofdzaak binnen 14 dagen na het leggen van het beslag dient te worden ingesteld, wel voor geschreven moet worden gehouden. Ten tijde van het beslagverlof van 30 april 2018 was er immers al een eis in de hoofdzaak ingesteld in België. De woorden “eis in de hoofdzaak” moeten volgens de Hoge Raad ruim worden uitgelegd en ook een in het buitenland ingestelde procedure die met voldoende waarborgen is omgeven, heeft als eis in de hoofdzaak te gelden (HR 21 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8780). Dit alles roept de vraag op of bij de beoordeling van de vordering tot beslagopheffing moet worden uitgegaan van een nog in België lopende eis in de hoofdzaak, waarin de rechtbank bij tussenvonnis heeft geoordeeld dat partijen elkaar over en weer vorderingen zijn verschuldigd. Partijen worden in staat gesteld zich hierover uit te laten in de hiervoor genoemde akte.

10.3

Elke andere beslissing zal worden aangehouden.

11 De beslissing

De rechtbank:

11.1

verwijst de zaak naar de rol van 31 juli 2019 voor akte uitlating zijdens beide partijen gelijktijdig ter zake de vraag of:

- cassatie is ingesteld tegen het tussen partijen gewezen arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 23 april 2019;

- in dit geding de in België door Hulsbosch ingestelde vordering heeft te gelden als eis in de hoofdzaak, waarbij in het geschil naar aanleiding van die vordering bij tussenvonnis door de Belgische rechter is geoordeeld dat partijen elkaar over en weer vorderingen zijn verschuldigd;

11.2

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2019.