Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:5060

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-05-2019
Datum publicatie
16-08-2019
Zaaknummer
7515252 BR VERZ 19-33
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Artt. 4:149 lid 1 sub d, 4:202 lid 1 sub a, 4:203 lid 1 sub b BW Kantonrechter onbevoegd. Ontslag vereffenaar. Einde taak executeur. Het verzoek ter mondelinge behandeling van de gemachtigde om schriftelijk nog op het (tijdig) ontvangen verweerschrift ter reageren wordt afgewezen aangezien dat in strijd met een goede procesorde zou zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/269
ERF-Updates.nl 2019-0206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht / Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 7515252 BR VERZ 19-33

Beschikking van 27 mei 2019

op een verzoek van

[verzoekster] ,

wonend te [woonplaats 1] , [adres 1] ,

verzoekster,

gemachtigde mr. S.D. Worotikan,

tegen

[verweerster sub 1] ,

wonend te [woonplaats 2] , [adres 2] ,

verweerster, in haar hoedanigheid van erfgename, van testamentair bewindvoerder en van vereffenaar van de nalatenschap van de nalatenschap van [erflaatster] (verder: de erflaatster),

[verweerder sub 2] ,

wonend te [woonplaats 3] , [adres 3] ,

verweerder, in zijn hoedanigheid van erfgenaam en vereffenaar van de nalatenschap van de erflaatster,

gemachtigde voor verweerster en verweerder mr. A.J.L.J. Pfeil.

Partijen zullen hierna [verzoekster] (verzoekster), [verweerster sub 1] (verweerster sub 1) en [verweerder sub 2] (verweerder sub 2) genoemd worden.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Op 5 februari 2019 is een verzoekschrift met 33 producties ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

1.2.

Op 2 mei 2019 is een verweerschrift met vijf producties ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

1.3.

Op 9 mei 2019 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. [verzoekster] , bijgestaan door mr. Worotikan voornoemd, en [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] , bijgestaan door mr. Pfeil voornoemd, zijn ter mondelinge behandeling verschenen.

1.4.

Vervolgens is beschikking bepaald en wordt vandaag uitspraak gedaan.

2 De feiten

2.1.

Op [overlijdensdatum] is [erflaatster] te [overlijdensplaats] , aldaar laatstelijk wonend, overleden.

2.2.

Bij testament heeft de erflaatster over haar nalatenschap beschikt en [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] tot haar erfgenamen benoemd. Daarnaast heeft de erflaatster [verweerster sub 1] tot executeur van de gehele nalatenschap en tot testamentair bewindvoerder van de making door de erflaatster aan [naam testamentair bewindvoerder] benoemd.

2.3.

[verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] hebben bij akte van 18 mei 2017 de onderwerpelijke nalatenschap beneficiair aanvaard.

2.4.

[verzoekster] heeft op 15 januari 2018 een e-mail van [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] ontvangen waarbij een afschrift van het testament van de erflaatster, een verklaring van erfrecht, een op 13 december 2017 gedateerde boedelbeschrijving en een op 11 januari 2018 gedateerde ontvangstbevestiging van de boedelbeschrijving zijn gevoegd.

2.5.

[verzoekster] , in haar hoedanigheid van legitimaris, heeft tijdig aanspraak gemaakt op haar legitieme portie.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekster] verzoekt - verkort weergegeven - :

I. om de huidige executeurs/vereffenaars te ontslaan onder gelijktijdige benoeming van een nieuwe executeur/vereffenaar,

II. het onderhavige verzoekschrift gelijktijdig of gezamenlijk te behandelen met de dagvaarding die aan de executeurs/vereffenaars is betekend en als productie 33 bij het onderhavige verzoekschrift is gevoegd,

III. veroordeling van de executeur/vereffenaar in de proces- en nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.1.

[verzoekster] stelt daartoe dat [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] de boedelbeschrijving eerst na acht maanden - en daarmee te laat - hebben opgesteld waardoor er mogelijk roerende zaken die in het appartement van de erflaatster aanwezig waren (kunnen) zijn verdwenen of vervreemd. Deze zaken noch de circa dertig dozen en kasten in de kelder van het appartement, die bovendien niet zijn getaxeerd, staan in de boedelbeschrijving vermeld. Ook de taxatie van de onroerende zaak (het appartement van de erflaatster) ontbreekt in de boedelbeschrijving net als de omvang van het kindsdeel dat is ontstaan uit het overlijden van haar biologische vader op 20 juni 1991 die met de erflaatster (als langstlevende) in gemeenschap van goederen was gehuwd. Uit de opgestelde boedelbeschrijving blijkt niet wat de exacte omvang van de huwelijksgoederengemeenschap was dan wel hoeveel door de erflaatster als langstlevende is opgesoupeerd. Die omstandigheden zijn van invloed op de omvang van haar legitieme portie en gelet op al het voorgaande stemt [verzoekster] niet in met de inhoud van de boedelbeschrijving. Zij heeft [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] tevergeefs verzocht aan te geven wat er met voormelde zaken is gebeurd teneinde de verkoopwaarde te kunnen laten taxeren en te kunnen vaststellen hoe hoog haar kindsdeel uit de nalatenschap van haar vader was.

3.2.2.

[verweerster sub 1] heeft in de optiek van [verzoekster] niet aan haar taken als executeur voldaan waardoor sprake is van een toerekenbare tekortkoming waarvoor geen rechtvaardigings-grond aan de zijde van [verweerster sub 1] bestaat. Deze tekortkoming levert haar schade op en maakt dat de omvang van haar legitieme portie zoals door [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] op ongeveer € 10.000,00 is berekend mogelijk niet klopt. Daarbij komt dat voormeld bedrag tot op heden niet aan haar is uitgekeerd waardoor zij niet aan haar verplichting jegens de Belastingdienst (de afdracht van de erfbelasting) kan voldoen en zij genoodzaakt is geworden om kosten voor juridische bijstand te maken. Aangezien [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] niet meer op de e-mails van haar gemachtigde reageerden heeft zij hen bij aangetekend schrijven van 28 maart 2018 aangezegd dat zij hen in rechte zou gaan betrekken.

3.3.

[verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] voeren verweer.

3.4.

Op het overige door [verzoekster] gestelde en op de verweren van [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] zal de kantonrechter, voor zover nodig, nader ingaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt voorop dat hij aan een inhoudelijke bespreking van de onderhavige kwestie niet kan toekomen.

4.2.

[verzoekster] heeft het verzoek gedaan om het onderhavige verzoekschrift gelijktijdig of gezamenlijk te behandelen met de dagvaarding die aan de executeurs/vereffenaars is betekend en als productie 33 bij het onderhavige verzoekschrift is gevoegd. Dat verzoek wordt aanstonds afgewezen omdat een wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt.

4.3.

De verst strekkende (primaire) verweren van [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] , dat [verzoekster]

niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek tot ontslag van [verweerster sub 1] als executeur en dat niet de kantonrechter maar de rechtbank bevoegd is ter zake het verzoek tot ontslag van [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] als vereffenaar, treffen doel. Het door de gemachtigde van [verzoekster] ter mondelinge behandeling gedane verzoek om schriftelijk nog op die verweren te reageren heeft de kantonrechter gepasseerd omdat toelating daarvan, gelet op de onweersproken gelaten tijdige ontvangst (2 mei 2019) van het verweerschrift strijd met een goede procesorde met zich zou brengen. De gemachtigde heeft voldoende tijd gehad om zich op deze verweren voor te bereiden.

4.4.

Onweersproken staat vast dat [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] de nalatenschap van de erflaatster beneficiair hebben aanvaard, dat zij daardoor als vereffenaars van de nalatenschap hebben te gelden en dat [verweerster sub 1] voor de beneficiaire aanvaarding, in haar hoedanigheid van executeur, geen zogenoemde ruimschootsverklaring ex art. 4:202 lid sub a BW heeft afgelegd. Deze omstandigheden leiden er vervolgens toe dat de nalatenschap van de erflaatster overeenkomstig het bepaalde in art. 4:202 BW dient te worden vereffend en dat, in het verlengde daarvan, op grond van art. 4:149 lid 1 sub d BW de taak van [verweerster sub 1] als executeur is geëindigd. Dat brengt met zich dat [verzoekster] in haar verzoeken tot a) ontslag van de huidige executeurs (de kantonrechter zal dat verbeterd lezen als “executeur” aangezien enkel [verweerster sub 1] tot executeur is aangewezen c.q. benoemd) onder gelijktijdige benoeming van een nieuwe executeur en b) de verzochte veroordeling van de executeur in de proces- en nakosten

niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Met andere woorden: er is dus - anders dan [verzoekster] meent - geen executeur (meer) en daarom kan een verzoek tot ontslag niet tot iets zinvols leiden.

4.5.

Ten aanzien van het verzoek van [verzoekster] om de vereffenaars te ontslaan onder gelijktijdige benoeming van een nieuwe vereffenaar geldt niet het bepaalde in art. 4:204 doch het bepaalde in art. 4:203 lid 1 sub b BW. Vaststaat immers dat [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] de nalatenschap van de erflaatster beneficiair hebben aanvaard. De kantonrechter is dan niet bevoegd. Met andere woorden: [verzoekster] heeft bij de verkeerde rechter aangeklopt. Met inachtneming van het bepaalde in laatstvermeld artikel zal de kantonrechter zich onbevoegd verklaren om op dat verzoek en op de verzochte veroordeling van de vereffenaar tot betaling van de proces- en nakosten te beslissen en de zaak waarin deze zich thans bevindt verwijzen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, zittingsplaats Maastricht.

4.6.

Het namens [verzoekster] ter mondelinge behandeling summier gevoerde verweer “U bent bevoegd” leidt vanzelfsprekend niet tot een ander oordeel en de kantonrechter komt niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek en het verweer ter zake. Met betrekking tot het bij de andere kamer dan kantonzaken verschuldigde griffierecht beslist de kantonrechter als nader in het dictum is bepaald.

4.7.

Met inachtneming van al het vorenoverwogene zal het verzoek onder II worden afgewezen, zal [verzoekster] ten aanzien van de verzoeken I en III die betrekking hebben op het ontslag van [verweerster sub 1] in haar hoedanigheid van executeur niet-ontvankelijk worden verklaard en zal de kantonrechter zich ten aanzien van de verzoeken I en III die betrekking hebben op [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] in hun hoedanigheid van vereffenaar onbevoegd verklaren.

4.8.

[verzoekster] zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, tot aan deze beschikking aan de zijde van [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] gerezen en begroot op € 480,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst het onder II verzochte af,

5.2.

verklaart [verzoekster] ten aanzien van de verzoeken I en III die betrekking hebben op het ontslag van [verweerster sub 1] in haar hoedanigheid van executeur niet-ontvankelijk,

5.3.

verklaart zich ten aanzien van de verzoeken I en III die betrekking hebben op [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] in hun hoedanigheid van vereffenaar onbevoegd en verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, zittingsplaats Maastricht,

5.4.

wijst [verzoekster] erop dat na verwijzing een verhoogd griffierecht verschuldigd is, dat deze verhoging kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat deze verhoging binnen 4 weken na voormelde deze beschikking moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie zijn gestort,

5.5.

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van deze procedure tot aan deze beslissing aan de zijde van [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] gerezen en begroot op € 480,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking,

5.6.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.J. Quaedackers, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.

YT