Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:4988

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
03/700165-18
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:3610, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Burenruzie leidt tot schietpartij. Veroordeling voor medeplegen doodslag, medeplegen poging tot zware mishandeling en voorhanden hebben vuurwapen en munitie. Gevangenisstraf van 8 jaar met aftrek voorarrest.

Beroep op noodweer verworpen.

Gedeeltelijke toewijzing vorderingen benadeelde partijen, waaronder vergoeding voor schokschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/700165-18

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 mei 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

gedetineerd in P.I. Zuid Oost, HvB Roermond te Roermond.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. R.E. Tay, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 mei 2019. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 22 april 2018 in Geleen:

Feit 1: [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten, zijnde medeplegen van moord dan wel doodslag.

Feit 2: [slachtoffer 2] door haar knie heeft geschoten, zijnde medeplegen van poging moord dan wel poging doodslag, toebrengen (met voorbedachten rade) van zwaar lichamelijk letsel, dan wel poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel (met voorbedachten rade).

Feit 3: een vuurwapen en munitie van categorie II en III voorhanden heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat niet kan worden bewezen dat bij het schieten op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] sprake was van voorbedachten rade. Dit betekent dat moord niet kan worden bewezen. Volgens de officier van justitie kan het medeplegen van doodslag op [slachtoffer 1] door de verdachte wel worden bewezen (feit 1).

Bij [slachtoffer 2] stelt de officier van justitie vast dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel en dat het schieten door de knie niet snel tot de dood zal leiden. Daarom acht de officier van justitie alleen de in feit 2 meer subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling bewezen.

De officier van justitie heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad (feit 3).

De overwegingen van de officier van justitie zijn vervat in haar schriftelijk requisitoir.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een pleitnota overgelegd. Daarin stelt hij dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de moord op [slachtoffer 1] , omdat er geen sprake was van een vooropgezet plan om [slachtoffer 1] te doden. De verdachte moet volgens de raadsman ook worden vrijgesproken van de doodslag op [slachtoffer 1] , omdat de verdachte geen opzet op de dood van [slachtoffer 1] heeft gehad. Als doodslag wel bewezen kan worden, vindt de raadsman dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake was van noodweer.

Voor wat [slachtoffer 2] betreft is de raadsman het eens met de officier van justitie dat alleen de poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewijsbaar is. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte ook ten aanzien van dit feit moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake was van noodweer.

De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

3.3.1

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 en feit 2.

112-melding

Op 22 april 2018 omstreeks 6:58 uur kreeg een verbalisant een melding om te gaan naar de [adres 1] te Geleen. Volgens een 112 melding zou daar iemand bedreigd worden met een vuurwapen. Onderweg hoorde de verbalisant via de portofoon dat de telefoniste in de meldkamer een knal hoorde en hoorde dat de melder riep: “Ik ben geraakt”. Toen de verbalisant op de [adres 1] aankwam, zag hij een vrouw ( [slachtoffer 2] ) op de grond liggen. De vrouw zat onder het bloed. Naast de vrouw lag haar vriend [slachtoffer 1] ; hij was in de buik geschoten.2 De vrouw vertelde dat de schoten gelost waren door de bovenbuurman [verdachte] .3

Camerabeelden

In de steeg naast het pand [adres 1] te Geleen hing bij buurman [getuige 1] een camera waarmee het schietincident en alles wat eraan voorafging is opgenomen.4 Deze camerabeelden zijn in beslag genomen.5 De geluidsopname van de 112-melding6 door [slachtoffer 1] is door de politie samengevoegd met de camerabeelden.7

Deze camerabeelden zijn op de zitting uitvoerig bekeken en besproken. De rechtbank heeft waargenomen wat er te zien is op deze beelden. Linksboven in beeld is de op de camera weergegeven tijd te zien waarbij 1 uur en 6 minuten moet worden opgeteld om de werkelijke tijd te krijgen8. Het video/geluidsfragment duurt 1 uur en 12 minuten (01:12:00), van 22 april 2018 4:51 uur tot 6:03 uur, werkelijke tijd: van 22 april 2018 5:57 uur tot 7:09 uur. De hierna weergegeven tijdstippen betreffen tijden vanaf de aanvang van het video/geluidsbestand (00:00:00).

De rechtbank neemt (voor zover voor het bewijs van belang) het volgende waar op die beelden (gedeeltelijk met geluid):

  • -

    [slachtoffer 2] loopt op enig moment de steeg in en belt langere tijd aan bij de centrale voordeur van [verdachte] (00:14:03).

  • -

    Ze loopt weg en komt even later terug met twee messen in de hand (00:15:40). [slachtoffer 2] belt opnieuw aan en verbergt de messen voor en achter in haar broekband. Er wordt niet opengedaan. [slachtoffer 2] rommelt aan de deur. Vervolgens loopt ze de steeg weer uit (00:16:23).

  • -

    [slachtoffer 2] komt nogmaals de steeg in (00:16:52), rommelt weer bij de deur, belt aan bij buurman [getuige 1] , rommelt vervolgens opnieuw bij de deur van [verdachte] en loopt de steeg weer uit.

  • -

    Nadat [slachtoffer 2] nogmaals kort in de steeg is te zien, komt [slachtoffer 1] de steeg inlopen, [slachtoffer 2] volgt en [slachtoffer 1] doet vervolgens iets met een mes bij de voordeur (vanaf 00:20.56). Beiden lopen uiteindelijk weer de steeg uit om kort daarna terug te komen waarop eerst [slachtoffer 2] en daarna ook [slachtoffer 1] door de geopende voordeur naar binnenlopen (00:21:33). [slachtoffer 2] heeft een mes in haar hand dat ze voor ze naar binnenloopt wegstopt voor in haar broekband. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] komen naar buiten en lopen naar hun woning (00:23:52).

  • -

    Op tijdstip 00:30:55 komt [medeverdachte] in beeld. Hij loopt naar de woning van [verdachte] . Voordat hij naar binnenloopt, haalt hij een knuppeltje uit zijn linkermouw. [medeverdachte] kan direct doorlopen. De deur is kennelijk open.

  • -

    Na ongeveer zes minuten komt [slachtoffer 2] aanlopen met een mes in haar hand en belt aan bij de voordeur (00:37:15). Korte tijd later komt ook [slachtoffer 1] aanlopen. [slachtoffer 2] probeert met het mes de voordeur open te maken. [slachtoffer 1] neemt dit op een gegeven moment van haar over. De deur gaat open en zij gaan naar binnen (00:38:04). Dit is de tweede keer dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] binnen zijn en op dat moment zijn [medeverdachte] en [verdachte] in de woning. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] komen weer naar buiten en lopen de steeg uit (00:39:20).

  • -

    Even later komt [getuige 2] aanlopen. Hij kan meteen doorlopen naar binnen; de deur is kennelijk open (00:39:44).

  • -

    [slachtoffer 2] komt enkele minuten hierna de steeg weer inlopen en loopt ook naar binnen, nadat zij een mes achterin haar broek heeft gestopt (00:41:59). [slachtoffer 1] komt er bij, loopt ook heel even de woning binnen, waarna beiden de woning weer uitkomen en de steeg weer uitlopen (00:42:49).

  • -

    Op het tijdstip 00:43:39 komt [getuige 3] aan lopen. Hij loopt rechtstreeks naar binnen. Na ongeveer tien minuten (vanaf 00:53:38) komt [verdachte] naar buiten. Hij loopt verder de steeg in naar de deur van buurman [getuige 1]9 (00:53:38). [medeverdachte] loopt achter hem aan met zijn handen achter zijn rug. [verdachte] heeft zijn hand in zijn linker broekzak. Er lijkt iets in de linker broekzak te zitten. [getuige 2] loopt achter [medeverdachte] aan. Hij heeft een rode knuppel in zijn rechterhand.10 Als [medeverdachte] zich omdraait en terugloopt richting de voordeur van [verdachte] , is te zien dat [medeverdachte] een knuppel achter zijn rug houdt11. [getuige 3] blijft aanvankelijk in de deuropening staan. [getuige 2] loopt ook terug en blijft vervolgens in de deuropening staan. [getuige 3] loopt de steeg uit tot aan de straatkant en kijkt rond. Er wordt niet opengedaan door [getuige 1] en iedereen gaat weer de woning van [verdachte] binnen (00:55:27).

- Even later komt [slachtoffer 1] weer in beeld (00:57:26). Te zien is dat hij druk gebarend aan het telefoneren is.12 Hij loopt heen en weer aan de voorzijde van de woning. [slachtoffer 2] komt ook in beeld (00:58:51) en praat op een gegeven moment in de richting van de voordeur (00:59:30). [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] lopen naar de deur, [slachtoffer 2] voorop (00:59:33). [slachtoffer 2] heeft een mes in haar rechterhand. Op het tijdstip 00:59:38 wordt er vanuit de deuropening met een rode knuppel van boven naar beneden naar buiten gezwaaid. [slachtoffer 2] deinst een beetje terug en beweegt zich vervolgens met een trappende beweging met haar rechterbeen de woning in. [slachtoffer 1] lijkt naar haar te reiken. [slachtoffer 2] heeft bij deze beweging het mes nog steeds in haar rechterhand. Ze komt vrijwel meteen de woning weer uit wijzend met het mes in haar rechterhand, waarna ze met links een mes achter uit haar broekband pakt. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] praten nog enige tijd in de richting van de deuropening, waarbij [slachtoffer 2] degene met wie zij praat lijkt uit te dagen. De deur gaat dicht en [slachtoffer 2] steekt met het mes in/tegen de deur (01:00:02).

  • -

    [slachtoffer 1] pakt zijn telefoon en gaat telefoneren (01:00:15). [slachtoffer 2] belt weer geruime tijd aan bij [verdachte] . [slachtoffer 1] probeert daarbij [slachtoffer 2] het mes af te pakken maar dat laat zij niet toe (01:00:26). Vervolgens loopt [slachtoffer 1] de steeg uit en loopt [slachtoffer 2] richting de deur van [getuige 1] (01:00:37). Te zien is dat zij een bloedende hoofdwond heeft. [slachtoffer 1] komt weer in beeld en vanaf het tijdstip 01:00:52 is er geluid bij de beelden. [slachtoffer 1] meldt dat ze worden bedreigd met een vuurwapen en dat zijn vriendin is geslagen. [slachtoffer 1] praat verder met de meldkamer. [slachtoffer 2] loopt vanaf de deur van de buurman de steeg uit richting [slachtoffer 1] (vanaf 01:01:04). Te horen is dat [slachtoffer 2] aangekomen bij [slachtoffer 1] roept ‘Als jullie nu niet komen, steek ik die man kapot’ (01:01:18). [slachtoffer 2] loopt naar de voordeur met twee messen in de hand. Zij gaat zo staan dat als er iemand naar buitenkomt, zij direct kan toeslaan (01:01:42). Op tijdstip 01:02:06 belt ze weer aan waarna ze terugloopt richting [slachtoffer 1] die nog steeds aan de straatzijde staat (vanaf 01:02:10). Op tijdstip 01:02:16 verdwijnt ze rechts uit beeld.

  • -

    Kort hierna komt [verdachte] als eerste naar buiten (01.02.21). Hij heeft zijn hand in de linker broekzak. [medeverdachte] komt als tweede naar buiten. Hij heeft de rode knuppel in zijn rechterhand. [getuige 3] loopt ook naar buiten met hetzelfde knuppeltje in zijn hand als dat hij daarvoor had tijdens ‘het bezoek’ aan [getuige 1] . [getuige 2] blijft in de deuropening staan. [slachtoffer 2] loopt hen vrijwel gelijktijdig met twee messen in haar hand tegemoet de steeg in (01:02:23). [verdachte] loopt haar tegemoet, trekt zijn wapen en houdt dit voor zich in de richting van [slachtoffer 2] . [medeverdachte] en [getuige 3] volgen hem. [medeverdachte] stelt zich rechts van [verdachte] nagenoeg naast [verdachte] op. [getuige 3] loopt links langs [verdachte] . [medeverdachte] slaat met zijn knuppel naar [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] staat op dat moment nog met haar armen langs haar lichaam. [slachtoffer 1] komt de hoek om. [medeverdachte] slaat nogmaals met de knuppel richting [slachtoffer 2] waarop [slachtoffer 2] haar aandacht verplaatst van [verdachte] naar [medeverdachte] . [verdachte] verdwijnt links uit beeld. Er volgt een derde en vierde klap door [medeverdachte] . [medeverdachte] wordt door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] door arm- en trapbewegingen achteruit gedrongen. [slachtoffer 2] gooit vervolgens een van de messen in de richting van [medeverdachte] . Daarna dreigt zij het andere mes in de richting van [medeverdachte] te gooien (01:02:38). Op dat moment is te horen dat er geroepen wordt “Schiet dan jong”. [medeverdachte] gebaart daarbij met zijn linkerarm vooruit van links naar rechts in de richting van [slachtoffer 2] . [medeverdachte] maakt zich vervolgens groot en loopt op [slachtoffer 2] af. [slachtoffer 2] loopt achteruit. [slachtoffer 1] komt in beeld en gooit een stuk glas richting [medeverdachte] (01:02:44). Dit glas gaat langs het hoofd van [medeverdachte] . [medeverdachte] duikt weg. [medeverdachte] wijst met de knuppel in de richting waar [slachtoffer 1] rechts uit beeld verdwijnt, waarna het eerste schot valt (01:02:47). Direct daarna valt rechts in het steegje nog een stuk glas kapot (01:02:48)13

- [slachtoffer 2] richt zich dan tot [verdachte] , die links buiten beeld staat, waarna het tweede schot valt (01:02:51). Direct daarna werpt zij nog haar mes in de richting van [verdachte] waarna zij hinkend rechts uit beeld loopt.

De verwondingen van de slachtoffers en de doodsoorzaak van [slachtoffer 1]

en [slachtoffer 2] zijn per ambulance naar het ziekenhuis te Maastricht gebracht. [slachtoffer 1] is later die dag in het ziekenhuis op de operatietafel overleden.14

Het lichaam van [slachtoffer 1] is onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI).15 Er zijn vier schotletsels aangetroffen. Er waren aan de romp en de linker bovenarm (de rechtbank begrijpt gelet op de tekeningen en overige omschrijving: rechter bovenarm) in totaal vier huidperforaties, passend bij twee doorschoten. Alle vier de perforaties waren op één lijn te brengen, waardoor het ook mogelijk is dat alle vier de perforaties ten gevolge van één doorschot zijn ontstaan. Als gevolg van het doorschot aan de romp waren onder andere de lever, de onderste holle ader en de linkerdijbeenslagader geperforeerd.

In de aanvulling op het sectieverslag wordt door het NFI geconcludeerd dat het doorschot door de buik, dat gepaard ging met perforatie van onder andere de onderste holle ader en de linkerdijbeenslagader, het dodelijk letsel betreft op basis van ernstig bloedverlies. De conclusie ten aanzien van de doodsoorzaak is dat er bij [slachtoffer 1] substantieel bloedverlies is ontstaan met als gevolg noodzaak tot opname in het ziekenhuis, operatie, verslechterde en uitzichtloze algehele situatie waardoor medisch handelen werd gestaakt en de dood intrad. De verrichtte medische handelingen waren noodzakelijk en ander medisch ingrijpen zou er niet toe hebben geleid dat het slachtoffer nog zou hebben geleefd.16

Bij [slachtoffer 2] worden op de linkerknie verwondingen geconstateerd met een ronde, grillige wondrand, doorsnede 0,5 cm en 1 cm. De verwonding aan de linkerknie boven de knieschijf is passend bij een inschotopening. De verwonding aan de zijkant van de linkerknie met een grillige wondrand met deels zwellingen en de wondranden gedeeltelijk zwart gekleurd, past bij een uitschotopening. De verwonding van de linkerknie is veroorzaakt door het aan de bovenzijde van de linkerknie (inschotopening) binnendringen van een projectiel dat een baan heeft gevolgd door de linkerknie en deze heeft verlaten aan de buitenzijde naast de knieschijf (uitschotopening). Uit beeldvormend onderzoek bleek dat er in de linkerknie geen band- of peesletsel was ontstaan. Het herstel van de verwonding aan haar linkerknie zal waarschijnlijk 8 tot 12 weken duren. De linkerkniefunctie zal dan weer volledig aanwezig zijn. Een aantal uitwendige verwondingen zal na genezing waarschijnlijk blijvend zichtbaar zijn als littekens.17

Volgens de geneeskundige verklaring van 18 juli 2018 is er sprake van “weke delen letsel bij schotwond”.18

Onderzoek hulzen

Tijdens het onderzoek van de plaats delict zijn er twee hulzen aangetroffen, voorzien van de bodemstempel 9 mm Luger S&B. De ene huls is aangetroffen op het trottoir nabij de hoek van de voortuin met oprit van het perceel [adres 2] en de andere huls is aangetroffen op de oprit van voornoemd perceel nabij de linkerzijgevel van deze woning.19 De hulzen zijn in beslag genomen20 en door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) onderzocht. Het NFI concludeert dat de hulzen vermoedelijk verschoten zijn met een (semi)automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm Parabellum, een merk of model kon niet worden vastgesteld.21

Verklaring [getuige 2] bij de rechter-commissaris

[getuige 2] heeft (over het incident dat op de beelden te zien is vanaf tijdstip 00:59:33) verklaard dat ze op een gegeven moment besloten het appartement van [verdachte] te verlaten. [medeverdachte] eerst, [verdachte] als tweede, [getuige 3] als derde en [getuige 2] als laatste. Bij de deur waren de man en vrouw aan het schelden. [getuige 2] heeft toen gezien dat [verdachte] een vuurwapen had. [verdachte] hield het wapen in de richting van de man en/of de vrouw gericht. [verdachte] had het wapen in beide handen vast. [getuige 2] hoorde [verdachte] roepen “ga terug, hou op”. De worsteling tussen [medeverdachte] en de vrouw is geëindigd doordat [medeverdachte] de vrouw wegduwde en [verdachte] het wapen toonde. Daarna zijn ze terug de woning van [verdachte] ingegaan. Later zijn ze opnieuw naar buiten gegaan.

[getuige 2] heeft verklaard dat hij met [verdachte] naar [getuige 1] is gelopen om de camerabeelden op te vragen, dan wel te laten wissen. [verdachte] wilde dat. Dit was voordat er gedoe was bij de voordeur van de woning. [getuige 1] deed niet open en zij zijn gewoon terug de woning van [verdachte] ingegaan. Op dat moment was het vrij rustig. Er is onderling op geen enkel ogenblik gesproken over het bellen van de politie.22

Onderzoek aan telefoons

Er is onderzoek verricht naar de telefoonnummers dan wel de IMEI-nummers van de telefoons waar een aantal van de verdachten c.q. betrokkenen gebruik van maakten. De historische printgegevens van de telefoon van [verdachte] en de telefoonnummers van [slachtoffer 1] en [naam 1] werden vergeleken met de camerabeelden en er is door de politie een tijdlijn opgesteld. Hieruit blijkt dat [verdachte] tussen 5:20 uur en 6:11 uur talloze keren telefonisch contact zoekt en gesprekken voert met de telefoonnummers van [naam 1] , een vijftal onbekenden, ene [naam 2] en ene [naam 3] .23

Verklaring [verdachte]

heeft bij de politie verklaard dat er sprake was van een bedreigende situatie en dat hij heeft geschoten op zijn onderbuurman (bedoeld is: [slachtoffer 1] ). Toen zijn vriendin (bedoeld is: [slachtoffer 2] ) later op hem afkwam met een mes, heeft hij ook op haar geschoten.24 heeft verklaard dat hij een CZ 9 mm als wapen heeft gebruikt. Dit was een grijs/zilver pistool.25

[verdachte] heeft verklaard dat de buurman (bedoeld is: [slachtoffer 1] ) het wapen al had gezien, omdat hij het vuurwapen al eens vast had gehad.26 Tijdens de zitting heeft [verdachte] verklaard dat hij tijdens het incident in het halletje bij de centrale voordeur voor het eerst zijn pistool uit zijn zak heeft gehaald. Hij moest het wapen tonen om ervoor te zorgen dat [slachtoffer 2] weer naar buiten ging en dat was effectief.

[verdachte] wordt door de politie voorgehouden dat hij, op het moment dat zij met messen op hem afkwam, toch ook terug naar binnen had kunnen lopen. Daarop heeft [verdachte] geantwoord dat dit niet ging gebeuren; dat doet hij niet.27

Verklaring [medeverdachte]

heeft bij de politie28 en ook tijdens de zitting verklaard dat hij heeft geroepen “Schiet dan jongen”.

3.3.2

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 en feit 2

Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is af te leiden dat verdachte [verdachte] op 22 april 2018 op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft geschoten met een vuurwapen in aanwezigheid van verdachte [medeverdachte] . [slachtoffer 1] is hierdoor overleden en [slachtoffer 2] heeft hierdoor letsel opgelopen.

Medeplegen

Hoewel [verdachte] degene is die met het vuurwapen heeft geschoten, is de rechtbank van oordeel dat hij dit samen met [medeverdachte] heeft gedaan.

Theoretisch kader

De Hoge Raad heeft in zijn overzichtsarrest van 2 december 201429 overwogen dat bij medeplegen sprake moet zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de medepleger moet van voldoende gewicht zijn. Bij de vorming van zijn oordeel over de vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan de rechter rekening houden met onder meer

  • -

    de intensiteit van de samenwerking,

  • -

    de onderlinge taakverdeling,

  • -

    de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict,

  • -

    het belang van de rol van de verdachte,

  • -

    diens aanwezigheid op belangrijke momenten en

  • -

    het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit.

Toegepast

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [medeverdachte] elkaar kenden. [medeverdachte] wist op het moment dat hij [verdachte] bezocht dat [verdachte] problemen. Uit het feit dat [medeverdachte] aankomt met een knuppeltje bij zich, blijkt dat [medeverdachte] daarop voorbereid was.

[medeverdachte] heeft vanaf moment van zijn aankomst [verdachte] ook daadwerkelijk bijgestaan in de escalerende gebeurtenissen met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . In de rolverdeling is [medeverdachte] degene die met een flinke knuppel geweld gebruikt en is [verdachte] de man die (als achtervang) met een vuurwapen dreigt of het zonodig gebruikt. [medeverdachte] is degene die [verdachte] aanspoort om te schieten door te roepen ‘Schiet dan jongen’. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering tussen [verdachte] en [medeverdachte] dat er sprake is van medeplegen.

Dat [medeverdachte] pas op het moment dat hij riep: “Schiet dan jongen” wist dat [verdachte] een vuurwapen had, acht de rechtbank niet aannemelijk. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] het vuurwapen heeft getoond tijdens het incident in het halletje bij de centrale voordeur. De rechtbank acht de verklaring van [medeverdachte] dat hem dit is ontgaan, niet aannemelijk, mede gelet op de verklaringen van [verdachte] en [getuige 2] en de mededeling over dat vuurwapen door [slachtoffer 1] in zijn 112-melding. Daarbij komt dat in de gegeven situatie, waarbij [medeverdachte] en [getuige 3] zich bewapenden met knuppels van [verdachte] , het niet geloofwaardig is dat [verdachte] zich niet zou hebben bewapend en verdachte dat niet zou hebben geweten.

Opzet op de dood van [slachtoffer 1]

De rechtbank volgt het verweer van de raadsman dat er geen opzet op de dood was niet. Verdachte ging met een vuurwapen de confrontatie aan met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Hij wist dat met name [slachtoffer 2] zich niet gemakkelijk liet tegenhouden. In die situatie moet hij zich bewust zijn geweest dat er een aanmerkelijke kans was dat hij in een hectische situatie gebruik van het wapen zou maken en daarbij iemand dodelijk zou treffen.

Voorbedachten rade

De verdachte zal worden vrijgesproken van het onderdeel “voorbedachten rade” bij zowel feit 1 als feit 2, omdat niet is gebleken dat er sprake was van een geplande, weloverwogen daad.

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank bewezen dat verdachte [verdachte] en verdachte [medeverdachte] zich samen hebben schuldig gemaakt aan doodslag van [slachtoffer 1] , zoals ten laste gelegd onder feit 1.

Letsel [slachtoffer 2] en kwalificatie feit 2

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de beschieting van [slachtoffer 2] niet gepland was en ook niet het opzet in zich droeg om te doden. Van poging moord of doodslag is daarom geen sprake. Hoewel een doorschot door de knie gemakkelijk tot zwaar lichamelijk letsel kan leiden, is uit het medische onderzoek gebleken dat het letsel betrekkelijk snel geheel zal genezen, zodat alleen de meer subsidiair tenlastegelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewezen zal worden verklaard.

3.3.3

Bewijsmiddelen en overwegingen ten aanzien van feit 3:

De rechtbank acht dit feit bewezen gelet op:

  • -

    de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting;

  • -

    het proces-verbaal van forensisch onderzoek op de plaats delict30;

- de kennisgeving van inbeslagneming van de hulzen31;

- het munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Geleen op 22 april 2018, opgemaakt door het NFI32.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

feit 1.

op 22 april 2018 te Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met dat opzet eenmaal met een vuurwapen een kogel door het lichaam van die [slachtoffer 1] te schieten, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;

feit 2 meer subsidiair.

op 22 april 2018 te Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet eenmaal met een vuurwapen een kogel in het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 3.

op 22 april 2018 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, een wapen van categorie II of III, te weten een vuurwapen en munitie van categorie II of III voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Noodweer 33

Zowel [verdachte] als [medeverdachte] (subsidiair) hebben een beroep op noodweer gedaan. Zij stellen dat op het moment van confrontatie tussen [medeverdachte] enerzijds en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] anderzijds er een zodanig wederrechtelijke en dreigende aanranding van lijf voor [medeverdachte] ontstond, dat het voor verdediging noodzakelijk was dat [verdachte] met zijn vuurwapen op [slachtoffer 1] schoot (art. 41 Sr). Doordat [slachtoffer 2] daarna haar agressie op [verdachte] richtte, ontstond voor hem de noodzaak om ter eigen verdediging [slachtoffer 2] door haar knie te schieten. Daardoor is het doodschieten van [slachtoffer 1] en het door de knie schieten van [slachtoffer 2] weliswaar bewijsbaar, maar was het gerechtvaardigd (ter noodzakelijke verdediging) en dus niet strafbaar.

Ter onderbouwing van hun standpunt verwijzen [verdachte] en [medeverdachte] met name naar de camerabeelden. Daarop is te zien dat als [verdachte] , [medeverdachte] , [getuige 2] en [getuige 3] naar buiten lopen34, [slachtoffer 2] hen vrijwel direct daarna met twee messen in haar hand tegemoet loopt. Als reactie daarop trekt [verdachte] zijn vuurwapen en houdt dit voor zich in de richting van [slachtoffer 2] . [medeverdachte] en [getuige 3] flankeren hem met knuppels in hun hand. [medeverdachte] slaat vervolgens als eerste met zijn knuppel meermalen naar [slachtoffer 2] . Volgens de verdediging deed hij dat om het mes uit de handen van [slachtoffer 2] te slaan. Dit wordt echter niet bevestigd door de beelden. [slachtoffer 2] staat op dat moment nog met haar armen langs haar lichaam. Direct daarna richt de agressie van [slachtoffer 2] en de dan bij haar gekomen zijnde [slachtoffer 1] zich op [medeverdachte] en wordt deze door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] (door steek- en trapbewegingen) achteruit gedrongen, waarbij [slachtoffer 2] een van haar messen in de richting van [medeverdachte] werpt. Vervolgens dreigt zij het andere mes gericht te gooien. Direct daarna roept [medeverdachte]35: Schiet dan jong, waarbij hij wijst in de richting van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] loopt dan uit beeld. [medeverdachte] maakt zich groot en loopt gericht op [slachtoffer 2] af, die achteruit loopt. Vervolgens gooit [slachtoffer 1] een stuk glas in de richting van het hoofd van [medeverdachte] .36 [slachtoffer 1] verdwijnt weer uit beeld waarna het eerste schot valt.37 Direct daarna is te zien dat rechts in het steegje nog een stuk glas kapot valt.38 [slachtoffer 2] richt zich dan tot [verdachte] , waarna het tweede schot valt.39 Direct daarna werpt zij nog haar mes in de richting van [verdachte] waarna zij hinkend wegloopt.

De rechtbank is met de verdediging eens dat [medeverdachte] op enig moment in een situatie komt waarin sprake is van een aanranding van zijn lijf. Dat moment begint als [slachtoffer 2] met het mes op hem afkomt en [slachtoffer 1] hem trapt, waardoor hij achteruit de steeg in moet lopen en [verdachte] en [getuige 3] niet meer in zijn buurt staan.40 Vervolgens gooit [slachtoffer 2] een mes in de richting van [medeverdachte] en dreigt daarna gericht het andere mes naar [medeverdachte] te gooien. Korte tijd later – [medeverdachte] heeft [slachtoffer 2] dan achteruitgedrongen – gooit [slachtoffer 1] een stuk glas in de richting van [medeverdachte] . Nu ook [slachtoffer 1] tot geweld overging en met stukken glas naar [medeverdachte] ging gooien, zou gezegd kunnen worden dat voor [verdachte] en [medeverdachte] een situatie was ontstaan waarin men zich zou mogen verdedigen tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] .

Een beroep op noodweer gaat echter niet op in het licht van alle omstandigheden die tot het ontstaan van deze dreigende situatie hebben geleid. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte] zichzelf willens en wetens bewapend hebben begeven in voormelde situatie van escalerend geweld. De rechtbank is van oordeel dat aan [verdachte] en [medeverdachte] kan worden verweten dat zij zich hadden kunnen en moeten blijven onttrekken aan de dreigende situatie die op dat moment bestond. Dit oordeel berust op de volgende feiten en omstandigheden.

De hiervoor beschreven confrontatie was niet de eerste keer dat [verdachte] , [medeverdachte] , [getuige 3] en [getuige 2] met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te maken kregen die ochtend. De eerste daad van agressie is daarbij afkomstig geweest van [verdachte] zelf. Hij is het die die ochtend rond 5:00 uur vuurwerk tot ontploffing brengt bij een woonkamerraam van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] waardoor dit raam wordt vernield. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bellen daarop de politie. Al voordat de politie ter plaatse is (rond 5:21 uur gecorrigeerde tijd), is [verdachte] ervan op de hoogte (vanuit zijn bovenraam kan hij alles zien en horen) dat zijn onderburen door het bekijken van de beelden bij [getuige 1] weten dat híj de vuurwerkbom heeft geplaatst.41 De politie onderneemt uiteindelijk, ondanks aandringen van de zijde van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , geen actie in de richting van [verdachte]42. Uit de beelden blijkt dat [slachtoffer 2] zich vervolgens om 6:11 uur voor de eerste keer in de richting van de voordeur begeeft die toegang geeft tot de opgang naar de woning van [verdachte] .

Uit de printgegevens van de telefoons43 van [verdachte] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] blijkt dat [verdachte] tussen 5:20 en 6:11 uur talloze keren telefonisch contact zoekt en gesprekken voert met (de telefoonnummers van) [naam 1] , een vijftal onbekenden en ene [naam 2] . Uit het feit dat daarna vrijwel geen gesprek meer getraceerd is afkomstig van [verdachte] , is gerechtvaardigd om aan te nemen dat [medeverdachte] , [getuige 3] en [getuige 2] al vóór 6:11 uur zijn benaderd om naar [verdachte] te komen. Dit wordt bevestigd doordat [medeverdachte] op de zitting zegt dat hij ongeveer een uur voor zijn aankomst bij [verdachte] (dat was om 6:26 uur44) is gevraagd om te komen (dus omstreeks 5:26 uur: de politie was toen nog ter plaatse). Het eerste moment dat [slachtoffer 2] op de beelden met een mes te zien is, is om 6:11 uur.45 De eerste keer dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met een mes bij de bovendeur van [verdachte] staan, is omstreeks 6:18 uur.46 De reden dat [medeverdachte] , [getuige 3] en [getuige 2] gevraagd werd om te komen, is dus niet gelegen in het feit dat [slachtoffer 2] met messen boven aan de deur verscheen (zoals [verdachte] verklaart47). Zij zijn al gevraagd te komen op het moment dat er nog geen actuele dreiging met messen was.

Het gedrag van met name [slachtoffer 2] gaf er blijk van dat zij woedend was. Ze was verbaal en fysiek agressief en niet voor rede en dreiging vatbaar. De deur beneden die toegang geeft tot de opgang naar de woning van [verdachte] wordt geforceerd en tot drie keer toe vertoont zij zich boven aan de deur bij [verdachte]48. Tegen de deur is door haar geschopt en (met het mes) geslagen. [verdachte] verklaart dat hij de eerste twee keer de deur heeft opengemaakt, [slachtoffer 2] (en één keer [slachtoffer 1] ) met mes(sen) bewapend was en hij haar met moeite buiten de deur kon houden.49 In die bovendeur zijn 3 inkepingen zichtbaar die aansluiten bij de verklaring van [getuige 2] dat [slachtoffer 2] met haar mes in de deur stak.50

Diezelfde gefixeerdheid van [slachtoffer 2] op het verhaal halen bij [verdachte] en afwezigheid van angst bij [slachtoffer 2] blijkt daarna als [verdachte] c.s. weg willen gaan.51 Op de beelden is te zien dat [slachtoffer 2] al pratend naar de buitendeur van [verdachte] toeloopt (zonder dat er al iemand buiten te zien is op de beelden, maar aangenomen kan worden dat de deur dan is geopend). Als ze daar aankomt en er een knuppel door de lucht zwiept rakelings langs haar lichaam52, aarzelt ze geen moment en loopt met een trappende beweging, het mes in haar hand, naar binnen (waarbij [slachtoffer 1] nog lijkt te proberen om haar tegen te houden). Binnen vindt dan een schermutseling plaats waarover [medeverdachte] verklaart dat hij achterover struikelde en [slachtoffer 2] met de knuppel moest slaan om te voorkomen dat ze hem zou steken en [verdachte] zegt dat hij zijn wapen moest tonen om ervoor te zorgen dat [slachtoffer 2] weer door de buitendeur verdween. Waarna de deur wordt gesloten en [verdachte] en [medeverdachte] zich konden onttrekken aan de dreigende situatie die van met name [slachtoffer 2] uitging.

De rechtbank is van oordeel dat verdachten zich vanaf dat moment moesten realiseren dat zij de woning niet konden verlaten zonder dat er grote kans op een gewelddadige confrontatie ontstond. Met name de gemoedstoestand van [slachtoffer 2] had hen ervan moeten weerhouden twee minuten na de confrontatie bij de voordeur de woning (opnieuw) te verlaten. Van hen mocht verwacht worden dat zij in de woning van [verdachte] waren gebleven en de politie hadden gebeld of tenminste hadden gewacht totdat [slachtoffer 2] tot bedaren was gekomen. Uit de beelden en geluidsopname blijkt duidelijk dat de gemoederen nog behoorlijk verhit waren bij met name [slachtoffer 2] . Ze loopt druk heen en weer in de steeg. [slachtoffer 2] heeft dan ook letsel. [slachtoffer 1] belt buiten op straat met de politie om te melden dat [slachtoffer 2] geslagen is en dat ze zijn bedreigd met een vuurwapen. [slachtoffer 2] schreeuwt op een gegeven moment in de telefoon dat ze haar buurman gaat neersteken als de politie nu niet komt.53 Vanuit de woning van [verdachte] kon gevolgd worden wat op straat gebeurde (zie hiervoor).

[verdachte] en [medeverdachte] hebben aangevoerd dat zij op dat moment geen andere mogelijkheid zagen dan de woning te verlaten omdat zij bang waren dat [slachtoffer 2] (en [slachtoffer 1] ) anders de bovendeur zouden forceren en alsnog binnen zouden komen. Deze redenering kan niet worden gevolgd. Niet valt in te zien immers dat het je gezamenlijk in de woning achter een gesloten voordeur terugtrekken risicovoller zou zijn dan op dat moment naar buiten gaan. De rechtbank vindt dat de stelling van [verdachte] en [medeverdachte] dat sprake was van een situatie van grote angst zich ook niet verdraagt met hun gedrag voor en tijdens het verlaten van de woning.

De duidelijkste aanwijzing daarvoor is dat [verdachte] , [medeverdachte] , [getuige 2] en [getuige 3] , nadát [slachtoffer 2] (en [slachtoffer 1] ) al drie keer boven aan de deur bij [verdachte] geweest is, van tijdstip 00:53:38 tot 00:55:27 (1 minuut 49 seconden), bewapend met knuppels ( [medeverdachte] en [getuige 2] ) en een hand in de linkerzak ( [verdachte] ) uitgebreid bij [getuige 1] aan de deur gaan omdat [verdachte] per sé wilde dat de beelden van het vuurwerkincident gewist zouden worden.54 Hoewel de mannen gewapend zijn, maken ze geen heel gestreste indruk. [getuige 3] staat met de handen in de zak aan de straat en hoewel gedurende die gehele tijd (en blijkens de beelden ook nog twee minuten daarna: tot tijdstip 00:57:26) [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] niet aanwezig, althans niet in beeld zijn, maken de mannen geen enkele aanstalten om de steeg te verlaten.

Daarnaast mag in aanmerking worden genomen dat [verdachte] en [medeverdachte] grote kerels zijn. [verdachte] is tien jaar militair geweest en heeft een opleiding in de beveiliging gevolgd. Hij was een goeie schutter en had ervaring in het hanteren van gevaarlijke en risicovolle situaties. [medeverdachte] had Taekwondo als gevechtsport beoefend.

De beschreven feiten en omstandigheden voeden het beeld dat verdachten voorafgaand aan de finale confrontatie niet gedreven werden door angst, maar door de onwil om zich ten opzichte van [slachtoffer 2] (en [slachtoffer 1] ) zodanig op te stellen dat een confrontatie werd voorkomen. Het is derhalve [verdachte] die de woede van [slachtoffer 2] opwekt door een vuurwerkbom bij haar woning af te steken, die vervolgens kennelijk problemen voorziet en drie kompanen laat komen en bewapent, die niets doet om de situatie te de-escaleren, die zelfs nog probeert om bewijsmateriaal te verdonkeremanen en die tenslotte bereid is om, bewapend met een vuurwapen en vrienden met knuppels het dreigende geweld van [slachtoffer 2] (en [slachtoffer 1] ) te weerstaan. Het is [medeverdachte] die [verdachte] daarin vanaf het moment van zijn aankomst actief bijstaat. [medeverdachte] die naar eigen zeggen op dat moment bereid was om iedereen die in zijn buurt kwam, met de knuppel kapot te slaan.55

Deze feiten en omstandigheden dragen het oordeel van de rechtbank dat [verdachte] en [medeverdachte] onverantwoord en welbewust de te verwachten confrontatie met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn aangegaan. Zij hebben daarbij de aanmerkelijke kans op de koop toe genomen dat [verdachte] daarbij gebruik moest maken van zijn vuurwapen. Dit staat het beroep op noodweer in de weg.

De rechtbank wordt in dit oordeel gesterkt door het gedrag van [verdachte] c.s. ná de beschietingen. In plaats van dat zij zich om de slachtoffers bekommeren of in elk geval wachten tot de politie ter plaatse komt, maken zij zich zo snel ze kunnen uit de voeten, waarbij [medeverdachte] [slachtoffer 2] nog een klap met de knuppel nageeft en nog wordt geroepen ‘lekker voor je, kankerkop’.56 Als het de dag(en) erna tot aanhoudingen komt, zijn het vuurwapen, de knuppels en alle telefoons verdwenen. In plaats van dat zij zich als slachtoffers gedragen en hun best doen om aan te tonen dat hen geen blaam treft, doen ze het nodige om ervoor te zorgen dat de precieze toedracht en hun motieven niet kunnen worden achterhaald (met name berichtenverkeer via de telefoon).

Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert dan ook de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van doodslag.

Ten aanzien van feit 2 meer subsidiair:

medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II of III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaar met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzocht om geen hogere straf op te leggen dan een gevangenisstraf voor de duur van tien jaar.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte op 22 april 2018 schuldig gemaakt aan doodslag en een poging zware mishandeling. Oplopend geweld tussen de verdachte en zijn onderburen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben er uiteindelijk toe geleid dat verdachte en zijn mededader [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben neergeschoten. [slachtoffer 1] is hierdoor overleden. Het is bijna onvoorstelbaar dat een burenruzie met de dood moet worden bekocht.

Doodslag is één van de ernstigste misdrijven die onze samenleving kent. Het benemen van een anders leven is een onomkeerbaar misdrijf. Verdachte heeft [slachtoffer 1] zijn kostbaarste bezit, het leven, ontnomen.

Het onverwachte overlijden van [slachtoffer 1] heeft onherstelbaar leed toegebracht aan zijn nabestaanden. Dit is duidelijk naar voren gekomen tijdens de voorgedragen slachtofferverklaringen. [slachtoffer 2] heeft moeten zien dat haar partner werd neergeschoten. Zij is ook zelf gewond geraakt.

Feiten als in deze zaak bewezen leiden ook tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

De verdachte heeft zich daarbij bediend van een vuurwapen. Vuurwapens zijn gevaarlijk en vormen in onbevoegde handen een bedreiging voor een de samenleving. Verdachte is militair geweest en wist veel van vuurwapens. Juist hij had zich extra bewust moeten zijn van de gevaren die aan het bezit en gebruik van een vuurwapen verbonden zijn. Het hebben van een vuurwapen leidt nogal eens tot het ook daadwerkelijk gebruiken daarvan met alle gevolgen van dien. Deze zaak vormt daar een treurige illustratie van. De rechtbank houdt er in de strafmaat ook rekening mee dat het in deze zaak gebruikte vuurwapen niet is teruggevonden. Verdachte is hier debet aan.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging in matigende zin rekening met het feit dat ook de slachtoffers, met name mevrouw [slachtoffer 2] , een behoorlijke bijdrage hebben geleverd aan de geweldsescalatie.

Het vorenstaande doet echter niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van de verdachte en de bijzondere ernst en verwijtbaarheid van zijn gedragingen. Zoals eerder overwogen gelooft de rechtbank niet dat de verdachte en zijn mededader bij het verlaten van de woning werden gedreven door angst maar veeleer door de onwil om zich ten opzichte van de slachtoffers zodanig op te stellen dat een verdere confrontatie zou worden voorkomen, terwijl daartoe wel de mogelijkheid bestond.

De officier van justitie heeft voor beide verdachten dezelfde straf geëist. De rechtbank zal echter aan de verdachte een zwaardere straf opleggen dan aan zijn mededader. Verdachte was immers degene die over het wapen beschikte en het feitelijk heeft gebruikt. Verdachte heeft zelf de ruzie met zijn onderburen veroorzaakt.

Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij in 2014 in Duitsland is veroordeeld voor een drugsdelict. De rechtbank heeft dit bij het bepalen van de strafmaat niet in het voordeel en niet in het nadeel van verdachte laten meewegen.

De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats. Gelet op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en rekening houdend met de feiten en omstandigheden van deze zaak zoals hiervoor benoemd komt de rechtbank echter tot een aanzienlijk lagere straf dan gevorderd door de officier van justitie.

De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar, met aftrek van het voorarrest.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van in totaal € 12.731,85.

De gevorderde materiële schade ad 2.731,85 bestaat uit:

  • -

    reiskosten ad € 823,58,

  • -

    reiskosten hoger beroep ad € 823,58,

  • -

    kosten Expertiserapport Berendsen ad € 750,00 en

  • -

    kosten Eigen risico zorgverzekering Impegno Rotterdam ad € 334,69.

De gevorderde immateriële schade bedraagt € 10.000,00, bestaande uit schokschade.

De benadeelde partij verzoekt daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag. Ter zitting is door de raadsvrouw nog gewag gemaakt van toekomstige medische kosten ter zake eigen risico.

De benadeelde partij heeft ook verzocht de proceskosten te vergoeden, begroot op een bedrag van € 2.520,00.

7.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen, met dien verstande dat alleen de reiskosten in eerste aanleg toewijsbaar zijn. De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de hoogte van de gevorderde immateriële schade.

7.1.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de vordering af te wijzen, gelet op de verzochte vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft subsidiair verzocht het toe te wijzen bedrag te halveren, omdat dit bedrag dermate hoog is dat de verdachte dit onmogelijk kan betalen.

7.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Het ten laste gelegde feit is bewezen verklaard. Het is een strafbaar feit en aan verdachte zal voor dat feit een straf worden opgelegd. De benadeelde partij betreft een nabestaande van [slachtoffer 1] . De schade die zij vordert is gebaseerd op eigen schade geleden als gevolg van het handelen van de verdachte. De basis daarvoor is de schokschade.

Immateriële schade

De benadeelde partij vordert immateriële schade als gevolg van geestelijk letsel veroorzaakt door het overlijden van haar broer ten gevolge van het door verdachte gepleegde strafbare feit. De benadeelde partij stelt daartoe dat er sprake is van zogenoemde schokschade. Vergoeding van schokschade is slechts mogelijk als aan strikte voorwaarden is voldaan. Er moet sprake zijn van geestelijk letsel, in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, dat is ontstaan door het waarnemen van de gebeurtenis waardoor het slachtoffer overlijdt of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan.

Met het rapport van Berendsen en de bewijsstukken van behandeling heeft de benadeelde voldoende onderbouwd dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen in vorenbedoelde zin. Gezien de ernst van de stoornis, de behandelduur en de aard en ernst van de beperkingen in het dagelijks leven als gevolg van de opgelopen PTSS, zoals daarvan blijkt uit de stukken, acht de rechtbank de vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 5.000,-. Voor het overige acht de rechtbank de overgelegde stukken onvoldoende om op dit moment een hoger bedrag toe te wijzen. Nadere bewijsvoering in dezen vormt een onevenredige belasting van het strafgeding. Om die reden zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dit gedeelte van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Reiskosten

De rechtbank is van oordeel dat van reiskosten de kosten om op 14 mei 2019 de inhoudelijke zitting bij te wonen, € 83,98, moeten worden aangemerkt als proceskosten. De rechtbank zal daarom van de gevorderde reiskosten in eerste aanleg een bedrag van € 83,98 niet-ontvankelijk verklaren en toewijzen als proceskosten. De overige reiskosten (€ 739,60) zal de rechtbank toewijzen nu deze niet zijn betwist en zij de rechtbank niet onredelijk voorkomen. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk ten aanzien van de gevorderde reiskosten in hoger beroep, reeds omdat deze kosten op dit moment nog niet gemaakt zijn.

Kosten Expertiserapport Berendsen

Het betreft kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid. De rechtbank acht de kosten redelijk voor de ingebrachte rapportage en gelet op de aard van de aansprakelijkheid ook in redelijkheid gemaakt. De rechtbank zal deze kosten daarom toewijzen.

Kosten Eigen risico zorgverzekering Impegno Rotterdam

Het betreft kosten voor de behandeling van het door het strafbare feit opgelopen geestelijk letsel. De rechtbank acht de kosten Eigen risico zorgverzekering Impegno Rotterdam voldoende onderbouwd en wijst deze kosten toe. Voor zover is beoogd ook toekomstige kosten eigen risico te vorderen verklaart de rechtbank dit deel niet-ontvankelijk.

Toe te wijzen schade en wettelijke rente

De rechtbank zal de schade vaststellen op een bedrag van in totaal € 6.824,29. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 22 april 2018 voor wat betreft de immateriële schade en datum uitspraak voor wat betreft de materiële schade, beiden tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank zal verdachte daarom veroordelen tot betaling van de schade.

De rechtbank zal de vordering zoals weergegeven hoofdelijk toewijzen, nu verdachte de schade samen met zijn mededader heeft veroorzaakt.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de staat een bedrag van € 6.824,29, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 69 dagen, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze als eerder vermeld, te betalen ten behoeve van [benadeelde] .

Proces- en executiekostenveroordeling

De rechtbank zal de verdachte tevens hoofdelijk veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit vonnis door de benadeelde partijen nog te maken kosten.

De benadeelde partij is bij het indienen van de vordering tot schadevergoeding bijgestaan door mr. H. Faouzi van Ske-Advocaten. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hoogte van de vordering (die onder de competentiegrens van de kantonrechter ligt), voor de rechtsgang in eerste aanleg aansluiting moet worden gezocht bij het liquidatietarief kantonzaken. Bij een vordering met een hoofdsom tot en met een bedrag van € 20.000,00 wordt in de regel € 360,00 per punt als salaris toegekend. De benadeelde partij komt in het kader van indiening en behandeling van de civiele vordering één punt voor het indienen van de vordering toe en één punt voor het bijwonen van de inhoudelijke behandeling van de zaak. Op basis van het voorgaande zal een bedrag van € 720,00 aan proceskosten worden toegekend.

Ook zullen de reiskosten ad € 83,98 worden toegewezen. In totaal zal een bedrag van € 803,98 aan proceskosten worden toegewezen.

7.2

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van in totaal € 33.955,76, bestaande uit materiële en immateriële schade.

De gevorderde materiële schade ad 955,76 bestaat uit de posten:

  • -

    reiskosten ad € 82,80,

  • -

    eigen bijdrage zorgverzekering ad € 770,00 en

  • -

    rekening verstrekken medische gegevens ad € 102,96.

De gevorderde immateriële schade bedraagt € 33.000,00, bestaande uit:

  • -

    shockschade (€ 25.000,00),

  • -

    immateriële schade van € 6.000,00 voor het schieten met een vuurwapen (feit 2) en

  • -

    immateriële schade van € 2.000,00 voor het slaan met de knuppel (feit 3 op tenlastelegging verdachte [medeverdachte] ).

De benadeelde partij verzoekt daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag.

De benadeelde partij heeft ook verzocht de proceskosten te vergoeden, zijnde een bedrag van € 1.000,00.

7.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen, met dien verstande dat alleen het eigen risico van 2018 toewijsbaar zijn. Het bedrag aan eigen risico voor 2019 is niet onderbouwd. De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de hoogte van de gevorderde immateriële schade.

7.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de vordering af te wijzen, gelet op de verzochte vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft subsidiair verzocht het toe te wijzen bedrag te halveren, omdat dit bedrag dermate hoog is dat de verdachte dit onmogelijk kan betalen.

7.2.3

Het oordeel van de rechtbank

Het ten laste gelegde feit is bewezen verklaard. Het is een strafbaar feit en aan verdachte zal voor dat feit een straf worden opgelegd. Door dit feit is aan de benadeelde partij rechtstreeks schade toegebracht. De benadeelde is ontvankelijk in haar vordering.

Reiskosten, eigen bijdrage zorgverzekering, rekening verstrekken medische gegevens:

De rechtbank is van oordeel dat deze posten toewijsbaar zijn nu ze niet zijn betwist en de rechtbank niet onredelijk voorkomen.

Immateriële schade

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard ten aanzien van immateriële schade van € 2.000,00 voor het slaan met de knuppel. Dit betreft immers een feit waarvoor de verdachte niet zal worden veroordeeld.

De rechtbank wijst de gevorderde immateriële schade van € 6.000,00 voor het schieten met een vuurwapen (feit 2) toe, nu deze post en de hoogte daarvan niet is betwist en de rechtbank het gevorderde bedrag niet onredelijk voorkomt.

De benadeelde partij vordert daarnaast immateriële schade als gevolg van geestelijk letsel veroorzaakt door het overlijden van [slachtoffer 1] ten gevolge van het door verdachte gepleegde strafbare feit. De benadeelde partij stelt daartoe dat er sprake is van zogenoemde schokschade. Vergoeding van schokschade is slechts mogelijk als aan strikte voorwaarden is voldaan. Er moet sprake zijn van geestelijk letsel, in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, dat is ontstaan door het waarnemen van de gebeurtenis waardoor het slachtoffer overlijdt of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan.

Op grond van de antwoorden die behandelend psycholoog Bischoff in zijn briefrapport van 29 april 2019 heeft gegeven op vragen van de raadsman is voldoende onderbouwd dat [slachtoffer 2] (ook) geestelijk letsel heeft opgelopen in vorenbedoelde zin. De summiere beantwoording van de vragen geeft echter onvoldoende inzicht in de ernst van de stoornis, duur van de noodzakelijke behandeling en de aard en ernst van de beperkingen in het dagelijks leven als gevolg van de opgelopen PTSS. Gelet hierop acht de rechtbank de vordering slechts toewijsbaar tot een bedrag van € 10.000,-. Voor het overige acht de rechtbank de overgelegde medische stukken en de nadere onderbouwing onvoldoende om op dit moment een hoger bedrag toe te wijzen. Nadere bewijsvoering in dezen vormt een onevenredige belasting van het strafgeding. Om die reden zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dit gedeelte van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toe te wijzen schade en wettelijke rente

De rechtbank zal de schade vaststellen op een bedrag van in totaal € 16.955,76. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 22 april 2018 voor wat betreft de immateriële schade en datum uitspraak voor wat betreft de materiële schade, beiden tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank zal verdachte daarom veroordelen tot betaling van de schade.

De rechtbank zal de vordering zoals weergegeven hoofdelijk toewijzen, nu verdachte de schade samen met zijn mededader heeft veroorzaakt.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de staat een bedrag van € 16.955,76, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 119 dagen, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze al eerder vermeld, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 2] .

Proces- en executiekostenveroordeling

De rechtbank zal de verdachte tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit vonnis door de benadeelde partijen nog te maken kosten.

De benadeelde partij is bij het indienen van de vordering tot schadevergoeding bijgestaan door mr. S.T. van Berge Henegouwen. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hoogte van de vordering (die boven de competentiegrens van de kantonrechter ligt), voor de rechtsgang in eerste aanleg aansluiting moet worden gezocht bij het liquidatietarief rechtbanken. Nu het gevorderde bedrag het toewijsbare bedrag niet overstijgt, zal het worden toegewezen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 47, 57, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 2 primair en subsidiair;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor feit 1, feit 2 meer subsidiair en feit 3 tot een gevangenisstraf van 8 jaar;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

  • -

    wijst toe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot een bedrag van € 6.824,29, bestaande uit materiële schade en immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde [benadeelde] voornoemd te betalen € 6.824,29, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 5.000,00, te berekenen vanaf 22 april 2018, en over € 1.824,29, te berekenen vanaf heden, tot aan de dag van algehele voldoening;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] aan de staat te betalen een som geld ten bedrage van € 6.824,29, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 5.000,00 te berekenen vanaf 22 april 2018, en over € 1.824,29, te berekenen vanaf heden, tot aan de dag van algehele voldoening, en dat bij gebreke van betaling of verhaal 69 dagen hechtenis zal worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

- bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag daarmede de verplichting van de verdachte om dit bedrag aan de benadeelde te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door de verdachte aan voornoemde benadeelde is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

  • -

    veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 803,98 en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken en wijst het overige deel van de vordering af;

  • -

    verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering tot vergoeding van schade niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 16.955,76, bestaande uit materiële schade en immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde [slachtoffer 2] voornoemd te betalen € 16.955,76, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 16.000,00, te berekenen vanaf 22 april 2018 en over € 955,76 te berekenen vanaf heden tot aan de dag van algehele voldoening;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] aan de staat te betalen een som geld ten bedrage van € 16.955,76, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 16.000,00 te berekenen vanaf 22 april 2018 en over € 955,76 te berekenen vanaf heden tot aan de dag van algehele voldoening, en dat bij gebreke van betaling of verhaal 119 dagen hechtenis zal worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

- bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag daarmede de verplichting van de verdachte om dit bedrag aan de benadeelde te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door de verdachte aan voornoemde benadeelde is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

  • -

    veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 1.000,00 en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken en wijst het overige deel van de vordering af;

  • -

    verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering tot vergoeding van schade niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Dethmers, voorzitter, mr. J.H.J.M. Mertens-Steeghs en mr. C. Wapenaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A.E. van de Venne, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 mei 2019.

Buiten staat:

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 22 april 2018 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met dat opzet en met die voorbedachte rade, meermalen althans eenmaal, met een vuurwapen een of meer kogel(s) in en/of door het lichaam van die [slachtoffer 1] te schieten, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 22 april 2018 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en met die voorbedachte rade meermalen, althans eenmaal, met een

vuurwapen een kogel in het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 22 april 2018 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een inschot/doorschot in het lichaam, heeft toegebracht door met dat opzet en die voorbedachte rade meermalen, althans

eenmaal, met een vuurwapen een kogel in het lichaam van die [slachtoffer 2] te schieten;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 22 april 2018 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door met dat opzet en met die voorbedachte rade meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen een kogel in het lichaam van die [slachtoffer 2] te schieten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 22 april 2018 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, een wapen van categorie II of III, te weten een vuurwapen en/of munitie van categorie II of III voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het dossier van politie Eenheid Limburg, District Zuid West, Afdeling Recherche, proces-verbaalnummer 2018058988, SummIT: LB3R018085, gesloten d.d. 23 november 2018, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1041.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2019, pagina’s 453 tot en met 455.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 mei 2018, pagina’s 456 tot en met 458.

4 Proces-verbaal d.d. 26 april 2018, pagina’s 545 tot en met 561.

5 Kennisgeving van inbeslagneming, pagina 218.

6 Kennisgeving van inbeslagneming, pagina 217.

7 Proces-verbaal van bevindingen compilatie 112 melding en bewakingsbeelden d.d. 4 juni 2018, pagina’s 563 en 564.

8 Proces-verbaal d.d. 26 april 2018, pagina 545.

9 [getuige 1] is de eigenaar van de camera. [verdachte] verklaart over zijn voorgenomen bezoek aan [getuige 1] dat hij de beelden wilde veiligstellen terwijl [medeverdachte] en [getuige 2] verklaren dat [verdachte] juist wilde zorgen dat opgenomen beelden werden vernietigd.

10 [getuige 2] heeft verklaard dat hij dat knuppeltje van [verdachte] heeft gekregen om zich te kunnen verdedigen.

11 Dit is een andere, grotere knuppel dan [medeverdachte] bij zich had toen hij arriveerde. Zowel [medeverdachte] als [verdachte] verklaren dat deze knuppel in de woning van [verdachte] lag en van [verdachte] was.

12 Uit de printgegevens van de telefoon van [slachtoffer 1] blijkt dat hij op dat tijdstip met buurman [getuige 1] belde.

13 Op de zitting wezen de advocaten erop dat zij dit op hun beelden gezien en gehoord hadden. De beelden op de zitting waren van mindere kwaliteit. De rechtbank heeft het daarna in raadkamer ook waargenomen.

14 Geschrift, inhoudende een Voorlopig Sturingsverslag d.d. 22 april 2018, opgemaakt door dr. A.A. Jacobi-Postma, radioloog MUMC en I.I.H. Haest (LLM), forensisch radiologisch consulente, beiden verbonden aan het Maastricht UMC Unit Forensische Radiologie, pagina’s 604 tot en met 606. Geschrift, inhoudende een Voorlopig Sectierapport d.d. 23 april 2018, opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog, pagina’s 607 tot en met 611.

15 Geschrift met bijlagen, inhoudende een rapport Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood d.d. 28 augustus 2018, opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog en dr. J. Fronczek, arts en patholoog en NFI-deskundige forensische pathologie.

16 Geschrift, inhoudende een Aanvullend bericht inzake NFI 2018.04.20.278, sectienummer 2018-073, betreffende [slachtoffer 1] , geboren 6 januari 1984, d.d. 10 oktober 2018, opgemaakt door door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog en dr. J. Fronczek, arts en patholoog.

17 Geschrift, inhoudende een verslag van het Forensisch Geneeskundig Onderzoek d.d. 26 april 2018, opgemaakt door M. van den Bongard, forensisch geneeskundige, met bijlagen, pagina’s 505 tot en met 517.

18 Geschrift, inhoudende een Geneeskundige Verklaring betreffende [slachtoffer 2] , d.d. 18 juli 2018, pagina 649.

19 Proces-verbaal relaterende forensisch onderzoek PD1, met bijlagen, pagina’s 669 tot en met 745.

20 Kennisgeving van inbeslagneming, pagina’s 894 en 895.

21 Geschrift, inhoudende een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 2 augustus 2018, zaaknummer 2018.04.20.278 (aanvraag 002), opgemaakt door B. Jacobs, NFI-deskundige forensisch Wapen- en Munitieonderzoek, pagina’s 1019 tot en met 1029.

22 Proces‑verbaal van verhoor van getuigen, opgemaakt door mr. L.P. Bosma, rechter‑commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, d.d. 11 april 2019, door de rechter‑commissaris en de griffier ondertekend.

23 Proces-verbaal van bevindingen tijdlijn beelden en telefonie d.d. 18 juni 2018, met bijlage, pagina’s 625 tot en met 629.

24 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 april 2018, pagina 250.

25 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 april 2018, pagina 253.

26 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 april 2018, pagina 261.

27 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 mei 2019, pagina 280.

28 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 31 oktober 2018, pagina 652.

29 ECLI:NL:HR:2014:3474.

30 Proces-verbaal relaterende forensisch onderzoek PD1, met bijlagen, pagina’s 669 tot en met 745.

31 Kennisgeving van inbeslagneming, pagina’s 894 en 895.

32 Geschrift, inhoudende een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 2 augustus 2018, zaaknummer 2018.04.20.278 (aanvraag 002), opgemaakt door B. Jacobs, NFI-deskundige forensisch Wapen- en Munitieonderzoek, pagina’s 1019 tot en met 1029.

33 Hoewel het verweer op noodweer door zowel [verdachte] als door [medeverdachte] afzonderlijk is gedaan en beoordeeld, zal in de bespreking ervan door de rechtbank de argumentatie zodanig worden weergegeven dat deze voor beide verdachten gelijkluidend is.

34 Bandopname 2, vanaf tijdstip 01:02:21.

35 Op tijdstip 01:02:38 is dat te horen. [medeverdachte] verklaart zelf (dossier pagina 652, maar ook op de zitting) dat hij dat gezegd heeft.

36 Op tijdstip 01:02:44.

37 Op tijdstip 01:02:47.

38 Op tijdstip 01:02:48. Op de zitting wezen de advocaten erop dat zij dit op hun beelden gezien en gehoord hadden. De beelden op de zitting waren van mindere kwaliteit. De rechtbank heeft het daarna in raadkamer ook waargenomen.

39 Op tijdstip 01:02:51.

40 Op tijdstip 01:02:32.

41 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , d.d. 23 april 2018, pagina’s 255 tot en met 265 op pagina 258.

42 Proces-verbaal van bevindingen, dossier pagina’s 449 tot en met 452.

43 Dossier op pagina 627.

44 Op de beelden op bandopname 2 is de aankomst van [medeverdachte] te zien vanaf tijdstip beeldopname 00:29:15. Opgeteld bij de (met 1.06 uur) gecorrigeerde begintijd van de bandopname (5:57 uur), was dit 6:26 uur.

45 Tijdstip bandopname 00:14:03, duidelijker op tijdstip 00:15:40 uur, hetgeen opgeteld bij het gecorrigeerde begintijdstip neerkomt op 6:11 uur.

46 Op de beelden is te zien dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] tussen tijdstip 00:21:45 en 00:23:52 (2 minuten en 7 seconden) door de buitendeur naar binnen zijn.

47 Dossier, pagina 259.

48 In de tijdstippen 00:14:03 – 00:15:40 (2 minuut 7 seconden), 00:38:04 – 00:39:20 (1 minuut 16 seconden) en 00:42:06 – 00:42:49 (43 seconden).

49 Verklaring [verdachte] bij de rechter-commissaris en verklaring [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris.

50 Foto deur dossier pagina 714. Verklaring [getuige 2] bij de rechter-commissaris.

51 Vanaf tijdstip 00:58:51.

52 Tijdstip 00:59:39.

53 O.a. proces-verbaal uitluisteren 112 gesprekken, dossier pagina 521.

54 Aldus [medeverdachte] op pagina 439 (inclusief de term: per sé) en [getuige 2] op pagina 413.

55 Aldus [medeverdachte] op pagina 439.

56 Bandopname 2 op tijdstip 01:02:57.