Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:4962

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
C.03 / 256603 / HARK 18-276
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Betreft procesbeslissing waartegen geen wraking mogelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Wrakingskamer

Zittingsplaats Roermond

Datum beslissing: 8 januari 2019

Zaaknummer: C/03/256603 \ HA RK 18-276

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingsverzoeken

ter zake van een schriftelijk gedaan verzoek van:

STICHTING PLATFORM KEELBOS,

gevestigd te 6361 EL Nuth aan de Dorpstraat 16,

hierna: verzoekster,

dat strekt tot wraking van de rechtbank.

1 Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het navolgende:

- het op 29 oktober 2018 ingekomen wrakingsverzoek;

- de op 3 december 2018 ingekomen aanvulling daarop;

- de schriftelijke reactie van de rechter van 26 november 2018;

- de mondelinge behandeling van het verzoek op 12 december 2018.

De wrakingskamer heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 De gronden van het wrakingsverzoek

Gelet op het verhandelde ter zitting verstaat de wrakingskamer het verzoek aldus dat het gericht is tegen de rechter die in de onderliggende bestuursrechtelijke zaak afwijzend heeft beslist op het beroep van verzoekster op betalingsonmacht: mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter in de rechtbank Limburg (hierna ook: de rechter).

Als grond voor het wrakingsverzoek heeft verzoekster aangevoerd dat de rechter verzoekster met de brief van de griffier van 25 oktober 2018 heeft misleid. De griffier heeft aan verzoekster meegedeeld dat haar beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen, nu een rechtspersoon niet van voldoening van het griffierecht kan worden vrijgesteld. Uit voornoemde brief blijkt echter niet dat het een voorlopige procedurele beslissing betreft en dat de behandelend rechter in de beroepsprocedure definitief ten aanzien van het beroep op betalingsonmacht zal beslissen. Verzoekster beroept zich op een in haar ogen vergelijkbaar geval (bij een andere rechtbank) waarin de omstandigheden aanleiding hebben gegeven om te worden vrijgesteld van betaling van het griffierecht.

Verzoekster heeft – bij monde van haar voorzitter de heer [naam voorzittter verzoekster] – het verzoek ter zitting van 12 december 2018 nader toegelicht.

3 Het standpunt van de rechter

De rechter heeft de wrakingskamer laten weten dat zij niet in de wraking berust en dat zij niet op het wrakingsverzoek wenst te worden gehoord. In haar schriftelijke reactie van 26 november 2018 heeft de rechter aangegeven dat verzoekster het niet eens is met de afwijzende beslissing om vanwege betalingsonmacht te worden vrijgesteld van betaling van griffierechten. Het rechtsgevolg dat aan het niet betalen van het griffierecht is verbonden, is dat het beroep niet ontvankelijk wordt verklaard. Het betreft hier echter een voorlopige beslissing, nu de rechter die het beroep behandelt definitief op het verzoek tot vrijstelling zal beslissen. Dit is een landelijke werkwijze.

4 De beoordeling

De wrakingskamer beoordeelt of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een procespartij daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een rechter, dat door een verzoeker de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een bij een verzoeker bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt, waarbij ook de schijn van partijdigheid van belang is.

In haar verzoek heeft verzoekster geen feiten of omstandigheden gesteld, waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is van subjectieve partijdigheid. De wrakingskamer zal dan ook enkel beoordelen of er sprake geweest zou kunnen zijn van objectieve partijdigheid.

De wrakingskamer stelt vast dat voor zover er al concrete gronden tegen de rechter zijn aangevoerd, deze zien op een door haar genomen beslissing. Een beslissing vormt in beginsel geen grond voor wraking, ook niet als die beslissing verzoekster onwelgevallig is. Dat kan anders zijn indien voor die beslissing geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven en een dergelijke beslissing of de motivering daarvan een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Ook daarvan is naar het oordeel van de wrakingskamer geen sprake en zij overweegt daartoe als volgt. Blijkens de aan verzoekster geadresseerde brief van de griffier van 25 oktober 2018 heeft de rechter het beroep van verzoekster op betalingsonmacht niet gehonoreerd omdat verzoekster, gelet op de door haar verstrekte gegevens en de bijgevoegde inkomensverklaring van de Raad voor de Rechtsbijstand, niet aan de daarvoor geldende criteria voldoet. Uit de schriftelijke reactie van de rechter naar aanleiding van het onderhavige wrakingsverzoek komt verder naar voren het hier om een voorlopige procedurele beslissing gaat, die overeenkomstig een uniforme landelijke werkwijze door de griffier per brief aan verzoekster wordt medegedeeld. De rechter die te zijner tijd het beroep behandelt en uitspraak doet, beslist definitief of het beroep van verzoekster op betalingsonmacht, gerechtvaardigd is. Weliswaar is de motivering van de beslissing van de rechter het beroep op betalingsonmacht van verzoekster niet te honoreren summier, maar, mede in het licht van het voorgaande niet zo summier en/of onnavolgbaar dat die beslissing niet anders kan zijn ingegeven dan door een bepaalde mate van vooringenomenheid jegens verzoekster. Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die anderszins een aanwijzing opleveren voor het aannemen van vooringenomenheid van de rechter, laat staan een zwaarwegende aanwijzing, zal het verzoek tot wraking worden afgewezen.

5 De beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking van mr. N.J.J. Derks-Vonken af.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.B.T.G. Steeghs, voorzitter, mr. R.M.M. Kleijkers en

mr. F.L.G. Geisel, leden, bijgestaan door P.J.C. Hendriks als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2019.

Tegen de beslissing van de wrakingskamer staat geen rechtsmiddel open.