Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:4949

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
27-05-2019
Zaaknummer
C.03 / 261947 / HARK 19-62
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Wrakingskamer

Datum beslissing: 21 mei 2019

Zaaknummer: C 03/261947 / HA RK 19-62

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken

in de zaak van:

1 [verzoeker sub 1] , wonend te [woonplaats verzoeker sub 1] ,

2. [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats verzoeker sub 2] ,

tevens als lasthebster van [A.] en [B.],

hierna gezamenlijk aan te duiden als verzoekers,

gemachtigde: mr. J.A.A. van der Weijst,

indieners van een verzoek dat strekt tot wraking van:

mr. A.H.M.J.F. Piëtte, rechter in de rechtbank Limburg (hierna ook te noemen: de rechter).

1 Het procesverloop

1.1.

Verzoekers hebben op 20 maart 2019 een schriftelijk verzoek tot wraking ingediend van de rechter in zijn hoedanigheid van kantonrechter in het geding tussen verzoekers en [wederpartijen] .

1.2.

De rechter heeft de wrakingskamer bericht dat hij niet in het verzoek tot wraking berust. Hij heeft schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd en hij heeft voorts aangegeven niet ter zitting van de wrakingskamer te kunnen verschijnen.

1.3.

Bij brief van 27 maart 2019 hebben verzoekers het verzoek toegelicht.

1.4.

Het wrakingsverzoek is behandeld ter zitting van 7 mei 2019, waar verzoekers [verzoeker sub 1] en [A.] zijn verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van verzoekers.

Voorts hebben [wederpartij sub 1] en mr. B van Meurs de zitting bijgewoond.

2 De gronden van het wrakingsverzoek

2.1.

Het wrakingsverzoek is, zakelijk weergegeven, gebaseerd op het volgende.

Verzoekers hebben op zondagavond 17 maart 2019 per e-mail een akte houdende overlegging producties en een eisvermeerdering voor de geplande mondelinge behandeling op 25 maart 2019 bij de rechtbank Limburg ingediend. De tegenpartij van verzoekers heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De griffier heeft (namens de rechter) bij brief van 20 maart 2019 aan verzoekers en hun tegenpartij laten weten – zakelijk weergegeven – dat de eisvermeerdering van verzoekers buiten beschouwing gelaten wordt, dat de producties en akte van verzoekers retour gezonden worden, dat een schriftelijke ronde de voorkeur geniet en daarmee de geplande mondelinge behandeling op 25 maart 2019 geannuleerd zal worden. Verzoekers hebben vervolgens eveneens op 20 maart 2019 aan de rechter laten weten dat indien de akte geretourneerd wordt en de geplande zitting niet doorgaat, hij gewraakt zal worden en dat in dat geval de brief van verzoekers als een wrakingsverzoek dient te worden opgevat. Verzoekers voeren ter onderbouwing van het wrakingsverzoek aan dat het bezwaar van de tegenpartij tegen de indiening van de akte met producties zonder wederhoor van verzoekers is gehonoreerd, dat in strijd met de wet de eisvermeerdering buiten beschouwing wordt gelaten en dat ten onrechte de reeds geplande mondeling behandeling geen doorgang zal vinden. Het voorgaande maakt dat de rechter onvoldoende onpartijdig is.

2.2.

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.

3.2.

Verder geldt als uitgangspunt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen-) beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich evenzeer ertegen dat de motivering van een (tussen)beslissing grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen-) beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (zie het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).

3.3.

In dit geval is het wrakingsverzoek, zoals bevestigd bij de mondelinge behandeling, in de kern gebaseerd op 1) de beslissing van de rechter om de eisvermeerdering buiten beschouwing te laten, 2) de beslissing van de rechter om de reeds geplande mondelinge behandeling alsnog niet te laten plaatsvinden en de zaak eerst schriftelijk voor te zetten en 3) de beslissing van de rechter om het verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling door de tegenpartij zonder wederhoor te honoreren. Bezien in het licht van de door de Hoge Raad aangelegde maatstaf (zoals opgenomen onder rechtsoverweging 3.2.) is er naar het oordeel van de wrakingskamer met betrekking tot al deze beslissingen geen sprake van de door de Hoge Raad geformuleerde uitzonderingsituatie waarin een beslissing niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter. De aan de rechter toe te schrijven bewoordingen in de brief van 20 maart 2019 duiden naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook niet op enige vorm van vooringenomenheid.

3.4.

Alles overwegend is de wrakingskamer van oordeel dat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die zouden moeten leiden tot de conclusie dat er gronden zijn voor het aannemen van objectiveerbare partijdigheid of een objectiveerbare schijn van partijdigheid bij de rechter.

3.5.

Het verzoek wordt daarom afgewezen.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

wijst het verzoek tot wraking van mr. A.H.M.J.F. Piëtte af.

Deze beslissing is gegeven door mr. R.M.M. Kleijkers, voorzitter, mr. M.J.M Goessen en mr. M.A. Teeuwissen, leden, bijgestaan door mr. F.A.E. van de Venne en mr. N. Ouarani als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2019.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.