Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:4708

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-05-2019
Datum publicatie
21-05-2019
Zaaknummer
C.03 / 263088 / HARK 19-87
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Dagbepaling, processuele beslissing, niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Wrakingskamer

Datum beslissing: 14 mei 2019

Zaaknummer: C/03/263088 / HA RK 19-87

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingsverzoeken

op het verzoek van:

Euregio Recycling B.V.,

gevestigd te Born, Halve Maanweg 4,

hierna: verzoekster,

dat strekt tot wraking van:

mr. J.M.P. Drijkoningen, kantonrechter in de rechtbank Limburg (hierna ook: de rechter).

1 Het procesverloop

1.1.

Verzoekster is in een civiele procedure betrokken door [eiseres in kort geding] . [eiseres in kort geding] heeft verzoekster gedagvaard in kort geding. De rechtbank heeft de behandeling van dat kort geding bepaald op 24 april 2019, aansluitend aan de behandeling van een verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor tussen dezelfde partijen.

1.2.

Op 16 april 2019 heeft verzoekster haar verzoek tot wraking van de behandelend rechter, mr. Drijkoningen, schriftelijk ingediend. De civiele procedure is vervolgens geschorst, in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer.

1.3.

De rechter heeft de wrakingskamer laten weten niet in het verzoek tot wraking te berusten.

1.4.

Het wrakingsverzoek is behandeld ter zitting van 7 mei 2019, waar voor verzoekster mr. C.M. Swagers is verschenen. De rechter is eveneens verschenen. Mr. M.M. van Tol, gemachtigde van [eiseres in kort geding] , is ook verschenen.

1.5.

De wrakingskamer heeft de datum van de uitspraak bepaald op heden.

2 De gronden van het wrakingsverzoek

Als gronden voor het wrakingsverzoek heeft verzoekster aangevoerd dat zij aanvankelijk door [eiseres in kort geding] niet in kennis is gesteld van de (concept)dagvaarding en dat haar ten onrechte niet is gevraagd om verhinderdata. De behandeling van het kort geding is aanvankelijk gepland op

7 mei ondanks dat verzoekster voor die datum een verhindering had gemeld en ook andere verhinderdata had opgegeven. Verzoekster heeft dit op 12 april 2019 bij faxbericht van 12:53 uur aan de griffie gemeld. Vervolgens is er bij de nieuwe dagbepaling voor 24 april 2019 om 14:45 uur, geen rekening gehouden met de opgave dat die dag op dat tijdstip aan de zijde van verzoekster óók een verhinderdatum was. Die dagbepaling heeft bovendien pas plaatsgevonden op 16 april om 14:02 uur, met als gevolg dat verzoekster ook nog eens te weinig tijd resteerde om de behandeling van het kort geding voor te bereiden. Verzoekster heeft onder verwijzing naar de opgave van 24 april als verhinderdatum verzocht om een andere dagbepaling, hetgeen met enkele verwijzing naar de praktische reden voor deze dagbepaling is geweigerd. Verzoekster heeft aangevoerd dat daarbij ten onrechte aan de uitdrukkelijke wens van [eiseres in kort geding] om de behandeling zo snel mogelijk te doen plaatsvinden gevolg is gegeven, daarbij handelend in strijd met de belangen van verzoekster. Verzoekster is van mening dat de beslissing om de dagbepaling vast te stellen en te handhaven op 24 april zodanig onbegrijpelijk is dat de schijn gewekt wordt dat zij door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven, waardoor bij verzoekster twijfel aan de onpartijdigheid bestaat die door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.

Ter zitting heeft verzoekster melding gemaakt van intrekking door [eiseres in kort geding] van de dagvaarding in kort geding waarin zij onderhavig verzoek tot wraking van de rechter heeft ingediend en van een nieuwe dagvaarding door [eiseres in kort geding] waarvan de behandeling inmiddels is gepland op 6 juni 2019.

3 Het standpunt van de rechter

De rechter heeft ter zitting erop gewezen dat de discussie tussen partijen over de opgave van verhinderdata en van het zo spoedig mogelijk op de hoogte brengen van de concept dagvaarding, een discussie is tussen partijen die de rechtbank bij de dagbepaling voor het kort geding niet regardeert. Verder heeft hij als behandelend rechter uiteraard eindverantwoordelijkheid voor de dagbepaling, maar deze beslissingen worden voorbereid op griffie- dan wel secretarisniveau. Omdat aanvankelijk de behandeling was gepland op 7 mei en van de zijde van verzoekster daarvoor een verhindering gold, is er vanuit praktische overwegingen aansluiting gezocht bij de reeds geplande datum voor een andere zaak tussen dezelfde partijen, te weten een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor op 24 april. Tegen die achtergrond is aan de rechter door de behandelend secretaris gevraagd of hij die dag eveneens het kort geding wilde behandelen, met welk verzoek hij heeft ingestemd zonder kennis te hebben genomen van de stukken. Dit is de vaste werkwijze. De rechter heeft verder verklaard dat hij pas achteraf, naar aanleiding van het verzoek tot wraking, heeft gezien dat verzoekster had aangegeven verhinderd te zijn op 24 april. De rechter heeft verder geconcludeerd dat de behandelend secretaris er daarbij vanuit is gegaan dat die verhindering de behandeling van het verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor betrof, welke verhindering dan in zijn visie aan de behandeling van het kort geding aansluitend aan die zaak niet in de weg hoefde te staan. De rechter heeft verklaard aan verzoekster te moeten nageven dat alvorens over te gaan tot het plannen van het kort geding op 24 april, de griffie met verzoekster contact had moeten opnemen met de vraag of de combinatie van beide zaken op één en hetzelfde dagdeel op problemen zou stuiten. Dat is niet gebeurd en de rechter acht het begrijpelijk dat verzoekster zich hierdoor overvallen voelde. De rechter is echter van mening dat deze op zichzelf praktische dagbepaling niet zo onbegrijpelijk is dat daaruit in objectieve zin vrees voor vooringenomenheid zijnerzijds is af te leiden. Die vooringenomenheid is er ook niet.

4 De beoordeling

4.1.

Allereerst ziet de wrakingskamer zich geplaatst voor beantwoording van de vraag of het verzoek tot wraking nog behandeling en beoordeling behoeft nu ter zitting naar voren is gebracht dat de gemachtigde van [eiseres in kort geding] de vordering in kort geding heeft ingetrokken en een nieuwe dagvaarding heeft uitgebracht waarvoor de behandeling is gepland op 6 juni 2019. De wrakingskamer is van oordeel dat het kort geding waarvan de behandeling was gepland op 24 april 2019 door het verzoek tot wraking van de behandelend rechter is geschorst en dat in die procedure op die grond bemoeiingen door de rechter, anders dan beslissingen die geen uitstel gedogen of door een andere rechter kunnen worden verricht, zijn uitgesloten. Dat betekent dat het aan de rechter is om op het verzoek tot intrekking van de dagvaarding (nog) te beslissen en dat dit naar het oordeel van de wrakingskamer geen beslissing is die niet kan worden uitgesteld. Nu op het verzoek tot intrekking van de dagvaarding nog niet is beslist (door de rechter) is er sprake van een lopende zaak en is de rechter nog steeds behandelend rechter in die – geschorste – procedure. Een beslissing op de intrekking van de dagvaarding door de rechter, of een vervanger, komt eerst aan de orde nadat de wrakingskamer heeft geoordeeld over onderhavig verzoek tot wraking. In deze omstandigheden is er voor de wrakingskamer geen grond het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk te verklaren.

4.2.

Wraking is het middel dat partijen ten dienste staat om het hun – onder meer ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden – toekomende recht op een onpartijdige rechter af te dwingen.

4.3.

Van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, kan in de eerste plaats sprake zijn in verband met gedrag en de persoonlijke instelling van de rechter (de partijdigheid in subjectieve zin). Dit is door verzoekster niet gesteld.

4.4.

Daarnaast is wraking mogelijk als controleerbare feiten en omstandigheden, los van de persoonlijke instelling en het gedrag van de rechter, een partij grond geven te vrezen dat de rechter niet onpartijdig is (de partijdigheid in objectieve zin).

4.5.

Uitgangspunt is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dit vermoeden kan uitzondering lijden als zich omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert. In dit verband zijn de schijn van (on)partijdigheid en de overtuiging van verzoeker relevant, maar is doorslaggevend of de bij verzoeker gerezen twijfel aan de onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is

4.6.

De dagbepaling voor behandeling van het kort geding is een processuele beslissing, die op zich zelf geen feit of omstandigheid oplevert waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit is alleen dan anders, indien (de motivering van) een dergelijke beslissing een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de bij een partij bestaande vrees voor vooringenomenheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is.

4.7.

Een zwaarwegende aanwijzing als hiervoor bedoeld acht de wrakingskamer niet aanwezig, althans niet gelegen in het niet verifiëren van de opgegeven verhindering voor 24 april. Voor deze administratieve beslissing om de behandeling vast te stellen op 24 april is de behandelend rechter verantwoordelijk, welke verantwoordelijkheid door de rechter ook is erkend, maar dit betekent niet zonder meer dat wanneer dit niet goed is gegaan hierin aanleiding kan worden gezien voor (vrees voor) vooringenomenheid van de rechter. De rechter heeft op voordracht van de behandelend secretaris beslist en is daarbij uitgegaan van de gebruikelijke werkwijze waarbij in het belang van partijen bij dagbepaling voor een kort geding indien mogelijk wordt aangesloten bij een datum waarop voor de betrokken partijen al een andere zitting is gepland. De rechter heeft bij het instemmen met de voorgestelde datum geen wetenschap gehad van zelfstandige gronden van verhindering voor de voorgestelde datum. Hij kon daarvan ook geen kennis hebben want pas in het verzoek tot wraking heeft verzoekster te kennen gegeven dat die verhindering was gelegen in privé-omstandigheden van verzoeksters vertegenwoordiger. Deze miscommunicatie die door vooroverleg had kunnen worden voorkomen, raakt de onpartijdigheid van de rechter echter niet.

4.8.

Verzoekster heeft als reactie op de gang van zaken nog aangevoerd dat door het pas op 16 april vaststellen van de behandeling van het kort geding op 24 april haar slechts zes dagen ter beschikking stonden voor de voorbereiding daarvan, inbegrepen het paasweekend. Voor zover dit door verzoekster is bedoeld als een zelfstandig argument op grond waarvan vooringenomenheid bij de rechter moet worden aangenomen is de wrakingskamer van oordeel dat dit voor een kort geding vanwege het spoedeisend karakter van die procedure een geenszins ongebruikelijke procesbeslissing is. Bovendien wordt verzoekster geacht reeds op 10 april kennis te hebben kunnen nemen van de concept-dagvaarding en heeft zij zelf aan de griffie bij voormeld e-mailbericht van vrijdag 12 april 12:53 uur te kennen gegeven dat zij haar verhinderdata en die van [eiseres in kort geding] pas op maandag 15 april bij de griffie kenbaar zou maken.

4.9.

De wrakingskamer is, alles overziend, van oordeel dat er geen sprake is van feiten of omstandigheden die een aanwijzing opleveren voor het aannemen van vooringenomenheid van de rechter, laat staan een zwaarwegende aanwijzing.

4.10.

Het verzoek is dan ook ongegrond en wordt daarom afgewezen.

5 De beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank wijst het verzoek tot wraking van mr. J.M.P. Drijkoningen af.

Deze beslissing is gegeven door mr. V.P. van Deventer, voorzitter, en mr. W.E. Elzinga en mr. A.K. Kleine, leden, bijgestaan door J.N Buddeke als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2019.

griffier voorzitter

Tegen de beslissing van de wrakingskamer staat geen rechtsmiddel open.