Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:4227

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
07-05-2019
Zaaknummer
03/090283-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval Wijnandsrade. Verdachte heeft als beginnend chauffeur met zijn auto een voetganger aangereden, waardoor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. Verdachte had te veel gedronken, reed te had en had onvoldoende zicht op de weg. Artikel 6 van de Wegenverkeerswet. Taakstraf voor de duur van 240 uren. Voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van motorrijtuigen voor de duur van 18 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/090283-18

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 mei 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

wonende te [adresgegevens verdachte] ,

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.J.H.M. de Crom, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 april 2019. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Het slachtoffer [slachtoffer] is ter terechtzitting verschenen en heeft gebruik gemaakt van zijn spreekrecht.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 12 november 2017 te Wijnandsrade met zijn auto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, dan wel dat de verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde bewezen is. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte als bestuurder van een personenauto geen voorrang heeft verleend aan [slachtoffer] op het moment dat deze de voetgangersoversteekplaats overstak. [slachtoffer] heeft ten gevolge van het ongeluk zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Ter beoordeling van de vraag of er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, heeft de officier van justitie gewezen op drie van belang zijnde factoren. Allereerst volgt uit de resultaten van de ademanalyse dat de verdachte, als beginnend bestuurder, meer alcoholhoudende drank heeft gedronken dan is toegestaan voor het besturen van een voertuig. Ten tweede heeft de verdachte met een hogere snelheid gereden dan de daar geldende maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. Ten derde is de verdachte blijven rijden terwijl hij onvoldoende overzicht over de weg had. De verdachte heeft verklaard dat zijn voorruit besloeg tijdens het rijden en dat zijn zicht steeds minder werd. Alles overziend is de officier van justitie van mening dat het verkeersgedrag van de verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend was en dat levert schuld op in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het primair tenlastegelegde.

De omstandigheden in deze zaak leveren volgens haar geen schuld op in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. De verdachte heeft toen hij over de Panhuijsstraat reed het slachtoffer [slachtoffer] niet gezien. Het was op dat moment donker en grauw weer. Daarnaast werd het zicht van de verdachte belemmerd door het beslaan van de voorruit. Hij had er daarvoor echter alles aan gedaan om deze weer vrij te maken. Verder was er bij de verdachte slechts sprake van een lichte overschrijding van het toegestane alcoholgehalte voor een bestuurder van een voertuig. Onduidelijk is of deze overschrijding ook heeft bijgedragen aan het verkeersongeluk. Verder heeft de verdachte de daar geldende maximumsnelheid maar licht overschreden. De verdachte heeft verklaard tussen de 35 en 40 kilometer per uur te hebben gereden. Het is daar bovendien, gelet op de verkeerssituatie, onmogelijk om harder te rijden dan 40 kilometer per uur, aldus de raadsvrouw. Alle voornoemde omstandigheden leveren volgens de raadsvrouw geen verwijtbare onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid op. De raadsvrouw refereert zich ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Op 12 november 2017 omstreeks 18.39 uur reed de verdachte als bestuurder van een personenauto over de rijbaan van de Swierderkerkweg te Wijnandsrade in de gemeente Nuth, komend uit de richting van Swier en gaande in de richting van de Panhuijsstraat. Bij de splitsing van de Swierderkerkweg en de Panhuijsstraat, sloeg de verdachte rechtsaf de Panhuijsstraat in. Op dat moment liep een voetganger, [slachtoffer] , op de daar gelegen voetgangersoversteekplaats. De verdachte reed met zijn auto [slachtoffer] aan op de voetgangersoversteekplaats. [slachtoffer] viel op de motorkap van de auto, waarbij zijn hoofd in contact kwam met de voorruit en (zeer waarschijnlijk) zijn linkerarm met de dakrand. Door de voorwaartse snelheid van de auto werd [slachtoffer] meegenomen en viel hij aan de linkerzijde van de auto af.2

Verbalisant [verbalisant] heeft om 20.02 uur een ademanalyse afgenomen bij de verdachte. Daaruit bleek het alcoholgehalte van verdachte 305 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht te zijn.3 De verdachte was op dat moment een beginnend bestuurder.4 Dit betekent dat de verdachte, volgens artikel 8 derde lid sub a van de Wegenverkeersweg 1994, geen motorrijtuig mocht besturen omdat het alcoholgehalte van zijn adem hoger was dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.

[slachtoffer] heeft aangifte gedaan en heeft bij de politie verklaard dat hij op

12 november 2017 samen met zijn vrouw de kerk af zou gaan sluiten aan de overzijde van de straat. Zijn vrouw liep voorop en stak de weg al over. [slachtoffer] volgde haar. Voordat hij de voetgangersoversteekplaats overstak, keek hij naar links om te zien of er verkeer aankwam. Hij zag dat er niets aankwam en stak over. Na een paar passen hoorde en zag hij een auto uit de bocht van de Swierderkerkweg in zijn richting rijden. Hij zag dat de auto hem snel naderde. Hij maakte met zijn hand een waarschuwend stopteken in de richting van de bestuurder van de auto, maar deze gaf echter meer gas. Hij kon niet meer wegkomen en is vervolgens aan de linkerzijde van zijn lichaam aangereden door de auto.5 [slachtoffer] heeft door het ongeluk letsel opgelopen, te weten: een gebroken plateau van de linker knie, 5 tot 9 deels of geheel gebroken ribben, een viervoudige en complexe breuk aan de linkerschouder, een gebroken hand in het pinkgebied, een gespleten lip, een gebroken tand en een scheefstaande tand, zwellingen aan het verhemelte, een snee in de neus, een verwonding aan het achterhoofd en een gekneusde rechter knie. Ook heeft hij psychisch letsel opgelopen. Hij is twee keer geopereerd aan zijn arm en schouder. Zijn schouder is daarbij vastgezet met een plaat en negen schroeven. Als de schouder niet al zijn functies terugkrijgt, zal hij nogmaals geopereerd moeten worden voor het plaatsen van een schouderprothese. Verder zijn meerdere verwondingen gehecht en heeft hij gips gekregen voor zijn linker knie en linker hand. [slachtoffer] heeft lange tijd pijnstillers gebruikt en heeft meer dan een jaar moeten revalideren.6

In het proces-verbaal van de afdeling VerkeersOngevallenAnalyse van de politie (hierna te noemen: VOA) is vermeld dat de Panhuijsstraat is gelegen binnen de bebouwde kom van Wijnandsrade en dat daar een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt. Vanaf de Swierderkerweg tot ruim voorbij de plaats van de aanrijding is het wegverloop van de Panhuijsstraat een bocht naar links. Op een afstand van ongeveer 30 meter vanaf de Swierderkerkweg ligt een voetgangersoversteekplaats. Deze is aangeduid met een bord. Kort voorbij de voetgangersoversteekplaats staat een lichtmast die ten tijde van het onderzoek in werking was.

Volgens het proces-verbaal VOA zijn er geen omstandigheden gebleken die van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan van het ongeval, zoals technische gebreken aan het betrokken voertuig, gebreken aan het wegdek of de weersomstandigheden.7

In het proces-verbaal VOA is verder aan de hand van de sporen op de weg en de sporen en schade aan het voertuig, die herleid konden worden tot de aanrijding, geconcludeerd dat het voertuig met de voorzijde links tegen de voetganger is gebotst en dat dit heeft plaatsgevonden op de voetgangersoversteekplaats. Voorts is, door middel van een snelheidsberekening, vastgesteld dat de bestuurder van het voertuig met een snelheid gelegen tussen ongeveer 43 en 72 kilometer per uur moet hebben gereden. Daarbij wordt opgemerkt dat een gemiddelde snelheid van 72 kilometer per uur niet aannemelijk is, gezien de daarvoor liggende bocht van de Swierderkerkweg naar de Panhuijsstraat en het wegverloop.8

In het proces-verbaal van VOA is daarnaast geconcludeerd dat de aanrijding voorkomen had kunnen worden indien de bestuurder van het voertuig de overstekende voetganger tijdig had waargenomen. In dat geval had hij óf zijn snelheid kunnen minderen, zodat de voetganger de laatste meter op de voetgangersoversteek had kunnen afleggen om de rijbaan helemaal vrij te maken, óf naar rechts kunnen uitwijken, waar nog ongeveer 1,24 meter aan ruimte was tussen de rechter flank van het voertuig en de trottoirrand.9

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 12 november 2017 met zijn auto onderweg naar huis was vanaf het terrein van de voetbalvereniging toen hij op de Panhuijsstraat het slachtoffer [slachtoffer] heeft aangereden. Hij heeft het slachtoffer niet zien oversteken. Hij merkte pas bij de botsing dat hij iemand had aangereden. Zijn zicht was belemmerd doordat zijn voorruit was beslagen. Dit gebeurde direct bij het wegrijden. Het beslaan begon aan de zijkanten en trok naar het midden toe. Voor de aanrijding had hij nog een klein stukje zicht in het midden. De verdachte heeft verder verklaard dat hij voor de bocht naar de Panhuijsstraat zijn snelheid heeft gematigd, in de bocht naar de tweede en na de bocht naar de derde versnelling is geschakeld. Hij heeft toen tussen de 35 en 40 kilometer per uur te gereden en heeft pas na de aanrijding geremd. Hij is bekend met de verkeersituatie ter plaatse omdat hij in de buurt woont. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij over de dag verspreid vier tot vijf glazen bier heeft gedronken en wist dat hij eigenlijk niet mocht gaan rijden.10

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of het rijgedrag van de verdachte zodanig is geweest dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Hiervoor is vereist dat de verdachte zich ten minste in aanmerkelijke mate verwijtbaar onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen. Er moet met andere woorden sprake zijn van een grove of aanmerkelijke schuld. Daarvoor moet gekeken worden naar het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en naar de overige omstandigheden van het geval. Niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder deze is begaan (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822). Ook geldt dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte een verkeersdeelnemer aan wie hij voorrang had moeten verlenen, niet heeft gezien, hoewel deze voor de verdachte wel waarneembaar moet zijn geweest en hij zijn rijgedrag daarop moet hebben kunnen afstemmen, niet kan volgen dat sprake is van aanmerkelijke schuld (HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0544 en HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9800). Een enkel moment van onoplettendheid is in het algemeen niet voldoende voor het aannemen van aanmerkelijke schuld. Gelet hierop kan het niet verlenen van voorrang pas als aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend worden aangemerkt wanneer daaraan gedrag ten grondslag ligt dat gegeven de omstandigheden van het geval niet voldoet aan de eisen die aan verkeersdeelnemers in het algemeen mogen worden gesteld. Dit gedrag bestaat dan niet alleen uit de verkeersovertreding van het niet verlenen van voorrang zelf, maar ook uit gedrag dat aan die verkeersovertreding vooraf gaat of daarmee samenvalt, bijvoorbeeld het er niet alles aan doen om de voorrangsgerechtigde waar te nemen, niet kijken dus. Tot slot is van belang dat niet al uit de ernst van de gevolgen, in dit geval het zwaar lichamelijke letsel van het slachtoffer, kan worden afgeleid dat sprake is van aanmerkelijke schuld (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822).

Op grond van de bevindingen in het proces-verbaal VOA, de resultaten van de ademanalyse en de verklaring van de verdachte, beschouwt de rechtbank als vaststaand dat de verdachte op het moment dat hij met zijn auto over de Panhuijsstraat reed geen voorrang heeft verleend aan [slachtoffer] op de voetgangersoversteekplaats, terwijl die verplichting daar wel gold en bovendien benadrukt was door middel van een bord. Ten gevolge daarvan heeft de verdachte [slachtoffer] aangereden waardoor deze zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Vast staat verder dat de verdachte tijdens het besturen van de auto onder invloed was van alcoholhoudende drank. Het alcoholgehalte van zijn adem was ruim drie keer het toegestane gehalte, namelijk 305 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht terwijl de verdachte, als beginnend bestuurder, maximaal 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht mag hebben. Ook staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de verdachte op de Panhuijsstraat met een hogere snelheid heeft gereden dan ter plaatse maximaal is toegestaan. Volgens het proces-verbaal VOA heeft hij tussen de 43 en 72 kilometer per uur gereden. Hoewel de exacte snelheid niet bekend is geworden, kan worden vastgesteld dat verdachte in ieder geval harder heeft gereden dan de 30 kilometer per uur die daar is toegestaan. Verder heeft de verdachte verklaard dat zijn voorruit was beslagen, waardoor hij slechts door een klein stukje van zijn voorruit kon kijken. Daarnaast staat vast dat de verdachte bekend is met de verkeerssituatie ter plaatse. Hij heeft echter met het zicht dat hij op dat moment had en wetende dat er op 30 meter na de bocht naar de Panhuijsstraat een voetgangersoversteekplaats ligt, geen voorzorgsmaatregelen genomen om zich ervan te verzekeren dat er geen sprake was andere verkeersdeelnemers aan wie hij voorrang moest verlenen. In dit verband overweegt de rechtbank dat blijkens het rapport van VOA van een technisch gebrek aan het voertuig of van atmosferische storingen, welke van invloed geweest zouden kunnen zijn op het ontstaan van, of het verloop of de afloop van het ongeval, niet is gebleken.

Concluderend stelt de rechtbank vast dat de verdachte niet alleen geen voorrang heeft verleend, maar dat aan die verkeersovertreding tevens gedrag ten grondslag heeft gelegen dat gegeven de omstandigheden van het geval niet voldoet aan de eisen die aan verkeersdeelnemers in het algemeen mogen worden gesteld. De verdachte heeft immers met te veel alcohol op het voertuig bestuurd, terwijl hem bekend was dat dit de rijvaardigheid nadelig beïnvloedt, heeft een hogere snelheid gereden dan ter plaatse maximaal is toegestaan en heeft daarbij, door zijn beslagen voorruit, in onvoldoende mate zicht gehad over de verkeersituatie en andere verkeersdeelnemers. De rechtbank is op basis van het geheel van de gedragingen van de verdachte van oordeel dat zijn gedrag moet worden aangemerkt als aanmerkelijk en verwijtbaar onvoorzichtig en onoplettend. Dat betekent dat sprake is van schuld als bedoeld in van artikel 6 WVW.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

primair

op 12 november 2017 te Wijnandsrade, in de gemeente Nuth, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmede rijdende over de weg, Panhuijsstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, welke bovengenoemde gedragingen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend waren en hieruit hebben bestaan dat hij, verdachte, na het gebruik van alcoholhoudende drank, een voetgangersoversteekplaats, als bedoeld in artikel 49 lid 2 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, is genaderd met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid en niet, de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig heeft verminderd en niet is uitgeweken, zulks op het moment dat een voetganger doende was eerdergenoemde voetgangersoversteekplaats, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, van rechts naar links over te steken, waardoor een aanrijding is ontstaan tussen zijn, verdachtes, motorrijtuig en die voetganger, zijnde voornoemde [slachtoffer] , terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994: bij onderzoek bleek het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, adem 305 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, in elk geval hoger dan 88 gram microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel a, van deze wet

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, en daarbij een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op te leggen voor de duur van twee jaar, deze ontzegging geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Bij het bepalen van haar strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van het feit en de gevolgen voor het slachtoffer, maar ook met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft geen strafblad en volgens de reclassering is de kans op recidive laag. Hij heeft een LEMA-cursus (Lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer) gevolgd bij het CBR en ter zitting inzichtelijk kunnen maken wat hij daarvan heeft geleerd. Verder heeft hij zijn verantwoordelijkheid genomen door te verklaren over het tenlastegelegde en zichzelf daarbij niet te sparen. Omdat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om zijn werk te kunnen behouden vordert zij dat de rechtbank de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voorwaardelijk zal opleggen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht aansluiting te zoeken bij het oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht inzake artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 met de factoren: zwaar lichamelijk letsel, alcoholgebruik en aanmerkelijke schuld. Doorgaans wordt dan volgens het oriëntatiepunt een taakstraf van 160 uur en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden opgelegd.

De raadsvrouw heeft verder verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze zijn opgenomen in het reclasseringsrapport, en het feit dat de verdachte meerdere pogingen heeft gedaan om zijn excuses aan het slachtoffer aan te bieden. Ook is er geen sprake van een gevaar voor recidive nu de verdachte, door het verkeersongeval en de LEMA-cursus, de laakbaarheid van zijn handelen inziet. Omdat de verdachte zijn werk wil behouden, heeft de raadsvrouw bepleit geen ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Door zijn onverantwoorde rijgedrag heeft de verdachte een verkeersongeval veroorzaakt, waardoor aan het slachtoffer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Met te veel alcohol op, met een hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan en met een deels beslagen voorruit reed verdachte op 12 november 2017 de Panhuijsstraat in juist toen [slachtoffer] daar op het zebrapad de straat overstak. Als verdachte goed had opgelet, had een ongeluk gemakkelijk uit kunnen blijven. Maar dat deed hij niet. Verdachte heeft [slachtoffer] in het geheel niet opgemerkt en kwam er pas achter dat daar een persoon liep, toen het al te laat was. [slachtoffer] zag de verdachte echter wel aankomen. En de klap ook. Hij zegt daarover ter terechtzitting: “Ik stond letterlijk perplex. Mijn laatste gevoelens en gedachten waren doodsangst en een besef dat de klap onvermijdelijk ging komen. Daarna volgde een zwart gat.” Uit de verklaring van [slachtoffer] alsook uit zijn medische gegevens blijken de ingrijpende fysieke en psychisch gevolgen van het verkeersongeval. Tot op heden wordt hij belemmerd in zijn dagelijks functioneren.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport over de verdachte van 12 april 2019. Uit dat reclasseringsrapport en uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting komt naar voren dat de verdachte bij zijn moeder woont en werk en inkomen heeft. Het onderzoek door de reclassering wijst uit dat er geen problemen binnen de leefgebieden zijn en dat er geen pro-criminele houding is. De kans op recidive wordt laag ingeschat en directe interventies/behandelingen zijn niet geïndiceerd. Uit het reclasseringsrapport volgt verder nog dat de verdachte voor zijn werk, hij heeft twee werkgevers, afhankelijk is van zijn rijbewijs.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet meer met alcohol op een auto zal besturen en dat hij heeft geleerd van de LEMA-cursus die hij bij het CBR heeft gevolgd. De rechtbank heeft ook de indruk gekregen dat de verdachte zich realiseert wat hij heeft aangericht en dat hij de laakbaarheid van zijn gedragingen inziet. De verdachte heeft ook meerdere malen, ook ter zitting, zijn excuses aan [slachtoffer] aangeboden.

Bij het bepalen van de strafmaat zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor bestraffing van het veroorzaken van een verkeersongeval, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg, waarbij de bestuurder een alcoholgehalte van minder dan 570 microgram aan uitgeademde lucht per liter heeft, geldt voor de categorie ‘aanmerkelijke schuld’ als oriëntatiepunt een taakstraf van 160 uren en ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig voor de duur van 18 maanden onvoorwaardelijk.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 21 maart 2019, waaruit blijkt dat hij nooit eerder door de strafrechter werd veroordeeld. Gelet daarop ziet zij geen redenen om af te wijken van de straf zoals genoemd in het oriëntatiepunt. Deze reden ziet zij wel in de omstandigheid dat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om zijn werk te kunnen behouden. Zij zal daarom de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig slechts voorwaardelijk opleggen. Dit maakt echter ook dat de rechtbank aan de andere kant, om de ernst van het feit te benadrukken, een hogere taakstraf dan genoemd in het oriëntatiepunt passend acht.

Alles overziend, zal de rechtbank aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren opleggen en als bijkomende straf een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van achttien maanden met een proeftijd van drie jaren. Zij ziet geen redenen om van de standaard proeftijd af te wijken.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Ontzegging

- ontzegt aan de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van achttien maanden;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die wordt gesteld op een termijn van drie jaren, zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Osmić, voorzitter, mr. A.M. Schutte en M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Klompe, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 mei 2019.

Buiten staat

Mr. A.M. Schutte is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 12 november 2017 te Wijnandsrade, in de gemeente Nuth, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Panhuijsstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor

een ander genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

welke bovengenoemde gedragingen zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend waren en hieruit hebben bestaan dat hij, verdachte, na het gebruik van alcoholhoudende drank, een voetgangersoversteekplaats, als bedoeld in artikel 49 lid 2 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, is genaderd met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid, in elk geval met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, en/of (vervolgens) niet, dan wel niet voldoende de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig heeft verminderd dan wel zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was het door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of niet voldoende is uitgeweken, zulks op het moment dat een voetganger doende was eerdergenoemde voegangeroversteekplaats, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, van rechts naar links over te steken, waardoor althans mede waardoor (vervolgens) een botsing en/of aan- of overrijding is ontstaan met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig en die voetganger, zijnde voornoemde [slachtoffer] , terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994: bij onderzoek bleek het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, adem 305 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, in elk geval hoger dan 88 gram microgram alcohol per liter uitgeademende lucht;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

a.

hij op of omstreeks 12 november 2017 te Wijnandsrade, in de gemeente Nuth,

daarmee rijdende op de weg Panhuijsstraat, zo onvoorzichtig en/of onoplettend een voetgangersoversteekplaats, als bedoeld in artikel 49 lid 2 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, is genaderd met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid, in elk geval met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse,

en/of (vervolgens) niet, dan wel niet voldoende de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig heeft verminderd dan wel zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was het door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze

vrij was, en/of niet voldoende is uitgeweken, zulks op het moment dat een voetganger doende was eerdergenoemde voegangeroversteekplaats, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, van rechts naar links over te steken, waardoor althans mede waardoor (vervolgens) een botsing en/of aan- of overrijding is ontstaan met/tussen/door zijn, verdachtes,motorrijtuig en die voetganger, door welke gedragingen van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd;

b.

hij op of omstreeks 12 november 2017 te Wijnandsrade, in de gemeente Nuth, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als

bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994 , 305 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de

datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op op na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Zuid-West-Limburg, Basisteam Westelijke Mijnstreek, proces-verbaalnummer PL2300-2017181732, gesloten d.d. 24 januari 2018, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 27.

2 Proces-verbaal Aanrijding misdrijf d.d. 21 februari 2018, pagina 3 en proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse, proces-verbaal nummer 2017181732-3, d.d. 7 februari 2018, pagina’s 8 en 10 van dit proces-verbaal. Laatstgenoemde proces-verbaal maakt geen deel uit van de doornummering.

3 Proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 24 januari 20178, pagina’s 12 en 13 in samenhang bezien met proces-verbaal bedienaar ademanalyseapparaat d.d. 6 februari 2018, pagina’s 15 en 16.

4 Proces-verbaal Aanrijding misdrijf d.d. 21 februari 2018, pagina 5.

5 Proces-verbaal van verhoor slachtoffer d.d. 6 december 2017, pagina 26.

6 Proces-verbaal van verhoor slachtoffer d.d. 6 december 2017, pagina’s 35 en 26 in samenhang bezien met proces-verbaal Aanrijding misdrijf d.d. 21 februari 2018, pagina’s 5 en 6 en de geneeskundige verklaring d.d. 21 november 2017, pagina 8.

7 Proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse, proces-verbaal nummer 2017181732-3, d.d. 7 februari 2018, pagina’s 3 t/m 6 van dit proces-verbaal. Het proces-verbaal maakt geen deel uit van de doornummering.

8 Proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse, proces-verbaal nummer 2017181732-3, d.d. 7 februari 2018, pagina’s 7 t/m 10 van dit proces-verbaal. Het proces-verbaal maakt geen deel uit van de doornummering.

9 Proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse, proces-verbaal nummer 2017181732-3, d.d. 7 februari 2018, pagina 11 van dit proces-verbaal. Het proces-verbaal maakt geen deel uit van de doornummering.

10 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 23 april 2019.