Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:385

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
C/03/257673 / KG ZA 18-640
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot schorsing non-actiefstelling. Non-actiefstelling (die als tijdelijke maatregel moet worden aangemerkt) is geëindigd omdat de overeenkomsten inmiddels zijn opgezegd. Vordering kan dus niet leiden tot het door eiseres beoogde rechtgevolg omdat daarvoor noodzakelijke overeenkomsten niet meer bestaan. Afwijzing vordering bij gebrek aan belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/257673 / KG ZA 18-640

Vonnis in kort geding bij vervroeging uitgesproken op 17 januari 2019

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. P.B.A. Acda,

tegen

MEDITTA SPOEDZORG B.V. (gedagvaard als Meditta Zorg B.V.),

gevestigd te Sittard,

gedaagde,

advocaat mr. C. Riemens.

Eiseres zal hierna [eiseres] worden genoemd, gedaagde Meditta.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding waarin is vermeld dat daarbij 38 producties worden overgelegd, waarbij de producties 23 en 25 niet zijn overgelegd;

  • -

    de producties 1 tot en met 15 van Meditta bij brief van haar advocaat van 18 december 2018, waaronder als productie 2 de niet door [eiseres] overgelegde productie 23;

  • -

    de akte vermeerdering eis;

  • -

    de mondelinge behandeling, waarbij [eiseres] pleitaantekeningen heeft overgelegd en Meditta een pleitnota.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

In dit kort geding wordt uitgegaan van de volgende feiten.

a. [eiseres] is sinds 2004 huisarts. In die hoedanigheid verleent zij ook zorg tijdens avonden, nachten, weekenden en feestdagen (ANW-zorg). Deze ANW-zorg wordt gefaciliteerd door Meditta in in elk geval de vorm van een huisartsenpost (ook wel genaamd “spoedpost”).

b. [eiseres] heeft met (een voorganger van) Meditta een “Overeenkomst Huisartsen Dienst Westelijke Mijnstreek en waarnemers” (Waarneemovereenkomst, productie 6 [eiseres] ) gesloten. Tevens hebben deze partijen gesloten een aansluitovereenkomst huisartsenpost – huisarts. Op de schriftelijke versie van deze overeenkomst (productie 7 [eiseres] ) heeft [eiseres] boven haar handtekening met de hand geschreven “onder voorwaarden en condities omschreven in de bijgaande brief d.d. 1 mei 2013”. [eiseres] is toegelaten tot de huisartsenpost en heeft in dat kader werkzaamheden verricht.

c. Naar aanleiding van enkele voorvallen op de huisartsenpost hebben [eiseres] en Meditta een begeleidingstraject in de vorm van coaching afgesproken. Nadat de eerste coach overwoog de opdracht terug te geven, heeft de eerste poging geen inhoudelijke vorm gekregen. Na een intakegesprek tussen [eiseres] en een andere coach, [naam coach] , liet de laatste in november 2017 weten geen offerte uit te brengen voor de begeleiding van [eiseres] .

d. Bij brief van 15 december 2017 (productie 17 [eiseres] ) laat Meditta [eiseres] weten:

Meditta Spoedzorg heeft vernomen dat u een achttal klaagschriften heeft ingediend tegen

directe collega’s van u op de Spoedpost. U heeft bij voornoemde klaagschriften usb’s als

bijlage gevoegd. Op desbetreffende usb’s staan gesprekken tussen u en uw collega’s die u

heimelijk heeft opgenomen. Door dit alles zijn de verhoudingen tussen u en uw collega’s op

de post (…) ernstig geraakt. Daarnaast is (ook) het tweede verbetertraject mislukt, in die

zin dat uw coach heeft geconcludeerd dat de problematiek van dien aard is dat zij geen

mogelijkheden ziet voor supervisie, intervisie of coaching.

In de optiek van Meditta Spoedzorg levert dit alles een omstandigheid van zo ernstige aard

op dat onmiddellijke beëindiging van de werkzaamheden op de spoedpost noodzakelijk is.

Op grond hiervan heeft Meditta Spoedzorg het voornemen om u op non-actief te stellen.

Daarnaast bevestigt bovenstaande de overtuiging van Meditta Spoedzorg dat er sprake is

van disfunctioneren als bedoeld in het Protocol Disfunctionerende huisarts op de post.

Aangezien u betwist dat u disfunctioneert en de eerder ingezette verbetertrajecten zijn

mislukt, is Meditta Spoedzorg voornemens uw disfunctioneren te laten toetsen door de

Landelijke Commissie van Advies. (…)”.

e. Bij brief van 19 december 2017 (productie 18 [eiseres] ) heeft Meditta [eiseres] op non-actief gesteld tot in elk geval het moment dat de landelijke Commissie voor Advies zal hebben geadviseerd over de door Meditta aan die Commissie te stellen vragen.

f. Bij brief van 7 februari 2018 (productie 22 [eiseres] ) vraagt Meditta advies aan de landelijke Commissie van Advies (CvA) omtrent [eiseres] omdat Meditta van mening is dat [eiseres] disfunctioneert en er daarom een noodzaak bestaat om de CvA advies te vragen over het functioneren van [eiseres] en te treffen maatregelen.

g. Het op 23 mei 2018 gegeven advies van de CvA (productie 26 [eiseres] ) houdt in:

“(…)

Basis voor de beoordeling door de Commissie is het Protocol ‘Disfunctionerende huisarts

op de huisartsenpost’ (hierna het Protocol) dat ook Meditta hanteert voor alle op de Spoedpost werkzame huisartsen, (…). Het door Meditta gevolgde Protocol is van toepassing op medewerkers. (…).

Uit het overgelegde dossier en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling volgt, dat aangenomen mag worden, dat het Modelprotocol ‘Vermeend disfunctioneren huisarts op de huisartsenpost’ van InEen en het daarvan afgeleide door Meditta gevolgde Protocol

‘Disfunctionerende huisarts op de huisartsenpost’ van toepassing is op de rechtsverhouding tussen Meditta en mw. [eiseres] . Weliswaar is er geen getekende volledige Aansluitovereenkomst (alleen een door mw. [eiseres] op 1 mei 2013 geclausuleerd getekende overeenkomst) maar er is wel een op 4/6 september 2012 getekende Waarneemovereenkomst met de Huisartsen Dienst Westelijke Mijnstreek. Ook is er een door beide partijen getekende ‘Samenwerkingsovereenkomst elektronische Dienst Waarneem Dossier Huisartsenposten Midden Limburg en Huisartsen Dienst Westelijke Mijnstreek’ gedateerd 19 september 2007. Mw. [eiseres] draait inmiddels al enige jaren dienst op de Spoedpost. Binnen de relatie Meditta en mw. [eiseres] kan derhalve uitgegaan worden van toepasselijkheid van op de post geldende protocollen (zoals het Protocol Disfunctioneren), reglementen en werkafspraken.

(…)

Ad 1: Structurele problematiek

Uit de door de Commissie ontvangen stukken en de gevraagde toelichting tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden, dat sprake is van een sinds vele jaren bestaande problematische verhouding tussen mw. [eiseres] , Meditta (en haar rechtsvoorganger), een aantal collega-huisartsen en assistentes op de Spoedpost. Die problematische verhouding vindt zijn oorsprong in de door mw. [eiseres] ervaren tegenwerking rond haar vrije vestiging in 2006 en rond de aansluiting bij de huisartsenpost. De door mw. [eiseres] ervaren ‘boycot’ heeft zich in de loop der jaren opgebouwd tot een groot wantrouwen jegens (het bestuur van) Meditta en de collega huisartsen die, naar haar zeggen, tot de ‘tegenpartij’ behoren. Verzoeken, aangeboden

overeenkomsten, functioneringsgesprekken, coachingstrajecten, feedback, eigenlijk alles wordt in de sfeer van wantrouwen door mw. [eiseres] ervaren. (…)

Dat sprake is van structurele problematiek tussen Meditta en mw. [eiseres] staat voor de Commissie wel vast.

(…)

Geconcludeerd kan worden dat de laatste jaren regelmatig signalen in wat voor vorm dan ook over mw. [eiseres] zijn geuit. De Commissie kan echter niet, ook niet na de gevraagde toelichting op een aantal incidenten tijdens de mondelinge behandeling, vaststellen dat deze signalen/klachten bij elkaar voldoende grond vormen om te spreken van (medisch) onverantwoorde zorg voor patiënten en daarmee van risico van schade voor de patiënt, zoals geformuleerd in de definitie van disfunctioneren in het Protocol, Mw. [eiseres] heeft herhaaldelijk aangegeven dat de zorg voor patiënten bij haar bovenaan staat. De Commissie heeft op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar buiten kwam, geen aanwijzingen om het medisch functioneren van mw. [eiseres] in twijfel te trekken en te concluderen dat zij op het punt van (goede) zorg aan patiënten disfunctioneert.

Ad 4: Zelfinzicht en collegiale samenwerking zoals aangegeven in de toelichting op

disfunctioneren

Op basis van de aan de Commissie toegestuurde stukken en de mondelinge behandeling zijn er voldoende aanwijzingen dat het zelfbeeld dat mw. [eiseres] heeft en het beeld dat Meditta van haar heeft, ver uiteen liggen. (…)

De Commissie is van mening dat het indienen van een tuchtzaak tegen 9 collega’s (van de 96 die op de Spoedpost werkzaam zijn) een forse actie is. Het lijkt er niet op dat mw. [eiseres] de indiening van deze tuchtzaken goed heeft overdacht, nu de secretaris van het tuchtcollege aangeeft dat niet duidelijk is geworden wat mw. [eiseres] de diverse huisartsen verwijt en wat voor informatie de aangesproken huisartsen en het college uit de vele bijlagen moeten destilleren. Dat mw. [eiseres] in die tuchtzaken ook gebruik heeft gemaakt van heimelijk opgenomen gesprekken met collega-huisartsen en patiënten acht de Commissie, ook om privacy redenen onjuist, onzorgvuldig en oncollegiaal. (…)

Dit alles heeft grote invloed op de collegiale samenwerking. Op een huisartsenpost wordt vaak onder grote druk gewerkt. Huisartsen en medewerkers moeten op elkaar kunnen vertrouwen omdat het teamwerk is. Artsen en medewerkers moeten zich vrij voelen naar elkaar om feed back te geven en elkaar zo nodig te kunnen corrigeren en aanvullen. Goede onderlinge communicatie is onontbeerlijk voor goede zorg aan patiënten.

Ten aanzien van de samenwerking met collega’s en medewerkers zijn in de stukken die de

gemachtigde van Meditta maar ook mw. [eiseres] zelf heeft meegestuurd, veel voorbeelden te vinden waaruit blijkt dat deze ronduit slecht is: de eerder genoemde heimelijk opgenomen gesprekken met collega’s en patiënten, de ingediende tuchtzaken en de daarbij gebruikte bijlagen, de wijze waarop mw. [eiseres] , ook in het bijzijn van patiënten, assistentes kan aanspreken, de samenwerking met Meditta, grotendeels gebaseerd op wantrouwen (…).

Deze voorbeelden wijzen op een (onherstelbaar) beschadigde basis van samenwerking. Zo’n basis kan wel degelijk een risico vormen voor het niet (langer) kunnen bieden van goede en verantwoorde zorg aan patiënten.

(…)

De Commissie is van mening dat voornoemde voorbeelden wel degelijk een risico kunnen

vormen voor het bieden van goede zorg aan alle patiënten die een beroep doen op de

Spoedpost.

(…)

Dit alles overziend stelt de Commissie dan ook vast, dat er sprake is van een te groot wantrouwen en de situatie dermate is geëscaleerd dat daardoor eigenlijk geen sprake meer kan zijn van een werkbare relatie tussen partijen. Van de zijde van mw. [eiseres] bestaat dat wantrouwen eruit, dat Meditta en haar collega’s er moedwillig op uit zijn om haar het leven en het werken op de Spoedpost moeilijk zo niet onmogelijk te maken. Van de zijde van Meditta zijn de gedurende vele jaren opgestapelde zorgen over o.a. chaotisch werken, hygiëne, adviezen aan patiënten, traineren of niet nakomen van afspraken, communicatie en bejegening van patiënten, collega’s en assistentes en het nog steeds niet hebben getekend van de Aansluitovereenkomst met Meditta dermate groot, dat men geen enkel vertrouwen meer heeft in het vinden van een oplossing voor voortzetting van de relatie met mw. [eiseres] . (…)

6. Conclusie

Op grond van bovenstaande meent de Commissie dat sprake is van disfunctioneren, zoals

gedefinieerd in het Protocol. Dat disfunctioneren is volgens de Commissie niet (duidelijk)

aanwijsbaar op het terrein van het bieden van verantwoorde patiëntenzorg door mw. [eiseres] . Het disfunctioneren is wel aan de orde daar waar het gaat om collegiale samenwerking.

Niet is gebleken dat er nog een reële opening is voor een verbetertraject, waardoor voor

de toekomst structureel verantwoorde zorg kan worden geboden. Derhalve is de Commissie van mening dat het bestuur van Meditta reden heeft, om ten aanzien van mw. [eiseres] een beslissing te nemen op grond van het door Meditta sinds mei 2010 gevolgde Protocol Disfunctioneren en een of meer van de daarin genoemde maatregelen te treffen.”.

h. Bij brief van 29 mei 2018 (productie 27 [eiseres] ) heeft Meditta [eiseres] uitgenodigd voor een hoorgesprek omtrent het voornemen van Meditta om de zorgverzekeraars te informeren en over te gaan tot opzegging van “de waarneemovereenkomst, de samenwerkingsovereenkomst elektronische Dienst Waarnemen Dossier en (voor zover zulks overeengekomen zou zijn, uitdrukkelijk quod non) de aansluitovereenkomst.”

Meditta legt blijkens die brief aan de mogelijke opzegging ten grond het advies van de CvA, volgens Meditta inhoudende:

1. U disfunctioneert, zoals gedefinieerd in het Protocol Disfunctioneren dat Meditta Spoedzorg hanteert (hierna: ‘het Protocol Disfunctioneren’);

2. Niet is gebleken dat er nog een reële opening is voor een verbetertraject, waardoor voor de toekomst structureel verantwoorde zorg kan worden geboden;

3. Meditta Spoedzorg reden heeft om ten aanzien van u een beslissing te nemen op grond van het Protocol Disfunctioneren en een of meer van de daarin genoemde maatregelen te treffen.

Tot de hiervoor genoemde maatregelen als bedoeld in het Protocol Disfunctioneren behoren

(onder meer) het informeren van de zorgverzekeraar en het opzeggen van de overeenkomst

met de huisarts. (…)”.

In die brief vermeldt Meditta verder dat de non-actiefstelling onverminderd van kracht blijft tot het moment waarop door Meditta een definitief besluit is genomen en dat, indien dit besluit een opzeggingsbesluit is, de non-actiefstelling van kracht blijft tijdens de opzegtermijn.

i. Bij brief van 12 juni 2018 (productie 28 [eiseres] ) heeft Meditta [eiseres] laten weten:

“(…)

Besluit tot opzegging

Hetgeen u naar voren heeft gebracht tijdens het hoorgesprek heeft Meditta Spoedzorg geen

nieuwe inzichten gebracht voor wat betreft haar voornemen. Meditta is en blijft ervan overtuigd dat er, gelet op het mislukken van de eerder ingezette verbetertrajecten, de door u

ingediende tuchtklachten en het advies van de LCA, geen enkele vruchtbare bodem voor

samenwerking is, noch te bewerkstelligen valt. U disfunctioneert en/of bemoeilijkt de

samenwerking op de huisartsenpost zodanig dat een verdere voortzetting van de daaraan

verbonden overeenkomst(en) in redelijkheid niet van Meditta Spoedzorg kan worden gevergd. Meditta Spoedzorg zal derhalve in lijn met haat voornemen en op grond van het

door haar gehanteerde Protocol ‘Disfunctionerende Huisarts op de huisartsenpost’ (hierna:

het Protocol) overgaan tot:

1. het informeren van de zorgverzekeraar; en

2. het opzeggen van de samenwerking en de aan de samenwerking verbonden overeenkomsten, waaronder de waarneemovereenkomst, de samenwerkingsovereenkomst elektronische Dienst Waarneem Dossier en (voor zover zulks overeengekomen zou zijn, uitdrukkelijk quod non) de aansluitovereenkomst.

(…) Meditta zegt (…)op met ingang van 1 januari 2019. U mag derhalve vanaf 1 januari 2019 uw patiënten niet langer (actief) doorverwijzen naar de huisartsenposten van Meditta Spoedzorg. Meditta Spoedzorg wenst tot slot te vermelden dat:

1. zij op grond van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz verplicht is dit besluit te delen met de

Inspectie; en

2. het u uiteraard vrij staat om in rechte op te komen tegen dit besluit;

3. de non-actiefstelling op grond van het Protocol onverminderd van kracht blijft tijdens de eerder genoemde opzegtermijn alsmede gedurende een eventuele procedure over de rechtmatigheid van de opzegging. (…)”.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, na wijziging eis, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. zal opheffen de non-actiefstelling van [eiseres] en [eiseres] weer, althans ook, vanaf 1 januari 2019, toe te laten tot haar (overeengekomen) werkzaamheden bij Meditta Spoedzorg B.V. – waaronder het aan [eiseres] verlenen van toegang tot (i) systemen (ii) accounts (iii) werkplekken/locaties, op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per dag;

2. Meditta zal veroordelen in de kosten van de procedure.

[eiseres] vermeldt in nr. 43 van haar dagvaarding dat zij tegen de in nr. 42 van die dagvaarding vermelde opzegging bij brief van 12 juni 2018 (rov. 2.1 sub i) opkomt omdat die opzegging op oneigenlijke gronden is genomen, disproportioneel is en dat niet is voldaan aan de eisen van redelijkheid en billijkheid.

3.2.

Meditta voert verweer.

4 De beoordeling

4.1

[eiseres] heeft spoedeisend belang bij haar vordering. De overeenkomsten zijn immers opgezegd met ingang van 1 januari 2019. Het enkele feit dat er ruim zes maanden zijn verstreken tussen de opzeggingsbrief van 12 juni 2018 (rov. 2.1 sub i) en de dag van de mondelinge behandeling van dit kort geding, maakt niet dat er thans geen spoedeisend belang meer is nu de overeenkomsten krachtens de brief eindigen op 31 december 2018. De door Meditta ingenomen stelling dat [eiseres] al in juni 2018 een bodemprocedure had kunnen beginnen, maakt dit niet anders omdat het onvoldoende zeker is dat indien [eiseres] enige dagen na de opzegging van 12 juni 2018 een bodemprocedure zou zijn begonnen, deze voor 1 januari 2019 zou zijn afgelopen. Zo de onderhavige vordering al eerder in kort geding aanhangig gemaakt had kunnen worden, maakt dit niet dat [eiseres] thans niet zou kunnen worden ontvangen. Het criterium voor spoedeisendheid is immers niet dat de vordering zo snel mogelijk wordt ingesteld, maar dat er spoedeisend belang is bij de gevraagde voorziening.

4.2

Tijdens de mondelinge behandeling heeft Meditta vermeld dat als verschenen gedaagde kan worden aangemerkt Meditta Zorggroep B.V. en dat zij geen bezwaar heeft tegen de gewijzigde vordering. Dit betekent dat recht zal worden gedaan met Meditta als gedaagde en op de gewijzigde vordering zoals hiervoor in rov. 3.1 is weergegeven.

4.3

Uit de feiten waarvan in dit kort geding moet worden uitgegaan, met name uit hetgeen onder sub e en h in rov. 2.1 is vermeld, blijkt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de maatregel van Meditta waarbij [eiseres] de op non-actief is gesteld en de (gevolgen van) de opzegging van de overeenkomsten. Terecht heeft Meditta in haar pleitnota opgemerkt dat de bij dagvaarding gevorderde opheffing van de non-actiefstelling onverlet laat de opzegging van de overeenkomsten met ingangsdatum 1 januari 2019 (4.1 pleitnota). Anders gezegd en met inachtneming van de inhoud van de non-actiefstellingsmededelingen zoals hiervoor vermeld in sub e en h van rov 2.1: de non-actiefstelling die in deze zaak als tijdelijke maatregel moet worden aangemerkt, is geëindigd met ingang van 1 januari 2019 omdat vanaf die dag heeft te gelden dat de overeenkomsten zijn opgezegd. Hieruit vloeit voort dat toewijzing van de vordering niet kan leiden tot het door [eiseres] beoogde rechtgevolg van, kort gezegd, toelating tot de huisartsenpost. De daarvoor noodzakelijke overeenkomsten bestaan immers niet meer. Dit betekent dat het gevorderde bij gebrek aan belang moet worden afgewezen.

Hierbij zij nog opgemerkt dat [eiseres] met zoveel woorden in haar dagvaarding in nr. 43 stelt in dit geding te willen opkomen tegen de bij brief van 12 juni 2018 gedane opzegging. Haar vordering betreft echter enkel opheffing van de non-actiefstelling die haar al is aangezegd bij brief van 19 december 2017 (rov. 2.1 sub e) en gecontinueerd bij de brieven van 29 mei 2018 (rov. 2.1 sub h) en de opzeggingsbrief van 12 juni 2018.

4.4

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Meditta worden begroot op:

- griffierecht € 626,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.442,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, welke kosten tot op heden aan de zijde van Meditta worden begroot op € 1.442,00;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2019.