Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:3678

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-02-2019
Datum publicatie
19-04-2019
Zaaknummer
C/03/260291 / JE RK 19-270
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

De ouders, en met name de vader, hebben/heeft op vrijwillige basis meegewerkt aan onderzoek Mutsaersstichting.

Hulpverlening is niet aan de slag gegaan met het gegeven advies. De ouders geconfronteerd met kinderbeschermingsmaatregelen .

De GI heeft nagelaten in te zetten op uitbreiding omgang in de afgelopen periode.

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing voor drie maanden. Resterende termijn aangehouden en de voortzetting

van de behandeling van het verzoek zal plaatsvinden voor de meervoudige kamer van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd

Zittingsplaats: Maastricht

zaakgegevens : C/03/260291 / JE RK 19-270

datum uitspraak: 18 februari 2019

beschikking ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Zuidoost Nederland,

hierna te noemen de raad,

gevestigd te Maastricht,

betreffende

[minderjarige], geboren op [2012] te [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[belanghebbenden],

hierna te noemen de moeder en de vader,

ook wel gezamenlijk te noemen de ouders,

beiden wonende te [woonplaats],

advocaat mr. B.H.S. Brinkman, kantoorhoudend te Heerlen,

de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,

hierna te noemen de GI,

gevestigd te Amsterdam.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de raad van 5 februari 2019, ingekomen bij de griffie op

6 februari 2019.

Op 18 februari 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder en de vader, bijgestaan door hun advocaat,

- een vertegenwoordigster van de raad,

- een vertegenwoordiger van de GI.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

[minderjarige] verblijft in een pleeggezin van Xonar.

Bij beschikking van 19 november 2018 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot

19 februari 2019. Tevens is zij met een machtiging uit huis geplaatst in een accommodatie van een zorgaanbieder voor (jeugd)geestelijke gezondheidszorg met ingang van

19 november 2019 voor de duur van vier weken.

Bij beschikking van 28 november 2018 is machtiging verleend om [minderjarige] langer uit huis te plaatsen in een accommodatie zorgaanbieder voor (jeugd)geestelijke gezondheidszorg en aansluitend in een voorziening voor pleegzorg, tot uiterlijk 19 februari 2019.

Ter zitting heeft de kinderrechter voorgehouden dat hij op vrijdag 15 februari 2019 bij de raad het evaluatieverslag van de Mutsaersstichting van 12 november 2018 (zoals genoemd in het verzoek van de raad) heeft opgevraagd en dat hij dat rapport diezelfde middag van de raad via de mail ontvangen heeft.

Verder heeft de kinderrechter na de behandeling ter zitting aangegeven dat hij diezelfde middag om 16.00 uur mondeling uitspraak zal doen en de raad, de GI en de belanghebbenden via hun advocaat telefonisch contact kunnen opnemen met de griffie van de rechtbank. Binnen 2 weken zal de schriftelijke vastlegging van de beschikking volgen en aan de belanghebbenden worden toegezonden.

Het verzoek

De raad heeft, op de daartoe aangevoerde gronden, de ondertoezichtstelling van [minderjarige]

verzocht voor de duur van twaalf maanden. Tevens wordt de uithuisplaatsing verzocht van [minderjarige] voor de duur van twaalf maanden in een voorziening voor pleegzorg.

Ter onderbouwing heeft de raad in het verzoekschrift het volgende gesteld.

[minderjarige], een zesjarig meisje met forse persoonlijke problematiek, wordt ernstig in haar ontwikkeling bedreigd doordat zij opgroeit in een complexe gezinssituatie, waarbij beide ouders door hun persoonlijke problematiek onvoldoende praktisch en emotioneel beschikbaar zijn voor [minderjarige]. De moeder is sinds augustus 2017 aangewezen op 24-uurs zorg vanwege een CVA en hartstilstand waardoor zij als opvoeder op dit moment weinig tot niets kan bieden aan [minderjarige] gezien haar forse fysieke beperkingen en persoonlijke hulpbehoevendheid. Bij de vader is niet duidelijk of er sprake is van beperktere cognitieve capaciteiten en/of psychische problematiek. De vader is in zijn houding star en volhardend en legt de problemen rondom [minderjarige] buiten zichzelf. Hij bagatelliseert de zorgen over [minderjarige] in de thuissituatie en lijkt onvoldoende zicht te hebben op de impact van de forse persoonlijke problematiek die gediagnosticeerd is bij [minderjarige] op haar verdere ontwikkeling en welbevinden. Omdat beide ouders als kind uit huis zijn geplaatst en vanuit hun persoonlijke negatieve ervaringen een groot wantrouwen richting hulpverlening hebben maakt dit een constructieve samenwerking tussen de ouders en de hulpverlening zeer moeizaam. Ondanks dat de ouders het beste met [minderjarige] voor hebben en er tijdens contacten gezien wordt dat zij allen blij zijn elkaar te zien, lukt het de ouders niet om in te stemmen met de noodzakelijke hulpverlening vanuit hun eigen negatieve ervaringen met die hulpverlening. [minderjarige] is aangewezen op specialistische hulp, bijvoorbeeld vanuit de Koraalgroep van Gastenhof. Op dit moment ontbreekt het [minderjarige] aan de noodzakelijk geachte psychiatrische hulpverlening vanuit het LVG circuit gericht onder meer op traumatische jeugdervaringen en het verbeteren van de hechtingsrelaties. De vader kan niet instemmen met de hulp vanuit de Koraalgroep door zijn negatieve ervaringen met zijn andere dochter. De ouders herkennen de impact en de zorgen over [minderjarige]’s ontwikkeling en de gestelde diagnoses onvoldoende welke door de vader op momenten zelfs ontkend worden.

Hoewel de vader aangeeft open te staan voor ondersteuning laat hij tot op heden zien dat hij tips en adviezen van de begeleiding tijdens de begeleide bezoeken niet ter harte neemt en zich niet laat sturen in zijn gedrag, ondanks dat hij hier herhaaldelijk op wordt aangesproken.

De raad heeft er geen vertrouwen in dat de ouders er in zullen slagen om op eigen kracht, constructief samen te werken met de noodzakelijke geachte hulpverlening en de bedreigde ontwikkeling voor [minderjarige] zullen kunnen afwenden.

Hulpverlening vanuit een gedwongen kader is nodig gelet op het wantrouwen van de vader richting hulpverlening, zowel voor zichzelf als voor [minderjarige]. De verwachting is dat de ouders vooralsnog de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen de voor [minderjarige] aanvaardbare termijn weer zelf kunnen dragen.

Ter zitting heeft de raad nog aanvullend verklaard dat de ouders als opvoeders onvoldoende beschikbaar zijn voor [minderjarige] die juist veel duidelijkheid nodig heeft gelet op haar problematiek. Het lukt de vader niet om de focus op [minderjarige] te leggen en hij is teveel bezig om de schuld bij anderen te leggen. Er zal eerst ingezet moeten worden op de veiligheid van [minderjarige]. Daarom is een plaatsing in een pleeggezin nodig zodat de vader aan de slag kan om zijn opvoedvaardigheden te vergroten. De ouders moeten gaan werken om te zorgen voor een stabiele plek voor [minderjarige] en zij moeten zorgen dat de eerdere situatie op 13 augustus 2018 niet meer ontstaat. Hoewel de ouders aangeven mee te werken met de hulpverlening blijkt dat in de praktijk niet echt te lukken. Het lukt de vader niet met de aangereikte adviezen vanuit de hulpverlening aan de slag te gaan. De vader doet zijn best maar het is moeilijk om met hem samen te werken. Er is op dit moment twee uur per week omgang tussen de ouders en [minderjarige]. Duidelijk is dat [minderjarige] behoefte heeft aan een uitbreiding van de contacten. De vader zal zijn ongenoegen over de beperkte omgang dan niet met de aanwezige begeleiding moeten bespreken want dat is niet in het belang van [minderjarige] die juist een onbezorgd contact nodig heeft.

Het standpunt van belanghebbenden

De GI heeft ter zitting aangegeven dat [minderjarige] sinds de kerst 2018 weer naar de Talententuin gaat nu dit voor haar de beste plek is. Gezien de korte tijd dat [minderjarige] hier naar toe gaat is nu nog niet aan te geven of zij zich daar, gezien haar ontwikkelingsachterstand, positief heeft ontwikkeld. Daar is meer tijd voor nodig. Omdat op die plek geen traumaverwerking wordt of kan worden geboden, heeft de GI contact gezocht met Jutz, maar ook daar is deze behandeling niet mogelijk. Daarom is de GI nu met de Mutsaersstichting aan het bekijken of de behandeling poliklinisch geboden kan worden waarbij wordt opgemerkt dat de problematiek van [minderjarige] erg complex is. De omgang tussen de ouders en [minderjarige] vindt onder begeleiding plaats. Gezien wordt dat de vader beter zijn best doet en niet alleen bezig is met zijn frustraties over de gang van zaken rond de uithuisplaatsing tijdens het contact met [minderjarige]. [minderjarige] trekt heel erg naar de moeder die alles goed vindt. Zij spannen samen waardoor het voor de vader heel lastig is om tegen [minderjarige] op te treden, waar [minderjarige] vervolgens weer gebruik van maakt. [minderjarige] is in de contacten met de ouders heel bepalend en neemt daarin de leiding. Het lukt de ouders niet haar hierin te sturen en te corrigeren als [minderjarige] heel bepalend gedrag laat zien zoals het gooien van een schoen naar de vader en zich vervolgens op de grond gooit. Voor [minderjarige] zijn deze contacten ook heel zwaar en vermoeiend. De vader wil het graag goed doen, maar hij heeft hierin nog een weg te gaan. Inmiddels is Kracht in Zorg ingezet omdat de GI de contacten tussen [minderjarige] en de ouders wil uitbreiden. Dit zal gestructureerd moeten gebeuren om te voorkomen dat [minderjarige] weer een terugval krijgt. [minderjarige] laat dit gedrag niet bij de pleegouders zien. Verder is het opvallend dat [minderjarige] soms hopt met haar lichaam. Niet duidelijk is waar dit vandaan komt en daarvoor is nader onderzoek door een gedragsdeskundige verbonden aan de GI nodig.

De GI merkt nog op dat hoewel de ouders aangegeven mee te werken aan de hulpverlening, eerder door de vader de ingezette hulp van Talent, Acute Zorg en Xonar is stopgezet doordat het voor hem heel lastig is kritiek te aanvaarden of tegengas te krijgen en hij dan afhaakt. Het is van belang dat [minderjarige] naar Talent gaat zoals ook door school geadviseerd is. Indien de vader open staat voor de gegeven adviezen, kan de GI instemmen met toewijzing van de verzoeken voor de duur van drie maanden onder aanhouding van de beslissing op de resterende termijn. In de komende maanden zal ingezet worden op uitbreiding van de contacten en kan tijdens een nieuwe behandeling ter zitting verder gekeken worden.

Door en namens de ouders is aangevoerd dat de moeder, die in de afgelopen periode, eerst afwisselend in het ziekenhuis en thuis en vervolgens een jaar in het verzorgingshuis de Zevenbronnen heeft verbleven vanwege haar lichamelijke beperkingen, sinds een maand weer thuis woont en dat dit goed gaat. Ook voor [minderjarige] is dat fijn nu de contacten thuis kunnen plaatsvinden en er geen verdeling van de beperkte omgangstijd meer hoeft te zijn in de contacten met de ouders. Beide ouders willen uitbreiding van de contacten nu de huidige regeling te summier is. De ouders erkennen dat zij qua opvoeding van [minderjarige] niet op één lijn zitten. De vader is consequent in de opvoeding van [minderjarige] terwijl de moeder [minderjarige] in alles haar zin geeft. Dat [minderjarige] de ouders daarbij uitspeelt erkennen de ouders dan ook. Zij kunnen zich er echter niet in vinden dat [minderjarige] niet terug thuis geplaatst wordt. Het onderzoek bij de Mutsaersstichting, waar ouders en meer specifiek de vader op vrijwillige basis aan meegewerkt heeft, is afgerond en er ligt een duidelijk advies. De geadviseerde hulp was geregeld. [minderjarige] ging naar de Talententuin en Altracura zou in het gezin starten. Het viel de vader dan ook rauw op zijn dak dat niets gedaan is met het rapport van de Mutsaersstichting maar dat er door de raad verzocht is om een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen. Inmiddels zijn drie maanden verstreken en nog steeds is het advies van de Mutsaersstichting niet opgevolgd. Wel is Kracht in Zorg recent in de thuissituatie van de ouders gestart. Nu geeft de GI en de raad aan dat er intensieve opvoedingsondersteuning geboden dient te worden. De ouders accepteren hulpverlening en zij prefereren een afwijzing van de verzochte uithuisplaatsing en refereren zich voor wat betreft de verzochte ondertoezichtstelling aan het oordeel van de kinderrechter. Dit ligt anders ten aanzien van de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing. Dit verzoek dient primair te worden afgewezen en subsidiair beperkt te worden tot drie maanden.

Het is onbegrijpelijk dat de contacten met [minderjarige] ingeperkt zijn tot twee uur en dat deze inperking op een onzorgvuldige manier heeft plaatsgevonden. Daarvoor hebben de ouders een schriftelijke aanwijzing gekregen waarvan zij een verzoek tot vervallen verklaring hebben ingediend. De schriftelijke aanwijzing is bij beschikking van 14 februari 2019 vervallen verklaard. Kort voor deze zitting hebben de ouders van de GI vernomen dat er weer een schriftelijke aanwijzing gegeven wordt. De ouders verdienen de kans te laten zien dat [minderjarige] thuis kan wonen. Zij willen dat er intensieve ambulante ondersteuning in de thuissituatie ingezet wordt zodat de ouders kunnen laten zien dat zij kunnen groeien in hun opvoedvaardigheden. Op dit moment ervaart de vader dat hij weinig tips aangereikt krijgt hoe hij moet omgaan met het gedrag van [minderjarige]. Hij probeert haar op een rustige manier te benaderen. De ouders blijven van mening dat de uithuisplaatsing niet langer meer mag duren. Zij accepteren hulpverlening waar de vader in de afgelopen maanden al aan meegewerkt heeft. De ouders blijven het onbegrijpelijk vinden dat de hulpverlening niet veel eerder aan de slag is gegaan met het gegeven advies van de Mutsaersstichting en dat dit rapport niet is overgelegd. Zij zijn dan ook blij verrast dat de kinderrechter dit rapport heeft opgevraagd en het nu aan de orde stelt. De vader begrijpt dat het gedrag van [minderjarige] nog steeds heftig is en hij kan zich vinden in het voorstel van de GI om haar nog drie maanden bij de pleegouders te laten en vandaar uit te werken aan een uitbreiding van de omgang. Hij wil daarbij een goede begeleiding krijgen zodat hij handvatten krijg hoe om te gaan met het gedrag van [minderjarige]. De moeder heeft grote moeite om [minderjarige] nog langer bij het pleeggezin te laten wonen. Zij wil dat [minderjarige] zo snel mogelijk naar huis komt. Zij begrijpt dat zij in de opvoeding van [minderjarige] met de vader één consequente lijn moet gaan trekken. Er is inmiddels veel tijd verstreken. Duidelijk is voor de ouders dat er wel dat er nog flinke stappen gezet moeten worden maar daartoe zijn zij als ouders ook bereid.

De beoordeling

Op grond van het bepaalde in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen BW) kan een minderjarige onder toezicht worden gesteld indien deze zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Voorts dient de verwachting gerechtvaardigd te zijn dat de gezaghebbende ouder(s) binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] is opgegroeid in een complexe gezinssituatie waarin sprake is van kindeigen problematiek en persoonlijke problematiek van de ouders. Zij is een kwetsbaar meisje die baat heeft bij regelmaat en structuur wat de ouders haar op dit moment nog onvoldoende kunnen bieden. Hoewel de ouders aangeven mee te willen werken met de hulpverlening is gebleken dat dat voor de vader erg moeilijk is en dat hij dreigt af te haken op het moment dat hij aangesproken wordt op zijn gedrag en daarmee niet om weet te gaan. Als gevolg daarvan heeft de vader de hulp van Talent voor [minderjarige] stopgezet. De moeder woont inmiddels weer bij de vader maar zij is, mede door haar lichamelijke beperking, aangewezen op de verzorging door de vader. Beide ouders hebben het beste met [minderjarige] voor. De ouders en [minderjarige] zijn blij elkaar te zien tijdens de contacten, maar het lukt de ouders nog niet om af te stemmen met de hulpverlening mede vanuit hun eigen persoonlijke negatieve ervaringen uit hun jeugd met de hulpverlening. De zorgen die er zijn worden door de ouders onderkend en zij herkennen ook de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] en de gestelde diagnoses. Er zijn op dit moment evenwel nog onvoldoende aanknopingspunten dat de ouders daarin op eigen kracht voldoende stappen in kunnen gaan zetten. [minderjarige] heeft vanwege haar problematiek behoefte aan structuur en regelmaat die de ouders samen haar op dit moment nog niet voldoende kunnen bieden.

De kinderrechter wijst er nadrukkelijk op dat de GI de afgelopen maanden een voor de ouders en [minderjarige] belangrijke periode voorbij heeft laten gaan door een zeer beperkte omgangsregeling van twee uur per week te hanteren die ook nog moest worden verdeeld over twee plekken: bij de moeder in de Zevenbronnen en bij de vader thuis. Die regeling heeft de ouders, lees de vader, terecht zwaar gefrustreerd en heeft hem niet de gelegenheid gegeven om als vader te laten zien wat hij aan mogelijkheden heeft om zijn dochter in de thuissituatie zelf te verzorgen en op te voeden. Juist die periode waarin de moeder nog in de Zevenbronnen verbleef, had benut moeten worden om de vader als vader in zijn kracht te zetten en om hem positief te stimuleren hoe met de persoonlijke problematiek van zijn dochter op een adequate wijze om te gaan. Inmiddels, en dat wist de GI dat wil zeggen dat de ouders daarop hebben ingezet, verblijft de moeder ook weer thuis en heeft de vader die extra zorg voor zijn vrouw erbij gekregen. In die nieuwe gezinsdynamiek zal extra veel van de vader en de moeder worden gevraagd om te kunnen laten zien dat zij op een verantwoorde wijze met hun dochter kunnen omgaan. Het wordt dan ook dringend tijd dat de GI zonder dralen concreet inzet op sterke uitbreiding van het aantal aaneengesloten uren per week waarin ouders en [minderjarige] bij elkaar zijn. Daarbij dient aan ouders door de GI concrete en duidelijke doelen te worden gesteld waaraan zij met de hulpverlening in het gezin moeten werken. De GI zal ook moeten voorzien in een zeer regelmatige evaluatie met de ouders zodat voor hen helder en duidelijk is wat is bereikt, wat nog moet worden bereikt en op welke wijze zij als ouders in het contact en de opvoeding en verzorging van hun dochter kunnen groeien. De ouders dienen aan deze uitbreiding van de contacten mee te werken en op positieve wijze samen te werken met de GI en de door de GI in te zetten hulpverlening zowel in als buiten het gezin. De ouders dienen concrete handvatten te krijgen in de opvoeding van [minderjarige] en praktische tips te krijgen over hetgeen helpend kan zijn. In hetgeen is overwogen en geoordeeld ziet de kinderrechter reden om de ondertoezichtstelling vooralsnog te beperken tot drie maanden onder aanhouding van de beslissing op de resterende termijn, nu deze termijn aanvaardbaar wordt geacht gelet op de ernstige ontwikkelingsbedreiging, de stappen die door de GI en de ouders moeten worden gezet en de verschillende vormen van hulpverlening die nog moeten worden ingezet en opgestart. De kinderrechter ziet termen aanwezig de voortzetting van de behandeling voor de meervoudige kamer te laten plaatsvinden en zal de zaak verder behandelen ter zitting van deze rechtbank op 7 mei 2019 om 10.40 uur.

Op grond van artikel 1:265b BW kan de kinderrechter de raad op zijn verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Met de raad en op de door de raad in het verzoekschrift en ter zitting nader toegelichte gronden, die de kinderrechter overneemt en tot de hare maakt, is de kinderrechter van oordeel dat aan het wettelijk criterium van artikel 1:265b BW is voldaan.

Uit de ingediende stukken en de verklaringen ter zitting is gebleken dat [minderjarige] nog niet door de ouders dag en nacht thuis kan worden verzorgd en dat een uithuisplaatsing vooralsnog in haar belang noodzakelijk is om de doelen van de ondertoezichtstelling te kunnen realiseren.

In aansluiting op hetgeen met betrekking tot de verzochte ondertoezichtstelling is overwogen en geoordeeld, zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] eveneens verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing op de resterende termijn aanhouden tot de hiervoor te noemen zitting van de rechtbank.

In het dictum van deze beslissing is uitdrukkelijk aangegeven dat de GI de rechtbank en de andere belanghebbenden tijdig van alle relevantie informatie en ontwikkelingen gericht op de inspanningen gericht op de thuisplaatsing van [minderjarige] dient te voorzien.

De beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige], geboren op [2012] te [geboorteplaats] onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, met ingang van 19 februari 2019 tot 19 mei 2019;

verleent machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voornoemd in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 19 februari 2019 tot 19 mei 2019;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere beslissing aan tot de voortzetting van de mondelinge behandeling bij de meervoudige kamer van deze rechtbank op 7 mei 2019 om 10.40 uur in het gerechtsgebouw te Maastricht, St. Annadal 1 en bepaalt dat de belanghebbenden daartoe dienen te worden opgeroepen;

bepaalt dat de GI uiterlijk één week vóór de geplande zitting bij de rechtbank een schriftelijk verslag dient in te dienen van hetgeen in de periode vanaf 19 februari tot en met eind april 2019 concreet is gedaan, ingezet en is bereikt in het kader van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] waarbij in het bijzonder alle schriftelijke bescheiden die zien op de contacten tussen [minderjarige] en haar ouders als bijlagen dienen te worden overgelegd

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, kinderrechter, in tegenwoordigheid van E.H.C.M. Franssen-Peeters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2019 en op schrift gesteld op 20 februari 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch