Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:3676

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-03-2019
Datum publicatie
19-04-2019
Zaaknummer
C/03/260666 / JE RK 19-361
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing, pasgeborene, is vader zonder gezag “belanghebbende” in de zin van artikel 798 Rv? Ervaringen uit het verleden met beide ouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd

Zittingsplaats: Maastricht

zaakgegevens : C/03/260666 / JE RK 19-361

datum uitspraak: 8 maart 2019

beschikking machtiging uithuisplaatsing


in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Zuidoost Nederland locatie Maastricht, hierna te noemen de raad,

gevestigd te Eindhoven.

betreffende

[minderjarige], geboren op [2019] te [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[belanghebbende 1],

hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats], [gemeente], [land],

advocaat: mr. G.J.B.C. Maton, kantoorhoudend te ’s-Hertogenbosch.

[belanghebbende 2],

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats], [gemeente], [land].

De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de GI.

Gezien de stukken, waaronder de door de kinderrechter gegeven en op 15 februari 2019 uitgesproken beschikking waarbij de voorlopige ondertoezichtstelling van de toen nog niet geboren [minderjarige] voor de duur van 3 maanden en haar uithuisplaatsing vanaf haar geboorte voor de duur van 3 weken is uitgesproken.

1. Het verdere procesverloop

De moeder heeft middels haar advocaat op 28 februari 2019 producties overgelegd.


Op 28 februari 2019 zijn de belanghebbenden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord op de verzoeken en de genomen beslissingen.

Gehoord zijn:
- de moeder, bijgestaan door mr. Maton, voornoemd,

- de vader

- een vertegenwoordigster van de raad,

- een vertegenwoordigster van de GI.

2 Het verzoek en het verweer

De raad legt aan de verzoeken ten grondslag dat voor de pasgeborene de ontwikkelingsbedreiging is gelegen in het feit dat de ouders tenminste acht kinderen hebben die allemaal onder voogdij van de jeugdbescherming staan. Voor al deze kinderen gold dat de ouders een zeer zorgelijk en hardnekkig patroon lieten zien van het ontbreken van stabiliteit op alle leefgebieden, maar ook ten aanzien van de basale zorg en veiligheid die zij hun kinderen in het verleden niet konden bieden en ook nu niet kunnen bieden. Gelet op de geschiedenis van de andere kinderen en het beloop van de hulpverlening bij die kinderen ziet de raad aanleiding om ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing te verzoeken teneinde haar veiligheid en verzorging te kunnen waarborgen en onderzoek te kunnen verrichten naar wat goed is voor [minderjarige] en te bepalen waar het perspectief van dit zeer jonge kindje ligt. Het acute gevaar is dat de ouders met [minderjarige] met onbekende bestemming zullen vertrekken en er geen zicht meer zal zijn op deze baby, waardoor de dringend noodzakelijke (medische) hulpverlening niet meer gewaarborgd kan worden.

De gezinsvoogdijwerkster heeft ter zitting verklaard dat zij op bezoek is geweest bij [minderjarige] in het pleeggezin en dat zij heeft gezien dat [minderjarige] nog heel kwetsbaar is. Zij heeft moeite om haar temperatuur vast te houden en moet vaak spugen waarschijnlijk als gevolg van een te hoog bilirubinegehalte. Omdat zij het belangrijk vindt dat er omgang is tussen de ouders en [minderjarige] heeft de gezinsvoogdijwerker geprobeerd om de ouders te stimuleren om naar [minderjarige] toe te gaan, nu [minderjarige] zelf, vanwege haar kwetsbaarheid, niet in staat is om een lange rit in de auto te doorstaan. De ouders hebben echter te kennen gegeven niet te zullen gaan omdat zij het vervoer van Lanaken (hun huidige woonplaats) en de regio zuid-oost Limburg (waar hun dochtertje verblijft) niet geregeld krijgen omdat het openbaar vervoer erg tijdrovend is. De gezinsvoogdijwerker heeft een paar maal met de moeder getelefoneerd om te vertellen hoe het met [minderjarige] gaat, maar kreeg van de moeder daarop weinig reactie.

De moeder heeft verklaard dat zij wil dat [minderjarige] thuis komt wonen. Alles dat de raad tegenwerpt is volgens de moeder onzin. Het is onterecht dat zij als ouders steeds opnieuw beschuldigd worden door de instanties dat zij niet goed voor hun kinderen zorgen. Het liefst wil de moeder dat [minderjarige] naar huis komt, maar als dat niet mogelijk is wil zij met [minderjarige] naar een moeder-kind-huis.

Namens de moeder heeft haar advocaat als verweer gevoerd dat al hetgeen de raad tegenwerpt gebaseerd is op ervaringen uit het verleden. Het lijkt op: “Eens een dief altijd een dief”. De raad zegt ten onrechte dat de ouders zich niet gemeld hebben met de zwangerschap. Dat konden de ouders niet, omdat de ouders zelf ook niet wisten dat de moeder zwanger was. Bij het (tot voor kort) jongste kind was het zo dat de moeder een ongecontroleerde zwangerschap doormaakte. Het is dus begrijpelijk dat de hulpverlenende instanties zich zorgen maakten, maar nu was het anders. De moeder heeft van die ervaring geleerd. De ouders hebben zich, zodra zij van de zwangerschap wisten, gewend tot allerlei instanties. De moeder is in het ziekenhuis bevallen. Er is nu sprake van een vast adres. De raad is daar op bezoek geweest en schrijft ten onrechte dat het er vies was. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat het huisje proper is, heeft de advocaat verwezen naar overgelegde foto’s van het interieur en van de kinderkamer, waarop een opgemaakt kinderbedje zichtbaar is met de benodigde spulletjes om de baby te verzorgen.

Er is speelgoed en er zijn goede sanitaire voorzieningen in het huisje.

Bovendien heeft de moeder een afspraak voor controle in het ziekenhuis, is [minderjarige] aangemeld bij kraamzorg en een verloskundige-praktijk in Maastricht en is er contact geweest voor het hielprikje. De raad wordt dus niet gevolgd in zijn betoog dat de ouders maar wat doen en de boel ontvluchten. De ouders wonen op het aangegeven adres, er is dus stabiliteit. De vader heeft gewerkt in de beveiliging in Engeland, heeft een bedrag gespaard en zou full-time bij de moeder kunnen zijn om haar te ondersteunen in de verzorging en opvoeding van [minderjarige].

De verzoeken zijn derhalve te zeer gebaseerd op het verleden. Daardoor krijgen de ouders met dit kindje geen kans om er wat van te gaan maken. Deze situatie is anders dan bij de andere kinderen. De ouders hebben alle trajecten die ze kunnen bedenken ingezet. Er moeten hen nu kansen geboden worden. Het liefst zien de ouders dat de verzoeken tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing worden afgewezen, mocht er toch een toewijzing komen, dat ziet de advocaat graag in de overwegingen opgenomen dat er gekeken moet worden of er mogelijkheden zijn voor opname van de ouders in een moeder-kind-huis.

De vader heeft verklaard dat hen ten onrechte wordt tegengeworpen dat zij de zwangerschap niet hebben laten controleren. Dat kon immers niet, omdat zij zelf niet wisten dat de moeder zwanger was. Bij het jongste kind hebben zij ook gevraagd om opname in het moeder-kind-huis, dat is nooit aangevraagd en nooit afgewezen. Nu komen de instanties weer met de leugen dat zij als ouders geen luier willen komen verschonen bij [minderjarige]. Dat is niet de reden dat zij niet op bezoek komen. Zij komen niet op bezoek vanwege meerdere leugens naar hen toe.

3 De verdere beoordeling

Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling te komen, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de Nederlandse rechter ten aanzien van de beoordeling van het door de raad ingediende verzoek (in internationale zin) rechtsmacht toekomt (bevoegd is om het verzoek van de raad te behandelen en te beslissen).

Op grond van artikel 8 lid 1 Brussel II-bis zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet: “de gewone verblijfplaats” van een minderjarige worden bepaald op basis van een geheel van feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak. Naast de fysieke aanwezigheid van een minderjarige in een lidstaat moeten andere factoren aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt.

[minderjarige] is geboren in [geboorteplaats] nadat haar moeder de laatste maanden van haar zwangerschap in Nederland en laatstelijk in het ziekenhuis te [vestigingsplaats] heeft verbleven en aldaar ook is bevallen. Aansluitend aan haar geboorte en korte verblijf in het ziekenhuis verblijft [minderjarige] in een pleeggezin op een adres binnen het arrondissement van deze rechtbank. De rechtbank is daarom van oordeel dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland ligt, zodat op grond van artikel 8 lid 1 Brussel II-bis de Nederlandse rechter bevoegd is te beslissen ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid.

Nu de pleegouders en [minderjarige] woonachtig zijn binnen het arrondissement van de rechtbank Limburg, is deze rechtbank relatief bevoegd van het verzoek kennis te nemen.

Op grond van artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV 1996) is Nederlands recht van toepassing, nu de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is.

Vervolgens dient de vraag zich aan of de vader “belanghebbende” is in de zin van artikel 798 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voor wat betreft dit verzoek tot (voorlopige) ondertoezichtstelling, nu de vader ten tijde van de behandeling van het verzoek ter zitting nog geen gezag heeft over [minderjarige].

Met inachtneming van de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen en de vaste jurisprudentie beantwoordt de kinderrechter deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

De vader heeft [minderjarige] erkend, waardoor hij een juridische status heeft als vader van [minderjarige] die daardoor zijn geslachtsnaam draagt. Verder neemt de kinderrechter mee dat de vader en de moeder een langdurige relatie hebben waaruit, zo volgt uit het raadsrapport, tenminste acht kinderen zijn geboren en aannemelijk is dat de vader ook over de andere kinderen gezag heeft (gehad) nu de raad aangeeft dat over het laatst geboren kind door een rechtbank d.d. 13 november 2018 een gezagsbeëindiging van de ouders is uitgesproken. De vader heeft ter zitting verklaard dat hij samen met de moeder geen weet had van de zwangerschap tot november 2018 en dat hij, zodra hij wist van de zwangerschap, daarbij steeds betrokken is geweest en samen met de moeder voorbereidingen heeft getroffen voor de komst van de baby. Ook heeft de vader verklaard dat hij momenteel alle noodzakelijke stappen zet om het gezag over [minderjarige] te verkrijgen. Dat hij daartoe een DigiD heeft aangevraagd en er dus spoedig sprake zal zijn van gezamenlijk gezag over [minderjarige]. De moeder heeft tegenover de kinderrechter verklaard dat zij het goed vindt dat de vader mede het gezag over [minderjarige] krijgt. In deze feiten en omstandigheden ziet de kinderrechter grond voor het oordeel dat de vader in deze zaak ook thans kan worden aangemerkt als degene op wiens rechten en verplichtingen deze zaak betrekking heeft, en dat hij aldus als belanghebbende dient te worden aangemerkt.

Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid kan de kinderrechter de GI die is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen om de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen (artikel 1:265b lid 1 BW).

De kinderrechter is op de daartoe door de raad in het verzoekschrift aangevoerde gronden, welke de kinderrechter overneemt van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding, nu tevens de grond voor een (voorlopige) ondertoezichtstelling is vervuld (artikel 1:255 BW).

De raad mocht zich, anders dan de ouders hebben tegengeworpen, in zijn conclusie dat er sprake is van acute en ernstige bedreiging van de veiligheid van de pasgeborene, vooralsnog (bij gebreke van een nader eigen onderzoek en bij gebreke van andere harde feiten) baseren op ervaringen uit het verleden, nu tenminste acht andere kinderen uit ditzelfde gezin onder voogdij van de jeugdbescherming staan en de ouders over een lange periode hebben laten zien dat er sprake is van een zorgelijk en hardnekkig patroon van het ontbreken van basale zorg en veiligheid en stabiliteit op alle leefgebieden ten behoeve van hun kindje(s). De omstandigheden waaronder de kinderen bij ouders hebben geleefd, zijn erbarmelijk te noemen waarvan het verzoek een aantal sprekende voorbeelden heeft opgesomd. Moeder is zeer zwak en verstandelijk beperkt en bij haar is in relatie tot haar verschillende kinderen op geen enkele manier een stijgende lijn gezien in het nemen van verantwoordelijkheid over haar eigen leven en dat van haar kinderen. Van moeder is tot op heden gebleken dat zij niet in staat is af te stemmen op de behoeften van de kinderen en ook dat zij hierin niet leerbaar is. Verder is tot nu toe van vader gebleken dat hij geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn kinderen en deze bij de moeder legt. Over de relatie van de ouders is bekend dat er sprake is van een patroon van aantrekken en afstoten waarbij de moeder de ene keer laat weten dat de relatie is beëindigd en de andere keer dat de relatie wordt voortgezet. Om [minderjarige] als kwetsbare pasgeborene daar zondermeer aan over te leveren vertrouwend op de woorden van de ouders dat zij het nu samen allemaal anders gaan doen, is in het licht van een jarenlang bestaand zeer zorgelijk patroon niet verantwoord.

Weliswaar is er nu sinds kort een (tijdelijk ?) vast adres en zou de vader vanwege zijn spaargeld enige tijd de moeder kunnen bijstaan in de verzorging en opvoeding van [minderjarige], ter zitting laten de ouders ook zien dat zij, daartoe uitgenodigd, niet eens naar [minderjarige] zijn toegegaan om haar te bezoeken, terwijl hun was medegedeeld dat [minderjarige] nog te kwetsbaar is om naar hen toe te komen. Het contact met haar ouders (structureel) is vanuit [minderjarige] van groot belang en kan voor haar toekomst en voor de rol die haar ouders daarin kunnen spelen van groot belang zijn. Ook laten de ouders vooralsnog weinig bereidheid zien om met de gezinsvoogdijwerker in gesprek te gaan in het belang van [minderjarige]. Gelet op deze houding van de ouders in het licht van alle overige feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien is naar het oordeel van de kinderrechter een uithuisplaatsing in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] noodzakelijk.

De kinderrechter dringt er bij de ouders op aan om in gesprek te gaan met de GI en om goed samen te gaan werken met de GI en daarbij open te zijn over hun intenties en hun bereidheid om zich daadwerkelijk in te spannen als ouders van [minderjarige] zodat zicht kan worden verkregen op de mogelijkheden van de ouders om [minderjarige] zelf thuis te kunnen opvoeden en verzorgen en om ook zicht te krijgen op, indien nodig, hulpverlening voor de moeder zelf (mogelijk in de vorm van opname in een moeder-kind-huis) en of die mogelijkheid een reële en haalbare optie is voor [minderjarige].

De kinderrechter stelt vast dat de raad niet het in artikel 1:265b lid 2 BW vereiste besluit van het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 2.3 lid 1 van de Jeugdwet heeft overgelegd.

Op grond van artikel 1:265b lid 3 BW kan de kinderrechter, in afwijking van het tweede lid, een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen zonder dat het college van burgemeester en wethouders een daartoe strekkend besluit heeft genomen, indien het belang van het kind dit vergt. Een dergelijke situatie doet zich naar het oordeel van de kinderrechter thans voor, nu het college van burgemeester en wethouders niet tijdig een deugdelijk besluit heeft genomen dat aansluit bij de spoeduithuisplaatsing welke eerder door de kinderrechter is bevolen. De kinderrechter zal derhalve, onder toepassing van lid 3, de machtiging tot uithuisplaatsing verlenen als verzocht.

4 De beslissing


De kinderrechter:

verleent machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een (crisis)pleeggezin met ingang van 8 maart 2019 voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling tot

15 mei 2019,

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, kinderrechter, en in tegenwoordigheid van

mr. E.J.M. van der Poel als griffier in het openbaar is uitgesproken op 8 maart 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch