Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:3673

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
19-04-2019
Zaaknummer
C/03/256331 / FA RK 18-3976 en C/03/256334 / FA RK 18-3977
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

De ouders hadden het voornemen hun kinderen als ongeboren vrucht te laten erkennen tijdens de zwangerschap en daarbij voor de achternaam van de vader te kiezen. Vanwege de premature geboorte en het kort daarna overlijden van de kinderen van partijen heeft de erkenning en de naamskeuze niet kunnen plaatsvinden. De Nederlandse wet biedt niet de mogelijkheid om die erkenning en naamskeuze alsnog te laten plaatsvinden. Hetgeen tot gevolg heeft dat de vader niet als juridisch vader in de geboorte- en overlijdensakten kan worden aangemerkt en ook niet kan worden gekozen voor de geslachtsnaam van de vader. Het ontbreken van die wettelijke mogelijkheid levert een inbreuk op van het recht op family life in de zin van artikel 8 EVRM. De rechtbank is van oordeel dat alsnog een mogelijkheid moet worden opengesteld om de wensen van de ouders in te willigen, nu in het onderhavige geval het respect voor hun familie- en gezinsleven eist dat het belang van de biologische en sociale werkelijkheid, en de wensen van de ouders dienen te prevaleren boven de lacune in de Nederlandse wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 21 februari 2019

Zaaknummers: C/03/256331 / FA RK 18-3976 en C/03/256334 / FA RK 18-3977

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

het openbaar ministerie,

arrondissementsparket Limburg,

gevestigd te Maastricht,

verder te noemen: het openbaar ministerie.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[belanghebbende 1] ,

verder te noemen: de moeder,

wonend te [woonplaats] ,

[belanghebbende 2] ,

verder te noemen: de vader,

wonend te [woonplaats] ,

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Heerlen,

verder te noemen: de ambtenaar.

1 Het verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van het op 25 oktober 2018 ingekomen verzoekschrift met bijlagen.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 30 januari 2019.

Bij die gelegenheid zijn de officier van justitie, de ouders en de ambtenaar verschenen.

2 Het verzoek

Het openbaar ministerie heeft, naar de rechtbank begrijpt, verzocht dat de rechtbank de aanvulling zal gelasten van:

  • -

    het geboorteregister van de gemeente Heerlen, met een akte van geboorte, inhoudende de geboorte op [2010] om [tijd] te [geboorteplaats] van het kind van het mannelijk geslacht met de voornaam [voornaam 1] en de geslachtsnaam [geslachtsnaam] , van wie de erkenner [belanghebbende 2] is en de moeder is [belanghebbende 1] is;

  • -

    het geboorteregister van de gemeente Heerlen, met een akte van geboorte, inhoudende de geboorte op [2014] om [tijd] te [geboorteplaats] van het kind van het mannelijk geslacht met de voornaam [voornaam 2] en de geslachtsnaam [geslachtsnaam] , van wie de erkenner [belanghebbende 2] is en de moeder is [belanghebbende 1] is;

  • -

    het overlijdensregister van de gemeente Heerlen, met een akte van overlijden van, inhoudende het overlijden op [2010] om [tijd] te [plaats van overlijden] van het kind van het mannelijk geslacht met de voornaam [voornaam 1] en de geslachtsnaam [geslachtsnaam] , van wie de erkenner [belanghebbende 2] is en de moeder is [belanghebbende 1] is;

  • -

    het overlijdensregister van de gemeente Heerlen, met een akte van overlijden, inhoudende het overlijden op [2014] om [tijd] te [plaats van overlijden] van het kind van het mannelijk geslacht met de voornaam [voornaam 2] en de geslachtsnaam [geslachtsnaam] , van wie de erkenner [belanghebbende 2] is en de moeder is [belanghebbende 1] is.

Het openbaar ministerie heeft instemmingsverklaringen van de ouders overgelegd.

3 De standpunten ter zitting

De moeder heeft aangeven dat het de bedoeling van partijen was dat de vader vanaf de geboorte van de kinderen de juridische vader van de kinderen zou zijn en dat zij zijn achternaam zouden hebben, net zoals de ouders dat bij hun andere kind hebben geregeld. In het ziekenhuis is hen gezegd dat ze vóór 24 weken zwangerschap de erkenning moesten regelen, echter hun twee zonen zijn reeds met 22 weken zwangerschap geboren en kort daarna overleden. Het opmaken van de akten is erg belangrijk voor de eenheid van het gezin. De ouders hebben hun andere zoon moeten vertellen dat de overleden twee zonen een andere achternaam hebben. Dat voelt voor hen als een scheiding binnen het gezin. Dit terwijl de twee zonen deel uitmaken van het gezin. Ze vieren hun verjaardagen en voeden hun andere zoon op met de twee zonen. De ouders gebruiken zelf wel de achternaam [geslachtsnaam] voor hun twee overleden zonen, ook buiten hun gezin. Ze hebben dat nooit anders gedaan. Als de verzoeken niet kunnen worden toegewezen dan vinden de ouders dat heel verdrietig. Het is heel belangrijk en emotioneel voor hen en voor hun gezin.

De ambtenaar heeft aangegeven dat destijds geboorte- en overlijdensakten hadden moeten worden opgemaakt. De vader had de kinderen dan voor de geboorte nog kunnen erkennen en hen zijn geslachtsnaam kunnen geven. De ambtenaar heeft die mogelijkheid formeel nu niet. De ambtenaar pleit er voor in deze situatie af te wijken van de wet en toch nog akten op te maken. Het opmaken van die akten heeft geen rechtsgevolgen in de maatschappij. Je doet er niemand kwaad mee indien aan de wensen van de ouders wordt tegemoetgekomen, het is puur een emotionele zaak voor de ouders. Bovendien wordt in Nederland gestreefd naar eenheid van namen binnen een gezin.

Het openbaar ministerie heeft naar voren gebracht dat het in casu een zeer uitzonderlijke situatie betreft. In principe is er volgens de wet geen mogelijkheid om de wensen van de ouders in te willigen. Het openbaar ministerie heeft verwezen naar een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 maart 1995 (NJ 1995, 490, vindplaats op internet ECLI: NL:RBSHE:1995:AC0282) en aangeven dat deze uitspraak belangrijk is omdat daarin aan de feiten en wensen van de ouders wordt tegemoet gekomen en de belangen van de ouders boven de wettelijke bepaling worden gesteld.

Het openbaar ministerie heeft voorts verzocht de aanvankelijke verzoeken op een zodanige wijze aan te passen dat daarmee wordt tegemoetgekomen aan de wensen van de ouders.

4 De beoordeling

Op grond van artikel 24, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie de aanvulling van een register van de burgerlijke stand gelasten met een daarin ontbrekende akte. Ingevolge artikel 1:24b, lid 1, BW geschiedt de aanvulling van een register van de burgerlijke stand door het opmaken van een nieuwe akte in dat register.

In artikel 1:19i, lid 2, BW is bepaald dat wanneer een kind binnen de in artikel 1:19e, lid 6, BW bepaalde termijn (binnen drie dagen na de dag der bevalling) is overleden voordat aangifte van de geboorte is geschied, zowel een akte van geboorte als een akte van overlijden wordt opgemaakt.

De rechtbank is gebleken dat uit de moeder op [2010] om [tijd] te [geboorteplaats] een kind van het mannelijk geslacht is geboren. De ouders hebben het kind de voornaam [voornaam 1] gegeven. Verder leidt de rechtbank uit de overgelegde stukken af dat voornoemd kind op [2010] om [tijd] te [plaats van overlijden] is overleden.

Voorts is gebleken dat uit de moeder op [2014] om [tijd] te [geboorteplaats] een kind van het mannelijk geslacht is geboren. De vader en de moeder hebben het kind de voornaam [voornaam 2] gegeven. Verder leidt de rechtbank uit de overgelegde stukken af dat voornoemd kind op [2014] om [tijd] te [plaats van overlijden] is overleden.

Vast staat dat er geen geboorteakten en geen overlijdensakten van voornoemde kinderen zijn opgemaakt door de daartoe bevoegde ambtenaar.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank verder gebleken dat de ouders niet gehuwd zijn en dat zij het voornemen hadden de kinderen als ongeboren vrucht te laten erkennen tijdens de zwangerschap en dat bij de naamskeuze voor de achternaam van de vader zou zijn gekozen. Vanwege de premature geboorte en het kort daarna overlijden van de kinderen heeft de erkenning en de naamskeuze niet kunnen plaatsvinden en was het ook niet mogelijk dat nog met terugwerkende kracht te regelen. Hetgeen tot gevolg heeft dat de vader niet als juridisch vader in de geboorte- en overlijdensakten kan worden aangemerkt en ook niet kan worden gekozen voor de geslachtsnaam [geslachtsnaam] .

De rechtbank stelt voorop dat de Nederlandse wet de ouders, die niet de kans hebben gehad om hun twee zonen door de vader te laten erkennen en hen de geslachtsnaam [geslachtsnaam] te geven, niet de mogelijkheid biedt om die erkenning en naamskeuze alsnog te laten plaatsvinden.

De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van die wettelijke mogelijkheid een inbreuk oplevert van het recht op family life in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dat deel uitmaakt van het door de Nederlandse rechter toe te passen recht en daarom naar Nederlandse opvattingen niet kan worden aanvaard. Dat sprake is van family life staat naar het oordeel van de rechtbank vast. De rechtbank overweegt daartoe dat het de bedoeling van de ouders was dat de vader de twee kinderen voor hun geboorte zou erkennen en dat zij de geslachtsnaam [geslachtsnaam] zouden krijgen. De moeder heeft emotioneel en vastberaden betoogd dat de twee overleden kinderen deel uit maken van het gezin, bij welk betoog de eveneens zichtbaar geëmotioneerde vader zich heeft aangesloten. De ouders vieren de verjaardagen van de twee overleden kinderen en voeden hun andere kind op met die twee kinderen. Het feit dat de twee overleden kinderen een andere achternaam hebben, voelt voor het gezin als een scheiding binnen het gezin. Het ontbreken van voornoemde wettelijke mogelijkheid wordt door de ouders als zeer verdrietig en emotioneel, en in strijd met hun recht op gezinsleven ervaren.

De rechtbank neemt voorts de door de officier van justitie genoemde uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 maart 1995 in aanmerking.

De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft daarin onder meer het volgende overwogen:

“Door verzoekers is bepleit dat de ambtenaar door het doen van een beroep op artikel 1:2 BW inbreuk maakt op het bepaalde in artikel 8 EVRM.(…)

Uit het bepaalde in artikel 1:2 BW vloeit voort dat de wet, door de fictie in het leven te roepen dat een levenloos ter wereld gekomen kind nimmer heeft bestaan, miskent dat in elk geval tijdens de zwangerschap, maar ook nog na de geboorte feitelijk een situatie van ‘family life’ kan bestaan. De rechtbank constateert, gelet op het hiervoor overwogene, dat in het onderhavige geval fictie en feiten op dit punt ook daadwerkelijk met elkaar in tegenstrijd zijn. (…)

Vastgesteld is reeds dat tijdens de zwangerschap een situatie is ontstaan waarin sprake was van ‘family life’. Voormeld algemeen uitgangspunt leest de rechtbank niet zo, dat daarmee alleen wordt geduid op de situatie waarin een kind levend ter wereld is gekomen. Hiervoor is immers reeds overwogen dat ook na het levenloos ter wereld komen nog een band tussen ouders en kind kan bestaan die gekenschetst kan worden als ‘family life’. (…)

De rechtbank is van oordeel dat ook in het onderhavige geval door een beroep op de fictie van artikel 1:2 BW een situatie ontstaat waarin de juridische fictie wordt verleend boven de sociale en biologische feiten en de wensen van alle betrokkenen, moeder, wettige vader en biologische vader. De rechtbank kan niet inzien welk algemeen belang of welke belangen van het levenloos geboren kind rechtvaardigen dat aan de juridische fictie voorrang wordt verleend boven deze feiten en wensen. Een beroep op de juridische fictie leidt derhalve tot een situatie waarin geen recht wordt gedaan aan het bepaalde in artikel 8 EVRM.”

Gelet op al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat alsnog een mogelijkheid moet worden opengesteld om de wensen van de ouders in te willigen, nu in het onderhavige geval het respect voor hun familie- en gezinsleven eist dat het belang van de biologische en sociale werkelijkheid, en de wensen van de ouders dienen te prevaleren boven de lacune in de Nederlandse wet. Daarmee wordt recht gedaan aan het bepaalde in artikel 8 EVRM.

De rechtbank zal uitgaan van de fictieve situatie waarin de erkenning van de twee kinderen door de vader voor de geboorte van die kinderen heeft plaatsgevonden en waarbij de kinderen de geslachtsnaam van de vader hebben gekregen. Dat was ook de bedoeling van de ouders en zo hebben zij het ook bij hun andere kind gedaan. De vader is dan vanaf de geboorte van de kinderen de juridisch vader, zodat de kinderen in de geboorte- en overlijdensakten ook de geslachtsnaam [geslachtsnaam] hebben. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de verzoeken van de officier van justitie, gehoord de ouders en de ambtenaar, die daar alleen mee instemmen. Niet gesteld noch gebleken is dat deze beslissing strijdig is met de rechten of belangen van derden of van de maatschappij. Deze beslissing sluit aan bij de ontwikkeling die door de wetgever in gang is gezet dat ouders sinds 3 februari 2019 hun levenloos geboren kind kunnen laten registeren in de Basisregistratie Personen.

De rechtbank zal derhalve de verzoeken van de officier van justitie toewijzen zoals hierna in het dictum vermeld.

4 De beslissing
De rechtbank:

gelast de aanvulling van het geboorteregister van de gemeente Heerlen, met een akte van geboorte, inhoudende de geboorte op [2010] om [tijd] te [geboorteplaats] van het kind van het mannelijk geslacht met de voornaam [voornaam 1] en de geslachtsnaam [geslachtsnaam] , van wie de vader is [belanghebbende 2] , geboren op [1974] te [geboorteplaats] , en de moeder is [belanghebbende 1] , geboren op [1978] te [geboorteplaats] ;

gelast de aanvulling van het overlijdensregister van de gemeente Heerlen, met een akte van overlijden, inhoudende het overlijden op [2010] om [tijd] te [plaats van overlijden] van het kind van het mannelijk geslacht met de voornaam [voornaam 1] en de geslachtsnaam [geslachtsnaam] , van wie de vader is [belanghebbende 2] , geboren op [1974] te [geboorteplaats] , en de moeder is [belanghebbende 1] , geboren op [1978] te [geboorteplaats] ;

gelast de aanvulling van het geboorteregister van de gemeente Heerlen, met een akte van geboorte, inhoudende de geboorte op [2014] om [tijd] te [geboorteplaats] van het kind van het mannelijk geslacht met de voornaam [voornaam 2] en de geslachtsnaam [geslachtsnaam] , van wie de vader is [belanghebbende 2] , geboren op [1974] te [geboorteplaats] , en de moeder is [belanghebbende 1] , geboren op [1978] te [geboorteplaats] ;

gelast de aanvulling van het overlijdensregister van de gemeente Heerlen, met een akte van overlijden, inhoudende het overlijden op [2014] om [tijd] te [plaats van overlijden] van het kind van het mannelijk geslacht met de voornaam [voornaam 2] en de geslachtsnaam [geslachtsnaam] , van wie

de vader is [belanghebbende 2] , geboren op [1974] te [geboorteplaats] , en de moeder is [belanghebbende 1] , geboren op [1978] te [geboorteplaats] ;

bepaalt dat de griffier voor zover tegen deze beschikking geen hoger beroep is ingesteld, een afschrift daarvan zal zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Heerlen, dit in verband met het opmaken van een geboorteakten en een overlijdensakten van voormelde kinderen.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.M.L.C. Vos-Limpens, griffier op

21 februari 2019.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.