Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:347

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-01-2019
Datum publicatie
31-01-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2918
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is niet in aanmerking gebracht voor Wajong-uitkering; door verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet onderbouwd dat ontbreken arbeidsvermogen zich kan ontwikkelen; rechtbank hecht aanzienlijk belang aan verklaring pedagogisch begeleidster wat betreft de inschatting van de met begeleiding van eiser behaalde resultaten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 17/2918

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2019 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M. Adansar),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), verweerder

(gemachtigde: mr. R. Boonstra).

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) afgewezen.

Bij besluit van 28 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst. De na de zitting aan het dossier toegevoegde stukken zijn in kopie aan partijen gezonden. Het onderzoek ter zitting is hervat op 13 december 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [dagtekening] april 1999. Hij is 18 jaar geworden op [dagtekening] april 2017. Eiser heeft op 9 februari 2017 een Wajong-uitkering aangevraagd. Deze aanvraag is bij verweerder ontvangen 16 februari 2017. Hierop heeft verweerder een medisch en een arbeidskundig onderzoek verricht, waarna de besluitvorming tot stand is gekomen zoals weergegeven in procesverloop.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser nu niet over arbeidsvermogen beschikt maar dat kan zich in de toekomst nog ontwikkelen en is zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wajong daarom afgewezen.

3. Eiser heeft in beroep -samengevat- aangevoerd dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van een situatie waarbij het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is. Met het standpunt van verweerder, de verzekeringsarts bezwaar en beroep, met name voor zover dat inhoudt dat eiser zich verder kan ontwikkelen, omdat de hersenen van een persoon tot 27 jaar ontwikkelen, kan eiser zich, gelet op zijn medische beperkingen PDD-NOS, ADHD en zwakbegaafdheid, niet verenigen. Er ligt geen juiste analyse aan het standpunt van verweerder ten grondslag en is dan ook sprake van een onzorgvuldige belangenafweging. Eiser is van mening dat niet gezegd kan worden dat zijn stoornis, wat tot gevolg heeft dat hij geen basale werknemersvaardigheden kan opbouwen, van tijdelijke aard is en daardoor niet duurzaam. Eiser beroept zich daartoe op een verklaring van zijn begeleidster [naam].

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is

jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

In het vierde lid is bepaald dat onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie wordt verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

In het zesde lid is bepaald dat de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en voor zover nodig een arbeidskundig onderzoek.

In het achtste lid is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot het eerste, vierde en zesde lid nadere regels worden gesteld.

Deze nadere regels zijn neergelegd in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (het Schattingsbesluit). In artikel 1a, eerste lid van het Schattingsbesluit is bepaald dat betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

6. Voor het recht op uitkering op grond van de Wajong moet verweerder dus beoordelen of de betrokkene aan (ten minste) een van de vier in het eerste lid van artikel 1a van het Schattingsbesluit genoemde voorwaarden voldoet. Is dat het geval dan moet verweerder beoordelen of deze situatie duurzaam is als bedoeld in artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong. Nadere regels als bedoeld in artikel 1a, derde lid, van het Schattingsbesluit, ter beoordeling van de vraag of de betrokkene aan een van de vier in het eerste lid genoemde voorwaarden voldoet, zijn niet gesteld. Volgens de nota van toelichting bij het Besluit van 8 oktober 2014 tot wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten in verband met de Invoeringswet Participatiewet (p. 5 e.v.) staat de term ‘mogelijkheden tot arbeidsparticipatie’ gelijk aan het begrip ‘arbeidsvermogen’. Arbeidsvermogen is het vermogen van een individu om doelgerichte handelingen in een arbeidsorganisatie te verrichten die resulteren in producten of diensten die een economische waarde hebben, waarmee wordt bedoeld dat een werkgever bereid is loon te betalen voor een verrichte taak. Verder blijkt uit de nota van toelichting bij voormeld Besluit dat het duurzaam niet hebben van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie betekent dat de mogelijkheden noch door medisch herstel noch door training (bijvoorbeeld scholing) kunnen verbeteren. De rechtbank wijst in dit kader op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 5 april 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1018).

7. Voor de beoordeling of eiser voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van een Wajong-uitkering heeft verweerder gebruik gemaakt van de Sociaal Medische Beoordeling Arbeidsvermogen (SMBA)-systematiek. Voor de toepassing van de SMBA-systematiek heeft verweerder het ‘Compendium Participatiewet’ (Compendium) ontwikkeld.

In Bijlage 1 van het Compendium is de wijze van beoordeling beschreven. Daarin is onder meer opgenomen dat de verzekeringsarts zich uitspreekt over ontwikkeling van de mogelijkheden van cliënt, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. Indien geen sprake is van een progressief ziektebeeld en geen sprake is van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden, waarbij de aandoening zodanig ernstig is dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht, stellen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij tenminste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.

Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt.

8. De verzekeringsarts heeft de dossiergegevens bestudeerd en eiser gezien op het spreekuur van 22 maart 2017. Voorts heeft de verzekeringsarts overleg gehad met arbeidsdeskundige Houben. Op basis van de bevindingen van dossieronderzoek, anamnese en dagverhaal rapporteert de verzekeringsarts dat sprake is van een autistische stoornis, licht verstandelijke beperkingen en ADHD. Voorts dat niet kan worden geconcludeerd dat eiser niet in staat is om ten minste één uur aaneengesloten te werken of ten minste vier uur per dag belastbaar te zijn. Na overleg met de arbeidsdeskundige wordt geconcludeerd dat momenteel geen sprake is van basale werknemersvaardigheden. De arbeidsdeskundige heeft dossierstudie verricht en over zijn bevindingen gerapporteerd op 24 april 2017. De arbeidsdeskundige rapporteert dat eiser momenteel niet beschikt over basale werknemersvaardigheden omdat hij niet in staat is om afspraken met een werkgever na te komen. Deze situatie is niet duurzaam omdat er nog ontwikkelingsmogelijkheden zijn. Met behulp van pedagogische aansturing in een begeleide woonvorm, verdere behandeling (ook gericht op eventuele gameproblematiek) en rijping als gevolg van de leeftijd, is een verbetering van basale werknemersvaardigheden nog mogelijk.

8.1.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eveneens de dossiergegevens bestudeerd en heeft zijn bevindingen en conclusies neergelegd in de rapportage van 7 juli 2017. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op 27 juli 2017 gerapporteerd dat eiser binnen de dagbesteding weliswaar in staat is om diverse taken uit te voeren maar dat dit binnen een arbeidsorganisatie nog niet mogelijk is vanwege het ontbreken van de vereiste werknemersvaardigheden. Hij komt dan ook niet tot een andere conclusie dan de primair arbeidsdeskundige.

9. Met een aanvullend rapport van 12 september 2018 komt de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet tot een ander oordeel met betrekking tot de ontwikkeling van eisers arbeidsvermogen.

10. De rechtbank stelt voorop dat het geschil beperkt is tot de weigering om aan eiser een Wajong-uitkering toe te kennen. Daarbij is niet in geschil dat eiser op dit moment geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, maar wel of het ontbreken van deze mogelijkheden duurzaam is.

11. De CRvB heeft in voormelde uitspraak van 5 april 2018 overwogen dat het bij de vraag naar de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen gaat om de toekomstige mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige moeten een inschatting maken over hoe de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij de betrokkene kunnen ontwikkelen. Dit brengt voor een zorgvuldige besluitvorming mee dat de inschatting van de verzekeringsarts en/of de arbeidsdeskundige van de ontwikkeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betrokkene aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de situatie van de betrokkene op de datum in geding. In het geval de inschatting van de mogelijkheden tot ontwikkeling berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de betrokkene. Als de betrokkene bezwaar maakt tegen het oordeel dat geen sprake is van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen, zullen de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, rekening houdend met alle medische en arbeidskundige gegevens die in de bezwaarfase voorhanden zijn, voor zover deze betrekking hebben op de datum in geding, beoordelen of de inschatting van het niet duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen gehandhaafd moet blijven.

12. Ter onderbouwing van het standpunt dat basale werknemersvaardigheden ontbreken, heeft verweerder aangegeven dat eiser nog niet in staat is om afspraken met een werkgever na te komen en dus niet beschikt over arbeidsvermogen. Verweerder heeft onderzocht of eiser arbeidsvermogen zou kunnen ontwikkelen. De conclusie van het onderzoek is dat eiser zich met behulp van pedagogische aansturing (begeleide woonvorm, verdere behandeling en maturatie) dusdanig kan ontwikkelen dat verbetering van basale werknemersvaardigheden mogelijk wordt geacht en sprake is van arbeidsvermogen.

13. De verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft in zijn rapportage aan dat met betrekking tot de gestelde DSM-classificaties sprake is van blijvende aandoeningen maar dat zulks niet betekent dat de uitingen daarvan nog kunnen veranderen of verminderen.

Hierbij wordt gewezen op het gegeven dat eiser vanwege zijn leeftijd nog niet stil staat in zijn ontwikkeling. De hersenen zijn nog niet volwassen. Omdat deze als basis dienen voor de psychische, psychologische ontwikkeling is verbetering hiervan nog mogelijk. Tevens wordt aangegeven dat er nog veel tijd nodig zal zijn om het gedragspatroon van eiser dat mede door operante conditionering vorm heeft gekregen, door een nieuwe operante conditionering met behulp van behandelaars te doen veranderen. Omdat er voorts ontwikkelingen in positieve zin te verwachten zijn door de nog lopende begeleiding, is de verzekeringsarts bezwaar en beroep van mening dat de werknemersvaardigheden en arbeidsmogelijkheden nog kunnen verbeteren.

14. In de brief van de pedagogisch medewerkster door wie eiser begeleid wordt,

[naam], van 6 augustus 2018 is ten aanzien van eiser het volgende opgenomen: “[eiser] is kwetsbare, zachtaardige jongen. Wat ik merk is [eiser] een enthousiaste jongen is en van alles zou willen ondernemen. Echter lijkt [eiser] vast te lopen op het moment als hij over dingen gaat nadenken. [eiser] is een jongen die onzeker is over zichzelf , zowel over zijn uiterlijk als over zijn innerlijk. Hij is in het verleden gepest geworden, waar hij nu nog last van ervaart. Dit uit zich door het verkrijgen van vervelende gedachten in zijn hoofd. [eiser] is aangemeld voor de dagbesteding. Hier eerst samen gaan kijken. [eiser] is vervolgens 1 keer naar de dagbesteding gegaan en is hier Is hij dan ook enthousiast over. [eiser] is vervolgens nooit meer gegaan. Hij ervaart hier dus danig stres van en het lukt hem niet zichzelf te herpakken om er heen te gaan. Ook niet met ondersteuning van mij. [eiser] geeft aan onzeker te zijn en vind het eng om in contact te komen Met de andere jongens. [eiser] raakt er meerdere malen gefrustreerd van dat het hem niet lukt om een dagbesteding vol te houden en wilt graag weten waarom het niet lukt. Het stukje dagbesteding verloopt moeizaam. Hierin is het moeilijk om hem te begeleiden.

[eiser] wilt er wel aan werken, maar het lukt hem niet door zijn beperking. Ook al gaat [eiser] hierin stappen gaan maken zal zijn beperking altijd blijven. [eiser] zijn leven bestaat voornamelijk binnenshuis. Hij vermaakt zich veelal met de computer, televisie en

telefoon. Wanneer [eiser] buitenshuis gaat is dit samen met zijn ouders. Met [eiser] afgesproken dat we vaker erop uit gaan samen, zodat hij zelf wat vrijer word om zich buitenshuis te begeven”.

14.1.

Ter zitting van 13 december 2018 is door [de begeleidster] voorts naar voren gebracht dat begeleid wonen niet (meer) aan de orde is. Dit project is niet van de grond gekomen. Ook de deelname aan dagbesteding is mislukt. Eiser krijgt ondanks begeleiding deelname aan dagbesteding en begeleid wonen psychisch niet voor elkaar. Hij is daarvoor te angstig en het levert hem te veel spanningen op. Over de begeleiding heeft [de begeleidster] verder uiteengezet dat ten aanzien van het verrichten van huishoudelijke taken, sociale contacten, eisers psychisch welzijn en dagbesteding geen vooruitgang is geboekt.

Zij heeft voorts te kennen gegeven dat op dit moment en ook kijkend naar het verleden, als er een verbetering haalbaar was met alle zorg en hulp die eiser geboden is, er al stappen zouden zijn gemaakt de laatste jaren. Zij heeft tevens aangegeven dat het huidige streefdoel van de begeleiding is gericht op vaardigheden om op basaal niveau te kunnen functioneren in het dagelijks leven maar dat er geen concreet zicht is op het bereiken van dat doel, laat staan op het ontwikkelen van arbeidsvaardigheden.

15. De rechtbank hecht in dit verband een aanzienlijk belang aan de verklaringen van [de begeleidster] ter zitting. Hoewel zij geen arts is kan haar, gezien haar opleiding (SPW op MBO-4 niveau) en door haar toegelichte uitgebreide ervaring, deskundigheid wat betreft de inschatting van de met begeleiding van eiser te behalen resultaten niet worden ontzegd. De rechtbank acht die verklaringen bovendien inzichtelijk en consistent.

16. Mede gelet op de door [de begeleidster] schriftelijke en ter zitting beschreven stand van zaken van de begeleiding en haar prognose van de daarmee haalbare resultaten, is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat door voortgezette begeleiding in de toekomst een ontwikkeling naar basale werknemersvaardigheden te verwachten is.

17. Dat de werknemersvaardigheden van eiser zich kunnen ontwikkelen omdat er nog groei in lichamelijke ontwikkeling (hersenen) en psychologische ontwikkeling (operante conditionering met behulp van behandelaars) is te verwachten, hebben de verzekeringsartsen evenmin voldoende inzichtelijk gemaakt. Dat in het algemeen nog groei is te verwachten bij eisers vastgestelde en blijvende DSM-classificaties (autistische stoornis, licht verstandelijke beperkingen en ADHD) maar de uitingen daarvan nog kunnen veranderen of verminderen is een te algemene conclusie die niet is gebaseerd op een objectief medische onderbouwing daarvan.

18. Verder is uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet af te leiden hoe en op welke wijze de ontwikkeling van de mogelijkheden van eiser ertoe kan leiden dat hij op termijn wel over basale werknemersvaardigheden zou kunnen beschikken.

19. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder er niet in is geslaagd te onderbouwen dat eiser in de toekomst nog mogelijkheden tot arbeidsparticipatie kan ontwikkelen. Het besluit is hiermee onvoldoende gemotiveerd en derhalve in strijd met artikel 7:12 van de Awb.

20. De rechtbank acht het niet mogelijk om zelf in de zaak te gaan voorzien en ook geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb.

21. Het beroep is gegrond.

22. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.280,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting een waarde per punt van € 512,-).

23. De griffier heeft eiser bij brief van 11 oktober 2017 bericht dat hij op grond van de verstrekte gegevens voldoet aan de criteria voor betalingsonmacht en daarom vooralsnog afziet van het heffen van griffierecht. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarop terug te komen. Eiser is daarom voor de behandeling van dit beroep definitief geen griffierecht verschuldigd. Verweerder hoeft daarom geen griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.280,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van

E.S.J.M. Naebers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 17 januari 2019

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.