Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:3212

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-04-2019
Datum publicatie
16-08-2019
Zaaknummer
7578743 OV VERZ 19-10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beslagvrije voet 475 d lid 4 onder b en 475 e RV. Schuldenaar woont in het buitenland (België). Nederlandse normen of buitenlandse normen hanteren ? De in Nederland geldende normen brengen niet automatisch met zich dat die dan ook integraal dienen te worden gehanteerd voor in het buitenland wonende schuldenaren. Met andere woorden: de hoogte van de beslagvrije voet in deze hoeft niet gelijk te zijn aan de beslagvrije voet zoals die voor Nederlandse ingezetenen normaal berekend wordt. Er kan rekening gehouden worden met het prijspeil en levensstandaard in het betreffende land. Van dat laatste is bij de beslissing uitgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2019/83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht / Kantonrechter

Zaaknr: 7578743 OV VERZ 19-10

Beschikking van 4 april 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonend te [woonplaats] , [adres] ,

verzoeker,

gemachtigde mr. H.H. Acun,

tegen

de ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST (kantoor buitenland),

gevestigd en kantoor houdend te Heerlen,

verweerder,

verschenen bij zijn medewerker [naam medewerker belastingdienst]

Partijen zullen verder [verzoeker] en de Ontvanger genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 5 maart 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen verzoekschrift met bijlagen van [verzoeker] ,
- de op 27 maart 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen brief met een bijlage van [verzoeker] ,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 april 2019 waarbij [verzoeker] , bijgestaan door mr. Acun voornoemd, en [naam medewerker belastingdienst] voornoemd zijn verschenen,

- de pleitnota met producties van de Ontvanger.

1.2.

Vervolgens is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 17 april 2018 heeft de Ontvanger het op 14 april 2018 gedagtekende bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag met aanslagnummer 883.55.512.Y.8 over de periode 29 januari 2018 tot en met april 2018 van [verzoeker] ontvangen.

2.2.

Bij brief van 25 mei 2018 heeft de Inspecteur van de Belastingdienst voormeld bezwaar afgewezen en de naheffingsaanslag en boetebeschikking gehandhaafd. Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] geen beroep ingesteld.

2.3.

Bij brief van 31 oktober 2018 heeft de Ontvanger zijn vordering en het door hem te leggen beslag onder de Stichting Pensioenfonds ABP ten laste van [verzoeker] aan hem aangekondigd. Bij die brief heeft de Ontvanger tevens meegedeeld dat hij de beslagvrije voet op € 0,00 per maand schat en [verzoeker] in de gelegenheid gesteld om het bij die brief gevoegde formulier “Opgave Persoonlijke situatie en inkomsten voor berekening beslagvrije voet” in te vullen en voor 14 november 2018 aan hem te retourneren. Dat heeft [verzoeker] niet gedaan.

2.4.

Bij brief van 5 december 2018 heeft de Ontvanger [verzoeker] in kennis gesteld van het beslag en hem in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.

2.5.

Bij brief van 23 januari 2019 heeft ABP aan [verzoeker] - onder meer - meegedeeld dat de Ontvanger voor € 6.614,00 exclusief eventuele kosten en/of rente beslag heeft gelegd op het pensioen van [verzoeker] en dat ABP vanaf 1 februari 2019 maandelijks het bedrag zal inhouden dat boven de door de Ontvanger vastgestelde beslagvrije voet van € 0,00 ligt.

2.6.

[verzoeker] woont, blijkens het door de Ontvanger aangeleverde Landelijke adressenbestand (BVR), vanaf 16 maart 2018 aan de [adres] te [woonplaats] . De brieven van de Ontvanger als vermeld in 2.2 t/m 2.4 en de brief van het ABP als vermeld in 2.5. zijn alle aan voormeld adres gezonden.

2.7.

[verzoeker] ontvangt van ABP maandelijks € 344,00 aan pensioen en van ACV dagelijks € 48,00 aan werkloosheidsuitkering. Per maand ontvangt [verzoeker] tussen 25 en 27 dagen voormelde werkloosheidsuitkering. De maandelijkse huur bedraagt € 700,00 en de maandelijkse premie ziektekostenverzekering bedraagt € 31,15.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] verzoekt:

  1. het besluit van 5 december 2018 nietig te verklaren;

  2. de beslagvrije voet met ingang van januari 2019 vast te stellen op € 107,00 per maand althans

  3. de voor hem geldende beslagvrije voet met ingang van januari 2019 vast te stellen op een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

  4. de Ontvanger te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

De Ontvanger voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal de kantonrechter, indien nodig, nader ingaan.

4 De beoordeling

4.1.

[verzoeker] stelt - verkort weergegeven - dat de Ontvanger uit hoofde van naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting voor een auto, waarvan hij eigenaar was en die hij tot september 2010 heeft gebruikt, beslag heeft gelegd op zijn gehele pensioenuitkering bij ABP en dat hij daarbij ten onrechte de beslagvrije voet op nihil heeft gesteld. Door het beslag, het feit dat hij in België geen huur- en zorgtoeslag ontvangt en hij maandelijks ongeveer € 45,00 aan medicijnen zelf dient te betalen omdat die niet door zijn zorgverzekering worden vergoed, vanwege een operatie die gepland staat en de extra zorgkosten die hij ten gevolge daarvan zeker de eerste zes weken dient te betalen, kan hij niet in zijn levensonderhoud voorzien. Een huurtoeslag zal hem pas na vier jaar inschrijving op hetzelfde adres eventueel kunnen worden toegekend. Hij beseft dat zijn woonlasten te hoog zijn maar het lukt hem niet om goedkoper te gaan wonen omdat de wachttijd tien jaar bedraagt en aangezien hij pas drie jaar op zijn huidige adres staat ingeschreven en, indien hij gaat verhuizen naar een goedkopere woning in een andere gemeente in België zijn inschrijving weer op 0 jaren wordt gezet, zou hij nog langer op een eventuele huurtoeslag moeten wachten. Gelet op het voorgaande kan de beslagvrije voet niet aan de hand van de geldende Nederlandse normen worden vastgesteld, reden waarom hij verzoekt om bij de berekening van de beslagvrije voet met die omstandigheden rekening te houden. Volgens zijn berekening zou de beslagvrije voet op € 107,00 dienen te worden vastgesteld, aldus [verzoeker] .

4.2.

De Ontvanger voert aan dat de Nederlandse normen nu eenmaal gelden en dat deze dienen te worden gehanteerd temeer nu zijn vooraankondiging van het beslag aan het juiste adres is verzonden en [verzoeker] het formulier bij de brief van 31 oktober 2018 niet heeft ingevuld en geretourneerd. De beslagvrije voet is aan de hand van de gegevens die bij de Ontvanger bekend zijn daarom vastgesteld op € 8,00. Er bestaat geen aanleiding om de beslagvrije voet te verhogen met hogere huur- of ziektekosten dan in de norm is opgenomen en deze kan, wegens het door [verzoeker] niet verstrekken van de verlangde gegevens, niet met terugwerkende kracht worden vastgesteld, aldus de Ontvanger.

4.3.

De kantonrechter stelt voorop dat het niet aan hem is om in de onderhavige procedure te beslissen over het verzoek (verzoek 1) om het besluit van de Ontvanger van 5 december 2018 nietig te verklaren zodat hij niet toekomt aan beoordeling van het door partijen over en weer ter zake gestelde en dit verzoek zal afwijzen.

4.4.

Wat het vaststellen van de beslagvrije voet betreft geldt, ingevolge art. 475e Rv, voor vorderingen van een schuldenaar die niet in Nederland woont of geen vaste verblijfplaats in Nederland heeft, geen beslagvrije voet tenzij de schuldenaar aantoont dat hij buiten die vorderingen onvoldoende middelen van bestaan heeft. Een schuldenaar die niet in Nederland woont of geen vaste verblijfplaats in Nederland heeft, wordt namelijk geacht over buitenlandse bronnen van inkomsten te beschikken die voldoende bestaansmiddelen opleveren. Het is aan de schuldenaar om bewijs te leveren van het ontbreken van middelen van bestaan. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld gerechtshof Amsterdam van 26 juni 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2125) dient de schuldenaar daartoe in beginsel volledig inzicht te geven in zijn financiële situatie. Dat heeft [verzoeker] onvoldoende gedaan omdat hij onder meer zijn bankgegevens niet heeft aangeleverd. Gelet echter op het feit dat het privé en zakelijk faillissement van [verzoeker] eerst in 2018 is beëindigd en partijen het eens zijn over de door [verzoeker] verschuldigde maandelijkse lasten (zie 2.7.) kan de kantonrechter het verzoek onder 2 beoordelen.

4.5.

De kantonrechter oordeelt ter zake de verzochte ingangsdatum van januari 2019 dat [verzoeker] ter mondeling behandeling heeft verklaard dat hij het onzinnig vond om op de vooraankondiging en de mededeling van het beslag door de Ontvanger (de brieven van 31 oktober 2018 respectievelijk 5 december 2018) te reageren omdat de vordering volgens hem betrekking heeft op 2010. Dat [verzoeker] desgevraagd geen financiële gegevens bij de Ontvanger heeft aangeleverd komt dan voor zijn rekening en risico. Gelet hierop ziet de kantonrechter geen aanleiding om de beslagvrije voet, zoals door [verzoeker] verzocht, per januari 2019 vast te stellen. Niet is immers gebleken dat [verzoeker] niet eerder in staat was volledig inzicht te verschaffen in zijn financiële situatie. De kantonrechter zal daarom de beslagvrije voet per 1 april 2019 vaststellen.

4.6.

Met [verzoeker] is de kantonrechter van oordeel dat de in Nederland geldende normen niet automatisch met zich brengen dat die dan ook integraal dienen te worden gehanteerd voor in het buitenland wonende schuldenaren. Met andere woorden: de hoogte van de beslagvrije voet in deze hoeft niet gelijk te zijn aan de beslagvrije voet zoals die voor Nederlandse ingezetenen normaal berekend wordt. Er kan rekening gehouden worden met het prijspeil en levensstandaard in het betreffende land. Met inachtneming van de vaststaande feiten en het debat tussen partijen waarbij de Ontvanger uitkomt op een beslagvrije voet van € 8,00 en [verzoeker] op € 107,00 overweegt de kantonrechter als volgt.

4.7.

Niet is gebleken dat [verzoeker] zorg- of huurtoeslag heeft genoten, zodat daar bij de berekening van de beslagvrije voet niet van uit zal worden gegaan. Ingevolge artikel 475d lid 4 onder b Rv wordt de beslagvrije voet - tot een bepaald maximum vermeerderd en verminderd met ontvangen huurtoeslag of woonkostentoeslag - verhoogd met de netto woonlasten van de schuldenaar. Vaststaat dat de kale huur € 700,00 per maand bedraagt. Daartoe heeft [verzoeker] een huurovereenkomst overgelegd. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoeker] voldoende aannemelijk gemaakt

- en heeft de Ontvanger dat onweersproken gelaten - dat het aangaan van een lagere huurverplichting niet mogelijk was. Met inachtneming van het vorenoverwogene acht de kantonrechter het redelijk om de maximale verhoging woonkosten, anders dan de voor Nederland geldende maximale verhoging van € 359,97, hier vast te stellen op € 488,32.

4.8.

Wat de ziektekosten betreft heeft [verzoeker] niet aannemelijk of anderszins inzichtelijk gemaakt dat deze € 148,00 per maand bedragen en dat de maandelijkse medicijnen niet door zijn zorgverzekeraar worden vergoed. Het lag op de weg van [verzoeker] om dat met bescheiden gestaafd te onderbouwen hetgeen hij heeft nagelaten. De kantonrechter ziet, gelet op het in r.o. 4.5. overwogene, geen aanleiding om [verzoeker] in de gelegenheid te stellen bewijs van zijn stellingen ter zake te leveren en zal daarom bij de te betalen premies ziektekosten uitgaan van € 31,15 per maand.

4.9.

De kantonrechter komt op grond van het hiervoor overwogene tot de navolgende slotsom. Op grond van het bepaalde in artikel 475d Rv dient de beslagvrije voet te worden vastgesteld op 90% van de bijstandsnorm. Uitgaande van de bijstandsnorm voor een alleenstaande van ouder dan 21 jaar en jonger dan de AOW-leeftijd bedraagt de beslagvrije voet volgens de per 1 januari 2019 geldende normen € 923,00. Dit bedrag vermeerderd met de verhoging woonkosten van € 488,32 en verminderd met € 1.264,00 (zijnde het inkomen waarop geen beslag ligt en het gemiddelde is van het inkomen per maand in de periode augustus 2018 tot en met januari 2019) leidt tot een beslagvrije voet, zoals partijen dat aanduiden, van € 147,32. Nu [verzoeker] echter primair vaststelling van € 107,00 en subsidiair een door de kantonrechter vast te stellen bedrag verzoekt zal de kantonrechter het primair verzochte toewijzen met ingang van 1 april 2019.

4.10.

Nu beide partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, zal de kantonrechter de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de hare draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst het verzoek om het besluit van 5 december 2018 nietig te verklaren af,

5.2.

stelt de beslagvrije voet voor [verzoeker] per 1 april 2019 vast op

€ 107,00 per maand,

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de hare draagt,

5.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.J. Quaedackers, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.

YT