Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:2971

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
01-04-2019
Zaaknummer
03/703513-10 (ontnemingsvordering)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

witwassen; kasopstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTbANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/703513-10 (ontnemingsvordering)

Tegenspraak

Uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 26 maart 2019 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] ,

hierna te noemen: [verdachte] .

[verdachte] wordt bijgestaan door mr. E.E.W.J. Maessen, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 23 januari 2018 en 5 februari 2019. [verdachte] en haar raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Het onderzoekt ter terechtzitting is formeel gesloten op 12 maart 2019.

De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03/703513-10. Op 26 maart 2019 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen.

2 De vordering van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit voordeel geschat op € 455.923,-.

Volgens de officier van justitie zou [verdachte] dit voordeel hebben verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor [verdachte] is veroordeeld of uit andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [verdachte] zijn begaan.

3 De beoordeling

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat [verdachte] een bedrag van € 455.923,- aan crimineel geld tot haar beschikking heeft gehad. Dit bedrag heeft de officier van justitie berekend aan de hand van een kasopstelling. [verdachte] heeft gedurende de bewezenverklaarde periode veel meer contant geld uitgegeven dan zij legaal verantwoorden kan. Dit geld moet daarom uit misdrijf afkomstig zijn geweest en zijn witgewassen. [verdachte] heeft dus wederrechtelijk verkregen voordeel gehad dat haar weer zou moeten worden ontnomen. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank [verdachte] verplicht voornoemd bedrag aan de staat te betalen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat hij van mening is dat [verdachte] in de strafzaak moet worden vrijgesproken. Mocht de rechtbank dat verweer niet volgen en [verdachte] veroordelen, dan is er toch geen reden [verdachte] te verplichten geld te betalen aan de staat.

De raadsman heeft namelijk een alternatieve kasopstelling gemaakt. Volgens die berekening heeft [verdachte] zoveel legaal verkregen contant geld tot haar beschikking gehad dat alle contante uitgaven verantwoord kunnen worden. Er is zelfs sprake van een legaal overschot aan contant geld. Dat betekent dat de vordering van de officier van justitie moet worden afgewezen, aldus de raadsman.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Inleiding

Bij voormeld vonnis d.d. 26 maart 2019 is [verdachte] veroordeeld wegens medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken, gepleegd in de periode van 20 december 2004 tot en met 13 oktober 2011. Dit betreft twee bewezenverklaarde feiten met telkens dezelfde pleegperiode en kwalificatie. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat zij samen met een ander, [medeverdachte] , geld en auto’s heeft witgewassen.

De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.

Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden en/of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [verdachte] zijn begaan.

3.3.2

Het bewijs

De kasopstelling (overzicht van contante inkomsten en contante betalingen)

De politie heeft aan de hand van de schriftelijke bescheiden een overzicht gemaakt van de contante uitgaven van [verdachte] . Ook werd een overzicht van contante inkomsten gemaakt. Dit betreft de periode van 1 januari 2004 tot en met 10 maart 2011. Daarbij heeft de politie aangenomen dat [verdachte] op 1 januari 2004 niet over contant geld beschikte: het aanvangssaldo werd op nihil gesteld.

In deze periode heeft [verdachte] contante uitgaven gedaan voor de bouw en inrichting van haar woning aan de [adresgegevens verdachte] , voor auto’s en in de vorm van stortingen van geld op de bank.

Contante ontvangsten had [verdachte] in de vorm van geldopnames van de bank en de verkoop van een auto. Bij de doorzoeking is geen contant geld aangetroffen, zodat het eindsaldo van de kas ook op nihil wordt gesteld. Dat alles leidt tot de volgende kasopstelling.1

Beginsaldo contant geld € 0

+/+ contante opnames van de bank € 292.729,31

+/+ legale contante ontvangsten € 5.000,- +

Beschikbaar aan contant geld € 297.729,31

-/- contante stortingen op de bank € 173.883,60

-/- contante uitgaven € 455.915,53

-/- contante uitgaven o.b.v. facturen van de verdediging € 57.839,24

Theoretisch eindsaldo kas (contant geld) -/- € 389.909,06

Werkelijk eindsaldo kas (contant geld) € 0,00 +

Negatieve kas -/- € 389.909,06

De rechtbank heeft in het vonnis bewezen geacht dat [verdachte] voornoemd bedrag heeft witgewassen en omgezet in een woning en auto’s. De rechtbank heeft ook geconcludeerd dat het geld afkomstig is geweest van overtredingen van de Opiumwet door haar medepleger, [medeverdachte] . [verdachte] heeft het geld, verkregen door middel van witwassen, dus ten eigen bate aangewend. Dat geld kan haar worden ontnomen omdat het wederrechtelijk voordeel betreft uit door haar begane misdrijven.

Ook heeft de rechtbank gemotiveerd waarom voornoemd bedrag een minimumpositie betreft. [verdachte] moet namelijk ook contante uitgaven hebben gedaan voor het voeren van haar huishouding (voor haarzelf en haar twee kinderen). De politie heeft deze uitgaven wel vermeld, maar buiten beschouwing gelaten. In het dossier wordt beschreven dat [verdachte] via de bank meer betaald heeft aan kosten van het gezin dan volgens de berekeningen van het Nibud voor een gezin als normaal mag worden beschouwd.2 Daarbij zijn door de politie alle rubrieken bij elkaar opgeteld. Dat zou dan betekenen dat [verdachte] in het geheel geen contante uitgaven voor haar gezin heeft gedaan. Dat acht de rechtbank met de officier van justitie niet aannemelijk. Met name uitgaven voor posten zoals uitgaan en voeding vinden doorgaans niet uitsluitend per bank plaats, maar ook vaak contant. Bij gebrek aan concrete geschriften zal de rechtbank hiervoor een bedrag op basis van de Nibudgegevens schatten.

De officier van justitie schat het bedrag aan contante Nibuduitgaven op € 66.015,-. Hij heeft dit bedrag opgenomen in de kasopstelling en vordert daarvan de ontneming. De rechtbank deelt zijn standpunt, maar komt wel tot een andere berekening.

De officier van justitie heeft bij zijn schatting alle posten betrokken waarvoor [verdachte] gedurende de bewezenverklaarde periode minder heeft uitgegeven per bank dan wat als normaal kan worden beschouwd. Dit zijn de posten:

  • -

    gas/water/licht;

  • -

    heffingen;

  • -

    telefoon;

  • -

    contributies;

  • -

    vervoer;

  • -

    huis/tuin;

  • -

    hobby/uitgaan;

  • -

    voeding;

  • -

    overige uitgaven.

Met betrekking tot een aantal van deze posten vindt de rechtbank het met de raadsman niet zo aannemelijk dat [verdachte] daar veel contant geld aan uitgegeven heeft, zoals de posten gas/water/licht en heffingen. Het dossier verschaft daarover geen informatie in de vorm van facturen of betalingsbewijzen. De rechtbank vindt het, gelet op het gegeven dat [verdachte] zeer veel giraal betaalde, niet voor de hand liggen dat zij ook nog contant ging betalen bij de gemeente, de telecomprovider of de energieleverancier. Ook kan uit het dossier niet worden opgemaakt of [verdachte] en haar gezin lid waren van verenigingen of sportclubs e.d., zodat het gegeven dat zij giraal bijna € 5.000,- minder aan contributies uitgaf dan andere huishoudens, de rechtbank niet zoveel zegt. Het is mogelijk dat zij voor die posten gewoonweg minder kwijt was dan een gemiddeld of modaal gezin.

De verschillen zijn voor de rechtbank voor het overige niet extreem opvallend. De Nibudgegevens zijn tot stand gekomen door onderzoek naar vele huishoudens. De bedragen zijn ook geen normbedragen, zoals in het dossier en door de officier van justitie wordt vermeld. Individuele huishoudens kunnen dus onderling enorm verschillen. De rechtbank zal die posten daarom buiten beschouwing laten.

Anders ligt het bij posten als vrijetijdsbesteding/vakantie en andere regelmatig terugkerende huishoudelijke uitgaven, zoals vervoer, voeding, de kapper, producten voor persoonlijke verzorging en spullen voor huis en tuin. Dat zijn zaken die ook vaak contant worden afgerekend. Dat [verdachte] daaraan per giro minder heeft uitgegeven dan voor een gezin als normaal kan worden beschouwd, rechtvaardigt de conclusie dat zij daaraan dus contant geld heeft uitgegeven, in elk geval tot het daarvoor door het Nibud aangegeven bedrag.

Dit brengt de rechtbank tot de volgende extra contante uitgaven die gedurende de bewezenverklaarde periode gefinancierd zijn met uit misdrijf verkregen geld:

uitgaven per bank Nibudbedrag verschil

  • -

    vervoer: € 13.876,- € 24.716,- € 10.840,-

  • -

    inventaris: € 7.801,- € 12.298,- € 4.497,-

  • -

    huis/tuin: € 9.079,- € 12.846,- € 3.767,-

  • -

    hobby/uitgaan: € 2.298,- € 26.700,- € 24.402,-

  • -

    voeding: € 12.813,- € 16.016,- € 3.203,-

  • -

    overige uitgaven: € 8.214,- € 10.718,- € 2.504,-

totaal: € 49.213,-

Bij de kasopstelling in de ontnemingszaak moet dus nog een bedrag van € 49.213,- worden meegenomen. Dit leidt tot:

Beginsaldo contant geld € 0

+/+ contante opnames van de bank € 292.729,31

+/+ legale contante ontvangsten € 5.000,- +

Beschikbaar aan contant geld € 297.729,31

-/- contante stortingen op de bank € 173.883,60

-/- contante uitgaven € 455.915,53

-/- contante uitgaven o.b.v. facturen van de verdediging € 57.839,24

-/- contante Nibud-uitgaven € 49.213,-

Theoretisch eindsaldo kas (contant geld) -/- € 439.122,06

Werkelijk eindsaldo kas (contant geld) € 0,00 +

Negatieve kas -/- € 439.122,06

Op grond van het hiervoor genoemde bewijs is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] door middel van voormelde feiten voordeel heeft gekregen, naar schatting tot een bedrag van € 439.122,06.

Het verweer van de raadsman

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de alternatieve kasopstelling van de raadsman niet overneemt. Die zou tot een positieve kas hebben geleid. De rechtbank heeft in haar vonnis al overwogen dat zij het niet aannemelijk acht dat [verdachte] een hoger beginsaldo aan legaal contant geld had en evenmin dat zij gedurende de onderzoeksperiode tweemaal € 60.000,- heeft geleend in contanten. In de onderhavige ontneming voegt de rechtbank daar nog aan toe dat zij het evenmin aannemelijk acht dat [verdachte] in die periode € 40.000,- aan contante huurinkomsten heeft gehad uit de verhuur van een woning in Echt.

Deze bewering van [verdachte] is gebleven bij een blote stelling. Uit het dossier (onder andere dossierpagina 463 en 465) kan de rechtbank opmaken dat [verdachte] in de onderzoeksperiode zelf in de betreffende woning heeft gewoond met [medeverdachte] , dat [medeverdachte] er ingeschreven heeft gestaan en dat er huur per bank aan haar is betaald. Op 19 september 2011 heeft zij verklaard dat de woning aan de broer van [medeverdachte] was verhuurd sinds januari 2010 voor

€ 900,- per maand. Die huur zou zij contant hebben ontvangen, maar in dat jaar worden twee huurtermijnen op haar bankrekening door anderen betaald en heeft zij een huurconflict gemeld bij de politie met weer een derde persoon. Blijken van de door haar genoemde persoon als huurder komen in het dossier niet voor, al was het maar in de vorm van een huurcontract of overboeking. Het door haar gestelde bedrag kan dus niet kloppen en blijft buiten beschouwing.

3.3.3

De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank zal voornoemd bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststellen. Hiertoe overweegt zij het volgende. [verdachte] heeft voornoemd bedrag als voordeel genoten uit witwassen: het is haar volledig ten goede gekomen. Dat betekent dat er geen reden is het voordeel te verdelen en een gedeelte ten laste van haar medepleger [medeverdachte] te brengen.

3.3.4

De op te leggen betalingsverplichting

De rechtbank zal geen compensatie bieden door een korting toe te passen vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, omdat deze geconstateerde verdragsschending naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak voldoende wordt gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM, aangezien in voormeld strafvonnis bij de straftoemeting reeds voldoende rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

4 Het wettelijke voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5 De beslissing

De rechtbank:

  • -

    stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 439.122,06 (zegge: vierhonderdnegenendertigduizend honderdtweeëntwintig euro en zes eurocent);

  • -

    legt [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 439.122,06

(zegge: vierhonderdnegenendertigduizend honderdtweeëntwintig euro en zes eurocent).

Deze uitspraak is gegeven door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe en mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 maart 2019.

1 Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling, dossierpagina 1907 en 1908, het proces-verbaal van bevindingen, verduidelijking kasopstelling, d.d. 15 mei 2014, niet opgenomen in de doornummering, en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 januari 2015, niet opgenomen in de doornummering. Daarbij merkt de rechtbank op dat diverse opeenvolgende berekeningen en teksten fouten bevatten die, gedeeltelijk ook opgemerkt door de politie en de officier van justitie, door de rechtbank zijn verbeterd.

2 Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling, dossierpagina 1907 en het geschrift Nibud-opstelling [verdachte] 2004-2010, bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen, verduidelijking kasopstelling d.d. 15 mei 2014, niet opgenomen in de doornummering.