Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:2968

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
01-04-2019
Zaaknummer
03/703512-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

witwassen; kasopstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/703512-10

Tegenspraak (gemachtigde raadsman)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 maart 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. W.R. Smeets, advocaat kantoorhoudende te Sittard.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 23 januari 2018 en 5 februari 2019. De verdachte is op 5 februari 2019 niet verschenen. Wel is toen verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is formeel gesloten op 12 maart 2019.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt erop neer dat de verdachte samen met een ander of anderen, dan wel alleen een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van geld (feit 1) en auto’s (feit 2). Het subsidiaire verwijt bij de feiten luidt telkens dat er sprake is geweest van schuldwitwassen.

3 De voorvragen

Gedeeltelijke verjaring van de subsidiair ten laste gelegde feiten

Artikel 70, eerste lid, onder 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt wanneer het recht tot strafvordering vervalt door verjaring. Voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld, is die termijn zes jaren. Dit artikel is in de loop der jaren enkele keren gewijzigd door de wetgever, maar niet op dit specifieke punt.

Artikel 420quater Sr, dat in deze zaak onder feit 1 en feit 2 subsidiair ten laste is gelegd, kent als maximumstraf inmiddels drie jaren gevangenisstraf. Dit was één jaar ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding en de ten laste gelegde pleegperiode van 20 december 2004 tot en met 13 oktober 2011. Dat gegeven is niet relevant voor het bepalen van de verjaringstermijn: beide maximumstraffen vallen binnen de marge van drie jaren van artikel 70, eerste lid, onder 2 Sr en de verjaringstermijn bedraagt dus in deze zaak zes jaren. Dat betekent dat de subsidiair ten laste gelegde feiten zijn verjaard, tenzij deze verjaring is gestuit.

De verjaring wordt gestuit door een daad van vervolging van het openbaar ministerie. Dat is bepaald in artikel 72, eerste lid, Sr (ook gewijzigd door de wetgever zonder gevolgen voor de beoordeling van deze zaak).

De wet zelf definieert het begrip daad van vervolging niet. In de literatuur en jurisprudentie wordt als daad van vervolging aangemerkt: elke daad van of namens een justitiële autoriteit die erop is gericht te komen tot een voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke uitspraak. Dit wordt ook wel vereenvoudigd tot het criterium dat er een rechter moet zijn betrokken bij de zaak door het openbaar ministerie. Het begrip daad van vervolging mag echter ruimer worden uitgelegd. Handelingen van het openbaar ministerie die onderzoek of een beslissing van de rechter uitlokken, vallen in elk geval onder het begrip daad van vervolging. Louter opsporingshandelingen vallen er niet onder.1

De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de wetsgeschiedenis, waarin voorbeelden worden genoemd.2 Ook verwijst de rechtbank specifiek naar de arresten van de Hoge Raad in combinatie met de conclusies van de procureur-generaal in de zaken gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2012:BU8746, ECLI:NL:HR:2010:BN1028 en onder ECLI:NL:HR:2007:BA5825.

Aan de criteria voor een daad van vervolging is in ieder geval voldaan als een officier van justitie een rechter-commissaris benadert om nader onderzoek te doen op grond van de artikelen 181 en 110 van het Wetboek van Strafvordering of om een verdachte in bewaring te stellen. Ook het vorderen van een (inmiddels niet meer bestaand) gerechtelijk vooronderzoek en het vorderen van het verlenen van een machtiging voor een strafrechtelijk financieel onderzoek vallen eronder.

Dat betekent in deze zaak dat de verjaring van de subsidiaire feiten waarvoor de verdachte wordt vervolgd gestuit is op 1 juni 2011, de dag waarop de officier van justitie een vordering gedaan heeft bij de rechter-commissaris tot het verlenen van een machtiging voor een strafrechtelijk financieel onderzoek, waarna de rechter-commissaris op 8 juni 2011 besloten heeft tot het geven van die machtiging.

De conclusie van de rechtbank is daarom dat de officier van justitie gedeeltelijk niet ontvankelijk is in de vervolging van wat onder feit 1 en feit 2 subsidiair ten laste is gelegd. De periode van 20 december 2004 tot en met 7 juni 2005 moet bij de beoordeling van deze strafzaak buiten beschouwing blijven.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte gedurende een lange periode geld en auto’s heeft witgewassen. De verdachte heeft voortdurend over meer contant geld kunnen beschikken dan hij uit legale bron verantwoorden kan. Er is dus sprake van gewoontewitwassen. Met het geld zijn auto’s gekocht en de medeverdachte [medeverdachte] , de ex-partner van verdachte, heeft een groot deel van de bouw en inrichting van haar woning in [woonplaats] gefinancierd met illegaal verkregen geld. De verdachte en [medeverdachte] hadden nauwe banden met elkaar en moeten als medeplegers worden beschouwd.

[medeverdachte] heeft 23 auto’s op haar naam gehad. Meerdere van die auto’s zijn witgewassen, niet alleen omdat er contant voor betaald werd, maar ook omdat de auto’s telkens op naam van [medeverdachte] werden gezet, terwijl ze werden gebruikt door de verdachte. Na korte tijd werden de auto’s verkocht en dus weer omgezet in contant geld. Er was bij de auto’s daarom telkens sprake van een witwasconstructie. Dat levert een afzonderlijk strafbaar feit op (feit 2).

In totaal gaat het bij de verdachte volgens de officier van justitie om een witwasbedrag van € 88.767,-. Dit bedrag is de uitkomst van een door de officier van justitie opgemaakte kasopstelling. Ten aanzien van [medeverdachte] heeft de officier van justitie een ander witwasbedrag aangenomen.

Wanneer uit een kasopstelling blijkt dat iemand meer contant geld voorhanden heeft gehad, dan hij uit legale bron kan hebben verkregen, kan het niet anders zijn dan dat dit geld uit misdrijf is verkregen, tenzij een verdachte alsnog met een aannemelijke, legale verklaring komt voor de herkomst van het geld. Als die verklaring uitblijft, is het niet vereist dat de officier van justitie aantoont welk concreet misdrijf het geld heeft gegenereerd.

De verdachte is er volgens de officier van justitie niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het contante geld een legale herkomst had. In deze zaak is er volgens de officier van justitie bovendien concreet bewijs dat het geld afkomstig was uit fiscale delicten en uit drugshandel. De verdachte en [medeverdachte] hebben namelijk op geen enkel moment bij de belastingdienst gemeld dat zij over zoveel geld beschikten en de verdachte is veroordeeld voor drugsdelicten. In de woning van [medeverdachte] waar de verdachte vaak verbleef, werd ook nog een notitieboekje aangetroffen met een drugsboekhouding.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 2. Feit 1 kan slechts beperkt bewezen worden verklaard.

In het dossier worden twee scenario’s uitgewerkt. In het ene scenario worden de verdachte en [medeverdachte] als economische eenheid beschouwd. In dat scenario worden de bedragen aan contante uitgaven en inkomsten van beide verdachten bij elkaar genomen. Dat is niet het scenario dat de officier van justitie volgt en de raadsman is van mening dat dat juist is. Het geld dat door [medeverdachte] besteed is aan haar woning moet bij de verdachte buiten beschouwing blijven. Het tweede scenario, waarin de verdachte en [medeverdachte] niet als economische eenheid worden beschouwd, kan worden gevolgd.

Bij de verdachte betekent dit dat alleen beoordeeld moet worden of hij geld heeft witgewassen in relatie tot auto’s. Van het witwassen van de auto’s zelf moet hij hoe dan ook worden vrijgesproken. De verdachte heeft gehandeld in auto’s. Telkens waren dat transacties met contant geld, maar dat wil niet zeggen dat de verdachte heeft witgewassen zoals de officier van justitie meent. Het geld was namelijk niet van de verdachte, maar van derden voor wie de verdachte auto’s kocht en verkocht. Hooguit kan er sprake zijn geweest van witwassen omdat de verdachte zijn verdiensten uit de handel in auto’s in de vorm van ontvangen commissies niet aan de belastingdienst heeft opgegeven. Bewijsbaar is dan dat de verdachte € 13.569,- heeft witgewassen (gewoontewitwassen). Enige andere vorm van witwassen is niet aan de orde, aldus de raadsman. Er is geen bewijs dat de verdachte geld uit drugshandel voorhanden heeft gehad.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 3

Inleiding

In het kader van een project van het Korps Landelijke Politiediensten en de politie Limburg-Zuid naar aanleiding van de grootschalige drugsproblematiek in Limburg-Zuid (het project Waakzaam) is een deelproject opgezet met als doel het doen van onderzoek naar onverklaarbaar vermogen. In dat onderzoek werden ongebruikelijke transacties opgevraagd (MOT-meldingen). Bij dat onderzoek kwamen drie meldingen naar voren die betrekking hadden op de medeverdachte, [medeverdachte] . Uit verder onderzoek kwam naar voren dat [medeverdachte] gehuwd is geweest met de verdachte. De verdachte en [medeverdachte] bleken ook voor te komen in de database Blueview. De informatie in Blueview was onder meer gerelateerd aan overtredingen van de Opiumwet.

Vervolgens werd onderzoek verricht naar de bezittingen van [medeverdachte] en de verdachte en werden fiscale en financiële gegevens gevorderd of verkregen van RDW, Kadaster en Kamer van Koophandel. Op 10 maart 2011 werd de woning van [medeverdachte] doorzocht en werden goederen en schriftelijke bescheiden in beslag genomen, waaronder facturen en notitieboekjes. Verder werden nog andere administratieve bescheiden gevorderd (in relatie tot de praktijk voor fysiotherapie van [medeverdachte] ) en op 18 mei 2011 en op 8 juni 2011 werden machtigingen verleend tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek. In het onderzoek werden vervolgens diverse getuigen gehoord. De verdediging van [medeverdachte] heeft verder nog enkele facturen overgelegd aan de politie, die vervolgens gebruikt zijn voor het onderzoek.

De kasopstellingen (overzicht van contante inkomsten en contante betalingen)

De politie heeft aan de hand van de schriftelijke bescheiden een overzicht gemaakt van de contante uitgaven van [medeverdachte] . Ook werd een overzicht van contante inkomsten gemaakt. Dit betreft de periode van 1 januari 2004 tot en met 10 maart 2011. Daarbij heeft de politie aangenomen dat [medeverdachte] op 1 januari 2004 niet over contant geld beschikte: het aanvangssaldo werd op nihil gesteld.

In deze periode heeft [medeverdachte] contante uitgaven gedaan voor de bouw en inrichting van haar woning aan de [adres] te [woonplaats] , voor auto’s en in de vorm van stortingen van geld op de bank.

Contante ontvangsten had [medeverdachte] in de vorm van geldopnames van de bank en de verkoop van een auto. Bij de doorzoeking is geen contant geld aangetroffen, zodat het eindsaldo van de kas ook op nihil wordt gesteld. Dat alles leidt tot de volgende kasopstelling.4

Beginsaldo contant geld € 0

+/+ contante opnames van de bank € 292.729,31

+/+ legale contante ontvangsten € 5.000,- +

Beschikbaar aan contant geld € 297.729,31

-/- contante stortingen op de bank € 173.883,60

-/- contante uitgaven € 455.915,53

-/- contante uitgaven o.b.v. facturen van de verdediging € 57.839,24

Theoretisch eindsaldo kas (contant geld) -/- € 389.909,06

Werkelijk eindsaldo kas (contant geld) € 0 +

Negatieve kas -/- € 389.909,06

Ook ten aanzien van de verdachte heeft de politie een kasopstelling gemaakt met een negatief eindsaldo.5 In de berekeningen van de politie en de officier van justitie is een bedrag opgenomen in het kader van uitgaven voor levensonderhoud overeenkomstig berekeningen van het Nibud. Dat bedrag laat de rechtbank buiten beschouwing, omdat er geen schriftelijke bescheiden vermeld zijn in het dossier, waaruit opgemaakt kan worden welke contante uitgaven er concreet zijn geweest die deze schatting onderbouwen. Het gaat in de strafzaak te ver om huishoudelijke uitgaven van de verdachte louter bewezen te achten in de vorm van een schatting op basis van de Nibudgegevens.

De kasopstelling ziet er dan als volgt uit:

Beginsaldo contant geld € 0

+/+ contante opnames van de bank € 9.730,-

+/+ legale contante ontvangsten € 51.250,- +

Beschikbaar aan contant geld € 60.980,-

-/- contante stortingen op de bank € 8.050,-

-/- contante uitgaven € 89.935,-

Theoretisch eindsaldo kas (contant geld) -/- € 37.005,-

Werkelijk eindsaldo kas (contant geld) € 0 +

Negatieve kas -/- € 37.005,-

Eerste conclusies en overwegingen van de rechtbank

Uit deze kasopstellingen volgt dat [medeverdachte] van 1 januari 2004 tot en met 10 maart 2011 de beschikking heeft gehad over contant geld dat niet te herleiden is tot een bron, zoals spaargeld dat van de bank is opgenomen. Het bedrag van € 389.909,06 is onverklaard. Ook het bedrag van € 37.005,- ten aanzien van de verdachte is onverklaard. Toch moet het geld ergens vandaan gekomen zijn. Je kunt immers niet roodstaan in je portemonnee.

De negatieve bedragen zijn telkens een minimumbedrag, omdat er aanwijzingen zijn dat [medeverdachte] ook nog contant geld besteed moet hebben aan haar levensonderhoud en dat van haar kinderen. Hetzelfde geldt voor de verdachte. Ook hij moet meer contante uitgaven voor zijn levensonderhoud hebben gedaan dan uit het dossier blijkt.

In het dossier wordt beschreven dat [medeverdachte] via de bank meer betaald heeft aan kosten van het gezin dan volgens de berekeningen van het Nibud voor een gezin als normaal mag worden beschouwd. Daarbij zijn alle rubrieken bij elkaar opgeteld. Dat zou dan betekenen dat [medeverdachte] in het geheel geen contante uitgaven voor haar gezin heeft gedaan. Dat acht de rechtbank niet aannemelijk. Met name uitgaven voor posten zoals uitgaan en voeding vinden doorgaans niet uitsluitend per bank plaats, maar ook vaak contant. Er zijn echter ook in haar geval geen schriftelijke bescheiden vermeld in het dossier, zoals bonnen van de supermarkt, waaruit opgemaakt kan worden welke contante uitgaven dit concreet zijn geweest, zodat in de strafzaak geen specifiek bedrag bewezen kan worden verklaard. Bij de beslissing over de ontnemingsvordering komt de rechtbank nog terug op de huishoudelijke uitgaven van [medeverdachte] en de verdachte.

Bewijs voor de illegale herkomst van het geld en overwegingen en conclusies van de rechtbank daaromtrent. Medeplegen?

Het onverklaarde bedrag aan contant geld moet zoals gezegd ergens vandaan gekomen zijn. De rechtbank komt tot de conclusie dat het geld afkomstig is uit misdrijf. Zij baseert dat op het volgende bewijs.

[medeverdachte] heeft bij haar belastingaangiften niet gemeld dat zij veel contant geld had. Uit een proces-verbaal van de politie blijkt dat als beginsaldo in box 3 per 1 januari 2004 een bedrag van € 1.287,- staat vermeld in de belastingaangifte van [medeverdachte] , een aanzienlijk lager bedrag dan de fiscale vrijstellingen voor inkomsten uit spaargeld en beleggingen. In de jaren daarna is ook geen aangifte gedaan van een groot bedrag aan contant geld.6 Dat betekent dat voldoende aannemelijk is dat het beginsaldo van de kasopstelling, het startbedrag aan legaal traceerbaar contant geld, op nihil kan worden gesteld.

Het verzwijgen voor de fiscus van vermogen in de vorm van contant geld is bovendien een sterke aanwijzing dat het geld niet legaal is verkregen. De politie beredeneert ook dat [medeverdachte] in de jaren 2001 tot 2004, voor aanvang van de tenlastegelegde periode, niet zoveel gespaard kan hebben van haar inkomsten uit haar werk als fysiotherapeute als zijzelf tegenover de politie stelde.7 In de tenlastegelegde periode beschikte [medeverdachte] over € 3.000,- per maand door geld uit de maatschap van de fysiotherapiepraktijk op te nemen, dan wel over een uitkering in verband met ziekte en zij genoot € 900,- aan huurinkomsten.8 Gelet op de uitgaven die zij deed voor haar huishouden/gezin, kan zij ook in die periode geen tonnen hebben gespaard. Dat alles betekent dat het niet anders kan zijn dat zij niet op een legale manier aan € 389.909,06 is gekomen en dat dit geld dus van misdrijf afkomstig moet zijn geweest. Dat levert op dat er sprake is van witwassen. Een specifiek onderliggend misdrijf hoeft dan niet te worden bewezen. Het verzwijgen levert bovendien wel een aanwijsbaar delict op: een fiscaal delict, strafbaar gesteld door artikel 69 van de Algemene inzake rijksbelastingen en ook in dat opzicht heeft [medeverdachte] geld witgewassen, voor zover het de verschuldigde, maar niet betaalde belasting betreft.

De verdachte heeft zich evenmin gemeld bij de fiscus voor het doen van aangifte inkomstenbelasting of van vermogen. In de jaren 2004, 2005 en 2006 zijn er wel loonbedragen door hem ontvangen, maar van vermogen dat in box 3 zou kunnen vallen blijkt niets. In 2007 tot en met 2009 is het loon nihil of negatief en de verdachte ontving zorgtoeslag.9

De rechtbank acht bewezen dat het geld dat in de kasopstellingen is berekend verdiend is met het overtreden van de Opiumwet.

De verdachte is namelijk in 2002 onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden voor het samen met anderen overtreden van artikel 2 B van de Opiumwet (bewerken/verkopen/vervoeren van harddrugs), gepleegd in oktober 2001. Dat blijkt uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van de verdachte d.d. 27 februari 2019. Algemeen mag worden aangenomen dat activiteiten in het kader van harddrugs zeer lucratief zijn.

De verdachte heeft in relatie tot een andere strafzaak op 24 november 2008 verklaard dat hij plakken hasjiesj in bezit heeft gehad.10 Hij is samen met [medeverdachte] gezien en hij verbleef regelmatig bij haar in de woning in [woonplaats] : op 9 februari 2011 werd hij ook gezien door een observatieteam van de politie.11 Bij de doorzoeking van de woning in [woonplaats] werden vervolgens op 10 maart 2011 een notitieboekje aangetroffen achter een schilderij en notitieblaadjes op zolder. De notities bevatten aantekeningen die betrekking hebben op hennepteelt en kunnen als een soort boekhouding worden aangemerkt, onder meer op blaadjes uit een agenda van 2005 en op een bon van een growshop uit 2007. Er staan namen en bedragen in vermeld en woorden die betrekking hebben op hennepteelt, zoals “zware”, “lichte”, “knip thuis”, “stek”, “gro + voe” (grond en voeding), “filters, stroombord, watersysteem, stekken” en “skunk”. Bij de vermelde hoeveelheden gaat het om tientallen kilo’s en de bedragen lopen in de duizenden. Op een notitieblaadje wordt een hoeveelheid van 61 kg vermeld.12 Wanneer de rechtbank daarbij de Rapporten van het Bureau Ontnemingswetgeving van het Openbaar ministerie betrekt over de hennepteelt in Nederland, dan mag volgens de versie van april 2005 als opbrengst per kilo gekweekte hennep een bedrag van € 2.370,- worden aangenomen en in hetzelfde rapport, versie november 2010, een bedrag van € 3.280,-. Dan zou een hoeveelheid van 61 kilo een opbrengst hebben gegenereerd van € 144.570,- in 2005 en € 200.080,- in 2010.13 Rekening houdend met kosten en medeplegers die ook moeten profiteren van de opbrengst, trekt de rechtbank de conclusie dat de verdachte gedurende de ten laste gelegde periode jaarlijks gemiddeld in elk geval tienduizenden euro’s moet hebben verdiend door de Opiumwet te overtreden en aanzienlijk meer dan de € 37.000,- die uit de kasopstelling blijkt.

Dat brengt de rechtbank bij de vraag of bewezen kan worden dat die opbrengsten naar [medeverdachte] zijn gevloeid en het negatieve eindsaldo van de kasopstelling van € 389.909,06 kunnen verklaren en of er dus sprake is geweest van medeplegen. De rechtbank overweegt als volgt.

Hiervoor is al geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte] voornoemd bedrag niet kan hebben gespaard en opgemerkt dat [medeverdachte] en de verdachte eind jaren ’90 getrouwd zijn geweest. De verdachte werd in februari 2011 geobserveerd bij de woning van [medeverdachte] .

Uit het dossier kan worden opgemaakt dat het einde van het huwelijk in 1999 er niet toe heeft geleid dat de banden volledig zijn verbroken tussen de verdachte en [medeverdachte] . In tegendeel. Er is bewijs dat de conclusie rechtvaardigt dat zij gedurende de gehele tenlastegelegde periode als een hecht koppel kunnen worden beschouwd.

In 2006, 2008 en 2011 zijn er drie kinderen geboren die de verdachte heeft erkend. Volgens [medeverdachte] verbleef de verdachte geregeld bij haar in verband met de kinderen. Verder ging de verdachte vaak mee naar bedrijven ten behoeve van de bouw van haar woning. Zij hoefde van hem geen alimentatie te betalen.14 Bij de rechter-commissaris heeft zij nog verklaard dat zij na de scheiding nog zo’n twee jaar hebben samengewoond.15 De verdachte heeft bij zijn verhoor verklaard dat hij en [medeverdachte] op dat moment, 4 april 2011, een relatie hadden en dat het in het verleden vaker aan- en uit is geweest. Ook verklaarde hij dat hij wel bij [medeverdachte] verbleef.16

Dat de verdachte meeging naar leveranciers blijkt ook uit getuigenverklaringen, maar dat is niet het enige dat uit die verklaringen blijkt. Uit de verklaringen blijkt namelijk dat [medeverdachte] en de verdachte zich daarbij presenteerden als gezin en als paar, dat de verdachte geregeld aanwezig was in de woning tijdens de bouwwerkzaamheden en dat zowel de verdachte, als [medeverdachte] de rekeningen in verband met die woning (contant) betaalden.

Zo heeft de leverancier van de keuken ( [getuige 1] ) verklaard dat hij op 31 december 2007 het eerste contact met hen had. Ze wilden een keuken en daarna werd er ook een badkamer aangekocht. Ze hadden volgens de getuige ook twee kleine kinderen bij zich en stelden zich voor als meneer en mevrouw [medeverdachte] . De getuige heeft met beiden zaken gedaan; [medeverdachte] tekende het contract en de verdachte gaf telefonisch akkoord. Aanvankelijk zou er in 2008 geleverd worden, maar dat werd uitgesteld tot 2010. De getuige heeft steeds met beiden contact gehad. De verdachte was altijd bij de onderhandelingen en de leveringen aanwezig. De contante betalingen werden meestal door de verdachte gedaan. De laatste keer dat de getuige hen zag, was in de woning in [woonplaats] , in november 2010.17

De leverancier van de cv-installatie van de woning van de verdachte ( [getuige 2] ) heeft verklaard dat het eerste contact met [medeverdachte] dateerde van 2008. De onderhandelingen deed [medeverdachte] en zij gaf de opdrachten. Tijdens de werkzaamheden vanaf einde 2008 tot einde 2009 kreeg hij ook wel opdrachten van een persoon genaamd [verdachte] , die daar vaker in huis was en van wie de getuige dacht dat het de man van [medeverdachte] was. [medeverdachte] betaalde de leverancier contant.18

Ook de leverancier van audio- en videoapparatuur ( [getuige 3] ) heeft een vergelijkbare verklaring afgelegd. De verdachte en [medeverdachte] hadden goederen gekocht op 12 december 2009, nadat zij ongeveer twee maanden eerder ook in de zaak waren geweest. De onderhandelingen deed volgens de getuige alleen [verdachte] , die alles contant betaald heeft. Het laatste contact met [verdachte] dateerde van 11 september 2010.19

Een vierde leverancier ( [getuige 4] ) heeft verklaard dat hij zaken deed met [medeverdachte] . De getuige heeft gordijnen en rolgordijnen geleverd. Op 1 oktober 2010 kwam [medeverdachte] met haar man. In verband met de betaling is de getuige achter de man aangereden, omdat het geld op hun woonadres lag. De man nam de getuige mee naar het adres van de fysiotherapiepraktijk van [medeverdachte] , waarna de man het geld cash van zolder haalde. Ook ontving de getuige op 16 november 2010 nog een contant bedrag van [medeverdachte] .20

Samengevat: de verdachte en [medeverdachte] hebben af en aan een relatie gehad, hebben na hun scheiding nog samengewoond, kinderen gekregen, treden gezamenlijk op en houden zich beiden bezig met de (betalingen voor de) bouw- en inrichtingswerkzaamheden van de woning, waar de verdachte dus niet alleen in het kader van de omgang met de kinderen verbleef, maar ook ten behoeve van de bouw van de woning en nog in februari 2011 wordt gezien. Daarbij zij nog vermeld dat de verdachte in 2006 ten behoeve van de hypotheek voor de woning van [medeverdachte] een ontruimingsverklaring heeft getekend.21

Gedurende de gehele tenlastegelegde periode kunnen zij dus als eenheid worden gezien. Hun levens zijn nauw met elkaar verweven, niet alleen relationeel maar ook financieel. Nergens volgt uit dat de man die getuigen als [verdachte] duiden een ander is dan de verdachte. Tegen de achtergrond bezien van het bewijs dat de verdachte geld verdiende door de Opiumwet te overtreden kan het voor de rechtbank niet anders zijn dan dat [medeverdachte] bekend moet zijn geweest met de illegale herkomst van al dat contante geld. Zij moet er in elk geval van op de hoogte zijn geweest dat de verdachte geen betaalde baan had waarmee dat geld werd verdiend. Uit de belastinggegevens blijkt dat die betaalde baan tot en met 2006 bescheiden moet zijn geweest en dat de verdachte vanaf 2007 in het geheel geen betaald werk had. Uit haar eigen verklaring dat ze geen alimentatie hoefde te betalen en het gegeven dat zij de ziektekostenverzekering voor de verdachte betaalde, volgt dat zij goed op de hoogte moet zijn geweest van het ontbreken van legaal vermogen bij de verdachte en dus van de herkomst uit andere, illegale bron van het geld dat door hen in de woning en auto’s werd gestoken.

Dat alles levert voor de rechtbank een nauwe en bewuste samenwerking op tussen de verdachte en [medeverdachte] , gericht op het wegsluizen van drugsgeld. Dat geld werd omgezet in een woning, waarvan beiden de vruchten konden plukken, de verdachte in elk geval in de vorm van een dak boven zijn hoofd en dat van zijn kinderen en [medeverdachte] in de vorm van de eigendom van een woning en een eventuele latere waardevermeerdering. Het geld is door de verdachten ook besteed aan de aankoop van auto’s. Dat alles levert witwassen op en omdat het zich over zo’n lange periode heeft afgespeeld is er sprake geweest van gewoontewitwassen.

Het verweer van de verdachte

Met het voorgaande wordt duidelijk dat de rechtbank het verweer van de verdediging niet volgt. Alle bewijsgegevens leveren de situatie op dat aangenomen mag worden dat er sprake is van witwassen, tenzij een verdachte alsnog een aannemelijke verklaring kan bieden die voldoende onderbouwd en verifieerbaar is. Die verklaring is uitgebleven en er zijn concrete aanwijzingen voor Opiumwetdelicten als onderliggende misdrijven.

De verdachte heeft verklaard dat hij contant geld verdiende met handel in auto’s. Dat zou dan gaan om betrekkelijk kleine bedragen. De verdachte noemt bedragen tussen de 400 euro en 800 euro per transactie. Ook zou hij enkele tientjes per maand hebben gekregen van zijn ouders voor zijn levensonderhoud. Het is voor de rechtbank duidelijk dat deze bedragen, de raadsman komt tot een totaalbedrag van € 13.569,-, aan niet opgegeven verdiensten, in geen verhouding staan tot de bedragen die hiervoor in de kasopstellingen zijn genoemd. Bij feit 2 komt de rechtbank nog terug op de aannemelijkheid van verdiensten uit autohandel.

De auto’s (feit 2)

[medeverdachte] heeft 24 auto’s op haar naam gehad in de periode van 2004 tot oktober 2010. Van deze auto’s hebben er 20 nog geen 6 maanden op haar naam gestaan en 6 ervan zelfs slechts 1 maand of korter. 13 van deze auto’s kunnen in verband gebracht worden met personen met Opiumwet-antecedenten en opvallend is dat auto’s nogal vaak en snel van tenaamgestelde veranderen.22 De verdachte heeft 9 auto’s op naam gehad, waarvan 6 nog geen maand. Van deze auto’s konden er 3 in verband gebracht worden met personen met Opiumwetantecedenten. Een aantal auto’s heeft op naam van beiden gestaan.23 Dat alles past bij iemand, de verdachte, die zich bezighoudt met illegale activiteiten. Immers, het mag als een feit van algemene bekendheid worden aangenomen dat personen die zich bezig houden met drugsgerelateerde handelingen liever niet te vaak in dezelfde auto’s gezien willen worden, niet alleen om minder op te vallen voor de politie, maar ook om inbeslagneming van de auto’s te voorkomen.

Auto’s zijn door de verdachte en/of [medeverdachte] aangekocht met contant geld. Wat daarbij opvalt is dat een aantal auto’s vrij snel daarna weer wordt verkocht voor contant geld, maar met verlies.

Zo hebben de verdachte en [medeverdachte] op 2 januari 2008 een Mini Cooper gekocht. De auto werd contant betaald. De prijs was € 18.250,- en daarvan werd € 17.250,- contant betaald, in kleine coupures. De auto werd weer verkocht door [medeverdachte] op 22 januari 2008 voor € 15.000,-. Dat bedrag werd contant aan [medeverdachte] betaald door de koper. 24

Een tweede auto, een Volkswagen Golf, werd door de verdachte en [medeverdachte] aangekocht voor € 32.500,-, een bedrag dat contant betaald werd aan de verkoper. De auto heeft op naam van [medeverdachte] gestaan tussen 21 november 2009 en 21 januari 2010. De auto is daarna overgegaan op een persoon genaamd [naam] , maar op 5 februari 2010 bij een politiecontrole werd de verdachte aangetroffen in de auto. De auto is vervolgens gekocht door een koper voor € 26.250,-. Dat bedrag werd overgemaakt op de bankrekening van [medeverdachte] . Bij de verkoop waren de verdachte en [medeverdachte] aanwezig.25

Een derde auto, een Audi, werd op 19 mei 2010 gekocht door de verdachte voor € 40.000,- contant. Twee dagen later werd de auto op naam van [medeverdachte] gezet. Op 29 mei 2010 bij een politiecontrole bleek de verdachte de auto te besturen. De auto werd verkocht door de verdachte en [medeverdachte] op 17 juni 2010 voor € 36.250,- contant.26

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft bij feit 1 al beschreven waarom zij van oordeel is dat de verdachte en [medeverdachte] tezamen en in vereniging uit misdrijf verkregen geld voorhanden hebben gehad. Dit geld is gelet op het hiervoor weergegeven bewijs ook gebruikt voor transacties met auto’s. Ook dat is een vorm van omzetten van crimineel geld, een vorm van witwassen. De auto’s werden korte tijd later weer verkocht, waardoor de auto’s weer omgezet werden in contant geld. Een enkele keer komen er girale transacties bij kijken, maar het betrof zoals gezegd overwegend aan- en verkopen met contant geld.

De drie auto’s, die de rechtbank hiervoor uit het dossier heeft geselecteerd, werden korte tijd later weer met duizenden euro’s verlies verkocht. Dat vormt een extra aanwijzing dat er sprake is geweest van witwassen. De verdachte heeft ook niet ter terechtzitting of anderszins kunnen uitleggen waarom hij en/of [medeverdachte] deze verliezen zo gemakkelijk na korte tijd voor lief namen. De rechtbank gelooft gelet daarop ook niet dat de verdachte bij deze auto’s voor andere personen handelde. Het had dan voor de hand gelegen dat hij die auto’s aan de betrokken personen had geretourneerd in plaats van hen op te zadelen met duizenden euro’s verlies. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat ook bij feit 2 sprake is van medeplegen van gewoontewitwassen en zij zal dit feit, net als feit 1, dan ook bewezen verklaren.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

Feit 1

in de periode van 20 december 2004 tot en met 13 oktober 2011 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben zij, verdachte en zijn mededader, een voorwerp, te weten geld, verworven, voorhanden gehad en omgezet, terwijl zij, verdachte en zijn mededader, wisten dat dat geld

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Feit 2

in de periode van 20 december 2004 tot en met 13 oktober 2011 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben zij, verdachte en zijn mededader voorwerpen, te weten personenauto's verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, terwijl zij, verdachte en zijn mededader, wisten dat die auto’s - middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Feit 2

medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De straf en/of de maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte een gevangenisstraf van 8 maanden wordt opgelegd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is gelet op zijn bewijsstandpunt van mening dat aan de verdachte een veel lagere straf zou moeten worden opgelegd en dat volstaan kan worden met het opleggen van een taakstraf. Verder moet rekening worden gehouden met de forse overschrijding van de redelijke termijn en het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich samen met [medeverdachte] gedurende jaren schuldig gemaakt aan witwassen van uit misdrijf verkregen geld en in het verlengde daarvan aan het witwassen van auto’s. Het minimumbedrag dat op basis van het bewijs kan worden aangenomen bedraagt € 426.914,06,-. Dat bedrag heeft de verdachte ten eigen bate en ten bate van medeverdachte [medeverdachte] aangewend. Bovendien acht de rechtbank een lange periode bewezen.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde. Witwassen vormt een ernstige bedreiging voor de maatschappij, omdat het onlosmakelijk verbonden is met ernstige vormen van criminaliteit en het criminele circuit in stand helpt houden. Verder wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer door witwassen aangetast, wat eveneens een ontwrichtende uitwerking op de maatschappij heeft. Dit brengt mee dat niet kan worden volstaan met een andere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

De ernst van de feiten komt ook tot uitdrukking in het strafmaximum dat de wet heeft bepaald voor witwassen. De maximumstraffen zijn inmiddels verhoogd, niet alleen voor schuldwitwassen, maar ook voor het onderhavige gewoontewitwassen. Dat brengt de ernst van de feiten tot uitdrukking, zij het dat de rechtbank enige matiging zal moeten betrachten, omdat wijziging van inzicht van de wetgever in het strafwaardige van een feit niet met terugwerkende kracht in het nadeel van een verdachte mag uitpakken.

Ook houdt de rechtbank rekening met de forse overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak in eerste aanleg zou moeten worden afgedaan. In zaken als de onderhavige is een jarenlange duur niet ongebruikelijk, omdat witwaszaken complex zijn en aanleiding vormen tot tijdrovende nadere onderzoeken en getuigenverhoren op verzoek van de verdediging. In deze zaak is echter, onder andere door de vertraging als gevolg van het drukke zittingsrooster van de rechtbank, het tijdsverloop te fors geweest. Dat kan dus niet op het conto van de complexiteit of de verzoeken van de verdediging worden geschreven. De rechtbank zal een korting op de straf toepassen ter compensatie overeenkomstig de aanwijzingen die de Hoge Raad daarvoor heeft gegeven.

Voor witwassen zijn er geen oriëntatiepunten voor de straftoemeting voorhanden, zoals bij andere veelvoorkomende feiten. De rechtbank heeft daarom gelet op eigen uitspraken en uitspraken van het hof te ‘s-Hertogenbosch in andere witwaszaken, maar de zaken zijn vaak lastig te vergelijken. Ook heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten die de strafrechter kan hanteren bij fraude. Die zijn tot stand gekomen in 2012, onder andere op basis van de straffen die in de daaraan voorafgaande jaren werden opgelegd. De periode die de rechtbank bewezen acht in deze zaak valt daar gedeeltelijk onder.

Deze oriëntatiepunten vermelden als uitgangspunt voor de op te leggen straf bij een fraudebedrag van € 250.000,- tot € 500.000,- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden. De rechtbank vindt dat de rol van de verdachte bij de feiten de oplegging van een zwaardere straf rechtvaardigt ten opzichte van de straf die zij toepasselijk vindt voor [medeverdachte] . Het is immers de verdachte die het geld gegenereerd heeft met criminele activiteiten. [medeverdachte] heeft daarvan weer in zeer grote mate geprofiteerd. Daar waar de rechtbank [medeverdachte] ook milder straft vanwege haar verantwoordelijkheid voor de zorg voor de kinderen, vindt de rechtbank het niet gepast om de verdachte op vrije voeten te laten. De verdachte heeft namelijk ook nog een strafblad en blijkt te volharden in een criminele levensstijl. Het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht leidt niet tot enige korting op de straf. Wel zal de rechtbank de helft van de straf in voorwaardelijke vorm opleggen ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn.

Alles afwegend beschouwt de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk gepast met een proeftijd van 3 jaren.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 63 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

- bepaalt dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging van wat onder feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair ten laste is gelegd, voor zover het de periode van 20 december 2004 tot en met 24 februari 2005 betreft;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijk deel van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van drie jaren zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe en mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 maart 2019.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 20 december 2004 tot en met 13 oktober 2011 in de gemeente Schinnen en/of Echt-Susteren en/of Heerlen en/of Kerkrade, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een voorwerp, te weten een hoeveelheid/hoeveelheden geld (122.829,53 euro), verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een

hoeveelheid/hoeveelheden geld (122.829,53 euro), gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 20 december 2004 tot en met 13 oktober 2011 in de gemeente Schinnen en/of Echt-Susteren en/of Heerlen en/of Kerkrade, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een hoeveelheid/hoeveelheden geld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een hoeveelheid/hoeveelheden geld, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat bovenomschreven

voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

2.

hij in of omstreeks de periode van 20 december 2004 tot en met 13 oktober 2011 in de gemeente Schinnen en/of Echt-Susteren en/of Heerlen en/of Kerkrade, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een voorwerp, te weten een hoeveelheid personenauto's, verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een hoeveelheid personenauto's, gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat

bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 20 december 2004 tot en met 13 oktober 2011 in de gemeente Schinnen en/of Echt-Susteren en/of Heerlen en/of Kerkrade, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een hoeveelheid/hoeveelheden personenauto's, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een

hoeveelheid/hoeveelheden personenauto's, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat

1 Zie bijvoorbeeld A.J.A. van Dorst, De verjaring van het recht tot strafvordering, dissertatie 1985, p. 200 tot en met 219, mr. W.E.C.A. Valkenburg, Tekst & Commentaar Strafvordering, 12e druk, artikel 167, aantekening 3 en mr. W.E.C.A. Valkenburg, Tekst & Commentaar Strafrecht, 11e druk, artikel 72, aantekening 2.

2 Bijvoorbeeld in de Memorie van Toelichting bij het voorstel tot de Wet versterking positie rechter-commissaris, Kamerstukken II, 2009-2010, 32 177, nr. 3, p. 27 en in de Gewijzigde Memorie van Toelichting bij het Voorstel van wet van de leden Dittrich en Rietkerk tot wijziging van het wetboek van strafrecht in verband met het vervallen van de verjaringstermijn voor de vervolging van moord, doodslag en enkele andere misdrijven alsmede enkele aanpassingen van de regeling van de stuiting van de verjaring en de regeling van de strafverjaringstermijn, Kamerstukken II, 2001-2001, 28 495, nr. 7, p. 10.

3 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het dossier van de Politie, Korps landelijke politiediensten betreffende het onderzoek Taag, gesloten d.d. 13 oktober 2011, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1948.

4 Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling, dossierpagina 1907 en 1908, het proces-verbaal van bevindingen, verduidelijking kasopstelling, d.d. 15 mei 2014, niet opgenomen in de doornummering, en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 januari 2015, niet opgenomen in de doornummering. Daarbij merkt de rechtbank op dat diverse opeenvolgende berekeningen en teksten fouten bevatten die, gedeeltelijk ook opgemerkt door de politie en de officier van justitie, door de rechtbank zijn verbeterd.

5 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 mei 2014, proces-verbaalnummer 30-519023, niet opgenomen in de doornummering.

6 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juni 2018, proces-verbaalnummer 26101796Z-811, niet opgenomen in de doornummering.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 461.

8 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, dossierpagina 906.

9 Het geschrift Ambtsedige verklaring d.d. 5 november 2010, dossierpagina 1217 en 1218.

10 Het vonnis van de rechtbank van 12 april 2011, als weergegeven op dossierpagina 1071.

11 Het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 1235.

12 Het proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, dossierpagina 1185 tot en met 1190 en dossierpagina 1202.

13 Het Rapport Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht van het Openbaar Ministerie, versie april 2005 en versie november 2011.

14 Het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 1232, het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 467, tweede helft, het proces-verbaal van verhoor verdachte, dossierpagina 906, de schriftelijke verklaring, dossierpagina 911.

15 Het proces-verbaal van de rechter-commissaris d.d. 27 januari 2015, niet opgenomen in de doornummering.

16 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, dossierpagina 966.

17 Het proces-verbaal van verhoor getuige, dossierpagina 1760 en 1761.

18 Het proces-verbaal van verhoor getuige, dossierpagina 1798 tot en met 1800.

19 Het proces-verbaal van verhoor getuige, dossierpagina 1769 en 1770.

20 Het proces-verbaal van verhoor getuige, dossierpagina 1790 tot en met 1792.

21 Het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 1233 bovenaan.

22 Het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 1565 tot en met 1568.

23 Het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 1035 en 1036.

24 Het relaas proces-verbaal, dossierpagina 1277, het proces-verbaal van verhoor getuige, dossierpagina 1306 en 1307 en het proces-verbaal van verhoor getuige, dossierpagina 1315 onderaan en p. 1316 en het geschrift, dossierpagina 1303.

25 Het relaas proces-verbaal, dossierpagina 1337, het proces-verbaal van verhoor getuige, dossierpagina 1352 en het proces-verbaal van verhoor getuige, dossierpagina 1360.

26 Het relaas proces-verbaal, dossierpagina 1630, het proces-verbaal verhoor getuige, dossierpagina 1640, tweede helft en het proces-verbaal van verhoor getuige, dossierpagina 1649.