Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:2709

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-03-2019
Datum publicatie
22-03-2019
Zaaknummer
03/659440-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wederrechtelijke vrijheidsberoving

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/659440-17

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 maart 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

wonende te [adres]

De verdachte wordt bijgestaan door mr. A.C.J. Lina, advocaat kantoorhoudende te Venlo.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 maart 2019. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De benadeelde partij [benadeelde] en haar raadsvrouw, mr. J.A. van der Lem, zijn eveneens verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: [benadeelde] wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd;

Feit 2 primair: aan [benadeelde] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;

Feit 2 subsidiair: heeft geprobeerd om aan [benadeelde] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

Feit 2 meer subsidiair: [benadeelde] met voorbedachten rade heeft mishandeld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie kan op grond van de bewijsmiddelen in het dossier worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en onder 2 primair ten laste gelegde feiten.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Er is geen sprake van wederrechtelijke vrijheidsberoving. [benadeelde] is vrijwillig met de verdachte meegegaan. Het opzet van de verdachte was er niet op gericht om [benadeelde] wederrechtelijk van haar vrijheid te beroven. De verdachte wilde [benadeelde] confronteren met het feit dat zij was vreemdgegaan.

De onder 2 primair ten laste gelegde zware mishandeling van [benadeelde] kan volgens de raadsman worden bewezen. De verdachte had geen vooropgezet plan om [benadeelde] zwaar te mishandelen. Van het onderdeel voorbedachten rade dient de verdachte te worden vrijgesproken.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Bewijsmiddelen

Op zaterdag 23 december 2017, omstreeks 23:40 uur, kreeg de politie de melding dat een vrouw mishandeld zou zijn. De vrouw zou door haar (ex-)vriend uit de auto zijn gezet en zijn achtergelaten op een pad met de naam [naam] in de gemeente Venlo. De verbalisanten waren omstreeks 23:43 uur ter plaatse. De weg [naam] is een doodlopende weg, midden in een bosperceel. De politie zag een vrouw staan met zware verwondingen aan haar gezicht. De verbalisanten zagen dat haar linkeroog geheel dicht was. Zij zagen dat er bloed uit dat oog druppelde. De vrouw was zeer geëmotioneerd. De verbalisanten hoorden de vrouw zeggen dat zij in elkaar was geslagen door haar (ex-)vriend [verdachte] . [verdachte] had eerst haar armen en benen met ducttape vastgebonden. Omdat zij een mes bij zich had, had zij zich kunnen bevrijden. Zij had zich door [verdachte] laten vastbinden omdat zij dacht zij tweeën een seksspel in het bos zouden gaan spelen.

De vrouw bleek [benadeelde] te zijn. De verbalisanten brachten [benadeelde] naar de huisartsenpost van het VieCuri Ziekenhuis te Venlo. De verbalisanten vernamen van de behandelend arts dat de neus van [benadeelde] gebroken was. Het linkeroog van [benadeelde] was te gezwollen om hieraan onderzoek uit te kunnen voeren.2

[benadeelde] deed op 24 december 2017 aangifte tegen [verdachte] , de verdachte. [benadeelde] verklaarde dat zij en de verdachte naar Tegelen zouden gaan om daar in de bossen naar de grotten met goud en edelstenen te gaan kijken. Volgens de verdachte zouden die grotten daar zijn. Hij had nooit tegen [benadeelde] gelogen, dus zij geloofde hem. [benadeelde] en de verdachte kwamen ongeveer iets na 23:00 uur aan in Tegelen. Zij zijn toen doorgereden naar [naam weg] . Ze zijn samen ongeveer 500 meter het bos ingelopen. Eenmaal daar legden ze dekens op de grond en begonnen te zoenen. [benadeelde] zag dat de verdachte ducttape had meegenomen. Zij had daar geen probleem mee en zei “kom maar op”. De verdachte heeft vervolgens haar beide handen vastgebonden achter haar rug. Daarna heeft hij haar enkels vastgebonden. Zij lag toen op haar buik. Toen de verdachte klaar was met het vastbinden, heeft hij [benadeelde] op haar rug gelegd. Zij lag toen op haar handen/armen. Op dat moment had zij nog alleen haar ondergoed aan. De verdachte ging vervolgens bovenop [benadeelde] zitten en gaf haar een klap met zijn vuist. [benadeelde] dacht dat dit erbij hoorde. In het verleden was zij vaker door de verdachte vastgebonden bij het hebben van seks. Toen waren het alleen maar tikken en werd er niet geslagen, zoals nu wel het geval was. Daarna kwam de tweede klap. De verdachte sloeg [benadeelde] met volle kracht tegen haar hoofd. Hij sloeg haar meerdere keren met kracht en met gebalde vuisten. Zij vroeg toen aan de verdachte waarom hij dit deed. Hij antwoordde dat zij seks had gehad met een van zijn beste vrienden. [benadeelde] had pijn en stond doodsangsten uit. Nadat de verdachte was gestopt met het slaan lukte het haar om haar handen los krijgen. De verdachte was toen nog aanwezig. De verdachte zag dat maar zei niets daarover. Nadat de verdachte was weggegaan lukte het [benadeelde] om de ducttape om haar enkels los te snijden met het mes dat zij bij zich had.3

[benadeelde] werd op 24 december 2017 gezien door de SEH-arts van de afdeling Spoedeisende Hulp van het VieCuri Medisch Centrum te Venlo. De neus van [benadeelde] stond scheef. Er werd een nasale fractuur vastgesteld. Een repositie van de neus was noodzakelijk. Ook was er sprake van een periorbitaal hematoom links met een oppervlakkig barstwondje op het bovenste ooglid, verschillende kneuzingen in het gezicht, hals en sleutelbeen.4

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij [benadeelde] wilde confronteren met het feit dat zij was vreemdgegaan met zijn beste vriend, [naam vriend] . Een vriendin van de verdachte, [naam vriendin] , had de locatie van de confrontatie bedacht. Het was de bedoeling dat [naam vriend] en [naam vriendin] bij de confrontatie aanwezig zouden zijn. Zij haakten echter op het laatste moment af. Het was een fantasie van [benadeelde] om vastgebonden te worden met ducttape en zo seks te hebben in een bos. De verdachte heeft [benadeelde] , door haar fantasie te gebruiken, op de bewuste plaats gekregen, door haar te doen geloven dat het een spel was. Hij heeft haar armen (achter haar lichaam) en haar enkels vastgebonden. Zij stemde hiermee in. Hij ging daarna op haar zitten en confronteerde haar met het overspel. Hij gaf haar een klap met de vlakke hand. Hij werd ontzettend kwaad en begon haar harder te slaan. Hij gaf haar ongeveer 15 klappen achter elkaar. Zij probeerde zich tijdens het slaan los te wurmen. Op een gegeven moment stopte de verdachte. Hij was geschrokken van zichzelf. In het begin van de relatie hadden de verdachte en [benadeelde] afgesproken dat zij elkaar niet in het gezicht zouden slaan. [benadeelde] wist daarom dat het dit keer geen spel was. Nadat hij haar geslagen had, heeft de verdachte [benadeelde] in het bos achtergelaten. Het was zijn bedoeling om [benadeelde] naar het bos mee te nemen en om haar daar een aantal opvoedkundige tikken te geven. In die zin was er sprake van voorbedachten rade. Het was nimmer de bedoeling om het zo uit de hand te laten lopen. Het was zijn plan om haar in het bos achter te laten in het geval zij niet eerlijk zou zijn over het vreemdgaan.5

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Feit 1

Aan de verdachte is onder 1 wederrechtelijke vrijheid beroving van [benadeelde] ten laste gelegd. Van wederrechtelijke vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht is sprake indien iemand niet vrijwillig kan vertrekken van de plaats waar hij zich op dat moment bevindt, bijvoorbeeld omdat hij is vastgebonden. De vrijheidsberoving moet opzettelijk geschieden en zonder toestemming van het slachtoffer.

De verdachte heeft verklaard dat het zijn bedoeling was om [benadeelde] mee te nemen naar het bos, haar daar vast te binden en om haar vervolgens te confronteren met het feit dat zij was vreemdgegaan. Uiteindelijk wilde hij haar in het bos achterlaten. Vanaf het moment dat zij was vastgebonden, kon [benadeelde] niet meer weg. Zij stribbelde tegen, zij het tevergeefs. Zij was overgeleverd aan de verdachte. De verdachte heeft van meet af aan de intentie gehad om [benadeelde] vast te binden en heeft dit onderdeel van zijn plan ook ten uitvoer gebracht. Daarmee is volgens de rechtbank het opzet van de verdachte op de vrijheidsberoving van [benadeelde] gegeven.

Deze vrijheidsberoving is naar het oordeel van de rechtbank wederrechtelijk. Weliswaar had [benadeelde] in eerste instantie ingestemd om door de verdachte te worden vastgebonden, maar zij dwaalde hierbij. De verdachte had haar misleid. De verdachte had haar voorgespiegeld dat het onderdeel was van een (seks)spel. Van echte toestemming van [benadeelde] is derhalve geen sprake.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank de tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving bewezen.

Feit 2

Zwaar lichamelijk letsel

Onder 2 primair is aan de verdachte tenlastegelegd het opzettelijk en met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde] . De verdachte heeft toegegeven dat hij [benadeelde] heeft geslagen. Blijkens de medische informatie in het dossier heeft [benadeelde] als gevolg van de geweldshandelingen van de verdachte letsel opgelopen. De vraag is of het door [benadeelde] opgelopen letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Bij de beantwoording van de vraag of al dan niet sprake is van zwaar lichamelijk letsel, is onder meer relevant de aard van het opgelopen letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd.6

[benadeelde] heeft als gevolg van het geweld van de verdachte onder meer een gebroken neus opgelopen. De neus stond ook scheef. Operatief ingrijpen bleek noodzakelijk. Daarbij is de neus weer in de juiste positie gebracht. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het letsel dat [benadeelde] heeft opgelopen - een gebroken neus - als zwaar lichamelijk letsel dient te worden gekwalificeerd.

Voorwaardelijk opzet

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de verdachte het zwaar lichamelijk letsel opzettelijk heeft toegebracht. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in casu op zwaar lichamelijk letsel - is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Het bewust aanvaarden van die aanmerkelijke kans kan in bepaalde gevallen ook uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen worden afgeleid. Bepaalde gedragingen kunnen immers naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de dader de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.7

De verdachte heeft verklaard dat hij [benadeelde] meerdere keren met kracht een harde vuistslag in het gezicht heeft gegeven. Het gezicht is een kwetsbaar onderdeel van het lichaam. Omdat de verdachte meermalen met kracht met de vuist op het gezicht van [benadeelde] heeft geslagen en [benadeelde] als gevolg hiervan zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, heeft de verdachte (voorwaardelijk) opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde] . Het handelen van de verdachte kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde] , dat het niet anders kan dan dat hij die kans ook welbewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties die een andersluidend oordeel zouden kunnen rechtvaardigen is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde] .

Voorbedachte rade

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte het zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht met voorbedachten rade.

Voor bewezenverklaring van voorbedachten rade is voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachten rade is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.8

De verdachte heeft verklaard dat het zijn bedoeling was om aan [benadeelde] een aantal opvoedkundige tikken te geven en dat het geweld niet zo uit de hand had mogen lopen. Zij plan was er niet op gericht om aan [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Hierin ziet de rechtbank de eerste contra-indicatie voor het bestaan van voorbedachten rade op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij tijdens de confrontatie heel erg kwaad was geworden en daarom harder begon te slaan. [benadeelde] heeft hierover verklaard dat de verdachte op enig moment doorsloeg. De mogelijkheid bestaat daarom dat het aan [benadeelde] toegebrachte zwaar lichamelijk letsel het gevolg is van een plotselinge drift bij de verdachte. Hierin ziet de rechtbank de tweede contra-indicatie voor het bestaan van voorbedachten rade op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht om voornoemde redenen het ten laste gelegde onderdeel voorbedachten rade niet wettig en overtuigend bewezen en zal de verdachte van dit specifieke onderdeel vrijspreken.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1. in de nacht van 23 op 24 december 2017 te Tegelen, opzettelijk [benadeelde] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door genoemde [benadeelde] mee te nemen in een bos, de handen en voeten van genoemde [benadeelde] met ducttape aan elkaar te binden en genoemde [benadeelde] vervolgens aldaar achter te laten;

2. op 23 december 2017 te Tegelen, gemeente Venlo [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een neusfractuur, heeft toegebracht door die [benadeelde] meermalen met gebalde vuisten tegen het hoofd te slaan, terwijl genoemde [benadeelde] gekneveld aan handen en voeten op haar rug op de grond lag.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden

feit 2:

zware mishandeling

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De klinisch psycholoog [naam] verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, heeft over de geestvermogens van de verdachte een rapport d.d. 22 maart 2018 uitgebracht. In het rapport staat dat de verdachte lijdt aan een posttraumatische-stressstoornis. De geestvermogens van de verdachte zijn enigszins gebrekkig ontwikkeld. Er is sprake van een scheefgroei in zijn persoonlijkheidsontwikkeling, gekenmerkt door vermijdende persoonlijkheidskenmerken, een onrijpe identiteitsontwikkeling, een sterke afweer van emoties en een sterk wantrouwen in andere mensen. Voorts is er sprake van een partner-relatieprobleem, nu in remissie na beëindiging van zijn relatie.

De deskundige concludeert dat verdachtes stoornissen aanwezig waren ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten, indien bewezen. Hierdoor was de verdachte in verminderde mate in staat om zijn woede en gedrag adequaat en conform wettelijke waarden en normen te reguleren. De deskundige adviseert het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen aan de verdachte.

De rechtbank kan zich in het rapport van de deskundige vinden. Zij neemt de conclusie van de deskundige met betrekking tot de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte over.

Bovenstaande brengt mee dat de verdachte strafbaar is, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 450 dagen waarvan 375 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden inhoudende een meldplicht, een ambulante behandeling, een contactverbod met het slachtoffer, een locatieverbod voor het adres van de ouders van het slachtoffer en een verbod tot verspreiding van foto’s en video’s die gemaakt zijn ten tijde van het tenlastegelegde. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd om aan de verdachte een taakstraf op te leggen voor de duur van 240 uren. De officier van justitie gaat er vanuit dat het ten laste gelegde aan de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend. De officier van justitie acht het van belang dat de verdachte zijn behandeling kan voortzetten. De officier van heeft de opheffing van het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte gevorderd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de eis van officier van justitie. Hij heeft de rechtbank verzocht om bij de beoordeling rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft [benadeelde] , zijn ex-vriendin, op de late avond en onder valse voorwendsels naar een bos meegenomen. Niet wetend wat de verdachte van plan was en dat een ware nachtmerrie aanstaande was, heeft zij zich door de verdachte laten vastbinden. Op enig moment lag zij weerloos in haar lingerie op de grond. De verdachte zat toen bovenop haar. Zij kon geen kant op. Nadat hij zijn ex-vriendin de eerste klap had gegeven, sloegen de stoppen bij hem door. Hij heeft het slachtoffer als een soort van boksbal gebruikt. Hij heeft haar zwaar lichamelijk letsel toegebracht. Hij heeft haar bijna geheel ontkleed in het bos achtergelaten. Zij heeft zichzelf moeten bevrijden. Dit rekent de rechtbank de verdachte ernstig aan.

Wederrechtelijke vrijheidsberoving en zware mishandeling zijn ernstige strafbare feiten.

Een wederrechtelijke vrijheidsberoving vormt een ingrijpende inbreuk op de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer en brengt angst, bedreiging en onzekerheid met zich mee. Een zware mishandeling veroorzaakt pijn en leed bij het slachtoffer. De gevolgen kunnen voor het slachtoffer gruwelijk en blijvend zijn.

[benadeelde] heeft tijdens de terechtzitting haar slachtofferverklaring voorgelezen. Haar leven is sinds 23 december 2017 ingrijpend veranderd. Zij is constant op haar hoede, wantrouwt andere mensen snel en heeft last van nachtmerries. Ten gevolge van de strafbare feiten is zij teruggevallen in haar oude gedragspatroon van automutilatie. Na 23 december 2017 heeft zij vaak zichzelf gesneden.

Bij het bepalen van de soort en hoogte van de op te leggen straffen heeft de rechtbank het volgende in ogenschouw genomen.

Gebruikelijk is, gelet op jurisprudentie in soortgelijke gevallen, om voor een wederrechtelijke vrijheidsberoving als waarvan in de onderhavige zaak sprake is, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden op te leggen. Bij het bepalen van de sanctie voor een zware mishandeling heeft de rechtbank de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Deze oriëntatiepunten gaan uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden (opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zonder gebruik te maken van een wapen).

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de verdachte naar voren gebracht dat in zijn visie [benadeelde] gedeeltelijk eigen schuld is aan wat haar is overkomen. Hij had haar met allerlei zaken geholpen, waaronder kleding en huisvesting. Desondanks was zij vreemdgegaan met zijn beste vriend.

Maar wat er ook van deze teleurstelling van de verdachte zij, geweld is niet het gepaste middel. Deze houding van de verdachte acht de rechtbank zorgwekkend.

De rechtbank heeft ten nadele van de verdachte rekening gehouden met het feit dat hij [benadeelde] bijna geheel ontkleed, in de nachtelijke uren en gewond en bloedend in het bos heeft achtergelaten, waarbij hij eerst nog een aantal foto’s van haar heeft gemaakt.

Ten voordele van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het reclasseringsrapport van 29 februari 2019. Hierin staat dat de verdachte na de schorsing van de voorlopige hechtenis in behandeling is gegaan. Hij heeft goed meegewerkt aan het toezicht door de reclassering. Hij heeft zich bereid heeft verklaard om verdere hulp te aanvaarden.

Daarnaast heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat de ten laste gelegde feiten aan de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Ook is artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een straf gelijk aan de duur van de door de verdachte ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis. Om de gestarte behandeling van de verdachte niet te doorkruisen zal aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd die meer bedraagt dan de duur van het reeds door de verdachte ondergane voorarrest.

Van belang is dat van de op te leggen straf voldoende afschrikkende werking uitgaat, om te voorkomen dat de verdachte opnieuw in de fout zal gaan. De rechtbank hoopt dit te bereiken door een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen, met een proeftijd van twee jaren. Tijdens de proeftijd zal de verdachte zich, naast de gebruikelijke algemene voorwaarden, onder meer moeten houden aan de bijzondere voorwaarden die de reclassering in haar rapport van 29 februari 2019 adviseert. Daarnaast zal de rechtbank als bijzondere voorwaarde aan de verdachte een verbod opleggen om, mocht hij deze nog in zijn bezit hebben, foto’s en video’s van [benadeelde] te verspreiden. De rechtbank zal aan de verdachte tevens een taakstraf voor de maximale duur opleggen.

Ondanks dat de rechtbank bij de ten laste gelegde zware mishandeling de voorbedachte rade niet bewezen acht, vindt de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf toch passend. Zij zal deze straf dan ook aan de verdachte opleggen.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde [benadeelde] heeft zich door het indienen van haar vordering tot vergoeding van haar schade tot een bedrag van € 4.431,98 partij in het geding gesteld.

Volgens deze vordering bestaat de materiële schade uit de posten:

  • -

    Eigen risico over 2017, 2018 en 2019 € 1.094,77

  • -

    Kleding en schoenen € 330,00

  • -

    Reiskosten medische behandeling € 177,80

  • -

    Reiskosten bezoek Rotterdam € 105,04

Ter terechtzitting is gebleken dat ten aanzien van de vergoede medicatie een bedrag van

€ 27,72 in mindering moet worden gebracht op het eigen risico over 2017. De gevorderde materiële schade komt daarmee op een bedrag van € 1.679,89.

De immateriële schade bestaat volgens deze vordering uit een bedrag van € 2.500,- wegens de psychische impact en de pijn en het letsel als gevolg van de mishandeling en de daarop volgende medische ingreep.

De proceskosten bestaan uit de reiskosten en de kosten voor het opvragen van medische inlichtingen bij medisch centrum VieCurie, dit voor een bedrag van € 224,37.

De totaal gevorderde schadevergoeding komt neer op een bedrag van € 1.679,89 + 2.500,- + 224,37 = € 4.404,26

Tot slot vordert [benadeelde] de wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag en vraagt om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van [benadeelde] met uitzondering van de reiskosten die zijn gemaakt door de zus van [benadeelde] toen zij [benadeelde] ophaalde uit Rotterdam. Zij heeft gevorderd om de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor het aan [benadeelde] toe te wijzen bedrag.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de materiële schade voor de kleding en schoenen een bedrag in mindering moet worden gebracht in verband met afschrijving. Hij heeft de rechtbank verzocht om het gevraagde bedrag te matigen. Het eigen risico over 2019 betreft toekomstige schade en komt niet in aanmerking voor vergoeding. Het overige gedeelte van de vordering is voldoende onderbouwd en voor toewijzing vatbaar.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte uitgeoefende geweld. Aan de verdachte zal ter zake van dit feit een straf worden opgelegd. [benadeelde] heeft daardoor recht op schadevergoeding.

Ten aanzien van de materiële schade

Eigen risico 2017 en 2018

De rechtbank is van oordeel dat deze kostenpost als rechtstreekse schade is aan te merken en voldoende is onderbouwd. De schade is door de verdediging niet betwist. Deze komt volledig voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal dan ook het gevorderde bedrag van € 682,05 toewijzen.

Eigen risico 2019

De rechtbank heeft oog voor het feit dat er nog traumabehandelingen zullen volgen. Het gaat hier echter om toekomstige schade. Het maken van een schatting is niet eenvoudig. De kosten hangen van te veel factoren af, bijvoorbeeld de poliskeuze en eerder gebruik van eigen risico. Gelet hierop levert de behandeling van dit gedeelte van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering voor deze kostenpost niet worden ontvangen. Zij kan deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Kleding en schoenen

De rechtbank merkt op dat door de benadeelde partij geen aankoopbonnen zijn overgelegd. Uit het procesdossier is echter voldoende aannemelijk geworden dat er aan de kleding en schoenen van de benadeelde partij schade was. De rechtbank zal, bij gebrek aan volledige onderbouwing, de waarde van dit alles schatten op een bedrag van € 200,00. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.

Reiskosten medische behandeling

De reiskosten medische behandeling zijn naar oordeel van de rechtbank aan te merken als rechtstreekse schade en zijn voldoende onderbouwd. Deze vordering is door de verdediging niet betwist. Gelet daarop zal de rechtbank deze post volledig toewijzen voor een bedrag van € 177,80.

Reiskosten bezoek Rotterdam

Deze reiskosten zijn gemaakt door de zus van de benadeelde partij. Toen [benadeelde] de verdachte tijdens een feest tegenkwam, belde zij haar zus om haar te komen ophalen. Er was op dat moment geen openbaar vervoer beschikbaar. De rechtbank is van oordeel dat hier geen sprake is van rechtstreekse schade, nu onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade door het bewezenverklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. Zij zal deze post dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van de immateriële schade

Ter zake de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende.

De benadeelde partij heeft € 2.500,- gevorderd. Zij heeft door de gedragingen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Wegens de pijn, het moeten ondergaan van een neusoperatie, blijvende scheefstand van haar neus en psychisch letsel heeft zij recht op het gevorderde bedrag, aldus de benadeelde partij. Ter onderbouwing van de vordering is verwezen naar een aantal uitspraken: Rechtbank Gelderland d.d. 19 april 2011 (ELCI:NL:RBZUT:2011:BQ1804), Rechtbank Noord Nederland d.d. 25 april 2018 (ECLI:NL:RBNNE:2018:1532) en Rechtbank Overijssel d.d. 23 februari 2016 (ECLI:NL:RBOVE:2016:603)

Noch op grond van de vordering, noch op grond van de overige beschikbare informatie is de omvang van deze schade vast te stellen. Gelet echter op wat in vergelijkbare gevallen wordt toegekend - de rechtbank heeft hierbij ook gelet op de verschillen tussen het onderhavige geval en de door de verdediging ingebrachte jurisprudentie - schat de rechtbank de schade naar billijkheid op een bedrag van € 2.000,-. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.

Ten aanzien van de proceskosten

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde proceskosten voldoende onderbouwd zijn en dat deze door de verdediging niet zijn betwist. Gelet daarop zal de rechtbank het gevorderde bedrag toewijzen.

De rechtbank wijst toe:

Een totaal bedrag aan materiële en immateriële schade en proceskosten van € 3.284,22.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf

23 december 2017, de dag waarop de schade is ingetreden, tot aan de dag van volledige voldoening.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, met uitzondering van de post proceskosten.

Gelet op de financiële situatie van de verdachte zal de rechtbank toepassing geven aan artikel 36f lid 5 van het Wetboek van Strafrecht en zal bepalen dat de betaling aan de Staat in 10 maandelijkse termijnen van elk € 305,99 mag worden voldaan.

8 Het beslag

Tijdens het onderzoek werden de door de verdachte bij bij het plegen van de delicten gebruikte rugzak en stukken ducttape in beslag genomen. De stukken ducttape en de rugzak zullen verbeurd verklaard worden.

Tijdens het onderzoek is een sieraad in beslag genomen. Gebleken is dat dit sieraad eigendom is van [benadeelde] . De rechtbank zal de opdracht geven tot teruggave van het sieraad aan [benadeelde] .

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24a, 36f, 57, 63, 282, 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 450 dagen, waarvan 375 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

  • -

    stelt voorts de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

  • -

    veroordeelde moet zich binnen 5 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis melden bij de Reclassering en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht;

  • -

    veroordeelde dient zich te houden aan de aanwijzingen van de reclassering;

  • -

    veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te laten behandelen door FFP de Horst of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zoveel korter als de reclassering – in overleg met de behandelaars – nodig acht. Veroordeelde moet zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

  • -

    veroordeelde mag op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde] (geboren op [datum] ), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

  • -

    veroordeelde mag zich gedurende de proeftijd niet bevinden binnen een straal van 500 meter van [adres] , zolang het Openbaar ministerie dit noodzakelijk vindt;

  • -

    veroordeelde mag op geen enkele wijze foto’s en video’s van [benadeelde] verspreiden;

  • -

    geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] , gedeeltelijk toe;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 3.059,85, bestaande uit € 1.059,85 materiële schade en € 2.000,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 23 december 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering voor het overige, met betrekking tot de post kleding en schoenen en de overige immateriële schade af;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het gedeelte betrekking hebbend op de posten eigen risico 2019 en reiskosten bezoek Rotterdam niet-ontvankelijk is;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot op

€ 224,37;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde] , van € 3.059,85, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 40 hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 23 december 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat de betaling aan de Staat in 10 maandelijkse termijnen van elk € 305,99 mag worden voldaan;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

Beslag

- verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen voorwerpen:

2.00 STK Tapeband KL: Grijs 1023037;

1.00

STK Tapeband KL: Grijs 1023145;

1.00

STK Rugzak KL: Blauw 1023162;

- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan [benadeelde] :

1.00 STK Sieraad 1023039.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Osmić, voorzitter, mr. J.H. Klifman en mr. M.J.H. van den Hombergh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Smits, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 maart 2019.

Buiten staat

Mr. M.J.H. van den Hombergh is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de nacht van 23 op 24 december 2017 te Tegelen, in elk geval in de gemeente Venlo, opzettelijk [benadeelde] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door genoemde [benadeelde] mee te nemen in een bos, althans met genoemde [benadeelde] naar een bos te gaan, de handen en voeten van genoemde [benadeelde] met duct tape aan elkaar te binden en genoemde [benadeelde] vervolgens aldaar achter te laten;

2.

hij op of omstreeks 23 december 2017 te Tegelen, in elk geval in de gemeente Venlo, [benadeelde] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een neusfractuur, heeft toegebracht door die [benadeelde] meermalen (met gebalde vuisten) tegen het hoofd te slaan, terwijl genoemde [benadeelde] gekneveld aan handen en voeten op haar rug op de grond lag,

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 23 december 2017 te Tegelen, in elk geval in de gemeente Venlo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat oogmerk genoemde [benadeelde] meermalen (met gebalde vuisten) tegen het hoofd en/of in het gezicht heeft geslagen, terwijl genoemde [benadeelde] gekneveld aan handen en voeten op haar rug op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 23 december 2017 te Tegelen, in elk geval in de gemeente Venlo, met voorbedachten rade [benadeelde] heeft mishandeld door genoemde [benadeelde] meermalen (met gebalde vuisten) tegen het hoofd te slaan, terwijl genoemde [benadeelde] gekneveld aan handen en voeten op haar rug op de grond lag;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van Districtsrecherche Noord- en Midden Limburg, proces-verbaalnummer [nummer] , gesloten d.d. 24 januari 2018, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 181.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 december 2017, p. 90.

3 Aangifte [benadeelde] d.d. 24 december 2017 (p. 105 t/m 107).

4 Bijlage 6 van de vordering benadeelde partij [benadeelde] (medisch dossier SHE d.d. 24 december 2017) in samenhang met bijlage 7 (brief SEH-arts [naam] van 24 april 2018) en bijlage 8 (loopbriefje, overzicht behandeling d.d. 5 april 2018).

5 Verklaring verdachte bij de politie d.d. 24 december 2017 (p. 39, 40, 41) in samenhang met de verklaring van de verdachte bij de politie d.d. 25 december 2017 (p. 80, 81, 83, 84) en de verklaring van de verdachte bij de politie d.d. 26 december 2017 (p. 87, 88).

6 ECLI:NL:HR:2018:1051.

7 ECLI:NL:HR:2006:AZ1668.

8 ECLI:NL:HR:2012:BX6758.