Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:2699

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-03-2019
Datum publicatie
25-03-2019
Zaaknummer
7505459 AZ VERZ 19-18
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek werkneemster om vernietiging onverwijlde opzegging afgewezen. Uit onderzoek door recherchebureau is gebleken dat werkneemster bewust en gedurende een lange periode werkgever onjuist heeft ingelicht over haar gezondheidstoestand. Tegenverzoeken deels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0339
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer 7505459 AZ VERZ 19-18

Beschikking van 22 maart 2019

in de verzoekschriftprocedure van

[verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] ,

wonend in [woonplaats] , aan de [adres] ,

verzoekende partij,

verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek,

gemachtigde mr. J.E.A.H. Verstraelen, ter zitting vervangen door mr. M.J. Voets

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BRILMIJ GROEP B.V.,

gevestigd in Soesterberg,

verwerende partij,

verzoekster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek,

gemachtigde mr. E.A.V. van Dam.

Partijen zullen hierna [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] en Brilmij genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 4 februari 2019 ter griffie ontvangen verzoekschrift

  • -

    de op 28 februari 2019 ter griffie ontvangen nadere producties van de zijde van [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek]

  • -

    het op 4 maart 2019 ter griffie ontvangen verweerschrift, tevens inhoudend een tegenverzoek

  • -

    de op 7 maart 2019 ter griffie ontvangen nadere producties van de zijde van Brilmij

  • -

    de mondelinge behandendeling ter zitting van 12 maart 2019, waar partijen hun respectieve standpunten nader hebben toegelicht aan de hand van een pleitnota.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] is sinds 5 oktober 2011 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst van Brilmij laatstelijk als verkoopmedewerker 2 in een Eyewish filiaal in Maastricht voor 32 uur per week tegen een brutoloon van € 1.342,92 bruto per maand exclusief vakantiebijslag.

2.2.

In de periode 2014 tot en met 2016 is [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] bijna twee jaar arbeidsongeschikt geweest, waarna zij eind 2016 haar werkzaamheden weer heeft hervat. Op 21 februari 2017 is [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] echter wederom voor 100% uitgevallen en zij heeft sindsdien de bedongen arbeid niet meer uitgevoerd.

2.3.

Brilmij heeft [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] , op aanraden van bedrijfsarts R. van der Meulen van HumanCapitalCare B.V., periodiek uitgenodigd om te bespreken hoe het met haar ging (door partijen ‘koffiemomenten’ genoemd). Brilmij heeft [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] daartoe diverse keren met een taxi laten ophalen en terug laten brengen voor gesprekken op het hoofdkantoor in Soesterberg en bij het door Brilmij ingeschakeld medisch expertisecentrum Ergatis Arbeid en Gezondheid (verder te noemen: Ergatis) in Nijmegen. Ook zijn diverse keren medewerkers van Brilmij vanuit Soesterberg naar Limburg gereisd om met [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] update-gesprekken te voeren.

2.4.

Gedurende haar arbeidsongeschiktheid sinds 21 februari 2017 hebben medewerkers van Brilmij en de bedrijfsarts dus op meerdere momenten contact met [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] gehad. Volgens Brilmij heeft [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] daarbij steevast te kennen dat zij wegens ernstige gezondheidsklachten (waarbij met name sterk verminderd zicht) nergens toe in staat was en dat zij niet zelfstandig kon functioneren. In het bijzonder gaf zij te kennen niet in staat te zijn om auto te rijden en niet zonder begeleiding haar huis te kunnen verlaten, dus ook niet om boodschappen te doen of om de hond uit te laten: daarvoor stelde zij afhankelijk te zijn van anderen.

2.5.

[verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] heeft verschillende keren afspraken voor genoemde koffiemomenten alsook een afspraak bij de bedrijfsarts op 9 februari 2018 kort vantevoren afgezegd.

2.6.

Bij brief van 21 februari 2018 (bijlage 10 verweerschrift) heeft Brilmij [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] een officiële waarschuwing gegeven, waarin Brilmij [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] onder meer heeft gewezen op haar verplichting om mee te werken aan haar reïntegratie. De brief vermeld onder meer het navolgende:

Op woensdag 21 februari jl. heb je telefonisch contact gehad met ondergetekende, HR Adviseur Eye Wish Opticiens. Aanleiding voor dit gesprek was het feit dat jij de uitnodiging van zowel de Bedrijfsarts op 9 februari jl. als de uitnodiging voor het kennismakingsgesprek in verband met de voortgang van Ergatis op 13 februari jl. hebt geannuleerd. Beide afspraken heb je op eigen initiatief geannuleerd zonder jouw contactpersoon van HR of jouw leidigngevende daarvan op de hoogte te stellen. Omdat dit niet acceptabel gedrag is en je hierbij niet voldoende meewerkt aan jouw re-integratie ontvang je hiervoor deze schriftelijke bevestiging van de waarschuwing. (…)

2.7.

De bedrijfsarts heeft op 12 april 2018 telefonisch contact gehad met [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] en heeft daarover diezelfde dag schriftelijk de navolgende terugkoppeling (bijlage 11 verweerschrift) aan Brilmij gegeven:

Op 12 april 2018 heeft mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] mijn telefonisch contact gehad met mij.

Er is sprake van een langdurig en complexe situatie. Ik zet dit kort neer:

  1. Er is eigenlijk sprake van langdurig verzuim sinds 31 OKT 2014. Daarin zat korte periode van herstel.

  2. Er is weinig contact geweest met bedrijfsartsen (volledig eigen regie toen).

  3. Het Ergatis-rapport is nu ter beschikking van de werrkgever en mij (dit was n.a.v. mijn advies eind NOV 2017).

  4. Advies Ergatis:

Mevrouw heeft sinds DEC 2017 geen behandeling meer! ERGATIS stelt een langdurig, multidisciplinair traject voor (heeft mevrouw wel eerder gehad al), onvoldoende re-integratie-inspanning door de werknemer.

Daarnaast zou een Arbeidsdeskundig Onderzoek zinvol zijn (gezien UWV-regels) om te onderzoeken of er passend werk is ; de FML van ERGATIS is daarvoor bruikbaar.

5. Naast bovenstaand (maar dat is volledig aan u) zou ik overwegen of een VSO een oplossing kan bieden gezien de lange re-integratieweg en de beperkingen van mevrouw (helaas kan ik daar niet meer over zeggen) en haar copingstijl.

(…)

2.8.

Omdat terugkeer in de eigen functie niet in de lijn der verwachtingen lag, is een re-integratie tweede spoor opgestart. Bij brief van 12 juli 2018 (bijlage 12 verweerschrift) heeft de bedrijfsarts daaromtrent het navolgende aan Brilmij teruggekopeld (waarbij ‘DO’ staat voor deskundigenoordeel, zo begrijpt de kantonrechter):

Mevrouw volgt nu het 2de spoor. Er is rapport van ERGATIS, een FML en een Arbeidsdeskundig Onderzoek. Er wordt nu gezocht naar passende arbeid. Mevrouw is het niet eens met de conclusie van de arbeidsdeskundige. Helaas mag ik geen medische informatie verstrekken aan de arbeidsdeskundige of aan Amplooi die het 2 de spoor begeleidt. Dit zou wellicht e.e.a. duidelijker maken.

ADVIES: als het 2 de spoor niet loopt omdat mevrouw het niet eens is met de rapportage van de arbeidsdeskundige zou ik DO aanvragen bij het UWV omdat de re-integratie stagneert in het 2 de spoor. (…)

2.9.

Naar aanleiding van dit advies heeft Brilmij een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd met betrekking tot de re-integratie inspaningen van [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] . Deze heeft op 13 september 2018 gerapporteerd (bijlage 13 verweerschrift) dat - samengevat - de re-integratie inspanningen van [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] “thans met de huidige inzichten (de thans geldende medische situatie) als voldoende te kwalificeren” is.

2.10.

In september 2018 is een collega van [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] de grootouders van [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] tegengekomen in een winkel op de woonboulevard in Heerlen. Volgens Brilmij heeft de grootvader van [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] op dat moment zich tegen de betreffende collega van [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] laten ontvallen dat [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] zelf auto reed (hetgeen die grootvader later in een schriftelijke verklaring heeft betwist, maar dat terzijde). Wat daar ook verder van zij, dat gesprek is voor Brilmij aanleiding geweest om [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] door recherchebureau [naam recherchbureau] B.V. (verder te noemen: [naam recherchbureau] ) te laten observeren. Op 3 december 2018 heeft [naam recherchbureau] schriftelijk verslag uitgebracht over haar bevindingen (bijlage 3 verzoekschrift).

Uit dat verslag worden de navolgende passages aangehaald:

“Observatie.

RBDK heeft observaties uitgevoerd op het bekende adres van mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] , [adres] te [woonplaats] , op donderdag 27.09.2018 en vrijdag 19.10.2018. Op vrijdag 12.10.2018 heeft RBDK een observatie uitgevoerd op het Eye Wish filiaal aan de Nieuwstraat 22 te 6211 CS Maastricht.

De observaties zijn verwerkt in een afzonderlijk verslag dat bij dit onderzoeksverslag zal

worden gevoegd. (Bijlage 1 verslag observatie onderzoek Ster)

Gedurende de observaties zijn een aantal foto’s en is een videoregistratie gemaakt van

mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] . Deze foto’s worden bij dit verslag gevoegd. (bijlage 2 fotomap Brilmij Ster)

De videoregistratie is ter beschikking gesteld aan opdrachtgever.

Bevindingen observatie.

• Uit de observaties van donderdag 27.09.2018 en 19.10.2018 is gebleken dat mevrouw

[verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] alleen en zelfstandig een hond (gelijkend op een golden retriever) uit laat. Deze

hond wordt uitgelaten met behulp van een lange looplijn. Mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] loopt

kennelijk zonder beperkingen een rondje met de hond. Zij loopt in een vaste lijn over

het trottoir, waarbij de hond aan de lange lijn meeloopt. Er is duidelijk geen sprake

van een geleidende hond.

• Op donderdag 27.092018 is waargenomen dat mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] alleen uit het appartementencomplex komt met in haar hand een aantal boodschappentassen. Zij loopt in een rechte lijn, kennelijk zonder enige beperking, naar een personenauto merk Mercedes, type A160 grijs van kleur, voorzien van kenteken [kenteken] . Zij stapt als bestuurster in deze personenauto en rijdt alleen en zelfstandig weg.

• Op donderdag 27.09.2018 is waargenomen dat mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] de Mercedes personenauto, als bestuurster, aan komt rijden en de personenauto parkeert op de parkeerplaats naast het appartementen complex. Zij stapt uit met gevulde boodschappentassen en loopt naar de ingang van het appartementen complex waar zij naar binnen gaat. Waargenomen is dat zij alleen en zonder begeleiding het voertuig heeft bestuurd en dat zij kennelijk zonder enige beperking met de gevulde

boodschappentassen in een rechte lijn naar de woning loopt.

Fotoherkenning.

Van de door RBDK waargenomen vrouw is een foto getoond aan de heer [naam rayonmanager] , rayonmanager van de Brilmij Groep. Hij herkende deze vrouw als mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] .

• Op vrijdag 12.10.2018 is waargenomen dat mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] uit het Eye Wish filiaal gelegen aan de Nieuwstraat 22 te Maastricht komt, in bijzijn van een man van ongeveer 25-30 jaar oud. Mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] en de man lopen dicht naast elkaar waarbij het lijkt alsof de man haar ondersteund. Zij lopen over de Nieuwstraat in de richting van de Markt. Ongeveer 50 meter uit zicht van de winkel laat mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] de arm van de man los en lopen zij verder. Gekomen op de Markt wordt waargenomen dat mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] tussen het drukke wandel- en fietsverkeer doorloopt kennelijk zonder begeleiding.

Uit de waarneming gedaan in de Nieuwstraat en op de Markt, blijkt niet dat mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] enige ondersteuning of begeleiding krijgt in het lopen.

Bezoek filiaal.

RBDK heeft telefonisch contact gehad met de heer [naam rayonmanager] , werkzaam als rayonmanager bij de Brilmij die vanuit zijn functie leidinggevende van mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] is. De heer [naam rayonmanager] deelde mede dat hij aanwezig is geweest tijdens het bezoek van mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] in het filiaal van de Eye Wish gevestigd aan de Nieuwsfraat 22 te Maastricht, tijdens het bezoek van mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] op 12.10.2018. De heer [naam rayonmanager] deelde mede dat mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] in liet filiaal stevig gearmd liep met haar vriend omdat zij door haar gezichtsbeperking niet kon zien waar zij liep.

Mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] bevestigde dit ook in het gesprek met de heer [naam rayonmanager] .

Videoregistratie.

Om duidelijk inzichtelijk te maken of er verschil is tussen de wijze waarop mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] zich gedraagt als zij bij het filiaal van de Eyewish aan de Nieuwstraat 22 te Maastricht arriveert en haar gedrag nadat zij dit filiaal heeft verlaten is besloten om dit vast te leggen door middel van een videoregistratie.

Mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] uitgenodigd om in het filiaal te verschijnen voor een gesprek met haar rayonmanager de heer [naam rayonmanager] .

Gelet op de snel invallende duisternis is de afspraak gemaakt op woensdag 28.11.2018 te 15.00 uur. Twee eerder gemaakte afspraken zijn op het laatste moment door mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] afgezegd.

Mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] heeft hierop laten weten dat zij niet in staat was om op dat tijdstip aanwezig te

zijn omdat zij afhankelijk was van een vriendin die haar moest begeleiden, gelet op haar

slechte gezichtsvermogen. Het was mogelijk om op die dag te 15.30 uur aanwezig te zijn.

Observatie 28.11.2018.

Op woensdag 28.11.2018 omstreeks 15.00 uur heeft RBDK een aanvang genomen met de observatie, die uitgevoerd is door [naam particulier onderzoeker 1] en [naam particulier onderzoeker 2] , beiden gelegitimeerd particulier onderzoeker.

Telefonisch contact.

Op woensdag 28.11.2018 omstreeks 15.45 uur was mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] nog niet gearriveerd, waarop de heer [naam rayonmanager] haar gebeld heeft met de vraag of zij zou komen op de afspraak. Aan de heer [naam rayonmanager] werd door mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] bevestigd dat zij al in Maastricht was met een vriendin op zoek naar een parkeerplaats.

Verdere observatie.

15.56

uur. (Video aankomst)

Mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] loopt de Nieuwstraat in aan de arm van een vrouw (verder aangeduid als vrouw), blond, camel jas, spijkerbroek en witte schoenen. De vrouw is ongeveer 25-30 jaar oud en bijna een kop groter dan mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] . Zij lopen in een langzaam tempo in de richting van het Eye Wish filiaal aan de Nieuwstraat 22 te Maastricht. Mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] heeft de arm van de vrouw vast tijdens het lopen.

16.13

uur. (Video vertrek)

Mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] komt weer uit het Eye Wish filiaal aan de Nieuwstraat 2 te Maastricht. Zij loopt wederom gearmd met de vrouw in de richting van de Markt te Maastricht. Mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] wordt hierbij duidelijk ondersteund door de vrouw. Op de Markt laat de vrouw de arm van mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] los en vervolgens loopt mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] geheel zelfstandig, kennelijk zonder enige beperking de Markt op naast de vrouw. Beiden lopen een stevig tempo de Grote Gracht op. Zij lopen naast elkaar over de Grote

Gracht en gaan rechtsaf de Capucijnenstraat in. Na ongeveer 100 meter in de Capucijnenstraat stoppen mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] en de vrouw bij een geparkeerde auto, een grijze personenauto, merk Mercedes, type A160, voorzien van het kenteken [kenteken] . Rapporteur [naam particulier onderzoeker 1] herkent dit voertuig als de auto waarin mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] eerder als bestuurster heeft gereden. Mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] en de vrouw staan op het trottoir naast de Mercedes. Mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] maakt een gebaar waarna kennelijk de portieren van de Mercedes geopend worden. De vrouw stapt vervolgens in de Mercedes op de passagiersstoel naast de bestuurder stoel. Mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] loopt achter de Mercedes langs en neemt vervolgens plaats achter het stuur van de Mercedes. Hierna rijdt de Mercedes weg met mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] achter het stuur.

Gedurende de observaties moesten observanten er stevig de pas in houden om mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek]

niet uit het oog te verliezen.

Gesprek mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] .

In het gesprek tussen de heer [naam rayonmanager] en mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] vertelt mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] onder andere:

• Zij wordt zwaar belemmerd door haar zicht probleem.

• Hierdoor kan zij niet autorijden.

• Geen boodschappen doen.

• Geen hond uit laten.

• Geen huishouding verzorgen.

• Niet zonder begeleiding de woning verlaten.

• De vrouw bij mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] een goede vriendin is die haar dagelijks helpt met de

bovenstaande zaken, die zij zelf niet meer kan doen.

De door mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] genoemde belemmeringen worden door de eerdere observaties en deze

observatie weerlegd. Immers is vastgesteld dat mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] zelfstandig en kennelijk zonder

enige beperking:

• De hond uit laat.

• Boodschappen doet.

• Auto rijdt.

• Zelfstandig in een vrij rap tempo door een drukke stad kan lopen.

• De vriendin is bij observaties op de woning van mevrouw [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] niet waargenomen.

2.11.

Van het in het rapport gememoreerde op 28 november 2018 gevoerde gesprek is een audio-opname gemaakt, welke in digitale vorm (op een usb-stick) aan het dossier is toegevoegd.

2.12.

Bij brief van 5 december 2018 heeft Brilmij [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] per e-mail uitgenodigd voor een gesprek op 6 december 2018. Uit dat bericht wordt de volgende passage aangehaald:

Beste [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] ,

(…)

Wij nodigen je uit voor een bespreking op het Support Office van GrandVision in Soesterberg (Amersfoortsestraat 84a) 3769NH) aanstaande donderdag 6 december 2018 (morgen) om 14:00 uur. Aanleding voor deze bespreking is het feit dat we ernstige vermoedens en bewijzen hebben dat jouw gezondheidstoestand anders is dan jij ons voorspiegelt. Wij nemen dat zeer ernstig op en willen jou graag de gelegenheid geven om jouw reactie darop te geven.

Bij dit gesprek zullen namens GrandVision aanwezig zijn: HR Manager [naam HR manager] , rayonmanager [naam rayonmanager] en advocaat Eric van Dam. Uiteraard mag jij ook een (juridisch) adviseur meenemen naar dit gesprek. Wij verwachten dat jij morgen op de afspraak zult verschijnen.

2.13.

[verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] is op het gesprek op 6 december 2018 verschenen, waarbij Brilmij haar met de bevindingen van het verslag van [naam recherchbureau] heeft geconfronteerd.

Aan het einde van dit gesprek heeft Brilmij [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] op staande voet ontslagen, waarbij aan [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] de ontslagbrief in persoon is overhandigd. Uit die brief wordt de navolgende passage aangehaald:

In de jaren 2014 tot en met 2016 ben jij bijna twee jaar arbeidsongeschikt geweest. Nadat jij eind 2016 jouw werk voor twee maanden hebt hervat, ben jij op 21 februari 2017 weer voor 100% uitgevallen. Vanaf dat moment heb jij geen werkzaamheden meer voor Brilmij verricht. In de diverse contactmomenten die gedurende jouw arbeidsongeschiktheid hebben plaatsgevonden, heb jij steeds aangegeven zeer ernstige gezondheidsklachten te hebben, die jou niet alleen belemmeren om jouw werkzaamheden voor Brilmij te verrichten, maar je ook ernstig belemmeren in jouw dagelijks leven te functioneren. Zo zou jij onder meer zonder ondersteuning niet kunnen lopen, niet kunnen autorijden, niet zelfstandig de hond kunnen uitlaten, en niet zelfstandig boodschappen kunnen doen. Tijdens een contactmoment op 28 november 2018 met de heer [naam rayonmanager] en mevrouw [naam] , in aanwezigheid van een vriendin, heb jij dit nogmaals expliciet verklaard. Je liet je bij dat contactmoment ondersteunen, chaufferen, greep constant naar je rug en gaf aan dat het op dat moment niet goed met je ging en dat je weer veel last had en niet kon functioneren.

Zoals jij zelf hebt onderkend, hebben wij jou gedurende jouw arbeidsongeschiktheid altijd ondersteund. Wij zijn er altijd in goed vertrouwen van uitgegaan dat jij de waarheid sprak ten aanzien van jouw arbeidsongeschiktheid.

Recent hebben wij echter geconstateerd dat jouw gezondheidstoestand volstrekt anders is dan jij ons hebt voorspiegeld. Aanleiding daarvoor was dat een collega, de heer [naam collega] van jouw grootouders vernam dat jij, anders dan jij zelf stelde, gewoon autorijdt en wel degelijk in staat bent om activiteiten te ontplooien. Wij zagen ons daarom genoodzaakt jou de afgelopen periode te laten observeren. Daaruit is gebleken dat jij wel degelijk in staat bent te functioneren en zichtbaar moeiteloos die activiteiten verricht waarvan je eerder aangaf deze niet te kunnen verrichten, zoals het zonder ondersteuning lopen, autorijden, zelfstandig de hond uitlaten en zelfstandig boodschappen doen. Wij kunnen daarom geen andere conclusie trekken dan dat jij Brilmij hebt voorgelogen.

Wij hebben daarop een gesprek met je gehad op ons hoofdkantoor in Soesterberg, vandaag om 14:00 uur. In dat gesprek hebben we je geconfronteerd met onze bevindingen en je gevraagd naar jouw reactie. Je bekende dat je inderdaad autorijdt en zelfs dat je na het contactmoment van 28 november 2018, vanaf het moment dat je uit het zicht van de winkel verdween, zonder ondersteuning en in flink tempo naar je auto bent teruggelopen om vervolgens zelf achter het stuur te stappen en weg te rijden, terwijl de duisternis inmiddels was ingetreden. Wij hebben jou gevraagd om jouw reactie. Jij had hier eigenlijk ook geen verklaring voor, en gaf enkel aan dat je last hebt van conversie. Als gevolg daarvan zijn er dagen waarop je je iets beter voelt en dagen waarop het slechter gaat. Wij hebben jou daarop gezegd dat dit haaks staat op jouw verklaringen en houding, ook tijdens het contactmoment van 28 november jl., aangezien je voor, tijdens en direct na het bezoek van de winkel aangaf en liet blijken niets te kunnen en ondersteund en gechauffeerd te moeten worden, terwijl je uit het zicht van de

winkel ineens zelfstandig en in hoog tempo liep en vervolgens in de duisternis zelf wegreed in het drukke spitsverkeer. En dat terwijl je nu juist een chauffeur bij je had omdat je aangaf niet te kunnen autorijden. Jij kon deze tegenstrijdigheid zelf ook niet verklaren en wilde verder niet reageren.

Hierna hebben wij ons gesprek geschorst en jouw reactie besproken. Wij vinden dit een zeer ernstige kwestie en jouw reactie heeft daarin geen verandering gebracht. Aan het einde van het gesprek hebben we je daarom op staande voet ontslagen.

Je hebt met jouw gedragingen in strijd gehandeld met jouw wettelijke plicht je als goed werknemer te gedragen en met jouw handelwijze grovelijk de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst geschonden. Daarmee heb je het vertrouwen dat Brilmij in jou moet kunnen stellen op onherstelbare wijze geschonden. Daarnaast heb je Brilmij aanzienlijke financiële schade toegebracht, bestaande uit de doorbetaling van jouw salaris gedurende een geruime periode.

Jouw gedragingen zijn voor Brilmij onacceptabel. De bovengenoemde verwijten gelden ieder voor zich en/of in onderlinge samenhang bezien als een dringende reden in de zin van artikel 7:678 8W. Jouw persoonlijke omstandigheden, zoals onder meer de gevolgen die het ontslag voor je zal hebben, hebben we zorgvuldig afgewogen tegen de aard en de ernst van de dringende reden. Die afweging heeft tot de slotsom geleid dat een onmiddellijke beëindiging van het dienstverband gerechtvaardigd is. (…)”

3 Het verzoek en het tegenverzoek

3.1.

[verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] verzoekt primair vernietiging van de onmidellijke opzegging en om haar toe te laten tot de bedongen arbeid op verbeurte van een dwangsom, onder veroordeling van Brilmij tot doorbetaling van het loon te vermeerderen met rente en wettelijke verhoging.

Subsidiair verzoekt [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] de veroordeling van Brilmij tot betaling van de transitievergoeding ad € 3.384,10 en een billijke vergoeding ad € 10.000,00, meer subsidiair alleen de transitievergoeding. Daarnaast verzoekt [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] de veroordeling van Brilmij tot betaling van de proceskosten.

3.2.

Volgens [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] is geen sprake van een dringende reden voor de onverwijlde opzegging en is zij het slachtoffer geworden van onbegrip voor haar klachten. Zij heeft een zogenoemde conversiestoornis ontwikkeld, hetgeen inhoudt dat het lichaam psychische klachten omzet in lichamelijke klachten. Op dagen Dat [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] zich wat beter voelt, is zij in staat om kleine stukjes te wandelen met de hond en om een kleine boodschap te doen. Haar zicht is beter in het donker, aldus [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] in haar pleitnota.

3.3.

Brilmij heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.

In haar tegenverzoek verzoekt Brilmij [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] te veroordelen:

  • -

    tot betaling van de onderzoekskosten die samenhangen met de inschakeling van [naam recherchbureau] , te weten € 8.043,72 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van voldoening;

  • -

    tot betaling van € 1.432,49 exclusief 8% vakantiebijslag bij wege van de zogenoemde gefixeerde schadevergoeding ex art. 7:677 lid 2 BW met rente.

Daarnaast verzoekt Brilmij om - ingeval het verzoek om vernietiging van de onmiddellijke opzegging wordt toegewezen - ontbinding van de arbeidsovereenkomst op zo kort mogelijke termijn. Tevens verzoekt Brilmij de veroordeling van [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] tot betaling van de proceskosten.

4 De beoordeling

4.1.

Vooraleerst merkt de kantonrechter op dat uit het systeem van artikel 7:681 lid 1 BW volgt dat in een zaak als de onderhavige de werknemer zelf de keuze zal moeten maken (op zijn laatst ter zitting) om ofwel vernietiging van de opzegging te verzoeken óf om - in plaats daarvan - zich neer te leggen bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst maar wel om veroordeling van de werkgever tot betaling van genoemde vergoedingen te verzoeken omdat hij het met de door de werkgever opgegeven reden van de opzegging niet eens is. Dat is dus niet een kwestie van een primair en subsidiair verzoek maar een kwestie van het een óf het ander. Nu [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] die keuze ook ter zitting niet (kenbaar) heeft gemaakt, dient het ervoor te worden gehouden dat zij om vernietiging van de opzegging verzoekt (immers: haar primaire verzoek).

4.2.

Onweersproken staat vast dat [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] zich steeds heeft laten rijden om kunnen te verschijnen op de zogenoemde koffiemomenten en zich door een derde heeft laten begeleiden en ondersteunen bij het lopen en het traplopen. Tevens is op de geluidsopname van het gesprek op 28 november 2018 te horen dat [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] desgevraagd duidelijk en ondubbelzinnig te kennen geeft dat haar gezondheidstoestand nog onveranderd is, hetgeen onder meer inhoudt dat zij niet zelfstandig kan autorijden, niet zelfstandig de hond kan uitlaten, boodschappen kan doen of het huishouden kan doen en dat zij niet zonder begeleiding haar woning kan verlaten (conform hetgeen daarover in het rapport van [naam recherchbureau] vermeld staat, zoals aangehaald onder 2.10.). Dat zij gedurende het verloop van haar ziekteperiode “verschillende malen heeft aangegeven” dat zij op ‘een goede dag wel eens auto rijdt’ (zoals [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] op de zevende maar ongenummerde pagina, tweede alinea, van haar verzoekschrift stelt) is door Brilmij gemotiveerd betwist, door [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] verder niet aangetoond en is in het licht van de overige stellingen en bijlagen (en dan met name de geluidsopname van het gesprek op 28 november 2018) ook ongeloofwaardig. Met andere woorden: uit niets blijkt dat [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] eerder dan tijdens het gesprek op 6 december 2018, toen zij met de bevindingen van het verslag van [naam recherchbureau] werd geconfronteerd, aan Brilmij kenbaar heeft gemaakt dat zij soms ‘goede dagen’ heeft waarop zij wel degelijk in staat is om zelf haar hond uit te laten (al is het maar een klein stukje) zelf auto te rijden en zelf (kleine) boodschappen te halen.

Uit de door [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] zelf als bijlage 11 ingebrachte ‘verzekeringsgeneeskundige rapportage’ d.d. 22 januari 2019 behorende bij de beschikking van het UWV d.d. 13 februari 2019 (toekenning WIA) volgt niet anders dan dat [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] ook bij het UWV consequent heeft aangegeven (onder meer) niet te kunnen autorijden in verband met haar verminderd zicht; (pag. 3 onder 3.1. Overwegingen en functionele mogelijkheden)

Cliënt heeft een verminderd zicht in beide ogen. Onder andere autorijden, werken met gevaarlijke machines of juist fijne, op een kleine schaal producten samen stellen behoren niet tot de mogelijkheden.

Ook ter zitting heeft [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] desgevraagd geen aanvaardbare verklaring kunnen geven voor het feit dat zij tijdens het verder ontspannen gesprek op 28 november 2018 eerder ondubbelzinnig te kennen gaf (onder andere) absoluut niet te kunnen autorijden (reden voor het feit dat ze gechauffeerd werd door een vriendin) en niet zonder begeleiding haar woning te kunnen verlaten, om vervolgens, na uit het zicht van het winkelfiliaal te zijn verdwenen, duidelijk zichtbaar zonder ondersteuning te lopen, zelf achter het stuur van een auto plaats te nemen en weg te rijden.

Indien [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] al zou worden gevolgd in haar stellingen, inhoudende dat zij soms, op een goede dag, wel in staat was (onder andere) auto te rijden, dan nog valt niet in te zien waarom zij daar haar werkgever niet correct over had kunnen informeren en valt de door [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] gestelde frequentie van die ‘goede dagen’ (een dag in de twee a drie maanden) ook niet te rijmen met de observaties van RBDK. Los daarvan is het onverantwoord om met het door [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] gestelde ziektebeeld achter het stuur van een auto plaats te nemen, anders dan na een positief uitvallende geneeskundige keuring, hetgeen verder ontbreekt.

Daarmee staat in deze procedure ook vast dat [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] gedurende in ieder geval een groot deel van haar ziekte periode haar werkgever Brilmij doelbewust onjuist heeft voorgelicht over haar gezondheidstoestand. Dat levert voor Brilmij een dringende reden op om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te kunnen zeggen.

Het verzoek wordt om die reden afgewezen.

4.3.

Op grond van de bovenstaande overwegingen is het tegenverzoek van Brilmij om [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] te veroordelen tot betaling van de zogenoemde gefixeerde schadevergoeding toewijsbaar, inclusief de daarover gevorderde wettelijke rente vanaf 6 december 2018 (7:686a lid 1 BW juncto 7:677 lid 2 BW) tot aan de dag van voldoening.

De omvang van die vergoeding zoals verzocht is op zichzelf onbetwist gelaten en staat daarmee in deze procedure vast.

4.4.

Ter zake van de eveneens gevorderde vergoeding van de onderzoekskosten van [naam recherchbureau] heeft [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] ter zitting opgemerkt dat [naam recherchbureau] bij Brilmij 69 onderzoekuren heeft gedeclareerd doch dat niet blijkt hoe lang en hoe vaak er door [naam recherchbureau] is gepost voor de woning van [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] om enige activiteit te kunnen waarnemen. De facturen waarnaar Brilmij in dit kader verwijst (bijlage 30 bij het tegenverzoek) vermelden inderdaad geen enkele nadere specificatie van de bij haar in rekening gebrachte onderzoekuren van [naam recherchbureau] zodat de feitelijke grondslag voor een volledige vergoeding van die kosten niet te verifiëren valt.

De kantonrechter zal daarom ex aequo et bono in dit kader een bedrag van € 2.500,00 toewijzen als zijnde een redelijke vergoeding voor deze kosten inclusief wettelijke rente vanaf 4 maart 2019 (datum ontvangst verweerschrift) tot aan de dag van voldoening.

4.5.

Nu het verzoek om vernietiging van de arbeidsovereenkomst is afgewezen, behoeft het voorwaardelijke deel van het tegenverzoek geen beoordeling.

5 De beslissing

De kantonrechter

in het verzoek

5.1.

wijst het verzoek af;

in het tegenverzoek

5.2.

veroordeelt [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] om aan Brilmij € 1.432,49 exclusief 8% vakantiebijslag te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 december 2018 tot aan de dag van voldoening;

5.3.

veroordeelt [verzoekster, verweerster in het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek] om aan Brilmij € 2.500,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2019 tot aan de dag van voldoening;

5.4.

verklaart de veroordelingen onder 5.2. en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gewezen door mr. R.H.J. Otto en is in het openbaar uitgesproken.

RK