Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:2605

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
19-04-2019
Zaaknummer
C/03/250385 / FA RK 18-1905
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wijziging kinder- en partneralimentatie. Vrouw informeert man ondanks afspraken niet over haar inkomsten. Draagkrachtvergelijking buiten rechte niet mogelijk. Wijziging kinderalimentatie met aanzienlijke terugwerkende kracht? Vrouw heeft onvoldoende inspanningen verricht om in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Verbleekte behoefte vrouw. Nihilstelling partneralimentatie en limitering. Kan na- en terugbetalingsverplichting van de vrouw worden gevergd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Zaaknummer : C/03/250385 / FA RK 18-1905

Beschikking van 21 maart 2019 betreffende alimentatie in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonend te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

advocaat: mr. R.B.A.E. Brouwers, kantoor houdend te Maastricht,

tegen:

[verweerster] ,

wonend te [woonplaats],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat: mr. L.L.C. Habets, kantoor houdend te Heerlen.

1 Het verloop van de procedure

Het procesverloop blijkt onder meer uit:

- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 23 mei 2018;

- de op 30 mei 2018 gedateerde brief van de hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1];

- het verweerschrift, tevens bevattende zelfstandige verzoeken, van de vrouw, ingekomen op 13 juli 2018;

- het verweerschrift van de man op de zelfstandige verzoeken, ingekomen op 10 september 2018;

- de door de vrouw bij e-mailbericht van 7 januari 2019 overgelegde stukken;

- de brief, met bijlagen, van de man van 10 januari 2019;

- de mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 24 januari 2019 en waarbij beide partijen en hun advocaten zijn verschenen.

2 De feiten

2.1.

Deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 oktober 2013 (onder zaaknummer C/03/175564 / S RK 12-1183) de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die uitspraak is op 19 november 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Binnen het door echtscheiding ontbonden huwelijk zijn geboren de nog minderjarige kinderen:

  • -

    [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [2001], (hiervoor en hierna te noemen: [minderjarige 1]), en

  • -

    [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [2005] (hierna te noemen: [minderjarige 2]).

2.3.

In voornoemde beschikking is het door partijen destijds overeengekomen ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant aangehecht. In het ouderschapsplan is onder artikel 7.1 onder meer bepaald:

“De vader zal een bedrag van € 592,50 per maand per kind bijdragen voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. Zodra de moeder eigen inkomsten heeft zal er een draagkrachtvergelijking dienen te worden gemaakt om te bezien van (naar de rechtbank begrijpt zal bedoeld zijn: “wat”) het aandeel van de moeder zal zijn.”

2.4.

Daarnaast heeft de rechtbank in voornoemde beschikking aan de man een door hem aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud, verder te noemen partnerbijdrage, opgelegd van € 120,- bruto per maand. Nadien is deze bijdrage – ingevolge een door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst op 18 november 2013 – gewijzigd in een bedrag van € 1.302,- bruto per maand.

3 Het geschil

3.1.

De man heeft verzocht voornoemde beschikking van 16 oktober 2013, het daarin opgenomen ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant alsmede de vaststellingsovereenkomst van partijen, ondertekend op 18 november 2013, te wijzigen:

a. de bijdrage voor de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] vanaf

1 februari 2015 tot 3 juli 2017 op een bedrag van € 407,- per maand te bepalen, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, en vanaf 3 juli 2017, althans en in elk geval met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, op nihil;

de bijdrage voor de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] vanaf 3 juli 2017, althans en in elk geval met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren tot datum indiening verzoekschrift, op een bedrag van € 85,- per maand te bepalen, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, en vanaf datum indiening verzoekschrift op een bedrag van € 154,- per maand, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

de bijdrage voor de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] vanaf 1 februari 2015 tot 3 juli 2017 op een bedrag van € 407,- per maand te bepalen, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, en vanaf 3 juli 2017 tot datum indiening verzoekschrift op een bedrag van € 419,- per maand, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, en vanaf datum indiening verzoekschrift, althans met ingang van de door de rechtbank in dezen te wijzen beschikking, althans en in elk geval met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, op een bedrag van € 350,- per maand;

de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw per datum indiening verzoekschrift op nihil te bepalen, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, alsmede de duur van de partneralimentatie te limiteren tot 3 jaren na de indiening van het verzoekschrift, althans tot een datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

kosten rechtens.

3.2.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij heeft verzocht:

  • -

    primair: de verzoeken van de man af te wijzen;

  • -

    subsidiair: voor het geval de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en/of de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen wijzigt, deze wijziging op zijn vroegst per datum van de in dezen te wijzen beschikking te laten ingaan, althans te bepalen dat de reeds door de vrouw ontvangen bedragen niet aan de man terugbetaald hoeven te worden, en voor het geval de rechtbank bepaalt dat de vrouw aan de man een bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] verschuldigd is, de reeds door haar betaalde bedragen ten behoeve van [minderjarige 1] hiermee te verrekenen en te bepalen dat die bijdrage op zijn vroegst ingaat op de datum van indiening van het verzoekschrift.

Bij zelfstandig verzoek heeft de vrouw, na intrekking ter zitting van haar verzoek met betrekking tot [minderjarige 2], verzocht de man te verplichten met ingang van de datum van indiening van het zelfstandig verzoek een bijdrage te leveren in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 2.328,- per maand, althans een in goede justitie te bepalen bedrag of datum.

3.3.

Op de door partijen betrokken stellingen zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, ingaan.

4 De beoordeling

Gewijzigde omstandigheden

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat er sinds de tussen partijen uitgesproken beschikking van 16 oktober 2013 tal van gewijzigde omstandigheden zijn opgetreden op grond waarvan de eerder overeengekomen kinder- en partnerbijdrage niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet, waaronder:

  • -

    de inwerkingtreding van de Wet hervorming kindregelingen per 1 januari 2015, waardoor het fiscaal voordeel bij het betalen van kinderalimentatie is komen te vervallen en de vrouw een hoger kindgebonden budget (hierna: KGB) is gaan ontvangen. Dit KGB dient volgens de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) bij de draagkracht van de vrouw te worden betrokken;

  • -

    de wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] naar de man vanaf medio 2017, althans definitief per december 2017;

  • -

    het feit dat de vrouw inkomen is gaan genereren en op grond daarvan volgens het door partijen overeengekomen ouderschapsplan een draagkrachtvergelijking gemaakt had moeten worden, zodat het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen becijferd had kunnen worden.

4.2.

De man is derhalve ontvankelijk in zijn verzoeken.

4.3.

Nu de vrouw heeft betwist dat er gewijzigde omstandigheden zijn opgetreden en geen rechtsgrond heeft gesteld op grond waarvan de man een hogere partnerbijdrage aan haar zou moeten voldoen van € 2.328,- per maand, zal de rechtbank het zelfstandig verzoek van de vrouw reeds om deze reden afwijzen.

Kinderalimentatie

Behoefte

4.4.

De hoogte van de geïndexeerde behoefte van de kinderen in 2018 is niet in geschil tussen partijen; deze bedraagt (afgerond) € 633,- per maand per kind.

Ingangsdatum

4.5.

De man heeft primair verzocht de door hem verschuldigde kinderbijdrage(n) te wijzigen met ingang van 1 februari 2015, aldus met aanzienlijke terugwerkende kracht. De vrouw heeft zich hier gemotiveerd tegen verzet. Voorts heeft de man verzocht de door hem aan de vrouw verschuldigde kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] met ingang van 3 juli 2017 op nihil te stellen. De vrouw heeft zich ook hiertegen verweerd en heeft gesteld dat deze nihilstelling niet eerder zou moeten ingaan dan met ingang van december 2017.

4.6.

De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat een draagkrachtvergelijking gemaakt zou moeten worden indien de vrouw eigen inkomsten zou gaan genereren, moet de rechtbank constateren dat een dergelijke draagkrachtvergelijking voorafgaand aan de onderhavige procedure door de opstelling van de vrouw niet heeft kunnen plaatsvinden. Immers, de vrouw heeft ondanks meerdere verzoeken van de man in de afgelopen jaren geen gehoor gegeven aan zijn oproep om openheid van zaken te geven over haar inkomsten. Hierdoor is de man jarenlang de volledige behoefte van de kinderen blijven betalen, terwijl de vrouw daarin, gelet op haar inkomsten, ook een aandeel had moeten dragen. Echter, de man heeft zeer lang gewacht met het uiteindelijk indienen van het verzoekschrift (pas op 23 mei 2018). Vanaf dit moment moest de vrouw er in ieder geval rekening mee houden dat zij mogelijk een deel van de door haar te ontvangen kinderalimentatie aan de man zou moeten (gaan) terugbetalen. Gelet op het feit dat het vaste jurisprudentie is dat zeer terughoudend dient te worden omgegaan met het opleggen van een terugbetalingsverplichting aan – in dit geval – de vrouw, en de vrouw onbetwist heeft gesteld dat zij alle van de man ontvangen kinderbijdragen ten behoeve van de kinderen heeft opgesoupeerd, zal de rechtbank de reeds betaalde en opgesoupeerde kinderbijdragen niet met de verzochte aanzienlijke terugwerkende kracht per 1 februari 2015 wijzigen.

4.7.

De rechtbank ziet in casu het moment waarop [minderjarige 1] (definitief) bij de man is gaan verblijven als ijkpunt waarop het voor de vrouw duidelijk was, althans had moeten zijn, dat zij niet langer aanspraak kon blijven maken op kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] én dat zij in beginsel een onderhoudsbijdrage aan de man verschuldigd zou zijn met betrekking tot [minderjarige 1], ook omdat zij toen al langere tijd eigen inkomsten had. Partijen hebben uitgebreid gediscussieerd over wanneer de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage voor [minderjarige 1] op nihil zou moeten worden gesteld. In dit kader is de rechtbank van oordeel dat, nu aannemelijk is dat de vrouw nog kosten ten behoeve van [minderjarige 1] heeft gemaakt in de periode van 3 juli 2017 tot december 2017, de door de man verschuldigde kinderbijdrage voor [minderjarige 1] vanaf 1 december 2017 (op 20 november 2017 is [minderjarige 1] definitief op het woonadres van de man ingeschreven) op nihil moet worden gesteld. De rechtbank zal aldus beslissen.

4.8.

Vanaf laatstgenoemde datum zal de rechtbank derhalve bezien in hoeverre de man en de vrouw in de behoefte van zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] dienen bij te dragen. Daar waar de vrouw heeft gesteld dat zij ervan uitgaat dat de man de volledige behoefte van de kinderen voor zijn rekening neemt en blijft nemen, omdat partijen dit bij overeenkomst hebben afgesproken en daarbij bewust zouden zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, kan het betoog van de vrouw geenszins worden gevolgd. Partijen zijn immers nadrukkelijk in het ouderschapsplan overeengekomen dat een draagkrachtvergelijking gemaakt zou worden vanaf het moment dat de vrouw eigen inkomsten zou genereren. De rechtbank zal hierna dan ook overgaan tot het beoordelen van de draagkracht van zowel de man als de vrouw. Nu bij een beoordeling per 1 december 2017 sprake is van slechts één maand over 2017, zal de rechtbank gemakshalve uitgaan van de cijfers over 2018.

Draagkracht vrouw

4.9.

De man heeft gesteld dat, nu de vrouw verwijtbaar heeft gehandeld in het niet volledig benutten van haar verdiencapaciteit, aan de zijde van de vrouw voor de bepaling van haar draagkracht moet worden uitgegaan van een fictieve verdiencapaciteit en een fictief (hoger) inkomen. De vrouw heeft zich hiertegen verzet. De rechtbank ziet – gelet op hetgeen hierna onder 4.34. is overwogen – evenmin grond de man in zijn betoog te volgen. Uitgegaan zal worden van de inkomsten die de vrouw daadwerkelijk heeft gegenereerd, ook omdat zij met die inkomsten feitelijk had kunnen bijdragen in de kosten van de kinderen.

4.10.

De vrouw heeft haar NBI over 2018 ten behoeve van kinderalimentatie in een bij het verweerschrift overgelegde draagkrachtberekening becijferd op € 1.994,- per maand (bestaande uit loon en een door haar te ontvangen KGB ten behoeve van [minderjarige 2]). De rechtbank constateert dat de man, anders dan door te stellen dat uitgegaan moet worden van een inkomen aan de zijde van de vrouw op basis van een fulltime dienstbetrekking, deze berekening niet heeft betwist. Hoewel de man wel nog een draagkrachtberekening heeft overgelegd met betrekking tot de draagkracht van de vrouw over 2018, is de man daarin uitgegaan van een te hoog KGB (waarschijnlijk gebaseerd op twee kinderen, terwijl enkel [minderjarige 2] nog bij de vrouw verbleef in 2018), zodat die berekening reeds om die reden niet kan worden gevolgd. Conform de toepasselijke draagkrachtformule 70% [NBI – (0,3 x NBI + 920)] is de draagkracht van de vrouw op grond van een NBI van € 1.994,- per maand te stellen op € 333,- per maand, zoals de vrouw eveneens heeft becijferd.

4.11.

Hoewel de vrouw bij e-mailbericht van 7 januari 2019 nog stukken heeft overgelegd met betrekking tot kosten die zij dient te maken, heeft de vrouw niet gesteld dat met deze kosten bij het bepalen van haar draagkracht voor kinderalimentatie rekening dient te worden gehouden, zodat de rechtbank dat evenmin zal (kunnen) doen. Integendeel, de vrouw heeft ter zitting gesteld dat zij voor wat betreft haar aandeel in de kosten van de kinderen haar stellingen als ingenomen in het verweerschrift handhaaft, zodat de rechtbank zal uitgaan van de hiervoor genoemde draagkracht van € 333,- per maand.

Draagkracht man

4.12.

De man heeft zijn NBI over 2018 ten behoeve van kinderalimentatie in een bij het verzoekschrift overgelegde draagkrachtberekening becijferd op € 5.383,- per maand. De vrouw heeft die berekening betwist en heeft eveneens een draagkrachtberekening met betrekking tot de man overgelegd, waarin zij is uitgekomen op een NBI van € 5.632,- per maand.

4.13.

Nu het NBI van de man ter discussie staat tussen partijen, heeft de rechtbank zelf een draagkrachtberekening gemaakt, welke berekening is gehecht aan deze beschikking. Voor wat betreft het totaal bruto loon van de man is de rechtbank uitgegaan van de cumulatieven op de loonstrook van december 2018, waarop een totaal fiscaal loon van € 137.752,55 staat vermeld. Onder verwijzing naar stukken van zijn werkgever heeft de man onbetwist, dan wel onvoldoende gemotiveerd door de vrouw betwist, gesteld dat sprake is van een pensioengat en dat in dit verband een bedrag van € 301,49 bruto per maand (aldus

€ 3.617,88 per jaar) op het inkomen van de man dient te worden ingehouden. Dit betekent dat de rechtbank is uitgegaan van een bruto jaarloon van de man van (afgerond) € 134.135,-. Rekening houdend met de fiscale bijtelling voor het privé gebruik van de zakelijke auto (van in totaal afgerond € 12.962,- conform de loonstrook van december 2018), de loonheffing en de op de man van toepassing zijnde heffingskortingen kan het NBI van de man gesteld worden op € 5.564,- per maand. Gelet op de hoogte van zijn inkomen ontvangt de man geen KGB. Daarnaast zijn de overige door partijen benoemde (fiscale) aftrekposten voor de bepaling van het NBI van de man voor kinderalimentatie niet relevant, zodat daarmee geen rekening is gehouden.

4.14.

Bij voormeld NBI is de draagkracht van de man op grond van voornoemde draagkrachtformule te stellen op € 2.082,- per maand.

Zorgkorting [minderjarige 1]

4.15.

Uit het debat is naar voren gekomen dat geen sprake is van een vastomlijnde zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige 1]. Sinds de zomer zou het contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] zijn verbeterd. Nu de vrouw zelf heeft gesteld dat [minderjarige 1] vaker bij opa en oma komt eten, waarvoor zij zelf dus geen kosten hoeft te maken, terwijl de man heeft gesteld dat er sporadisch contact tussen [minderjarige 1] en de vrouw plaatsvindt en er geen sprake is van zorg, zal de rechtbank een zorgkortingspercentage hanteren van 5%. Er is immers sprake van contact tussen [minderjarige 1] en de vrouw, waarbij de rechtbank aannemelijk acht dat dat contact een omvang heeft van minder dan 1 dag per week. De zorgkorting bedraagt dan (0,05 x 633 =) € 32,- per maand.

Zorgkorting [minderjarige 2]

4.16.

Partijen zijn het met elkaar eens over het feit dat het zorgkortingspercentage voor [minderjarige 2], vanwege de tijd dat zij bij de man verblijft, dient te worden bepaald op 25%, zodat de zorgkorting voor [minderjarige 2] (0,25 x 633 =) € 158,- per maand bedraagt.

Draagkrachtvergelijking

4.17.

Partijen hebben gezamenlijk voldoende draagkracht om in de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te voorzien. Het aandeel van de man in die behoefte bedraagt na draagkracht-vergelijking (2.082 / 2.415 x 1.266 =) € 1.091,43 per maand, derhalve (afgerond) € 546,- per kind. Het aandeel van de vrouw in de behoefte bedraagt (333 / 2.415 x 1.266 =) € 174,57 per maand, aldus (afgerond) € 87,- per kind.

Door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige 2]

4.18.

De door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige 2] wordt, rekening houdend met de zorgkorting die de man ten behoeve van [minderjarige 2] kan verzilveren, bepaald op (546 – 158 =) € 388,- per maand. De rechtbank zal de bijdrage voor [minderjarige 2] wijzigen per 1 december 2017, waarbij de rechtbank de wettelijke indexering per 1 januari 2018 zal uitsluiten, nu deze bijdrage is becijferd met de cijfers over 2018, zodat deze bijdrage eerst per 1 januari 2019 geïndexeerd dient te worden.

Door de vrouw aan de man te betalen kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1]

4.19.

De door de vrouw aan de man te betalen kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] wordt, rekening houdend met de zorgkorting die de vrouw ten behoeve van [minderjarige 1] kan verzilveren, bepaald op (87 – 32 =) € 55,- per maand. De rechtbank zal de bijdrage voor [minderjarige 1] vaststellen per 1 december 2017, waarbij de rechtbank de wettelijke indexering per 1 januari 2018 zal uitsluiten, nu deze bijdrage is becijferd met de cijfers over 2018, zodat deze bijdrage eerst per 1 januari 2019 geïndexeerd dient te worden. Hoewel de vrouw heeft verzocht om de door haar betaalde telefoonrekening van [minderjarige 1] van € 30,- per maand op het door haar te betalen aandeel in mindering te brengen, gaat de rechtbank daar in navolging van het standpunt van de man niet in mee. Indien de vrouw deze kosten wil blijven voldoen, is dit haar eigen keuze en zou zij dit uit haar vrije ruimte kunnen doen.

4.20.

Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank op de verzoeken van partijen omtrent de kinderalimentatie beslissen zoals in het dictum is bepaald, onder afwijzing van het meer of anders verzochte.

Partneralimentatie

Afgenomen lotsverbondenheid en verbleekte behoefte?

4.21.

De man heeft – kort gezegd – gesteld dat de lotsverbondenheid is afgenomen en de behoefte van de vrouw is verbleekt tot een bedrag van € 2.882,22 bruto per maand (bestaande uit de bruto inkomsten van de vrouw van € 1.580,22 bruto per maand ten tijde van de indiening van het verzoekschrift en de door de man aan de vrouw betaalde partneralimentatie van € 1.302,- bruto per maand). De vrouw heeft gemotiveerd weersproken dat de lotsverbondenheid is afgenomen en aan haar zijde sprake is van een verbleekte behoefte.

4.22.

De rechtbank stelt vast dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw in de echtscheidingsbeschikking van 16 oktober 2013 is bepaald op een bedrag van € 2.975,- netto per maand.

4.23.

Weliswaar kan de door het huwelijk in het leven geroepen lotsverbondenheid als een grondslag voor het ontstaan van de alimentatieverplichting worden beschouwd, maar het voortduren van die verplichting berust niet op het voortduren van de lotsverbondenheid. Daarom kan het ‘afnemen’ of ‘vervallen’ van lotsverbondenheid geen grond zijn voor beëindiging van de alimentatieverplichting, ook niet in samenhang met andere omstandig-heden (vgl. HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2058, NJ 2014/143, rov. 3.4.4 en 3.5). Het beroep van de man op het afnemen van de lotsverbondenheid kan dan ook niet worden gevolgd.

Wel kunnen er omstandigheden zijn die ertoe leiden dat het betalen van een onderhouds-bijdrage in redelijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd, of dat deze in ieder geval tot matiging van die bijdrage dienen te leiden. Hetgeen de man in dit verband heeft aangevoerd en heeft aangemerkt als – kort gezegd – wangedrag van de vrouw is naar het oordeel van de rechtbank evenwel volgens vaste jurisprudentie onvoldoende om de onderhoudsbijdrage van de man te moeten matigen.

4.24.

Ten aanzien van de stellingen omtrent de verbleekte behoefte is de rechtbank van oordeel dat bij de vaststelling van de (huidige) behoefte van de vrouw rekening dient te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Dat zijn niet alleen financiële omstandigheden, die de behoeftigheid en de draagkracht bepalen, maar ook niet-financiële omstandigheden. De vraag die daarbij een belangrijke rol speelt, is of van de onderhoudsplichtige in redelijkheid nog kan worden gevergd dat hij of zij bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde. In dat kader dient in de overweging de lotsverbondenheid meegenomen te worden, een van de voornaamste gronden van de onderhoudsplicht.

4.25.

Er is geen rechtsgrond op grond waarvan de vrouw gedurende een periode van twaalf jaar zonder meer aanspraak kan blijven maken op een alimentatie die is gebaseerd op de inkomsten van partijen ten tijde van het huwelijk. De behoefte van partijen kan geacht worden te ‘verbleken’ naarmate er meer tijd verstrijkt tussen de feitelijke echtscheiding en de (hernieuwde) vaststelling van de partneralimentatie. Indien sprake is van verbleking van de behoefte is niet langer de welstand tijdens het huwelijk maatgevend bij de vaststelling van de behoefte, maar kan de behoefte worden bepaald op basis van de welstand direct voorafgaand aan de procedure waarin vaststelling of wijziging van de partneralimentatie wordt verzocht. Dat kan tot gevolg hebben dat de behoefte in beginsel wordt gesteld op het bedrag waar de onderhoudsgerechtigde op dat moment van leeft én dat het op de weg van die onderhoudsgerechtigde ligt om feiten en omstandigheden te stellen en te onderbouwen waaruit kan worden afgeleid dat en waarom concreet die behoefte hoger zou zijn.

4.26.

Van verbleking van de behoefte van de vrouw is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval sprake. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.27.

Ten tijde van de beschikking van 16 oktober 2013 was de vrouw 41 jaar oud en waren de kinderen van partijen (bijna) 8 respectievelijk 12 jaar oud. Niet ter discussie staat dat de vrouw de universitaire opleiding Nederlands Recht succesvol had afgerond. Ondanks haar hoge opleidingsniveau heeft de vrouw tijdens het huwelijk nauwelijks arbeid op dit niveau verricht. Haar laatste functie die verband hield met haar opleiding had zij bij [werkgever], waar zij volgens haar curriculum vitae van 2007 tot 2013 juridisch/administratief medewerkster was. Ten tijde van de beschikking van 16 oktober 2013 was zij die baan verloren en ontving zij een WW-uitkering. De rechtbank overwoog in deze beschikking onder meer: “Onduidelijk is of en in hoeverre het reëel is om ervan uit te gaan dat de vrouw een functie kan verwerven op universitair niveau, nu zij tot op heden nimmer op dat niveau werkzaamheden heeft verricht.”

4.28.

Niet onbelangrijk is dat partijen in het door hen gesloten ouderschapslan onder artikel 7.1 (betrekking hebbende op de kinderalimentatie) onder meer zijn overeengekomen: “Zodra de moeder eigen inkomsten heeft zal er een draagkrachtvergelijking dienen te worden gemaakt om te bezien van (naar de rechtbank begrijpt zal bedoeld zijn: “wat”) het aandeel van de moeder zal zijn.” Voorts zijn partijen in de door hen gesloten vaststellings-overeenkomst van 18 november 2013 overeengekomen onder artikel 13: “Op het moment dat de vrouw een betaalde baan heeft gevonden, dan zullen deze inkomsten uiteraard in mindering worden gebracht op haar aanvullende behoefte c.q. recht op partneralimentatie. De vrouw dient de man regelmatig op de hoogte te brengen van haar sollicitatieactiviteiten.”

4.29.

De rechtbank moet echter constateren dat de vrouw de hiervoor genoemde verplichting, ondanks de vele brieven en e-mails die de man de afgelopen vijf jaren aan de vrouw heeft verstuurd, al die tijd niet richting de man is nagekomen. Dat is iets dat haar zwaar moet worden aangerekend. Partijen zijn dit expliciet overeengekomen en de vrouw wist dat een eigen inkomen van invloed zou zijn op de hoogte van de door de man te betalen en door haar te ontvangen kinder- en partneralimentatie. Desondanks heeft de vrouw de man jarenlang in het ongewisse gelaten over de inspanningen die zij heeft verricht om een baan te vinden alsmede de inkomsten die zij heeft genoten, zodat het voor de man niet mogelijk was een draagkrachtvergelijking ten aanzien van de door hem te betalen kinderalimentatie te maken en evenmin de hoogte van de door hem te betalen partneralimentatie tegen het licht te houden. Ter zitting heeft de vrouw erkend dat zij de man niet (schriftelijk) heeft geïnformeerd over bovenstaande zaken, waarbij de vrouw als reden heeft opgegeven dat zij in onmin met de man leefde. Die reden kan evenwel niet voldoende grond opleveren om de man dan maar in het geheel nergens over te informeren. Hoewel de vrouw heeft gesteld dat de man haar profiel op “Linked In” kon inzien, was zij daarmee niet bevrijd van haar verplichting de man over haar inkomensgegevens en sollicitatieactiviteiten te informeren, omdat de man onbetwist heeft gesteld dat die informatie niet te zien was op dat profiel. De op 2 december 2015 gedateerde brief die de vrouw heeft overgelegd en waaruit zou moeten blijken dat zij de man wel deugdelijk zou hebben geïnformeerd, heeft de man betwist. In die brief worden, zo stelt de rechtbank vast, geen concrete inkomensgegevens vermeld. De opstelling van de vrouw heeft er uiteindelijk voor gezorgd dat er geen oplossing buiten rechte mogelijk was en de man genoodzaakt was de onderhavige procedure te starten.

4.30.

Voorts is van belang te bezien wat de vrouw heeft gedaan om haar verdiencapaciteit te benutten en zichzelf zo goed mogelijk te positioneren op de arbeidsmarkt, met de insteek zo veel mogelijk in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.

4.31.

Met de man is de rechtbank van oordeel dat de vrouw ook in dit verband behoorlijke steken heeft laten vallen. De vrouw heeft in het verleden een universitaire opleiding succesvol afgerond. Hoewel dat al enige tijd geleden was en partijen gedurende het huwelijk een tamelijk traditionele rolverdeling hadden waarbij (voornamelijk) de man werkte, heeft zij sinds de echtscheiding geen activiteiten ontplooid, zoals het volgen van juridische cursussen dan wel colleges bij de Open Universiteit, om haar kennis op dit vlak op te frissen en zich een betere positie te verschaffen op de arbeidsmarkt. Dit had wel van de vrouw verlangd mogen geworden, gelet op het feit dat uitgangspunt is dat de ex-echtgenoot die partneralimentatie ontvangt alles in het werk moet stellen om inkomsten te verwerven voor het eigen levensonderhoud (zie onder meer ECLI:NL:GHSHE:2017:1583). Niet is gesteld of gebleken dat de vrouw in dit verband lichamelijke of geestelijke beperkingen heeft (gehad) die daaraan in de weg zouden hebben kunnen staan. Bovendien heeft de man onbetwist gesteld dat de vrouw de WW-uitkering, die zij ten tijde van de echtscheiding ontving, voor de maximale duur van 20 maanden heeft ontvangen, zodat de vrouw ook gelet hierop voldoende in de gelegenheid is geweest om activiteiten als hiervoor genoemd te verrichten.

4.32.

Weliswaar heeft de vrouw sollicitatieactiviteiten in het geding gebracht, maar de rechtbank moet constateren dat die activiteiten minimaal zijn geweest. De vrouw heeft niet veel gesolliciteerd; slechts gemiddeld ongeveer één keer per maand. De door de vrouw overgelegde netwerkgesprekken zijn gemotiveerd door de man weersproken en niet nader door de vrouw onderbouwd, zodat deze netwerkgesprekken niet kunnen worden gezien als serieuze pogingen van de vrouw om een baan te vinden. Bovendien is de vrouw zich vrij snel na de echtscheiding enkel nog gaan oriënteren op parttime functies met een lager opleidingsniveau (MBO of HBO) dan zij heeft genoten. De vrouw heeft in winkels gewerkt en met ingang van 1 mei 2016 is zij aangenomen bij de Universiteit Maastricht, waar zij inmiddels, om in de woorden van de vrouw te blijven, een “secretarieel-achtige” functie heeft op MBO+-niveau.

4.33.

Hoewel positief is dat de vrouw inmiddels een vaste aanstelling heeft, is ter zitting gebleken dat de vrouw weinig tot geen ambitie heeft om zichzelf te verbeteren. Dit zou zij in haar ogen kunnen doen door een hoger inkomen te genereren, terwijl zij voorlopig niet meer uren wil werken vanwege de zorg voor [minderjarige 2], en door meer kennis en ervaring op te doen in haar huidige functie dan wel binnen de huidige afdeling. Daarbij verliest de vrouw echter uit het oog dat zij een inspanningsverplichting heeft om zo veel mogelijk in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Nergens blijkt uit dat de vrouw geen fulltime baan (zowel binnen als buiten de universiteit) zou kunnen aanvaarden, waarbij de man onder meer gewezen heeft op vacatures van fulltime functies binnen de universiteit waarop de vrouw had kunnen solliciteren. De zorg voor de nu 13-jarige [minderjarige 2] zou daaraan niet in de weg hoeven te staan. Van de vrouw mag derhalve een veel actievere houding verwacht worden.

4.34.

Hoewel de vrouw ter zitting heeft gesteld dat zij er geen fiducie in heeft dat zij nog ergens op universitair niveau aan de slag zou kunnen, kan naar het oordeel van de rechtbank ook nu moeilijk ingeschat worden of dat realistisch is. Dit heeft de vrouw echter aan zichzelf te wijten, omdat zij nooit heeft getracht haar eigen kennis op dat vlak bij te spijkeren. Ook heeft zij al een aantal jaren niet meer geprobeerd werk op dat niveau te vinden, ondanks dat zij gezien haar leeftijd ten tijde van de echtscheidingsbeschikking (41 jaar) daarvoor nog ruim de tijd had tot haar pensioengerechtigde leeftijd en gezien deze leeftijd zeer zeker nog een goede kans op de arbeidsmarkt had en ook nu nog heeft. De vrouw heeft door haar keuzes gedurende de afgelopen jaren in feite zelf genoegen genomen met een lagere welstand dan zij tijdens het huwelijk had, zodat op grond van al het voorgaande moet worden aangenomen dat de behoefte van de vrouw is verbleekt tot de inkomsten die zij tot de datum van indiening van het onderhavige verzoekschrift maximaal heeft genoten, zijnde een door de man onbetwist bedrag van € 1.580,22 bruto per maand, en de door de vrouw ontvangen partneralimentatie van € 1.302,- bruto per maand. De verbleekte behoefte van de vrouw is daarmee – in navolging van de stellingen van de man – te stellen op een bedrag van € 2.882,22 bruto per maand (zijnde € 1.704,83 netto per maand).

4.35.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw ook geen feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat, en waarom, concreet haar behoefte op dit moment hoger zou moeten zijn, anders dan door te stellen dat zij noodgedwongen tijdelijk genoegen heeft moeten nemen met een lager inkomen en dat zij gelden van haar ouders heeft moeten lenen om alle kosten van haar levensonderhoud en dat van de kinderen te voldoen. Dat zij deze gelden zou hebben moeten lenen is naar het oordeel van de rechtbank op zijn minst opmerkelijk te noemen, gelet op het feit dat de man jarenlang de volledige behoefte van de kinderen voor zijn rekening heeft genomen en de vrouw een niet gering bedrag aan partneralimentatie heeft ontvangen (van samen omstreeks € 2.500,- per maand). Hiervoor heeft de rechtbank bovendien overwogen dat het aan de vrouw zelf te wijten is dat zij een lager inkomen heeft (gehad) dan zij had kunnen genereren door stil te blijven zitten en niet voldoende sollicitatiepogingen te ondernemen, terwijl de vrouw daartegenover kennelijk wel op dezelfde voet is blijven leven als ten tijde van het huwelijk. Dit is echter geen graadmeter om de behoefte dan maar even hoog in te schatten als ten tijde van de beschikking van 16 oktober 2013.

4.36.

Nu de vrouw gelet op het voorgaande door middel van het aanvaarden van een fulltime baan dan wel het aanvaarden van een functie behorend bij haar opleidingsniveau volledig zelf in haar verbleekte behoefte had kunnen voorzien, zal de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen partnerbijdrage op nihil stellen. Zeker vanaf het moment dat [minderjarige 1] definitief bij de man verblijft, heeft de vrouw niets in de weg gestaan om het voorgaande te doen en zich daartoe in te spannen. Tot op de dag van de zitting heeft zij daar in feite ruim een jaar de tijd voor gehad, zodat de rechtbank op grond van voorgaande overwegingen de partnerbijdrage met ingang van 1 januari 2019 op nihil zal stellen en het meer of anders verzochte in dit verband zal afwijzen.

Limitering?

4.37.

De man heeft verzocht de duur van de partneralimentatie te limiteren tot drie jaren na de indiening van het verzoekschrift, waartegen de vrouw zich gemotiveerd heeft verzet.

4.38.

Op grond van artikel 1:157 lid 4 BW is het uitgangspunt dat de onderhavige onderhoudsverplichting van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het derde lid van dat artikel geeft de rechter de bevoegdheid om op verzoek van één van de echtgenoten voorwaarden te verbinden aan de alimentatieverplichting en/of de duur ervan te limiteren. Een zodanige rechterlijke limitering heeft een definitief karakter in die zin dat het de aanspraken van de onderhoudsgerechtigde – behoudens het in artikel 1:401 lid 2 BW omschreven uitzonderlijke geval – definitief doet eindigen na afloop van de gestelde termijn. Om die reden worden er hoge eisen gesteld aan de motivering van een verzoek tot limitering. In het algemeen is vaststelling van de onderhoudsverplichting voor een bepaalde termijn redelijk indien met voldoende zekerheid en op goede gronden mag worden verwacht dat de onderhoudsgerechtigde na afloop van de voor de alimentatie bepaalde (of de door partijen afgesproken) termijn op voor haar passende wijze in haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.

4.39.

In het onderhavige geval ziet de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor onder de rechtsoverwegingen 4.24. tot en met 4.36. is overwogen, aanleiding om de duur van de onderhoudsverplichting te limiteren als door de man bepleit. In casu is geen sprake van enkel het verstrijken van de tijd sinds de echtscheiding, maar is de rechtbank van oordeel dat, gelet op voornoemde overwegingen, de man voldoende bijzondere feiten en omstandigheden heeft gesteld om limitering van de partneralimentatie te rechtvaardigen. Zijn verzoek in dit verband zal daarom worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum is bepaald.

Na- en terugbetaling van onderhoudsbijdragen?

4.40.

Tot op heden heeft de man de thans geldende partnerbijdrage en kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige 2] aan de vrouw voldaan, waarbij de man pas per juli 2018 de geïndexeerde bedragen heeft voldaan, zo heeft de man ter zitting onweersproken gesteld. Gelet op de beslissingen in deze zaak, zal de vrouw een aantal bijdragen aan de man moeten gaan terugbetalen en zal zij aan de man een bijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] moeten gaan nabetalen. Hier staat tegenover dat er van de zijde van de man nog een bedrag aan indexering aan de vrouw moet worden betaald. Dit bedrag zou op een Derdengeldrekening staan in afwachting van de uitkomst van deze procedure.

4.41.

De rechtbank is van oordeel dat van de vrouw een terug- en nabetalingsverplichting, zoals voortvloeiend uit deze beschikking, kan worden gevergd. In de eerste plaats omdat de vrouw wist dat zij gehouden was ook bij te dragen aan de kosten van de kinderen, en daarnaast omdat zij wist dat een eigen inkomen van invloed zou (kunnen) zijn op de door haar te ontvangen partneralimentatie. De vrouw had bij aanvang van de procedure nog spaargelden van omstreeks € 12.000,-. Hoewel niet is gebleken dat de vrouw op dit moment nog over (aanzienlijke) spaargelden beschikt, omdat zij ter zitting onbetwist heeft gesteld dat van haar spaargelden nog maar € 647,- over is, heeft de vrouw gelet op het voorgaande wel voldoende gelegenheid gehad om gelden te reserveren voor een (eventuele) terug- dan wel nabetalingsverplichting aan de man. Zij heeft derhalve kunnen, en ook moeten, anticiperen op een voor haar nadelige uitkomst van deze procedure. Overigens kan het door de vrouw aan de man te betalen bedrag voor een deel verrekend worden met het bedrag dat de man nog aan de vrouw verschuldigd is aan wettelijke indexering, maar de rechtbank laat die afwikkeling aan het overleg van partijen over.

Proceskosten

4.42.

De rechtbank acht termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren, zodanig dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijzigt de tussen partijen gegeven beschikking van 16 oktober 2013 (onder zaaknummer C/03/175564 / S RK 12-1183) alsmede het daarin opgenomen ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant alsmede de nadien op 18 november 2013 ondertekende vaststellingsovereenkomst tussen partijen, voor wat betreft de daarin opgenomen kinder- en partnerbijdrage(n), als volgt:

5.1.1.

bepaalt de door de man ten behoeve van het minderjarig kind van partijen [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [2001], hierna te noemen: [minderjarige 1], aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding met ingang van 1 december 2017 op nihil;

5.1.2.

bepaalt de door de vrouw ten behoeve van [minderjarige 1] aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding met ingang van 1 december 2017 op € 55,- per maand en sluit de wettelijke indexering met betrekking tot deze bijdrage, enkel per 1 januari 2018, uit, de nog niet verschenen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

5.1.3.

bepaalt de door de man ten behoeve van het minderjarig kind van partijen [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [2005], aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding met ingang van 1 december 2017 op € 388,- per maand en sluit de wettelijke indexering met betrekking tot deze bijdrage, enkel per 1 januari 2018, uit, de nog niet verschenen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

5.1.4.

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 1 januari 2019 op nihil;

5.1.5.

bepaalt dat de partneralimentatieverplichting van de man jegens de vrouw eindigt op 23 mei 2021;

5.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat elk van hen de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2019 in tegenwoordigheid van

mr. J.P.H. Welie, griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.