Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:2594

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
25-03-2019
Zaaknummer
7492855 AZ VERZ 19-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:4405
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever heeft werknemer op staande voet ontslagen omdat hij goud ontvreemd zou hebben. Werknemer verzoekt (onder meer) vernietiging van het ontslag op staande voet. Het verzoek wordt afgewezen omdat het standpunt van de werkgever voor juist wordt gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0351
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 7492855 AZ VERZ 19-13

Beschikking van 20 maart 2019

in de zaak van

[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] ,

wonend te [woonplaats] ,

verzoekende partij in het verzoek,

verwerende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,

gemachtigde mr. N.R. Heilhof

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INASHCO B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verwerende partij in het verzoek,

verzoekende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek

gemachtigde mr. R.P. Gasseling.

Partijen zullen hierna [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] en Inashco genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 24 januari 2019 ontvangen verzoekschrift met bijlagen

  • -

    het verweerschrift met een voorwaardelijk tegenverzoek en bijlagen

  • -

    de door [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] nagezonden bijlagen

  • -

    de schriftelijke reactie van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] op het verweerschrift (en tegenverzoek)

  • -

    het faxbericht van 11 maart 2019 van Inashco

  • -

    de mondelinge behandeling op 12 maart 2019.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Inashco is gespecialiseerd in dienstverlening aan de afvalverbrandingsindustrie. Zij wint uit het aan haar geleverde restproduct (bodem-as) waardevolle metalen en mineralen in het kader van recycling. Een van de gewonnen metalen is goud. Inashco levert het gewonnen goud aan smelters in Europa. Inashco ontvangt daarvoor van de smelters een gedrag gelijk aan de waarde van de geleverde metalen.

2.2.

[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 augustus 2015 in dienst getreden van Inashco in de functie van operator op grond van een arbeidsovereenkomst die laatstelijk gold voor onbepaalde tijd.

2.3.

Als onderdeel van zijn werkzaamheden bemant [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] samen met negen andere operators en twee onderhoudsmonteurs (onderverdeeld in twee ploegen van ieder zes werknemers) een installatie met een “zwaar-licht scheider”, ook wel JIG of PGS genoemd. Dit is een met water gevuld pulserend apparaat. Door het pulseren zinken de zware materialen naar de bodem en blijven de lichtere aan de oppervlakte. Op deze manier wordt het goud vrijgemaakt van lichte materialen en kan het goud makkelijk gevonden worden.

2.4.

In april 2018 heeft Inashco informatie ontvangen op grond waarvan bij haar het vermoeden is gerezen dat haar werknemers tijdens het winningsproces waardevolle metalen, waaronder goud, ontvreemden. Inashco heeft vervolgens contact opgenomen met Hoffmann bedrijfsrecherche B.V. (hierna: Hoffmann) om nader onderzoek te laten verrichten naar dit vermoeden. Na analyse van het winningsproces zijn twee plekken geïdentificeerd waar het goud waarschijnlijk wordt ontvreemd. Omdat de exacte locatie onbekend bleef en de bedrijfshal te groot is (6.000 m²), is toen vooralsnog afgezien om nader onderzoek te verrichten.

2.5.

Op 15 juni 2018 heeft Inashco een personeelsbijeenkomst belegd in Maastricht. Zij heeft toen haar werknemers:

- de aard en ernst van haar vermoeden medegedeeld

- medegedeeld dat werknemers die zich schuldig maken aan ontvreemden van waardevolle materialen op staande voet ontslagen zullen worden.

2.6.

Eind september 2018 heeft Inashco nadere mondelinge informatie ontvangen waaruit haar is gebleken dat de zwaar-licht scheider de voornaamste plek is waar het goud wordt ontvreemd. Inashco heeft vervolgens opnieuw Hoffmann benaderd om nader onderzoek hiernaar te laten verrichten.

2.7.

[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] heeft zich op 4 oktober 2018 ziek gemeld bij Inashco.

2.8.

Op 14 oktober 2018 heeft Inashco in overleg met Hoffmann bij de zwaar-licht scheider een camera geplaatst/laten plaatsen. Hiermee zijn beelden opgenomen op 15 en 16 oktober 2018. Deze camera ging kapot. Daarna is op 25 oktober 2018 een nieuwe camera geplaatst. Die camera is op 9 november 2018 uitgeschakeld en op 2 december 2018 verwijderd.

2.9.

Inashco heeft met Hoffman de werknemers geïdentificeerd die met de uitkomsten van het onderzoek geconfronteerd dienden te worden. Vervolgens hebben op 14 en 15 november 2018 met elf werknemers gesprekken plaatsgevonden. Vier van deze werknemers hebben bekend goud te hebben ontvreemd en een werknemer heeft bekend goud, zilver en kogels te hebben ontvreemd. Drie van deze bekennende werknemers, [naam medewerker 1] , [naam medewerker 2] en [naam medewerker 3] , hebben bovendien het volgende verklaard.

[naam medewerker 1] :

“Van welke collega’s ik zeker weet dat zij goud en/of zilver hebben gezocht en hebben meegenomen? Ik wil liever geen namen noemen maar als u de namen noemt zal ik ja of nee zeggen. [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] ? Ja, (…)”

[naam medewerker 2] :

“Ik ben overgestapt naar [naam] omdat ik mij bij [naam] niet hoefde te legitimeren. Hoe ik dit wist? Ik heb dit gehoord van mijn collega [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] . [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] is nu al een aantal maanden ziek. [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] nam ook goud mee en van hem heb ik het gehoord. [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] is een Marokkaanse Nederlander. (…) Van welke collega’s ik zeker weet dat zij goud en zilver hebben gezocht en hebben meegenomen? Dat zijn [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] , (…).”

[naam medewerker 3] :

“Van één collega weet ik zeker dat hij ook goud en zilver heeft meegenomen, maar die is er nu niet. Ja die collega is ziek. Ik zag dat hij met de handen in de PGS ging en daarna met zijn hand naar zijn broekzak ging. Ik weet niet of hij iets in zijn broekzak heeft gestopt. Wie die collega is? Dat is [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] . Hij is nog ziek.”

2.10.

Bij brief van 21 november 2018 heeft Inashco [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] uitgenodigd voor een gesprek op dinsdag 27 november om 11.00 uur. Inashco heeft in de brief aangekondigd dat het gesprek zal gaan over een tegen [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] gerezen verdenking dat hij bedrijfseigendommen heeft ontvreemd. Verder heeft zij in de brief vermeld dat, als [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] verstek zal laten gaan, zij er van uit zal gaan dat hij geen gebruik wenst te maken van deze gelegenheid om zijn zienswijze te geven en dat de gerezen verdenking jegens hem juist is. Inaschco heeft ook medegedeeld dat in dat geval er sprake is van een dringende reden die ontslag op staande voet rechtvaardigt.

2.11.

[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] is op 27 november 2018 niet op het gesprek verschenen. Wel heeft hij die dag Inashco om 14.00 uur via e-mail bericht dat hij zich niet tot overleg in staat achtte wegens zijn psychische gesteldheid.

2.12.

Bij brief van 28 november 2018 heeft Inashco [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] medegedeeld dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het ontvreemden van bedrijfseigendommen, dat dit een dringende reden oplevert en hem om die reden op staande voet ontslagen.

2.13.

[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] heeft bij brief van 6 december 2018 betwist bedrijfseigendommen te hebben gestolen en de nietigheid van het ontslag ingeroepen.

2.14.

Partijen hebben daarna nog gecorrespondeerd, maar dit heeft niet geleid tot een wijziging in hun standpunten.

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] verzoekt:

  1. vernietiging van de opzegging van 28 november 2018

  2. Inashco te veroordelen hem toe te laten tot zijn werkzaamheden voor zover zijn ziekte dat toelaat en mee te werken aan het Plan van Aanpak en de re-integratie van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] , een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom,

  3. Inashco te veroordelen tot betaling van het loon vanaf 28 november 2018, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente

  4. Inashco subsidiair te veroordelen tot betaling van een transitie- en een billijke vergoeding,

  5. Inashco te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

3.2.

Inashco voert verweer. Op haar beurt verzoekt zij voorwaardelijk, voor het geval de opzegging van 28 november 2018 wordt vernietigd, de arbeidsovereenkomst met [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] te ontbinden op grond van (ernstig) verwijtbaar handelen van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] althans op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] voert verweer tegen dit (voorwaardelijke) tegenverzoek.

4 De beoordeling

4.1.

In dit geding draait het om de vraag of [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] bedrijfseigendommen (goud) van Inashco heeft ontvreemd. De kantonrechter is van oordeel dat op grond van hetgeen Inashco heeft aangevoerd het ervoor moet worden gehouden dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] dat inderdaad gedaan heeft. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.1.1.

Drie werknemers (zie 2.9) hebben verklaard dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] / [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] goud heeft ontvreemd. Tussen partijen staat vast dat deze werknemers hiermee [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] bedoeld hebben. Deze werknemers hebben onafhankelijk van elkaar verklaard en hun verklaringen komen in grote lijnen met elkaar overeen. [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] stelt dat door een sturende wijze van verhoren zijn naam is genoemd. Die stelling is alleen voor wat betreft het verhoor van [naam medewerker 1] op zichzelf genomen juist. [naam medewerker 1] wilde immers zelf geen namen noemen maar wel “ja” of “nee” antwoorden als de medewerkers van Hoffmann namen van collega’s noemden. De medewerkers van Hoffmann hebben toen diverse namen genoemd waaronder “ [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] ” [kantonrechter: [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] ]. Bij [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] en diverse andere namen heeft [naam medewerker 1] “ja” gezegd en bij andere namen “nee” of “twijfelgeval”. Anders dan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] suggereert, valt dit echter niet te bestempelen als een wijze van verhoren waarbij [naam medewerker 1] op ontoelaatbare wijze is beïnvloed. Ook [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] stelling dat de drie werknemers hun straatje hebben willen schoonvegen door zijn naam te noemen, moet worden verworpen. Deze drie werknemers hebben immers bekend goud te hebben ontvreemd. Zonder nadere toelichting, die [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] niet gegeven heeft, valt dan niet in te zien welk voordeel zij hebben om hem aan te wijzen als één van de collega’s die zich ook daaraan schuldig gemaakt hebben. [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] vindt de hem belastende verklaringen niet concreet genoeg. De kantonrechter is dat, als hij de verklaringen in onderlinge samenhang beziet, niet met hem eens. [naam medewerker 1] verklaart zeker te weten dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] goud ontvreemdt. Inderdaad heeft [naam medewerker 1] niet verklaard hoe hij die wetenschap verkregen heeft. De andere twee werknemers verklaren echter dat zij hebben gezien of van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] zelf hebben vernomen dat hij goud van Inashco ontvreemdt. [naam medewerker 2] verklaart zelfs zeer specifiek dat het juist [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] was die hem het adres van een opkoper gaf, waar hij ( [naam medewerker 2] ) zich niet hoefde te legitimeren.

[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] heeft ook geen andere verklaring gegeven voor het niet weersproken feit dat hij, zoals [naam medewerker 3] gezien heeft, met zijn hand in de PGS ging en daarna met zijn hand naar zijn broekzak. [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] heeft ook nog betoogd dat de drie werknemers hem ten onrechte hebben genoemd omdat zij schijnbaar een hekel aan hem hebben. Ook dit betoog wordt verworpen. [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] stellingen op dit punt zijn te vaag en te weinig concreet om daar aanleiding in te zien om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van [naam medewerker 1] , [naam medewerker 2] en [naam medewerker 3] .

4.1.2.

Tegenover de verklaringen van voornoemde drie werknemers legt de verder niet onderbouwde betwisting van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] te weinig gewicht in de schaal. Het moet dus voor juist worden gehouden dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] goud van Inashco ontvreemd heeft.

4.2.

Het ontvreemden van bedrijfseigendommen (goud) door [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] levert een dringende reden op om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Op grond van art. 7:677 lid 1 BW dient de opzegging wel onverwijld te geschieden. Aan dat vereiste is voldaan. Onbetwist is namelijk dat Inashco na de gesprekken op 14/15 november 2018 aanvankelijk niet beschikte over het nieuwe adres van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] omdat hij dit niet aan Inashco had doorgegeven. Ook is onbetwist dat Inashco [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] toen telefonisch niet kon bereiken. Verder heeft Inashco na 15 november 2018 nog overleg gevoerd met haar gemachtigde om zich te beraden hoe op te treden tegen [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] . Vervolgens heeft Inashco [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] bij brief van 21 november 2018 in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze op 27 november 2018 naar voren te brengen, waarna zij op 28 november 2018 de arbeidsovereenkomst opgezegd heeft. Dit alles in aanmerking genomen heeft Inashco voldoende voortvarend gehandeld.

4.3.

Niet is gebleken dat de opzegging verband houdt met de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] .

4.4.

Op grond van voorgaande overwegingen zal het verzoek tot vernietiging van de opzegging van 28 november 2018 worden afgewezen. Hieruit volgt dat de arbeidsovereenkomst op die datum is geëindigd. Er is dus geen grond om Inashco te veroordelen [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] toe te laten tot het werk althans mee te werken aan re-integratie van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] (onderdeel 2 van het verzoek) noch tot doorbetaling van het loon (onderdeel 3 van het verzoek). Het verzoek tot betaling van een vergoeding aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] (onderdeel 4), zal eveneens worden afgewezen. Het ontvreemden van goud door [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] moet als ernstig verwijtbaar handelen worden aangemerkt. Het einde van de arbeidsovereenkomst is het gevolg van dit ernstig verwijtbaar handelen. Op grond van art. 7:673 lid 7 aanhef en onder c BW is Inashco dus geen transitievergoeding aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] verschuldigd. Voor een billijke vergoeding als bedoeld in art. 7:681 lid 1 BW is geen plaats aangezien de opzegging van 28 november 2018 niet in strijd met de onderdelen a. tot en met e. van die bepaling. Een andere grondslag voor toewijzing van een billijke vergoeding heeft [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] niet gegeven.

4.5.

Omdat de opzegging van 28 november 2018 niet wordt vernietigd, wordt niet voldaan aan de voorwaarde die Inashco heeft verbonden aan haar tegenverzoek. Dat verzoek hoeft dus niet te worden beoordeeld.

4.6.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van Inashco tot op heden begroot op
€ 600,00 salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst het verzoek van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] af,

5.2.

veroordeelt [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van Inashco tot op heden begroot op € 600,00,

5.3.

verklaart onderdeel 5.2. uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.H.J. Otto en is in het openbaar uitgesproken.

Type: RW