Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:2588

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-02-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
C/03/254486 / HA ZA 18-227
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

voorlopig getuigenverhoor: ontvankelijkheidsvereisten, toelatingsvereisten en afwijzingsgronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rekestnummer: C/03/254486 / HA RK 18-227

Beschikking van 8 februari 2019

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LUC'S BELEGGINGS B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudend te Maastricht,

2. [verzoeker sub 2],

wonend te [woonplaats 1] ,

verzoekers,

advocaten mr. P.J.T. Austen en mr. K.A.M.J. Horsch te Valkenburg

en

[verweerder] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

verweerder,

advocaten mr. R.H.G.M. Kerckhoffs en mr. P.P.M. Kerckhoffs te Maastricht.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, zoals ontvangen op 30 augustus 2018,

  • -

    het verweerschrift met bijlagen, zoals ontvangen op 2 januari 2019,

  • -

    aanvullende bijlagen bij het verzoekschrift, zoals ontvangen op 4 januari 2019,

  • -

    de mondelinge behandeling op 8 januari 2019.

Ter zitting zijn verschenen:

  • -

    namens verzoekers [verzoeker sub 2] , vergezeld van zijn vader [naam vader] , bijgestaan door mrs. Austen en Horsch;

  • -

    verweerder, bijgestaan door mrs. Kerckhoffs.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen omtrent het gestelde ernstige wanbeleid van verweerder als bestuurder van het familiebedrijf Budé Beheer B.V. (hierna: Budé). Verzoekers stellen daartoe dat gedaagde zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijk bestuur bij Budé en willen zich op basis van de met het getuigenverhoor nader te concretiseren feiten en omstandigheden beraden welke procedure zij tegen verweerder willen aanspannen: een enquête- of (spoed)procedure voor de ondernemingskamer ex art. 2:345 BW waarbij ontslag van de bestuurder zal worden gevraagd en/of schadevergoeding op grond van artt. 6:162, 2:8 en 2:9 BW. Verzoekers hebben de feiten en omstandigheden waaromtrent zij nader bewijs willen vergaren geconcretiseerd onder 6. a. tot en met k. van het verzoekschrift en daarbij aangegeven welke negen getuigen zij daarover willen horen. Verzoekers worden gesteund door vier van de zes hoofdstaakhouders, de Stichting Administratiekantoor [naam 1] , [naam 2] Beheer B.V., [naam 3] en [naam 4] .

Verzoekers vragen te bepalen dat het getuigenverhoor met gesloten deuren zal plaatsvinden nu het gaat om een familievennootschap en het met het oog op de belangen van Budé onwenselijk is de ‘vuile was’ buiten te hangen.

2.2.

Verweerder verzet zich tegen inwilliging van het verzoek. Hij voert daartoe het volgende aan.

2.2.1.

Een enquêteverzoek bij de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna OK) kan worden gestart om een onderzoek in te stellen naar het beleid van en de gang van zaken in een rechtspersoon. Het enquêteverzoek richt zich aldus tegen het beleid van de vennootschap en niet tegen de persoon van de bestuurder. In onderhavig verzoek is enkel verweerder opgeroepen, maar niet de eigenlijke wederpartij, namelijk Budé. Verzoekers willen echter niet verweerder horen maar andere getuigen. Nu de verkeerde partij in rechte is betrokken, dienen verzoekers niet-ontvankelijk verklaard te worden.

2.2.2.

Verzoekers hebben geen belang bij een voorlopig getuigenverhoor want zij vertegenwoordigen niet 1/10 van het geplaatste kapitaal, noch zijn zij rechthebbende op certificaten ten belope van een bedrag van minimaal € 225.000,00, wat nodig is om de enquêteprocedure bij de OK te starten. Ook staat al vast dat verweerder in het najaar van 2019 zal vertrekken als bestuurder/directeur, zodat een procedure bij de OK, los van het vorenstaande, een zinloze exercitie is. Ook een vordering ter zake een eventuele onjuiste gang van zaken bij de overdracht van preferente aandelen is verjaard.

2.2.3.

Verweerder betoogt voorts dat er sprake is van misbruik van recht, onder meer nu onderhavige procedure en de beoogde enquêteprocedure enkel tot schade zal leiden bij Budé. Verzoekers hadden hun vragen voorafgaand aan het verzoekschrift ook aan (de advocaat van) verweerder kunnen stellen waarna zij buiten rechte zouden zijn geïnformeerd, want verweerder en zijn advocaat zijn tot het geven van informatie bereid. Reputatieschade en onrust op de werkvloer kunnen zo worden voorkomen. Verweerder verwijst naar de brief van 17 september 2018 van commissaris [naam commissaris] van Budé die een getuigenverhoor en een eventuele procedure bij de OK niet in het belang acht van Budé.

2.2.4.

Een deel van de te onderzoeken vraagpunten zijn al bekend of kenbaar via documenten, zodat een getuigenverhoor overbodig is.

2.2.5.

Het verzoek kan worden gekwalificeerd als een fishing expedition.

2.2.6.

Verweerder heeft voorts feitelijk verweer gevoerd met betrekking tot de punten 6. a. tot en met k. van het verzoekschrift.

In het geval de rechtbank zou beslissen het verzoek toe te wijzen is verweerder het eens met een verhoor achter gesloten deuren.

3 De beoordeling

Zijn verzoekers ontvankelijk in hun verzoek?

3.1.

De rechtbank verwerpt het verweer dat verzoekers in plaats van verweerder in persoon, Budé als verweerder in deze procedure hadden moeten betrekken en daarom niet ontvankelijk zijn. Verzoekers beogen immers feiten en omstandigheden vastgesteld te krijgen met betrekking tot ernstig wanbeleid van verweerder als bestuurder van Budé op basis waarvan zij een afweging kunnen maken of, en zo ja welke, procedure zij aan willen spannen, waarvan een vordering wegens bestuurdersaansprakelijkheid er één is. Verzoekers zijn dan ook ontvankelijk in hun verzoek.

Voldoet het verzoek aan de vereisten van art. 187 Rv?

3.2.

Uitgangspunt is dat een verzoeker tot een voorlopig getuigenverhoor ingevolge art. 187 lid 3, aanhef en onder a en b, Rv in zijn verzoekschrift de aard en het beloop van de vordering dient te vermelden, alsmede de feiten of rechten die hij wil bewijzen. Dit dient hij te doen op zodanige wijze dat voor de rechter die op het verzoek moet beslissen, voor de rechter voor wie het verhoor zal worden gehouden, alsmede voor de wederpartij voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben.

Voor toewijzing van een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor is echter niet vereist dat de verzoeker in het verzoekschrift al nauwkeurig aangeeft welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en over welke feiten hij getuigen wil doen horen. Het op dit argument gegronde verweer wordt dan ook verworpen.

Evenmin hoeft de verzoeker zich uit te laten over de precieze aard van de in te stellen vordering en, in voorkomend geval, de omvang van de geleden schade. Een voorlopig getuigenverhoor dient nu juist ertoe degene die daarom verzoekt, in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is een voorgenomen vordering in te stellen. In de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ligt dan ook niet de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ter toetsing voor.

De rechtbank is van oordeel dat verzoekers voldoende duidelijk hebben gesteld omtrent welke handelingen van verweerder de getuigen moeten worden gehoord, deze zijn immers vermeld in het verzoekschrift onder 6. a. tot en met k. Aan de vereisten van art. 187 Rv is voldaan. Het verwijt dat het zou gaan om een fishing expedition gaat niet op.

Doet zich een afwijzingsgrond voor?

3.3.

Wanneer het verzoek voldoet aan de hiervoor in rov 3.2. genoemde eisen, moet het worden toegewezen, behalve als een afwijzingsgrond aanwezig is. De rechter heeft in dit kader geen discretionaire bevoegdheid. Gronden voor afwijzing van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor zijn de volgende:

- verzoeker heeft bij de voorlopige bewijsmaatregel geen belang als bedoeld in art. 3:303 BW;

- van de bevoegdheid tot het doen van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor wordt misbruik gemaakt, bijvoorbeeld omdat verzoeker wegens de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden toegelaten;

- strijd met de goede procesorde;

- het verzoek stuit af op een ander, door de rechter als zwaarwichtig beoordeeld bezwaar.

3.3.1.

Voormelde afwijzingsgronden zijn niet altijd scherp van elkaar te scheiden.

3.3.1.1. Verzoekers hebben gesteld dat zij belang hebben bij het verzoek, omdat zij een gewone civiele procedure wegens bestuurdersaansprakelijkheid overwegen. Daarmee is reeds een voldoende belang gegeven.

3.3.1.2. Ook een procedure bij de OK is niet bij voorbaat onmogelijk omdat verzoeker sub 2 samen met zijn vader [naam 2] Beheer B.V. een belang vertegenwoordigt van meer dan 10% van het geplaatste kapitaal, zo heeft hij onbetwist gesteld.

3.3.1.3 De rechtbank gaat ook voorbij aan de stelling van verweerder dat verzoekers geen belang hebben bij een procedure bij de OK omdat hij eind 2019 met pensioen zal gaan. Verzoekers hebben onbetwist gesteld dat verweerder zijn toezegging om in 2018 met pensioen te gaan niet is nagekomen terwijl voorts een eventuele procedure op grond van bestuurdersaansprakelijkheid ook na het terugtreden van verweerder als bestuurder kan worden gestart.

3.3.1.4. Van een ontbrekend belang is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

3.3.2.

De rechtbank acht misbruik van bevoegdheid aan de zijde van verzoekers wegens onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen niet aannemelijk gemaakt.

3.3.2.1. Het argument van verweerder dat verzoekers geen belang hebben bij het voorlopig getuigenverhoor omdat hij bereid is buiten rechte vragen te beantwoorden snijdt geen hout. In paragraaf 3 van het verweerschrift betwist verweerder immers dat hem verwijten kunnen worden gemaakt, deels op feitelijke gronden. Nu partijen twisten over (een deel van) de feiten is een getuigenverhoor een geëigend middel om die vast te stellen en om de eigen bewijspositie te kunnen beoordelen.

3.3.2.2. Verweerders hebben voorts aangevoerd dat een getuigenverhoor (financieel) schadelijk is voor Budé wegens verlies van vertrouwen van het personeel en imago- en reputatieschade. Verzoekers hebben echter gevraagd om de getuigenverhoren achter gesloten deuren te laten plaatsvinden en verweerder heeft daar mee ingestemd, dus de gestelde reputatieschade of schade voor Budé door onrust in het bedrijf is niet aannemelijk gemaakt. Daar komt bij dat een belangrijk deel van de getuigen kennelijk niet meer aan Budé is verbonden als werknemer of commissaris. Gelet op de belangen van een belangrijk deel van de aandeelhouders is een voorlopig getuigenverhoor in het kader van de door verzoekers aan het adres van verweerder gemaakte verwijten geen onzorgvuldig instrument om een en ander te onderzoeken. Indien er feiten met betrekking tot de gestelde verwijten met behulp van het getuigenverhoor komen vast te staan, is niet op voorhand volstrekt ondenkbaar dat één van de door verzoekers beoogde procedures succesvol kan zijn.

De rechtbank merkt overigens op dat de beslissing of het getuigenverhoor met gesloten deuren moet plaatsvinden toekomt aan de rechter-commissaris voor wie het getuigenverhoor moet plaatsvinden, zodat hierover nu geen beslissing wordt genomen.

3.4.

Een ander zwaarwichtig bezwaar op grond waarvan het verzoek zou moeten worden afgewezen is niet gesteld noch gebleken.

3.5.

De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat het verzoek gelet dient te worden toegewezen.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

beveelt een voorlopig getuigenverhoor teneinde de in het verzoekschrift genoemde personen als getuigen te horen,

4.2.

benoemt mr. E.W.A. van den Berg-Buntsma tot rechter-commissaris, voor wie het getuigenverhoor zal worden gehouden,

4.3.

bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden in het gerechtsgebouw te 6214 PA Maastricht, St. Annadal 1 op een na schriftelijke opgave van de verhinderdata van partijen, hun advocaten en de getuigen nader te bepalen dag en uur, in de periode 1 maart 2019 tot en met 31 augustus 2019, welke opgave uiterlijk 14 dagen na heden dient te worden gedaan,

4.4.

bepaalt dat partijen bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig moeten zijn,

4.5.

bepaalt dat de verzoekende partij uiterlijk veertien dagen vóór voornoemde datum een afschrift van deze beschikking aan de wederpartij moet toezenden bij aangetekende brief of deze doet betekenen bij deurwaardersexploot.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.E. Elzinga en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: AH coll: