Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:2578

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
7176726 CV EXPL 18-5312
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voortzetting huur na einde relatie. Investeringen in de woning, inkomsten en de belangen van het kind zijn de bepalende factoren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 7176726 CV EXPL 18-5312

Vonnis van de kantonrechter van 27 februari 2019

in de zaak van

[eiseres in de hoofdzaak en in het incident] ,

wonend te [woonplaats] ,

eisende partij in de hoofdzaak en in het incident,

gemachtigde mr. M.W.M. van Doorn,

tegen

[gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] ,

wonend te [woonplaats] aan de [adres] ,

gedaagde partij in de hoofdzaak en in het incident,

gemachtigde mr. B.H.M. Nijsten.

Partijen worden hierna [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] en [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 augustus 2018 tevens houdende incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    de rolbeslissing waarbij een comparitie na antwoord is bepaald,

  • -

    de akte houdende producties van [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] (producties 3 t/m 5),

  • -

    de akte van [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] ,

  • -

    de akte houdende producties van [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] (producties 5 t/m 10),

  • -

    de brief van [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] van 5 december 2018 met bijlage,

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 13 december 2018

  • -

    de brief van [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] van 19 december 2018

  • -

    de brief van [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] van 24 januari 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

in het incident en in de hoofdzaak

2.1.

Met ingang van 14 november 2017 hebben partijen samen van stichting Woonpunt gehuurd de zelfstandige woonruimte gelegen te [woonplaats] aan de [adres] (hierna: de woning). Partijen zijn contractueel medehuurders. De huurprijs bedraagt € 710,68 per maand.

2.2.

[eiseres in de hoofdzaak en in het incident] en [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] hebben een affectieve relatie gehad. De relatie is eind mei/begin juni 2018 geëindigd. Partijen hebben samen een zoon, [minderjarige] , van inmiddels twee jaar oud. Alleen [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] heeft het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.3.

Nadat partijen hun relatie hadden beëindigd, nam [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] samen met [minderjarige] tijdelijk haar intrek bij haar ouders op een camping in België en is [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] in de woning gebleven. [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] en verblijft elke week van vrijdagavond tot zondagmiddag en op de woensdag bij [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] in de woning.

2.4.

Bij brief van 16 juli 2018 (productie 2 bij dagvaarding) heeft [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] via haar gemachtigde [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] verzocht om andere woonruimte te zoeken en de woning te verlaten, opdat [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] en [minderjarige] hun intrek konden nemen in de woning. [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] heeft aan dit verzoek geen gevolg gegeven.

3 Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.

[eiseres in de hoofdzaak en in het incident] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. bepaalt dat [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] vanaf datum dagvaarding, althans een door de kantonrechter te bepalen datum niet langer de huurovereenkomst met betrekking tot de woning voortzet,

  2. [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] veroordeelt om binnen één week na betekening van dit vonnis de woning cum annexis te verlaten en te ontruimen met al het zijne en de zijnen en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van de vrouw te stellen, zo nodig met behulp van de sterke arm,

  3. [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] veroordeelt om zich binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te laten uitschrijven op het huuradres van de woning, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag dat hij niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 10.000,00,

  4. [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] voert verweer.

in het incident

  1. bepaalt dat [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] – voor de duur van het geding – met uitsluiting van [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik en bewoning van de woning,

  2. [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] veroordeelt om zich binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te laten uitschrijven op het huuradres van de woning, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag dat hij niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 10.000,00,

  3. [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] veroordeelt in de kosten van dit incident.

3.3.

[gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] voert verweer.

4 De beoordeling

in het incident

4.1.

Op grond van artikel 223 Rv kan tijdens een aanhangig geding iedere partij vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding.

4.2.

Nu in de hoofdzaak eindvonnis wordt gewezen, kan een behandeling van de incidentele vordering achterwege blijven.

4.3.

[eiseres in de hoofdzaak en in het incident] zal worden veroordeeld in de kosten van het incident, welke kosten op nihil kunnen worden gesteld omdat [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] in het incident geen proceskosten heeft gemaakt.

in de hoofdzaak

4.4.

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] houdt in dat [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] afstand heeft gedaan van haar rechten met betrekking tot de huurwoning.

4.5.

Op grond van artikel 6:160 BW moet worden beoordeeld of [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] een aanbod heeft willen doen strekkende tot afstand van haar huurrecht en of – bij ontbreken van die wil – [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] niettemin op grond van de verklaringen en gedragingen van [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] gerechtvaardigd heeft vertrouwd dat die afstand was beoogd. Niet is gebleken dat [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] afstand heeft gedaan van haar rechten met betrekking tot de huurwoning. [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] voert dit aan, maar [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] ontkent dit en er zijn volgens [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] geen getuigen bij geweest. De juistheid van zijn stelling kan dus niet worden vastgesteld. Ook uit het WhatsApp-bericht kan niet worden geconcludeerd dat [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] afstand heeft gedaan van haar huurrecht. Zij schrijft immers niet meer dan dat zij zal kijken of zij iets anders kan krijgen, maar dat het vinden van een nieuwe woning niet makkelijk is en het dus wel even zal kunnen duren. Het aanbod om uit te kijken naar een andere woning staat niet gelijk aan een aanbod om het huurrecht van de huidige woning prijs te geven en leidt ook niet tot de conclusie dat [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat dit wel was beoogd. Het verweer van [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] slaagt dus niet.

4.6.

De vraag is dan of bepaald moet worden dat [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] de huur niet langer zal voortzetten (artikel 7:267 lid 7, eerste zin, BW). Hoewel dit artikel is geschreven voor het geval dat een van de huurders pas na ondertekening van de huurovereenkomst medehuurder is geworden, wordt in de rechtspraak aangenomen dat het analoog kan worden toegepast wanneer beide huurders gezamenlijk de huurovereenkomst hebben gesloten (zoals in dit geval).

4.7.

De vordering mag slechts worden toegewezen indien dit naar billijkheid, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, geboden is (artikel 7:267 lid 7, tweede zin, BW). Dit is naar het oordeel van de kantonrechter het geval, nu partijen niet langer een affectieve relatie hebben. De kantonrechter zal daarom beoordelen wie van partijen het meest belang heeft bij de woning.

4.8.

Het is de kantonrechter gebleken dat beide partijen investeringen in de woning hebben gedaan. Over en weer hebben zij elkaars aangevoerde investeringen niet weersproken. De kantonrechter neemt dus als vaststaand aan dat [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] , dan wel haar vader, de volgende investeringen heeft gedaan in de woning: nieuwe keuken, gordijnen, bankstel, wasmachine, wasdroger, decoratie, speelgoed, trapbekleding, stucwerk, douchekraan, nieuwe deur en spotjes, dat [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] de volgende investeringen heeft gedaan: de overdrachtskosten, de vloeren, het plafond in de keuken, de trap naar de zolder, de leuning, verf, elektra, overnamekosten en rolluiken en dat [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] de door [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] gekochte keuken heeft geïnstalleerd.

4.9.

Van zowel [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] als [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] is niet gebleken van alternatieve mogelijkheden tot huisvesting. [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] stelt dat zij niet op de camping kan (ver)blijven en ook niet bij haar ouders vanwege een gebrek aan ruimte. [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] stelt niet bij zijn moeder te kunnen intrekken. Zij woont immers in een woonwagen en is overspannen. Bovendien zal de intrek van [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] gevolgen hebben voor haar Wwb-uitkering. Nergens blijkt uit of deze stellingen kloppen of niet.

4.10.

[eiseres in de hoofdzaak en in het incident] is de financieel zwakkere partij, maar uit hetgeen zij (onderbouwd met een schriftelijke verklaring van een medewerker van de woningstichting) naar voren heeft gebracht, lijkt het er wel op dat zij de woning zal kunnen betalen. Daartegenover staat dat [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] een inkomen heeft van € 1.730,00 netto per maand. [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] zal makkelijker dan [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] een andere woning met alle bijkomende kosten van dien kunnen financieren.

4.11.

[eiseres in de hoofdzaak en in het incident] heeft verder genoegzaam aangetoond dat zij investeringen heeft gedaan in de woning en voor welke bedragen. [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] heeft – in tegenstelling tot [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] – geen bewijsstukken in het geding gebracht waaruit blijkt voor welke bedragen hij in de woning heeft geïnvesteerd. De kantonrechter neemt gelet op de prijzen op de facturen en de bedragen die door partijen ter comparitie zijn genoemd aan dat [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] meer in de woning heeft geïnvesteerd.

4.12.

Tot slot is [minderjarige] het grootste deel van de week bij [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] . Het is in zijn belang dat hij in een rustige omgeving verblijft, ruimte om zich heen heeft en hij niet met zijn moeder en oom op één kamer hoeft te slapen. Dit vormt naar het oordeel van de kantonrechter ook een reden om [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] de huur van de woning met uitsluiting van [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] te laten voortzetten.

4.13.

De kantonrechter zal gelet op al het voorgaande de vorderingen van [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] toewijzen, met dien verstande dat de kantonrechter de bij een ontruiming van woonruimte gebruikelijke termijn van twee weken na betekening van het vonnis zal hanteren. Verder acht de kantonrechter termen aanwezig om de gevorderde dwangsom te maximeren tot een bedrag van € 5.000,00.

4.14.

De vordering om de ontruiming te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm zal worden afgewezen nu artikel 556 lid 1 Rv voorschrijft dat de gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder. De deurwaarder zelf behoeft geen rechterlijke machtiging om bevoegd te zijn de hulp van de sterke arm in te roepen. Die bevoegdheid ontleent hij immers rechtstreeks aan artikel 557 Rv.

4.15.

[gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] gevallen en tot op heden begroot op:

  • -

    Explootkosten € 99,64

  • -

    Griffierecht € 79,00

  • -

    Salaris gemachtigde € 450,00 (2,5 x tarief x € 180,00)

totaal € 628,64.

5 De beslissing

De kantonrechter

in het incident

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] in de proceskosten in het incident aan de zijde van [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] gevallen en tot vandaag begroot op nihil,

in de hoofdzaak

5.3.

bepaalt dat [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] vanaf de datum van dit vonnis niet langer de huurovereenkomst met betrekking tot de woning ( [adres] , [woonplaats] ) voortzet,

5.4.

veroordeelt [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning te verlaten en te ontruimen met al het zijne en de zijnen en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] te stellen,

5.5.

veroordeelt [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] om zich binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis uit te laten schrijven op het adres van de woning, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag dat hij niet aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 5.000,00,

5.6.

veroordeelt [gedaagde in de hoofdzaak en in het incident] in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eiseres in de hoofdzaak en in het incident] gevallen en tot vandaag begroot op € 628,64,

5.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en in het openbaar uitgesproken.

RJ