Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:249

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
31-01-2019
Zaaknummer
7325635 CU VERZ 18-176, 7198168 BM VERZ 18-3636, 7198284 MS VERZ 18-839
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Instelling bewind en mentorschap, afwijzen curatele, minst verstrekkende maatregel, familieconflict, geen overeenstemming over persoon van bewindvoerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Team Toezicht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummers: 7325635 CU VERZ 18-176, 7198168 BM VERZ 18-3636,
7198284 MS VERZ 18-839

BM-nummer: 389433

MB-nummer: 38408

Uitspraakdatum: 15 januari 2019

Beschikking instelling bewind en mentorschap

naar aanleiding van de verzoeken van:

1 [verzoekerster sub 1] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] ,

wonende te [adres 1] ,
[woonplaats 1] ,

hierna: ‘moeder’,

gemachtigde: mr Y.G.M.J. Breukers, kantoorhoudende te Roermond,

en

2 [verzoeker sub 2] ,

geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] ,

wonende te [adres 2] ,
[woonplaats 2] ,

hierna: ‘vader’,

gemachtigde: mr. C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, Parklaan 54, 5613 BH Eindhoven, alwaar woonplaats is gekozen,

in de zaken van:

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedatum 3] ,

wonende te [adres 1] ,
[woonplaats 1] ,

hierna: ‘ [betrokkene] ’.

procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- het verzoekschrift met bijlagen van moeder, ingekomen op 10 september 2018,

- de bereidverklaring van de door moeder voorgestelde bewindvoerder,
[bewindvoerder] , maat van [bewindsbureau] , ingekomen op 10 september 2018,

- de aanvullende stukken, namens moeder ingediend door [bewindvoerder] voornoemd, ingekomen op 12 september 2018,

- het e-mailbericht met bijlagen van moeder, ingekomen op 12 oktober 2018,

- het verzoekschrift met producties, namens vader ingediend door mr. Van der Vegt-Boshouwers, ingekomen op 5 november,

- de beschikking van de kantonrechter van 15 november 2018,

- de aanvullende productie 1 ingediend door mr. Van der Vegt-Boshouwers, ingekomen op 19 november,

- het e-mailbericht met bijlagen van moeder, ingekomen op 19 november 2018,

- de e-mailberichten met bijlagen van moeder, ingekomen op
20 november 2018,

- de brief van mr. Van der Vegt-Boshouwers, ingekomen per telefax en per e-mail op 26 november 2018,

- de brief van mr. Breukers, ingekomen per e-mail op 6 december 2018,

- de brief van mr. Van der Vegt-Boshouwers, ingekomen per e-mail op 10 december 2018,

- de brief van [belanghebbende 1] , ingekomen per e-mail op 10 december 2018,

- de brief van [belanghebbende 2] , ingekomen per e-mail op 10 december 2018,

- het e-mailbericht van mr. Van der Vegt-Boshouwers met de aanvullende

producties 3 tot en met 6, ingekomen op 11 december 2018.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 december 2018. Hierbij zijn verschenen:

- moeder, bijgestaan door mr. Breukers,

- vader, bijgestaan door mr. Van der Vegt-Boshouwers.

Als belanghebbenden in de procedure worden verder aangemerkt de broer en zus van [betrokkene] , [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] voornoemd. Zij hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling schriftelijk gereageerd en zijn niet ter mondelinge behandeling verschenen.

Op 7 januari 2019 is de bereidverklaring van Van den Hof Bewindvoering B.V. te Maastricht binnengekomen. Vervolgens is de uitspraak bepaald op heden.

verzoek

Het verzoek van moeder van [betrokkene] strekt tot instelling van bewind over de goederen die (zullen) toebehoren aan, alsmede instelling van mentorschap ten behoeve van [betrokkene] . Moeder stelt [bewindvoerder] , maat van [bewindsbureau] voor als bewindvoerder en draagt zichzelf voor als mentor.

Het verzoek van vadervan [betrokkene] strekt tot ondercuratelestelling van [betrokkene] , waarbij eveneens wordt verzocht om een spoedvoorziening in de vorm van een provisioneel bewind. Vader draagt zichzelf voor als curator, al dan niet in samenwerking met een door de kantonrechter geschikt bevonden professionele curator.
Op het verzoek van vader om over te gaan tot instelling van een spoedvoorziening is reeds bij beschikking van de kantonrechter van 15 november 2018 afwijzend beslist.

Daarnaast heeft vader verzocht om zijn echtgenote aan te merken als belanghebbende in, naar de kantonrechter begrijpt, de onderhavige procedures.

beoordeling

Partijen hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling gecorrespondeerd over het al dan niet horen van [betrokkene] in het kader van de onderhavige procedure. De kantonrechter heeft in samenspraak met moeder en vader afgezien van het horen van [betrokkene] . Partijen zijn het erover eens dat het horen van [betrokkene] geen informatie zal opleveren die relevant is voor de te nemen beslissingen.

Ten aanzien van het verzoek van vader om zijn echtgenote aan te merken als belanghebbende overweegt de kantonrechter het navolgende.
Ter motivering van het verzoek is aangevoerd dat de echtgenote van vader reeds tien jaar in het leven is van [betrokkene] en dat zij altijd aanwezig is wanneer vader en [betrokkene] samen zijn. Er is daarom sprake van een gezinsverband. De echtgenote van de vader heeft bovendien een goede band met [betrokkene] en fungeert als haar vertrouwenspersoon.
De kantonrechter is van oordeel is dat de echtgenote van vader niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 798 Rv. Zij behoort niet tot de in de wet genoemde categorieën van personen die als belanghebbende worden aangemerkt en heeft daarnaast geen rechtstreeks belang bij het thans voorliggende verzoek tot instelling van een beschermingsmaatregel. De beslissing van de kantonrechter is partijen tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld.

Ten aanzien van de verzoeken die strekken tot instelling van een beschermingsmaatregel overweegt de kantonrechter het navolgende.
Partijen zijn het erover eens dat er een beschermingsmaatregel moet worden ingesteld, nu [betrokkene] het syndroom van Down heeft en zowel op het materiële als immateriële vlak ondersteuning behoeft. Moeder heeft verzocht om instelling van bewind en mentorschap, terwijl de vader heeft verzocht om ondercuratelestelling.
Ingevolge artikel 1:378 lid 1 BW kan een meerderjarige door de kantonrechter onder curatele worden gesteld, onder meer wanneer hij tijdelijk of duurzaam zijn belangen niet behoorlijk waarneemt als gevolg van, voor zover hier van belang, zijn geestelijke toestand en een voldoende behartiging van die belangen niet met een meer passende en minder verstrekkende voorziening kan worden bewerkstelligd.

Voldoende aannemelijk is dat [betrokkene] als gevolg van haar geestelijke toestand niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. De ondercuratelestelling van [betrokkene] wordt echter een te zware beschermende maatregel geacht. De onderbewindstelling in combinatie met mentorschap voorziet naar het oordeel van de kantonrechter thans in de behoefte van [betrokkene] . De kantonrechter zal het verzoek tot ondercuratelestelling daarom afwijzen en overgaan tot instelling van een bewind over de goederen die (zullen) toebehoren aan, alsmede instelling van mentorschap ten behoeve van [betrokkene] .


Over de persoon van de te benoemen bewindvoerder en mentor bestaat tussen partijen geen overeenstemming. Uit de stukken blijkt dat er door moeder en vader over en weer ernstige verwijten worden gemaakt, die onder meer betrekking hebben op de omgang met [betrokkene] en de andere kinderen. Bovendien hebben beide ouders de angst geuit om buiten beeld te worden gehouden in het geval de ander wordt benoemd tot bewindvoerder dan wel mentor. Hoewel beide ouders aangeven dat zij denken correct om te kunnen gaan met een eventuele dubbelrol als ouder en bewindvoerder en/of mentor, denkt de kantonrechter dat dit reëel gezien niet te verwachten is, gelet op de belaste verhouding die de ouders tot elkaar hebben.

In het belang van [betrokkene] zal de kantonrechter de uitvoering van het bewind en mentorschap daarom neerleggen bij een onafhankelijke, professionele bewindvoerder en mentor.

Tegen benoeming van de door moeder voorgestelde professionele bewindvoerder zijn door vader bezwaren geuit. Vader voert aan dat de voorgestelde bewindvoerder een gekleurd beeld zou kunnen hebben van de verstandhouding tussen de moeder en vader en de problematiek die er tussen de ouders en kinderen speelt, nu deze enkel contact heeft gehad met moeder en haar heeft ondersteund bij het indienen van haar verzoekschrift. In dat kader wijst hij erop dat [bewindvoerder] zich kennelijk niet de vraag heeft gesteld of vader in beeld is, aangezien deze in het verzoekschrift niet als belanghebbende wordt opgevoerd.
De kantonrechter acht het voorstelbaar en begrijpelijk dat vader, gelet op bemoeienis van de door moeder voorgestelde bewindvoerder, bezwaren heeft bij benoeming van deze. De kantonrechter heeft daarom een andere professionele bewindvoerder en mentor aangezocht, die zich, na contact met de beide ouders van [betrokkene] , schriftelijk bereid heeft verklaard om benoemd te worden. Nu niet is gebleken van bezwaren tegen benoeming van deze bewindvoerder en mentor, zal de kantonrechter daartoe overgaan.

De kantonrechter zal de jaarbeloning van de te benoemen bewindvoerder en mentor, inclusief onkostenvergoeding en exclusief omzetbelasting voor zover van toepassing, vaststellen overeenkomstig artikel 5 juncto artikel 2 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (basistarief).

Op grond van artikel 5 juncto artikel 2 lid 4 van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren is de beloning verschuldigd vanaf de eerste dan wel de zestiende dag van de maand waarin de bewindvoerder en mentor zijn benoemd en wordt deze in maandelijkse termijnen betaald.

De kantonrechter zal de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van de te benoemen bewindvoerder en mentor vaststellen overeenkomstig de in artikel 5 juncto artikel 2 lid 5 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren opgenomen hoge beloning voor aanvangswerkzaamheden nu de bewindvoerder voorafgaand aan het bewind geen budgetbeheer heeft gevoerd.

Verder zal worden overgegaan tot publicatie van het bewind, aangezien de kantonrechter dat in het belang van [betrokkene] acht.

beslissing

De kantonrechter:

- stelt de goederen die (zullen) toebehoren aan [betrokkene] wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand onder bewind met ingang van 16 januari 2019,

- stelt ten behoeve van [betrokkene] een mentorschap in met ingang van 16 januari 2019,

- benoemt tot bewindvoerder en mentor:

Van den Hof Bewindvoering BV,

Postbus 1046, 6201 BA Maastricht,

- bepaalt dat het bewind wordt ingeschreven in het Centraal Curatele- en bewindregister, bedoeld in artikel 1:391 BW,

- stelt de jaarbeloning van de bewindvoerder en de mentor vast overeenkomstig artikel 5 juncto artikel 2 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren,

- stelt de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van de bewindvoerder en mentor vast overeenkomstig de in artikel 5 juncto artikel 2 lid 5 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren opgenomen hoge beloning,

- bepaalt dat de bewindvoerder binnen 4 maanden na de ingangsdatum van het bewind een afschrift van de beschrijving van de aan het bewind onderworpen goederen aan het team Toezicht overlegt en – voor zover dat nog niet is overgelegd - een plan van aanpak bewind,

- bepaalt dat de mentor binnen 4 maanden na de ingangsdatum van het mentorschap een mentorschapsplan indient,

- bepaalt dat de mentor jaarlijks een verslag indient omtrent het verloop van het

mentorschap,

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.R.M. de Bruijn, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.1

1 Tegen deze beschikking kan – door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Den Bosch, door de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden binnen drie maanden vanaf de uitspraakdatum en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.