Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:2428

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
6794471 CV EXPL 18-2141
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser plaatst in opdracht van een B.V. shutters aan een woning.

De bewoonster heeft geen overeenkomst gesloten met eiser. Wel heeft zij tijdens de plaatsing van de shutters aanwijzingen gegeven aan eiser en heeft zij een betalingstoezegging ondertekend. Is bewoonster naast de B.V. en de bestuurder van de B.V. (haar ex-echtgenoot) hoofdelijk aansprakelijk voor betaling van de overeengekomen prijs? Is bewoonster ongerechtvaardigd verrijkt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/482
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 6794471 CV EXPL 18-2141

Vonnis van de kantonrechter van 13 maart 2019

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN EYCK SHUTTERS B.V.,

gevestigd te Weert,

eisende partij,

gemachtigde mr. D.D. Dielissen-Breukers

tegen

1. de vennootschap naar buitenlands recht

DOMAE CAPITAL SPRL,

zonder bekend vestigings- of kantooradres in Nederland,

gevestigd en kantoorhoudend te Grez Doiceau (België),

gedaagde partij,

2 [gedaagde sub 2] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
wonend te [woonplaats 1] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon mede namens gedaagde sub 1,

3 [gedaagde sub 3] ,wonend te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. J.B.G. Gelissen

Partijen zullen hierna Van Eyck, Domae, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 19 september 2018

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek van [gedaagde sub 3] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 2] is bestuurder van Domae.

2.2.

Rond 22 mei 2016 heeft [gedaagde sub 2] namens Domae aan Van Eyck opdracht gegeven tot het plaatsen van shutters aan de woning aan het adres [adres] te [woonplaats 2] . [gedaagde sub 2] was ten tijde van het sluiten van deze overeenkomst gehuwd met [gedaagde sub 3] .

2.3.

De schriftelijke opdrachtbevestiging van 22 mei 2016 vermeldt een totaal verschuldigd bedrag van € 11.500,00, waarvan € 2.500,00 aanbetaald zou worden en € 9.000,00 contant betaald zou worden bij “de montage”.

2.4.

[gedaagde sub 2] heeft op enig moment daarna € 2.500,00 contant betaald aan Van Eyck.

2.5.

Op 24 november 2016 heeft Van Eyck de shutters geplaatst. Op dat moment waren [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niet meer met elkaar gehuwd. [gedaagde sub 3] was toen aanwezig in de woning. Zij woonde (en woont) aldaar. Contante betaling van het restbedrag van € 9.000,00 bleek toen niet mogelijk. De factuur van 24 november 2016 die op die dag aan [gedaagde sub 3] is verstrekt, vermeld de volgende handgeschreven tekst:

“klant betaald 8-12-2016 via overschrijving

2 ramen op dressing worden op 14-12-2016 afgewerkt.”

Onmiddellijk onder deze tekst is een handtekening geplaatst.

Domae staat als geadresseerde bovenaan de factuur vermeld.

2.6.

Op 7 december 2016 heeft de oplevering plaatsgevonden. Het daarvan opgemaakte opleveringsrapport vermeldt Domae als klant. Verder staat in het rapport de volgende handgeschreven tekst:

“klant betaald 8-12-2016 via overschrijving

2 ramen op dressing worden op 14-12-2016 afgewerkt.”

Het rapport is door [gedaagde sub 3] voor akkoord ondertekend. Die handtekening is sterk gelijkend op de handtekening waarvan in 2.5. melding wordt gemaakt.

2.7.

Bij e-mailbericht van 7 december 2016 heeft [gedaagde sub 2] aan Van Eyck medegedeeld dat hij voornemens is de factuur “morgenmiddag” te voldoen.

2.8.

Bij e-mailbericht van 22 februari 2017 heeft [gedaagde sub 2] (samengevat) aan Van Eyck medegedeeld zeker “rondom” 31 maart 2017 de factuur te zullen betalen.

2.9.

[gedaagde sub 2] is daarna nog diverse malen tevergeefs aangemaand tot betaling.

2.10.

Bij e-mails van 1 december 2017 zijn [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] aangemaand tot betaling van € 9.000,00, uiterlijk op 1 januari 2018 en desnoods in zes maandelijkse termijnen van € 1.500,00. Van Eyck heeft [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in deze e-mails er op gewezen dat bij het niet aanvaarden van deze betalingsregeling zij € 825,00 buitengerechtelijke kosten verschuldigd zullen zijn

2.11.

Daarna hebben [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niets betaald aan Van Eyck.

3 Het geschil

3.1.

Van Eyck vordert gedaagde partijen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:

  1. € 9.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 december 2016 (althans een latere datum, waarbij Domae de wettelijke handelsrente verschuldigd is en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW;

  2. € 825,00 buitengerechtelijke kosten

  3. de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente

  4. de nakosten.

3.2.

[gedaagde sub 3] voert verweer.

4 De beoordeling

4.1.

Vaststaat dat Van Eyck shutters heeft geplaatst in de woning aan het adres [adres] te [woonplaats 2] . Dit is gebeurd op grond van een met Domae gesloten overeenkomst, waarbij partijen een totaalbedrag van € 11.500,00 zijn overeengekomen. Omdat vaststaat dat Domae tot op heden een bedrag van € 9.000,00 onbetaald gelaten heeft, is zij op grond van deze overeenkomst dat bedrag aan Van Eyck verschuldigd. Domae zal dus worden veroordeeld tot betaling aan Van Eyck van € 9.000,00.

4.2.

Ook zal Domae worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke handelsrente over € 9.000,00. De wettelijke handelsrente is verschuldigd met ingang van de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling. Partijen waren de dag van “montage” als betaaldatum overeengekomen en op die dag (24 november 2016) heeft geen betaling plaatsgevonden. Aangezien Van Eyck de wettelijke handelsrente vordert met ingang van 8 december 2017 zal de wettelijke handelsrente vanaf die dag worden toegewezen.

4.3.

Domae is voorts een vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 825,00 aan Van Eyck verschuldigd. Onbetwist staat namelijk vast dat Van Eyck de bestuurder van Domae diverse malen tevergeefs heeft aangemaand en gesommeerd tot betaling van de hoofdsom van € 9.000.00. Bovendien komt de hoogte van het gevorderde bedrag overeen met de vergoeding die volgt uit het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten.

4.4.

[gedaagde sub 2] heeft niet weersproken dat hij persoonlijk aan Van Eyck heeft toegezegd het restantbedrag van € 9.000,00 te zullen betalen. Op grond van die toezegging is [gedaagde sub 2] naast Domae gehouden tot betaling van dit bedrag. Ook [gedaagde sub 2] zal dus worden veroordeeld tot betaling daarvan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 december 2016. Daarnaast zal [gedaagde sub 2] ook worden veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 825,00.

4.5.

De vordering tegenover [gedaagde sub 3] heeft Van Eyck gebaseerd op de stelling dat [gedaagde sub 3] als feitelijk opdrachtgever aangemerkt behoort te worden. Zo stelt zij dat alle contacten met [gedaagde sub 3] plaatsvonden, dat [gedaagde sub 3] aanwezig was bij het inmeten, het bepalen van de keuze en dat de afspraken voor het monteren met haar gemaakt zijn. Verder grondt Van Eyck dit onderdeel van haar vordering op de stelling dat [gedaagde sub 3] betaling van € 9.000,00 heeft toegezegd. Die toezegging blijkt volgens Van Eyck uit de factuur van 24 november 2016 (zie 2.5.). Als derde grondslag voor haar vordering jegens [gedaagde sub 3] voert Van Eyck aan dat [gedaagde sub 3] ten koste van haar ongerechtvaardigd is verrijkt.

4.6.

De overeenkomst van opdracht is gesloten tussen Van Eyck en Domae, met [gedaagde sub 2] als bestuurder. Het feit dat Van Eyck daarna over de wijze waarop de overeenkomst uitgevoerd diende te worden met [gedaagde sub 3] contact heeft gehad is naar het oordeel van de kantonrechter in deze context niet relevant en hiermee kan Van Eyck niet een verplichting tot betaling van de hoofdsom door [gedaagde sub 3] construeren. Van Eyck weet immers wie haar juridische opdrachtgever is, namelijk Domae. Het is Domae die op grond van de overeenkomst nog € 9.000,00 aan Van Eyck verschuldigd is. Daarover heeft nooit een misverstand bestaan.

4.7.

[gedaagde sub 3] betwist bij dupliek tevergeefs dat de handtekening op de factuur van 24 november 2016 onder de handgeschreven betalingstoezegging van haar afkomstig is. Bij antwoord heeft zij namelijk in randnummer 54 uitdrukkelijk erkend dat die handtekening wel van haar is en bij dupliek heeft zij niet uitgelegd waarom zij van dat standpunt is teruggekomen. De handtekening komt bovendien overeen met de handtekening die op het opleveringsrapport van 7 december 2016 staat en die handtekening is onbetwist van [gedaagde sub 3] afkomstig. Anders dan Van Eyck betoogt komt de kantonrechter echter niet tot de conclusie dat [gedaagde sub 3] op die wijze heeft toegezegd persoonlijk het bedrag van € 9.000,00 aan Van Eyck te zullen betalen. Er staat immers dat “klant” dit bedrag zal betalen en Domae (en niet [gedaagde sub 3] ) was de klant van Van Eyck. Zoals hiervoor reeds overwogen wist Van Eyck dat Domae haar wederpartij en dus haar klant was. Bovendien heeft [gedaagde sub 3] (onbetwist) gesteld dat zij de factuur met toestemming van [gedaagde sub 2] heeft ondertekend. Ook hieruit blijkt dat [gedaagde sub 3] niet heeft toegezegd persoonlijk in te staan voor betaling van de factuur. Van Eyck wist dit ook want zij heeft daar kennelijk met [gedaagde sub 2] contact over gehad. [gedaagde sub 2] heeft immers ter bevestiging van hetgeen hij reeds eerder met Van Eijck heeft besproken bij e-mailbericht van 7 december 2016 toegezegd te zullen betalen op 8 december 2016. Die toezegging komt overeen met de handgeschreven tekst op de factuur van 24 november 2016.

4.8.

Dat [gedaagde sub 3] tot een bedrag van € 9.000,00 ongerechtvaardigd is verrijkt door het plaatsen van de shutters heeft Van Eyck onvoldoende onderbouwd. Zo stelt zij niet dat de woning waar de shutters zijn geplaatst het eigendom is van [gedaagde sub 3] en dat die woning als gevolg daarvan in waarde is gestegen. Enkel is komen vast te staan dat de shutters zijn geplaatst in de woning waar [gedaagde sub 3] woont en kennelijk thans nog woont. Het feit dat [gedaagde sub 3] van de shutters gebruik maakt en daarvan voordeel ondervindt, maakt nog niet dat zij tot een bedrag van € 9.000,00 verrijkt is.

4.9.

Op grond van voorgaande overwegingen, zal de vordering van Van Eyck op [gedaagde sub 3] worden afgewezen.

4.10.

Alleen Domae en [gedaagde sub 2] zullen dus hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de vorderingen onder 1 en 2.

4.11.

Als de in het ongelijk gestelde partij zullen Domae en [gedaagde sub 2] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van Van Eyck tot op heden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 81,00

  • -

    betekening in het buitenland € 135,00

  • -

    griffierecht € 476,00

  • -

    salaris gemachtigde € 300,00 (1p. x € 250,00 hoofdzaak)

  • -

    salaris gemachtigde € 60,00 (1p. x € 60,00 bevoegdheidsincident)

Totaal: € 1.052,00

De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis, tot de dag van voldoening.

4.12.

Domae en [gedaagde sub 2] zullen op de wijze als in de beslissing zal worden bepaald, hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de nakosten.

4.13.

Van Eyck zal worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding van [gedaagde sub 3] , tot op heden begroot op:

  • -

    salaris gemachtigde € 600,00 (2p. x € 300,00 hoofdzaak)

  • -

    salaris gemachtigde € 60,00 (1p x € 60,00 vrijwaringsincident)

Totaal € 660,00.

De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis, tot de dag van voldoening.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt Domae en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling aan Van Eyck van

€ 9.000,00, voor Domae te vermeerderen met de wettelijke handels rente ex art. 6:119a BW vanaf 8 december 2016 tot de dag van voldoening en voor [gedaagde sub 2] te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW tot de dag van voldoening,

5.2.

veroordeelt Domae en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van Van Eyck tot op heden begroot op € 1.052,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis, tot de dag van voldoening,

5.3.

veroordeelt Domae en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, onder de voorwaarde dat zij niet binnen twee weken na aanschrijving door Van Eyck volledig aan de onderdelen 5.1 en 5.2 van dit vonnis voldoen, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

  • -

    € 120,00 salaris gemachtigde;

  • -

    te vermeerderen, indien betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van die betekening,

5.4.

veroordeelt Van Eyck tot betaling van de door [gedaagde sub 3] gemaakte kosten van dit geding, tot op heden begroot op € 660,00 te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis, tot de dag van voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra en is in het openbaar uitgesproken.

Type: RW