Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:2138

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
AWB 19/619
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De Stichting Recht Zonder Onderscheid (verzoekster) komt op voor het recht op leven van ongeboren kinderen. Daartoe wil zij onder meer op 5 maart 2019 manifesteren bij de ingang van abortuskliniek Gynaikon in Roermond.

De burgemeester van de gemeente Roermond (de burgemeester) heeft aan de eerder, op 5 februari 2019, gehouden manifestatie van verzoekster bij de abortuskliniek voorschriften gesteld, waaronder het voorschrift dat verzoekster moet manifesteren aan de overzijde van de straat waaraan de abortuskliniek is gevestigd. Verzoekster mag dus niet voor de ingang van de abortuskliniek manifesteren. Verzoekster wil op 5 maart 2019 wel voor de ingang van de abortuskliniek manifesteren en heeft de voorzieningenrechter verzocht het voorschrift van de burgemeester dat dit niet mag, te schorsen.

De burgmeester heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekster geen procesbelang heeft, omdat zij nog geen beslissing heeft genomen over de aangekondigde manifestatie op 5 maart 2019. Zij heeft enkel beslist over de op 5 februari 2019 gehouden manifestatie en daaraan voorschriften gesteld. Anders dan de burgemeester, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster wel procesbelang heeft, omdat het eerdere besluit van de burgemeester kan worden betrokken bij het (toekomstig) besluit over de manifestatie op 5 maart 2019 en de toetsing daarvan.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden het voorschrift heeft kunnen stellen dat de openbare manifestatie aan de westzijde van de straat waaraan de abortuskliniek is gevestigd, moet plaatsvinden en dus niet voor de ingang van de abortuskliniek. De voorzieningenrechter vindt daarbij belangrijk dat de abortuskliniek een plaats is waarbij zwaardere voorschriften gesteld kunnen worden aan het recht op manifesteren, dat naar aanleiding van de manifestatie die op 5 februari 2019 is gehouden meldingen bij de abortuskliniek zijn ontvangen dat bezoeksters aan de abortuskliniek de wijze van manifesteren als zeer hinderlijk hebben ervaren en dat één van de deelnemers zich destijds niet heeft gehouden aan de voorschriften die toen golden. Daarnaast blijkt uit antwoorden op Kamervragen door de ministers van Justitie en Veiligheid, van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelatie en van Volksgezondheid dat de deelnemers aan manifestatie waarbij vrouwen worden geïntimideerd, overwegend gelieerd zijn aan verzoekster en een andere zogenaamde “pro-life organisatie”, Schreeuw om Leven genaamd. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster liever voor de ingang van de abortuskliniek zou manifesteren, is zij van oordeel dat het recht op manifestatie van verzoekster door de opgelegde beperking dat dit niet mag, niet onevenredig wordt beperkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 19/619

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

28 februari 2019 in de zaak tussen

Stichting Recht Zonder Onderscheid, verzoekster

(gemachtigde: mr. M.J.N. Vermeij),

en

de burgemeester van de gemeente Roermond, de burgemeester

(gemachtigden: R. Knubben, J.P.J.A.G. Schoenmakers en mr. P.M.A. van Wersch).

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: Gynaikon Klinieken, gevestigd aan de Bredeweg 239 in Roermond (de abortuskliniek).

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester aan verzoekster de gelegenheid gegeven op 5 februari 2019 onder voorwaarden een openbare manifestatie te houden bij de abortuskliniek.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Voorts heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De burgemeester heeft de stukken ingezonden die op de zaak betrekking hebben.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2019. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. De derde partij is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen. Wel heeft de directeur van de abortuskliniek zijn standpunt voorafgaand aan de zitting schriftelijk kenbaar gemaakt.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

De feiten

2. Verzoekster is een belangenorganisatie die opkomt voor het recht op leven van ongeboren kinderen. Op 28 januari 2019 heeft verzoekster aan de burgemeester een e-mail gestuurd, waarin onder meer staat vermeld:

Stichting Stirezo doet hiermee de melding dat er op de dinsdagmorgens van

5 februari, 5 maart, 2 april, 7 mei, 4 juni, 2 juli, 6 augustus, 3 september, 1 oktober,

5 november, 3 december 2019 van 9.00 tot 11.30 uur kleine betogingen in de vorm van een gebedswake gehouden worden bij de abortuskliniek in Roermond bij het Medisch Centrum Bredeweg (Gynaikon) aan de Bredeweg 239. Het doel is op te komen voor de beschermenswaardigheid van het ongeboren leven. We delen folders uit en bieden hulp aan de vrouwen aan die dit centrum / de abortuskliniek willen bezoeken.

3. Bij besluit van 1 februari 2019 heeft de burgemeester aan verzoekster meegedeeld dat de manifestatie wordt toegestaan, maar dat zij daaraan, gelet op het ingeschatte risico op wanordelijkheden, ter bescherming van de gezondheid en het verkeer voorschriften verbindt op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties (Wom).

4. Verzoekster heeft op 26 februari 2019 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend die ziet op een manifestatie die op 5 maart 2019 staat gepland. Verzoekster heeft gesteld dat de burgemeester in strijd heeft gehandeld met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door pas op 1 februari 2019 op de melding van verzoekster van 28 januari 2019 te beslissen. Omdat de aangekondigde manifestatie op 5 februari 2019 - dus kort na het bestreden besluit - heeft plaatsgevonden, heeft de burgemeester verzoekster de kans ontnomen juridische bijstand in te winnen of een voorlopige voorziening in te dienen bij de voorzieningenrechter. Daarnaast stelt verzoekster dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel, omdat de enkele overweging dat aan de manifestatie voorschriften moeten worden verbonden (ter voorkoming van) “wanordelijkheden, ter bescherming van de gezondheid en het verkeer” onvoldoende is. Tevens is het bestreden besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat het (onder b) opgelegde voorschrift inhoudt dat de deelnemers aan de manifestatie geen contact kunnen leggen met de bezoekers van de abortuskliniek.

Procesbelang

5. Het verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend naar aanleiding van het bestreden besluit, dat is genomen met het oog op de door verzoekster aangekondigde openbare manifestatie op 5 februari 2019 die doorgang heeft gevonden onder de voorschriften die onder 3. zijn genoemd. Hoewel verzoekster in haar onder 2. weergegeven e-mail heeft aangegeven dat de melding ook ziet op de manifestatie van 5 maart 2019, waarvoor de voorlopige voorziening is ingediend die nu wordt behandeld, heeft de burgemeester hierover nog niet beslist. Gelet op hetgeen de gemachtigden van de burgemeester ter zitting hebben aangevoerd, zal de burgemeester aan de manifestatie van

5 maart 2019 ten minste dezelfde voorschriften verbinden als opgenomen in het bestreden besluit. Een inhoudelijk oordeel van de voorzieningenrechter over het bestreden besluit kan worden betrokken bij het (toekomstig) besluit over de manifestatie op 5 maart 2019 en de toetsing daarvan. Om die reden heeft verzoekster procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van haar verzoek. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak (in het bijzonder overweging 4) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2310).

Het wettelijk kader

6. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de rechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan de twee in artikel 8:81 van de Awb neergelegde formele vereisten is voldaan. Verzoekster heeft namelijk een bezwaarschrift ingediend tegen het bestreden besluit en dit besluit kan - zoals onder 5. overwogen - worden betrokken bij het (toekomstig) besluit over de manifestatie op 5 maart 2019 en de toetsing daarvan. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat het spoedeisend belang bij het onderhavige verzoek genoegzaam is aangetoond, nu de volgende manifestatie is aangekondigd voor 5 maart 2019. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopige karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

8. Voor de beoordeling van het verzoek door de voorzieningenrechter gelden de volgende wettelijke bepalingen.

Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Grondwet wordt het recht tot vergadering en betoging erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet.

Op grond van artikel 9, tweede lid, van de Grondwet kan de wet regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Op grond van artikel 2 van de Wom kunnen de bij of krachtens de bepalingen uit deze paragraaf aan overheidsorganen gegeven bevoegdheden tot beperking van het recht tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging en het recht tot vergadering en betoging, slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Op grond van artikel 5 van de Wom kan de burgemeester naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven.

9. Ter uitvoering van de bevoegdheid in artikel 5 van de Wom heeft de burgemeester de “Beleidsregels voor het houden van openbare manifestaties” (de beleidsregels) vastgesteld. In artikel 2, derde lid, van de beleidsregels is bepaald dat de burgemeester ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden andere voorschriften en beperkingen aan de locatie, de route en spreekmomenten kan verbinden dan in de leden een en twee van artikel 2 van de beleidsregels genoemd.

Welke stukken betrekt de voorzieningenrechter bij haar oordeel?

10. Naar aanleiding van het indienen van het verzoek tot een voorlopige voorziening, heeft de voorzieningenrechter de abortuskliniek ambtshalve als derde partij aangemerkt. Met het oog op de korte tijd tussen het indienen van het hiervoor genoemde verzoek en het behandelen daarvan, heeft de voorzieningenrechter de abortuskliniek in de gelegenheid gesteld haar standpunt schriftelijk kenbaar te maken, indien zij verhinderd mocht zijn ter zitting te verschijnen. Op 27 februari 2019 heeft drs. ing. [voorletters] [naam 5] , algemeen directeur van de abortuskliniek, gereageerd op het ingediende verzoek. Gelet op het voorgaande en het spoedeisend karakter van de behandeling van het verzoek, betrekt de voorzieningenrechter de hiervoor genoemde brief van de abortuskliniek bij haar beoordeling. De voorzieningenrechter volgt verzoekster niet in haar stelling dat deze brief tardief is ingediend en daarom niet bij de beoordeling kan worden betrokken. Op de eerste plaats heeft de voorzieningenrechter de abortuskliniek ambtshalve als derde partij aangemerkt en haar de mogelijkheid heeft gegeven haar standpunt kenbaar te maken. Daarnaast heeft verzoekster pas op 26 februari 2019 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit dat zij op 4 februari 2019 - dus drie weken eerder - heeft ontvangen én diezelfde dag een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Pas vanaf dat moment konden eventuele belanghebbenden, waaronder de derde partij, hun standpunt kenbaar maken. Hoewel op dit moment niet uit de stukken blijkt dat drs. ing. [naam 5] namens de abortuskliniek gemachtigd is te reageren op het ingediende verzoek, heeft de voorzieningenrechter geen aanleiding daaraan te twijfelen. Zij zal de namens de abortuskliniek ingediende brief dan ook bij haar beoordeling betrekken.

De beoordeling

11. Het nu voorliggende verzoek van verzoekster is gericht tegen het door de burgemeester bij het bestreden besluit vermelde voorschrift (onder b) dat de demonstratie/ openbare manifestatie enkel mag worden uitgevoerd aan de westzijde van de Bredeweg, dus niet bij de ingang van de kliniek maar aan de andere kant van de straat. Dat aan verzoekster bij het uitreiken van het bestreden besluit nog is medegedeeld dat als (extra) voorschrift aan de openbare manifestatie is verbonden dat deelnemers daaraan de bezoeksters van de abortuskliniek “helemaal niet mogen aanspreken”, is de voorzieningenrechter niet gebleken. Haar beoordeling zal dan ook slechts betrekking hebben op de voorschriften die zijn opgenomen in het bestreden besluit. Verzoekster stelt dat het recht op een openbare manifestatie enkel beperkt mag worden (1) ter bescherming van de gezondheid, (2) in het belang van het verkeer en (3) ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De burgemeester heeft volgens verzoekster niet onderbouwd op grond van welke beperkingsgrond de voorschriften zijn gesteld. Evenmin is onderbouwd waarom bij de manifestatie van verzoekster één of meer van deze beperkingsgronden aan de orde zouden zijn. In dit verband heeft verzoekster aangevoerd dat haar manifestaties vreedzaam en rustig van aard zijn en dat eerdere manifestaties (op onder meer 27 april 2018) zonder problemen zijn verlopen. Voorts wordt het recht op openbare manifestatie van verzoekster onevenredig aangetast, indien de voorschriften die de burgemeester aan de manifestatie heeft gesteld, worden gehandhaafd. Verzoekster probeert de bezoeksters van de abortuskliniek namelijk duidelijk te maken dat een abortus niet de enige “oplossing” en dat zij de middelen heeft om vrouwen die afzien van abortus praktische hulp te bieden. Daartoe is het noodzakelijk dat de deelnemers aan de manifestatie de bezoeksters van de abortuskliniek kunnen aanspreken. Dit is niet mogelijk door het stellen van het voorschrift dat de demonstratie moet plaatsvinden aan de westzijde van de Bredeweg, niet bij de ingang van de kliniek, maar aan de andere kant van de (ongeveer dertig meter brede) straat.

12. Ter zitting hebben de gemachtigden van de burgemeester naar aanleiding van de bezwaren van verzoekster en als nadere toelichting op de besluitvorming medegedeeld dat kort voor het nemen van het bestreden besluit een mutatie van de politie van 17 april 2018 naar voren is gekomen. In die mutatie is vermeld dat de receptioniste van de abortuskliniek de politie om bijstand verzoekt, omdat bezoeksters van de abortuskliniek onheus worden bejegend. Ook heeft de burgemeester de directeur van de abortuskliniek in een gesprek gevraagd zijn standpunt kenbaar te maken. In dit gesprek is nieuwe informatie naar voren gekomen. De directeur heeft naar aanleiding van een uitzending van EenVandaag een e-mail van een persoon van een Outlaw Motor Gang ontvangen, waarin wordt aangeboden bezoeksters van en naar de kliniek te begeleiden. Daarnaast heeft de burgemeester informatie uit de media bij haar beslissing betrokken. Hoewel volgens stadstoezicht tijdens de eerdere openbare manifestatie op 27 april 2018 geen wanordelijkheden hebben plaatsgevonden, heeft de burgemeester besloten voorschriften aan de openbare manifestatie te stellen. Gelet op de verkeerssituatie ter plekke, heeft de burgemeester - mede in het belang van de verkeersveiligheid - als voorschrift aan de openbare manifestatie verbonden dat de openbare manifestatie aan de westzijde van de Bredeweg in Roermond moest plaatsvinden. Bij de laatste openbare manifestatie (de voorzieningenrechter begrijpt: de manifestatie die op 5 februari 2019 heeft plaatsgevonden) is volgens de burgemeester inbreuk gemaakt op de voorschriften, omdat één van de deelnemers aan de manifestatie op de parkeerplaats van de abortuskliniek is geweest.

13. In de brief van 27 februari 2019 van de directeur van de abortuskliniek staat vermeld dat het recht op openbare manifestatie bestaat en dat de abortuskliniek daaraan niet wil tornen. Daar staat tegenover dat de bezoeksters aan de abortuskliniek, deze kliniek ongehinderd moeten kunnen betreden. Bij de abortuskliniek zijn gevallen bekend van bezoeksters die hevig ontdaan niet op de afspraak zijn verschenen, maar na huis zijn gegaan, nadat zij zijn benaderd door deelnemers aan de manifestatie. Na de manifestatie die op

5 februari 2019 heeft plaatsgevonden, heeft de abortuskliniek van vier bezoeksters meldingen ontvangen dat zij de wijze van manifesteren als zeer hinderlijk hebben ervaren. De abortuskliniek verzoekt om vrije toegang van haar bezoeksters en bepleit daarom een vrije corridor. Zij kan zich vinden in het voorschrift van de burgemeester om de openbare manifestatie te laten plaatsvinden aan de westzijde van de Bredeweg in Roermond.

14. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het betoog van verzoekster dat de handelwijze van de burgemeester in strijd is met artikel 13 van het EVRM in deze verzoekschriftprocedure niet in geding is. Deze grond ziet enkel op het bezwaar dat is ingediend naar aanleiding van de voorschriften die de burgemeester aan de manifestatie heeft gesteld die heeft plaatsgevonden op 5 februari 2019. Daarnaar gevraagd ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster dit bevestigd. Het geding beperkt zich dus tot de vraag of de burgemeester in redelijkheid dezelfde voorschriften kan verbinden aan de openbare manifestatie die op 5 maart 2019 zal worden gehouden, als de voorschriften die zij eerder heeft gesteld aan de openbare manifestatie op 5 februari 2019, in het bijzonder het voorschrift dat de manifestatie aan de westzijde van de Bredeweg moeten plaatsvinden.

15. De voorzieningenrechter stelt voorop dat op grond van artikel 5 van de Wom de burgemeester bevoegd is om naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen te stellen. Zo kan zij onder meer beperkingen stellen aan de aanvang, de plaats, de duur en de omvang van de manifestatie. Deze voorschriften/beperkingen kan de burgemeester op grond van artikel 2 van de Wom slechts stellen (1) ter bescherming van de gezondheid, (2) in het belang van het verkeer of (3) ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

16. Uit het bestreden besluit volgt dat de burgemeester de voorschriften heeft gesteld op grond van alle hiervoor genoemde beperkingsgronden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester de voorschriften die zijn opgenomen in het bestreden besluit niet kunnen stellen in het belang van het verkeer. Uit de onder 2. weergegeven e-mail en de toelichting van de gemachtigde van verzoekster volgt namelijk dat verzoekster bij de openbare manifestatie het verkeer niet wil hinderen en de stoepen rondom de ingang van de abortuskliniek wil betreden. Gelet daarop, kan de voorzieningenrechter de burgemeester niet volgen in haar redenering dat het belang van het verkeer in het geding komt, indien geen voorschriften aan de manifestatie worden gesteld. Ook is de voorzieningenrechter niet gebleken op welke wijze de gezondheid van burgers of deelnemers aan de manifestatie in gevaar zou komen als geen voorschriften aan de manifestatie worden gesteld.

17. Wel heeft de burgemeester naar het oordeel van de voorzieningenrechter ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden het voorschrift kunnen stellen dat de openbare manifestatie moet plaatsvinden aan de westzijde van de Bredeweg in Roermond, dus niet bij de ingang van de abortuskliniek. De burgemeester heeft voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat met name het belang van bezoeksters van de abortuskliniek, zich verzet tegen het manifesteren voor de ingang van de abortuskliniek. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit de Kamerstukken (Kamerstukken II 1985/86, 19427, 3, p. 17) volgt dat de voorkoming en bestrijding van wanordelijkheden in de nabijheid van bijvoorbeeld gebouwen van buitenlandse vertegenwoordigingen, parlementsgebouwen, beschermde natuurgebieden, ziekenhuizen en begraafplaatsen het stellen van zwaardere eisen met zich kan meebrengen dan op andere openbare plaatsen. De voorzieningenrechter merkt de abortuskliniek aan als een plaats waarbij deze zwaardere eisen gesteld kunnen worden. Reeds om die reden faalt het beroep van verzoekster op de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

21 augustus 2009 (ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ5868), omdat geen sprake is van een vergelijkbaar geval. In die zaak werd namelijk een openbare anti-bont manifestatie gehouden pal voor de deur van bontwinkels in een drukke winkelstraat.

17.1.

Wat betreft het betoog van verzoekster dat niet te vrezen is voor wanordelijkheden bij de aangekondigde manifestatie overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Uit de stukken, noch hetgeen ter zitting is besproken dat blijkt dat bij eerdere manifestaties sprake was van omvangrijke wanordelijkheden. Daar staat tegenover dat uit de brief van de directeur van de abortuskliniek volgt dat bezoeksters aan de kliniek actief worden benaderd. Dit wordt ook niet bestreden door verzoekster. Bij het voorgaande komt nog dat de uit de brief van de directeur van de abortuskliniek volgt dat bij de kliniek gevallen bekend zijn van bezoeksters die hevig ontdaan naar huis zijn gegaan na te zijn benaderd door deelnemers aan de manifestatie én dat na de laatste manifestatie op 5 februari 2019, van vier bezoeksters aan de abortuskliniek meldingen zijn binnengekomen waarin werd aangegeven dat zij de wijze van manifesteren als zeer hinderlijk hebben ervaren. Dat bezoeksters aan de abortuskliniek bij openbare manifestaties hinderlijk of onheus worden bejegend, wordt ondersteund door de - weliswaar van 17 april 2018 en dus gedateerde - mutatie van de politie, waarin de politie om bijstand wordt gevraagd nadat bezoeksters aan de abortuskliniek onheus worden bejegend. Daarnaast volgt uit de brief van de directeur van de abortuskliniek dat tijdens de manifestatie op 5 februari 2019 één van de deelnemers aan de manifestatie zich op de parkeerplaats van de abortuskliniek heeft bevonden, hetgeen ter zitting is bevestigd door de gemachtigden van de burgemeester.

17.2.

Wat betreft de media-aandacht overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekster in de uitzending van EenVandaag van 16 januari 2019 over zogenaamde “pro-life demonstraties” niet wordt genoemd. Deze uitzending heeft voornamelijk betrekking op pro-life organisatie “Schreeuw om Leven” en daarin is te zien dat de deelnemers van deze organisatie bezoeksters van abortuskliniek actief benaderen, hen bijvoorbeeld foto’s tonen van dode foetussen en deze bezoeksters uitmaken voor moordenaar. De uitzending van EenVandaag is aanleiding geweest voor het stellen van vragen aan de ministers van Justitie en Veiligheid, van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties en van Volksgezondheid. In hun brief van 21 februari 2019 hebben deze ministers daarnaar gevraagd - kort weergegeven - geantwoord dat de deelnemers aan manifestaties waarbij vrouwen worden geïntimideerd, overwegend gelieerd zijn aan onder meer verzoekster en de stichting “Schreeuw om Leven”. Hoewel de gemachtigde van verzoekster ter zitting heeft gesteld dat de deelnemers aan de door verzoekster georganiseerde manifestaties geen foto’s van bijvoorbeeld dode foetussen tonen aan de bezoeksters aan de abortuskliniek, kan de voorzieningenrechter niet voorbijgaan aan hetgeen in de hiervoor genoemde brief staat vermeld over onder meer verzoekster.

18. Anders dan door verzoekster is betoogd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het recht op manifestatie van verzoekster door de opgelegde beperking niet onevenredig wordt beperkt. Niet gezegd kan worden dat de beperking het recht op manifestatie illusoir maakt of dat de beperking betrekking heeft op de inhoud van de manifestatie. Evenmin vormt de beperking een beletsel op het houden van een manifestatie als zodanig, of op manifestaties door verzoekster in het algemeen. Verzoekster heeft ondanks de opgelegde beperkingen, naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gelegenheid haar standpunt aan de bezoekers van de abortuskliniek kenbaar te maken. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster liever voor de ingang van de abortuskliniek een openbare manifestatie zou houden, maar dit doet niet af aan het voorgaande.

19. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat, gelet op het voorgaande, geen aanleiding. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.W.J. Reuvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

28 februari 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 7 maart 2019

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.