Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:2130

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
7469826 AZ VERZ 19-7
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onverwijlde opzegging wegens verdenking van verduistering van zware metalen zoals goud. Camerabeelden toegelaten ondanks verzet daartegen omdat belang van waarheidsvinding in casu prevaleert boven het recht op privacy wn. Uitleg van wg van wat er op de camerabeelden te zien is, namelijk dat wn bedrijfseigendommen verduistert, onvoldoende weersproken door wn. Verzochte vernietiging van de onverwijlde opzegging afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0296
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer 7469826 AZ VERZ 19-7

Beschikking van de kantonrechter van 6 maart 2019

in de zaak van

[verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] ,

wonend te [woonplaats] aan het adres [adres] ,

verzoekende partij,

verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek,

gemachtigde mr. R.K.A. Kop

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid inashco b.v.,

gevestigd te Rotterdam en mede kantoorhoudend te Maastricht,

verwerende partij,

tevens verzoekster in het voorwaardelijk tegenverzoek,

gemachtigde mr. R.P. Gasseling.

Partijen zullen hierna [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] en Inashco genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 15 januari 2019 ter griffie ontvangen verzoekschrift

  • -

    het verweerschrift, tevens inhoudend een voorwaardelijk tegenverzoek

  • -

    de op 19 februari 2019 ter griffie ontvangen productie van de zijde van Inashco inhoudende beeldmateriaal,

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 19 februari 2019, waar beide partijen hun standpunten nader hebben toegelicht, de gemachtigde van Inashco onder overlegging van een pleitnota.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Inashco verleent diensten aan de afvalverbrandingsindustrie. In het kader van recycling worden waardevolle metalen en mineralen gewonnen uit het restproduct bodem-as.

In de locatie van Inashco te Maastricht wordt restafval verzameld van 19 zogenoemde ‘opwerkingsfaciliteiten’ van Inashco (verspreid over de hele wereld) nadat het primaire (scheidings)proces is doorlopen. De locatie in Maastricht is de 20e ‘opwerkingsfaciliteit’ van Inashco en legt zich toe op een verdere scheiding van het afval (met ‘opwerken’ wordt door Inashco kennelijk scheiden bedoeld, zo begrijpt de kantonrechter).

Tijdens het proces worden onder meer goud, zilver en koper van het restproduct gescheiden, welke metalen na die scheiding worden verkocht aan smelters in Europa.

Iedere 1000 kilo restafval dat aan de opwerkingsfaciliteit te Maastricht wordt aangeboden bestaat voor ongeveer 100 gram aan goud. De helft van die 100 gram is visueel waarneembaar (zoals tussen het afval aanwezige verloren ringen en dergelijke).

2.2.

Op de locatie te Maastricht zijn ongeveer 25 mensen werkzaam, waaronder tien medewerkers die twee vaste diensten bemannen. Beide diensten (van 6:00 uur tot 15:00 uur en van 14:30 tot 22:30 uur) bestaan uit ieder 4 operators en 1 onderhoudsmonteur. De operators zijn op wisselende plekken bij de opwerkingsinstallatie werkzaam.

2.3.

[verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] is sinds 2013 werkzaam voor Inashco op de locatie in Maastricht, aanvankelijk via uitzending/detachering doch vanaf 1 februari 2014 krachtens arbeidsovereenkomst in de functie van operator, volgens de in het geding gebrachte kopie van de arbeidsovereenkomst (bijlage 1 bij het verweerschrift) aanvankelijk voor 40 uur per week tegen € 2.143,00 bruto per maand exclusief emolumenten zoals ploegentoeslag en vakantiebijslag.

2.4.

In april 2018 kreeg Inashco een anonieme tip, inhoudende dat waardevolle metalen die gedurende het scheidingsproces vrijkomen, waaronder goud, door werknemers van Inashco worden ontvreemd.

2.5.

Naar aanleiding van die tip heeft Inashco op 9 april 2018 contact gezocht met Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. (verder te noemen: Hoffmann). Inashco heeft in april

2018 een analyse gemaakt van het winningsproces en twee plekken geïdentificeerd waar het goud waarschijnlijk wordt ontvreemd: bij de sorteerlijn en in het laboratorium. Omdat de exacte locatie op dat moment echter onbekend was heeft Inashco - in overleg met Hoffmann, volgens wie het rechercheren daardoor feitelijk nagenoeg onmogelijk was - besloten het onderzoek tijdelijk te pauzeren totdat er meer zekerheid bestond over de exacte locatie waar het onderzoek zich op diende te richten. Wel heeft Inashco op 15 juni 2018 een personeelsbijeenkomst gehouden in Maastricht waarbij aan het voltallig personeel (inclusief [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] ) is medegedeeld dat het gerucht ging dat er tijdens het productieproces goud werd ontvreemd, dat dit niet geoorloofd is en dat personeel dat zich daaraan schuldig maakt op staande voet zal worden ontslagen.

2.6.

Begin oktober 2018 ontving Inashco nadere informatie inhoudende dat er toch nog goud werd ontvreemd door medewerkers en waarmee de plek waar goud werd ontvreemd kon worden aangeduid, te weten bij de zogenoemde zwaar-licht scheider (ook wel JIG of PGS), zijnde een met water gevuld pulserend apparaat. Door de pulserende beweging zinken zware metalen naar de bodem, maar blijven de lichtere materialen aan de oppervlakte. In dit apparaat maakt het goud zich vrij van lichte materialen en is het niet meer sterk vermengd met andere metalen zoals koper en zink, waardoor het (relatief) makkelijk gevonden kan worden.

2.7.

Naar aanleiding van die informatie heeft Inashco het contact met Hoffmann hervat waarna de oorspronkelijke opdracht is voorgezet.

2.8.

Op 14 oktober 2018 is bij voornoemde JIG een camera geplaatst, waarmee beelden zijn opgenomen op 15 en 16 oktober 2018. De camera ging vervolgens kapot, en op

25 oktober 2018 (volgens de pleitnota op 21 oktober 2018) is een nieuwe camera geplaatst. De door die camera vastgelegde beelden zijn door Inashco op vrijdag 2 november 2018 bekeken. Op 9 november 2018 is de camera uitgeschakeld en deze is op 2 december 2018 verwijderd.

2.9.

Aan de hand van genoemde beelden heeft Inashco geconcludeerd dat daaruit duidelijk blijkt dat vijf medewerkers, waaronder [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] , in de JIG goud en/of andere waardevolle materialen aan het zoeken/afromen en ontvreemden waren. De beelden waarop volgens Inashco duidelijk te zien is dat [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] dit doet, zijn opgenomen op 7 november 2018 van 14:39 uur tot 14:49 uur, van 16:53 uur tot 16:57 uur, en samen met een collega van 16:58 uur tot 17:10 uur, en op 8 november 2018 van 22:16 uur tot 22:20 uur. Op de beelden is te zien dat [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] lappen over een reling hangt (volgens Inashco om het zicht op de JIG te verstoren zodat van beneden niet gezien kan worden wat hij doet), meermaals om zich heen kijkt (volgens Inashco om te kijken of iemand hem ziet) en volgens Inashco verstoort hij door zijn handelingen het productieproces.

2.10.

Op 13 november 2018 heeft Inashco een melding gedaan bij de politie over haar vermoedens en informatie aan de politie verstrekt over het interne onderzoek.

2.11.

Op 14 november 2018 heeft Inashco gesprekken gevoerd met de vijf betreffende medewerkers te weten [naam medewerker 1] , [naam medewerker 2] , [naam medewerker 3] , [naam medewerker 4] , [naam medewerker 5] en [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] . Van die gesprekken zijn - mede door de betreffende werknemers ondertekende - verslagen gemaakt, welke als bijlagen 7 tot en met 12 aan het verweerschrift zijn gehecht. De vier eerstgenoemde medewerkers hebben bekend goud te hebben ontvreemd. [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] heeft ontkend goud te hebben ontvreemd.

2.12.

Blijkens het gespreksverslag met genoemde medewerker [naam medewerker 1] heeft deze onder meer verklaard:

Van welke collega’s ik zeker weet dat zij goud en/of zilver hebben gezocht en hebben meegenomen? Ik wil liever geen namen noemen maar als u de namen noemt zal ik ja of nee zeggen. [naam] ? Ja, [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] ? Ja. Van [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] heb ik dit meerdere keren gezien, (…)

Blijkens het gespreksverslag met genoemde medewerker [naam medewerker 3] heeft deze onder meer verklaard:

Of ik wel eens door een collega ben aangesproken? Nee, iedereen doet het. Eén collega doet het misschien niet. De rest wel. [naam teamleider] , de teamleider van de andere ploeg, doet het niet. Ik denk wel dat hij weet dat het gebeurt. Zelfs als er een nieuwe medewerker kwam liep die na twee dagen ook al te zoeken. Ja, ook wij hebben een teamleider. Dat is [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] . [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] is de teamleider en hij doet het ook.

Van welke collega’s ik zeker weet dat zij goud en/of zilver hebben gezocht en hebben meegenomen? Dat zijn [naam] , [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] , [naam medewerker 6] , [naam medewerker 5] , [naam medewerker 4] [naam medewerker 1] en [naam medewerker 2] . (…)

U vraagt of ik wel eens tijdens een dienst samen met [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] in de PGS naar goud heb gezocht. Ja, dat heb ik wel vaker gedaan. De laatste dienst heb ik samen nog met [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] gezocht. Volgens mij had ik dienst bij de PGS en is [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] er toen bijgekomen. Wij hebben toen samen naar goud gezocht. Ik weet dat hij toen ook goud heeft gevonden en heeft meegevonden. Nee, ik weet niet waar [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] het goud inlevert.

2.13.

Blijkens het gespreksverslag met [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] heeft deze onder meer verklaard:

Ik graai wel eens in de bak en dan haal ik de draden eruit, ik kijk of het bed pulst. Als u zegt dat ik spullen eruit haal en meeneem dan is dat niet zo. (…) U vraagt wat ik er van vindt, als andere collega’s zouden zeggen dat ik spullen meeneem. Er wordt zoveel gezegd. Vorige week nog vroeg ik naar iets en toen ging de volgende dag het verhaal, dat ik ging solliciteren. Mensen zeggen zoveel.

2.14.

Op 16 november 2018 heeft Inashco de arbeidsovereenkomst met [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] onverwijld opgezegd. De ontslagbrief van die datum is als bijlage 2 aan het verzoekschrift gehecht.

3 Het verzoek en het geschil

3.1.

[verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] verzoekt primair - kort gezegd - om de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en om Inashco te veroordelen om hem weer tot het werk toe te laten onder betaling van het overeengekomen loon inclusief bonus met rente en om Inashco te veroordelen tot betaling van de proceskosten en de buitengerechtelijke kosten. In het verzoekschrift verzoekt [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] “subsidiair” (de veroordeling van Inashco tot betaling van) een billijke vergoeding, ex art. 7:681 lid 1 BW, de zogenoemde gefixeerde vergoeding en de transitievergoeding alsmede de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf

16 november 2018 en vernietiging dan wel schorsing van de werking van alle postcontractuele bedingen, het concurrentiebeding en het relatiebeding daaronder begrepen, onder verwijzing van Inashco in de proceskosten en de buitengerechtelijke kosten.

3.2.

Ter zitting heeft de kantonrechter uitgelegd dat uit het systeem van artikel 7:681 lid 1 BW volgt dat in een zaak als de onderhavige de werknemer zelf de keuze zal moeten maken (op zijn laatst ter zitting) om ofwel vernietiging van de opzegging te verzoeken óf om - in plaats daarvan - zich neer te leggen bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst maar wel om veroordeling van de werkgever tot betaling van genoemde vergoedingen te verzoeken omdat hij het met de door de werkgever opgegeven reden van de opzegging niet eens is. Dat is dus niet een kwestie van een primair en subsidiair verzoek maar het is het een of het ander.

Daarop heeft [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] te kennen gegeven vernietiging van de opzegging te verzoeken.

3.3.

[verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] ontkent spullen van Inashco te hebben ontvreemd en er was volgens hem dus geen dringende reden voor de opzegging. Volgens [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] is het ontslag ook niet onverwijld gegeven.

3.4.

Voor het geval het ontslag op staande voet geen stand houdt, verzoekt Inashco ontbinding van de arbeidsovereenkomst ex art. 7:671b BW juncto art. 7:669 lid 3 sub e BW (verwijtbaar handelen van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren).

4 De beoordeling

4.1.

[verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] heeft zich ertegen verzet dat de onder 2.9. bedoelde videobeelden onderdeel zouden uitmaken van het dossier omdat het opnemen van die beelden een onrechtmatige schending van de privacy is, nu ze zonder zijn toestemming werden gemaakt en over het plaatsen van de camera niet is overlegd met de OR. Het zonder toestemming maken van video-opnamen van een persoon is weliswaar op zichzelf aan te merken als onrechtmatig, maar het belang van de waarheidsvinding prevaleert in dit geval. De verdenking is een ernstige (ontvreemding van bedrijfseigendommen), het bedrijfsbelang voor Inashco bij het vinden van de dader(s) is ontegenzeggelijk groot, en [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] is volgens Inashco slechts op één specifieke plek met één specifiek doel gefilmd en niet langer dan volgens Inashco noodzakelijk, zodat aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan. Daar komt bij dat een paar maanden eerder het personeel uitdrukkelijk is gewaarschuwd tegen het ontvreemden van bedrijfsspullen, waarbij het gevolg van overtreding van dit verbod in het vooruitzicht is gesteld (zie 2.5).

Bij incidentele beslissing heeft de kantonrechter daarom ter zitting het verzoek van Inashco om het beeldmateriaal waarover zij beschikt en waarop zij de opzegging (mede) heeft gebaseerd ter zitting te bekijken toegewezen, en beslist dat eventueel bewijs van de dringende reden mede aan die beelden en hetgeen partijen daarover ter zitting verklaren kan worden ontleend. Uit de vervolgens gezamenlijk bekeken beelden blijkt in elk geval dat [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] inderdaad slechts vanuit één camera-standpunt en voor de beperkte periodes als genoemd onder 2.9. is gefilmd, en dat op zijn door art. 8 EVRM beschermde recht op privacy geen verdere inbreuk is gemaakt dan de voor vergaring van bewijs door Inashco minimaal noodzakelijke inbreuk.

4.2.

De stelling van [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] dat niet aan het vereiste van onverwijldheid van art. 7:677 lid 1 BW is voldaan, kan niet worden gevolgd. Dat Inashco na het bekijken van de beelden op 2 november 2018 zich nog heeft willen beraden over de te nemen stappen, wellicht in overleg met Hoffmann, om vervolgens reeds op 12 november 2018 [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] met haar verdenkingen te confronteren en twee dagen later over te gaan tot opzegging van de arbeidsovereenkomst, staat er allerminst aan in de weg om die opzegging als onverwijld aan te merken.

4.3.

De beelden van de eerste film tonen [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] , voor een deel [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] samen met genoemde collega [naam medewerker 3] , staand op een platform naast en soms gebukt over de zogenoemde JIG installatie, een open bak die zich op enkele meters boven vloerniveau bevindt en waarin zich kennelijk de door Inashco te scheiden grondstoffen en water bevinden, en welke beweegt in lengte- en hoogterichting (het pulseren, zo begrijpt de kantonrechter). Op de beelden is verder te zien dat er lappen over de reling van het platform worden gehangen die het zicht vanaf vloerniveau op de bak en de daarnaast staande personen in ieder geval deels onttrekken, dat [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] meerdere malen achterom naar onder kijkt, dat hij meerdere malen zijn hand in de bak steekt en zijn hand steeds meteen daarna richting zijn broekzak laat gaan. Ook laat hij een paar keer iets wat hij net uit de bak heeft gehaald en in zijn hand houdt aan [naam medewerker 3] zien, waarna zijn hand wederom richting zijn broekzak gaat. Op het tweede filmpje is te zien dat [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] samen met zijn collega in de (dan niet meer met vloeistof gevulde) bak gaat staan en met zijn handen naar de bodem van de bak gaat om dingen op te rapen die hij vervolgens niet teruglegt. Door Inashco is daarbij mondeling toegelicht dat [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] op die plek überhaupt niets te zoeken heeft en in ieder geval geen opdracht heeft gekregen om op die plek te staan en dat [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] - volgens

haar - waardevolle spullen zoals goud zoekt, uit de bak haalt en in zijn broekzak steekt.

4.4.

De verklaringen van [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] van zijn gedrag overtuigen niet. [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] heeft op de herhaalde vraag van de kantonrechter wat hij naast en in de bak aan het doen was - anders dan het door Inashco veronderstelde en o.g.v. de filmbeelden aannemelijke zoeken van waardevol materiaal teneinde dit mee te nemen - slechts verklaard dat hij misschien draden aan het zoeken was. Op de opmerking van Inashco dat het ontdoen van de machine van draden terwijl deze aan het pulseren is niet tot [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] zijn taken behoort en zelfs gevaarlijk is, heeft [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] niet gemotiveerd geantwoord. De kantonrechter ziet ook niet in waarom [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] draden (afval immers) als een interessante vondst aan zijn collega zou laten zien en in zijn broekzak zou steken. Op de vraag waarom het nodig was lappen over de reling van het platform te hangen - als het niet was om derden het zicht op wat hij aan het doen was te ontnemen - heeft [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] geen steekhoudend antwoord gegeven. Het zelfde geldt voor de vraag waarom het nodig was om telkens - als het niet was om na te gaan of er misschien iemand aan kwam die hem zou kunnen betrappen - achterom naar beneden te kijken. Ook tegenover de opmerking van Inashco dat [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] in de bak van de stilstaande machine niets te zoeken heeft, dat het niet tot zijn taken behoort om de machine op dat moment op die manier te ontdoen van draden en ander afval en dat het staan en lopen in de bak zelfs het risico van schade schept, heeft [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] geen plausibele verklaring voor zijn gedrag gegeven. Op grond van hetgeen is te zien op de getoonde videobeelden, in samenhang met de daarbij gegeven mondelinge toelichting van Inashco en de niet overtuigende weerlegging van de gegronde vermoedens van Inashco door [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] , en mede op grond van de verklaringen van de twee genoemde collega’s zoals aangehaald onder 2.12. – dat zij zich schuldig te hebben gemaakt aan het ontvreemden van spullen en dat [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] dit ook deed, waarvoor geen andere reden is te bedenken (of door [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] gesuggereerd) dan dat het waar is – oordeelt de kantonrechter dat de door Inashco gehanteerde dringende voor het ontslag op staande voet vaststaat.

4.5.

Het verzoek om vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst zal daarom worden afgewezen, zodat die opzegging in stand blijft. De overige verzoeken van [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] komen dientengevolge evenmin voor toewijzing in aanmerking. Dit betekent tevens dat het voorwaardelijke tegenverzoek geen beoordeling behoeft. De voorwaarde waaronder het is gedaan, is immers niet vervuld.

4.6.

[verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Inashco tot de datum van dit vonnis begroot op

€ 600,00 aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de verzoeken af;

5.2.

veroordeelt [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Inashco tot de datum van dit vonnis begroot op € 600,00;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.P. van Unen en is in het openbaar uitgesproken.

RK