Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:2046

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
7109987 CV 18-4677
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inbreuk op auteursrecht van fotograaf. Schadevergoeding wordt deels afgewezen. Proceskosten volgens liquidatietarief omdat het ging om een eenvoudige, niet bewerkelijke zaak als bedoeld in de indicatietarieven in IE-zaken (natuurlijke persoon die een foto plaatst en die op eerste verzoek van de fotograaf verwijderd).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 7109987 CV EXPL 18-4677

Vonnis van de kantonrechter van 6 maart 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonend aan de [adres 1] , [woonplaats 1] ,

eiser,

gemachtigde mr. L. de Vries,

tegen

[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam 1],

wonend aan het [adres 2] , [woonplaats 2] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de akte houdende aanvullende producties van de zijde van [eiser]

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is een professioneel fotograaf en handelt onder de naam [handelsnaam 2] . [eiser] heeft onder meer een kop-staart botsing gefotografeerd (productie 2 bij exploot van dagvaarding). [eiser] is auteursrechthebbende op deze foto.

2.2.

[gedaagde] exploiteert de website [naam website]. [gedaagde] heeft voormelde foto zonder toestemming en naamsvermelding van [eiser] op zijn website geplaatst.

2.3.

[eiser] heeft naar aanleiding van de geconstateerde plaatsing een gemachtigde ingeschakeld. De gemachtigde van [eiser] en [gedaagde] hebben vervolgens gecorrespondeerd. [gedaagde] heeft de foto direct na de eerste aanschrijving van zijn website verwijderd. In het e-mailbericht van 16 maart 2016 deelt [gedaagde] aan (de gemachtigde van) [eiser] mee (productie 6 bij exploot van dagvaarding):

“(…) Ik geef toe dat de foto ten onrechte is gebruikt (…) De website is een gratis oefenwebsite die ik heb gemaakt voor mijn leerlingen NT2. De betreffende pagina heb ik echter laten maken door mijn nichtje van (toen) 16. Ze wilde geld verdienen om een verre reis te maken (…) Een en ander laat onverlet dat ik als opdrachtgever alles had moeten checken en de foto had moeten betalen óf verwijderen. (…)”

Op 4 mei 2016 schrijft [gedaagde] aan de gemachtigde van [eiser] (productie 6 bij exploot van dagvaarding):

“(…) In mijn vorige mail heb ik toegegeven dat de plaatsing van de foto niet correct was, en dat deze inmiddels was verwijderd. Ook heb ik aangegeven hoe een en ander is gebeurd, namelijk doordat ik mijn minderjarige nicht had gevraagd foto’s te zoeken bij een taaloefening op internet. Ja, en dan kan het gebeuren dat een kind een auteursrechtelijk beschermde foto kopieert. Ik neem de verantwoordelijkheid daarvoor op me (…)”

2.4.

Vervolgens is getracht het geschil in der minne te regelen, maar partijen hebben geen oplossing bereikt.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht zal verklaren dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op de auteurs- en persoonlijkheidsrechten van [eiser] ,

- [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van € 405,00 aan schadevergoeding voor de inbreuk op de auteurs-en persoonlijkheidsrechten van [eiser] , dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag,

- [gedaagde] zal veroordelen primair in de proceskosten ex artikel 1019h Rv en subsidiair in de proceskosten, inclusief de buitengerechtelijke incassokosten ex artikel 6:96 lid 2 sub c BW,

- [gedaagde] zal veroordelen in de nakosten van € 100,00,

- [gedaagde] zal veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening.

3.2.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vaststaat dat [gedaagde] in 2016 zonder toestemming van [eiser] en zonder vermelding van de naam van [eiser] als maker van de foto voormelde foto op zijn website [naam website] heeft laten plaatsen. Voorts heeft [gedaagde] niet weersproken dat voormelde door zijn nicht op zijn website geplaatste foto een auteursrechtelijk beschermd werk is in de zin van de Auteurswet, zodat dit voor de verdere beoordeling vaststaat. Het vorenstaande brengt met zich dat [gedaagde] de foto openbaar heeft gemaakt, waarmee in beginsel een inbreuk op de auteurs- en persoonlijkheidsrechten van [eiser] is gegeven. De inbreuk kan ook aan [gedaagde] worden toegerekend. Uit de door [eiser] overgelegde productie 3 bij exploot van dagvaarding blijkt immers dat [gedaagde] eigenaar is van [handelsnaam 1] . [gedaagde] is verantwoordelijk en aansprakelijk voor hetgeen hij door zijn nicht op zijn website heeft laten plaatsen. [gedaagde] heeft dit ook erkend (r.o. 2.3.).

4.2.

[gedaagde] voert als verweer aan dat hij de naam van [eiser] niet met opzet niet heeft vermeld en aldus niet te kwader trouw heeft gehandeld. De Auteurswet vereist voor inbreuk echter geen opzet of kwade trouw. Ook het onbewust schenden van het auteursrecht komt voor rekening en risico van [gedaagde] . Daarbij komt dat [gedaagde] een (professionele) ondernemer is, zodat van hem mocht worden verwacht dat hij zich ervan had vergewist of de foto auteursrechtelijk beschermd is en wie de maker van de foto is alvorens tot openbaarmaking daarvan over te gaan. Niet in geschil is dat [gedaagde] niet aan deze onderzoeksplicht heeft voldaan, waardoor hij verwijtbaar heeft gehandeld. Ook het verweer van [gedaagde] dat de foto slechts een korte periode op zijn website zichtbaar was, kan niet tot het oordeel leiden dat geen sprake is van een auteursrechtinbreuk. Ditzelfde geldt voor het verweer dat zijn website slechts een beperkt aantal bezoekers kent. Bij het plegen van een dergelijke inbreuk is het enkel plaatsen van een foto voldoende en is niet relevant gedurende welke tijd dat is gebeurd en hoeveel mensen ernaar hebben gekeken. Het verweer dat de foto direct na aanschrijving door de gemachtigde van [eiser] van de website is verwijderd, kan [gedaagde] dan ook evenmin baten.

4.3.

Het vorenstaande brengt met zich dat de gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op de auteurs- en persoonlijkheidsrechten van [eiser] zal worden toegewezen.

4.4.

Het verweer van [gedaagde] dat [eiser] het internet afstruint om te kijken of er foto’s van hem door derden zijn gebruikt en dat die werkwijze lijkt op een verdienmodel en afpersing, zal als onvoldoende onderbouwd en niet ter zake doende worden gepasseerd. Er rust op [eiser] in ieder geval geen verplichting zijn foto’s te ‘beveiligen’ (door een ©symbool of watermerk te plaatsen, te beveiligen tegen downloaden of foto’s te publiceren in lage resolutie etc), zoals betoogd door [gedaagde] . Publicatie van foto’s op het internet zonder beperkingen of waarschuwing is, anders dan [gedaagde] meent, geen uitlokking. Om met een voorbeeld van [gedaagde] te spreken: als iemand een fiets meeneemt van een ander en zonder toestemming, dan is sprake van diefstal, ook als die fiets niet afgesloten was.

4.5.

Op basis van de gepleegde inbreuk is [gedaagde] aan [eiser] een bedrag aan schadevergoeding verschuldigd. Het thans door [eiser] gevorderde bedrag van

€ 405,00 bestaat uit € 270,00 aan gederfde licentievergoeding en € 135,00 aan schade die is geleden door de gemaakte inbreuk op de persoonlijkheidsrechten van [eiser] .

4.6.

Ter onderbouwing van de hoogte van de gederfde licentievergoeding stelt [eiser] - met verwijzing naar de tarieven op zijn website (productie 12 bij exploot van dagvaarding), de Richtprijzen Nederlandse Vakfotografie (productie 11 bij exploot van dagvaarding) en de Tarievenlijst van de Stichting Foto Anoniem (productie 30 bij conclusie van repliek) - dat dit zijn gebruikelijke (minimum)tarief is en in overeenstemming is met de licentievergoedingen die andere fotografen hanteren voor publicatie op internet. Hoewel [gedaagde] de redelijkheid van deze vergoeding betwist, acht de kantonrechter voldoende gemotiveerd onderbouwd dat dit de werkelijke schade is die [eiser] heeft geleden door plaatsing zonder toestemming. Dit bedrag zal aldus worden toegewezen.

4.7.

Ten aanzien van de schade terzake de door [eiser] gestelde “inbreuk op persoonlijkheidsrechten” overweegt de kantonrechter het volgende. Hoe lang een foto is gepubliceerd en door hoeveel mensen die is gezien, maakt voor de vraag of sprake is van een inbreuk op het auteursrecht en voor de hoogte van de licentievergoeding niet uit. Dit is anders voor de schade wegens de gestelde inbreuk op persoonlijkheidsrechten. Of die schade is geleden en wat die dan bedraagt hangt af van vele omstandigheden; onder meer de vraag of, en hoeveel, nieuwe opdrachten het wél vermelden van [eiser] ’s naam zou hebben opgeleverd en of de foto wederom illegaal is hergebruikt. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat deze schade door [eiser] is geleden, en [eiser] heeft deze schade niet nader onderbouwd, wat hij wel had moeten doen. (Hij had bijvoorbeeld inzicht kunnen geven in de ‘gewildheid’ van de foto. Hoe vaak is die al verkocht? Hoe vaak heeft publicatie van de bewuste foto geleid tot nieuwe opdrachten? Hoe vaak is die al onrechtmatig gebruikt?) Hij verwijst enkel naar vonnissen die eerder in zijn voordeel zijn gewezen, maar in die vonnissen staat dat het voor de vraag of sprake is van een inbreuk op het auteursrecht niet uitmaakt hoelang een foto onrechtmatig is gepubliceerd en hoeveel mensen het hebben kunnen zien. Er staat niet dat dit voor de hoogte van de schade niet uitmaakt. Wel wordt de schade wegens inbreuk op persoonlijkheidsrechten van [eiser] vaak toegewezen, maar uit door [eiser] ingebrachte vonnissen blijkt dat er meestal geen apart verweer tegen deze schadepost is ingebracht. Voor de vraag of de gestelde inbreuk op persoonlijkheidsrechten heeft geleid tot schade maakt het dus - anders dan bij de vraag of sprake is van een inbreuk en de hoogte van de licentievergoeding - verschil waarvoor de foto is gebruikt. [eiser] heeft niet betwist dat de foto enkel kon worden gezien door een zeer select groepje mensen. De kantonrechter acht gelet hierop niet aannemelijk dat [eiser] door onrechtmatige publicatie van de foto inkomsten is misgelopen, zodat hiervoor geen schadevergoeding zal worden toegekend. De moeite die [eiser] heeft moeten doen om de inbreuk te constateren, is in beginsel geen voor vergoeding in aanmerking komende kostenpost. Feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden, zijn door [eiser] niet aangevoerd. (Welke moeite heeft hij zich getroost en hoe heeft dat geleid tot schade en tot welk bedrag dan?) Redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid komen wel voor vergoeding in aanmerking, maar dat hiervoor kosten zijn gemaakt, is door [eiser] niet aangevoerd, laat staan dat de hoogte van deze kosten is onderbouwd. Voor zover [eiser] mede immateriële schade heeft willen vorderen, geldt dat hij dit geenszins heeft onderbouwd. De schadevergoedingsvordering zal dus, op de licentievergoeding van € 270,- na, worden afgewezen. De € 270,- zal worden vermeerderd met de wettelijke rente zoals gevorderd.

4.8.

De kantonrechter acht het in ieder geval niet haar taak om door verhoging van de schadevergoeding het onaantrekkelijk te maken om foto’s illegaal te gebruiken omdat anders een gebruiker van auteursrechtelijk beschermd werk achteraf alsnog het gangbare tarief zou kunnen betalen en dan niet slechter af zou zijn dan als hij toestemming zou hebben gevraagd. De schadevergoeding, zoals geregeld in artikel 27 Auteurswet en artikel 6:95 BW en verder, geeft die ruimte niet. Voor generale preventie is het civiele recht niet bedoeld. Artikel 31 en verder Auteurswet voorziet hierin.

4.9.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. [eiser] vordert op grond van artikel 1019h Rv vergoeding van de werkelijk gemaakte advocaatkosten ten bedrage van € 2.669,63. [gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat het buitenproportioneel is. De kantonrechter constateert dat het gaat om een foto die is gepubliceerd door een natuurlijk persoon op een website die niet druk wordt bezocht, en die op eerste verzoek is verwijderd. Verder zijn de processtukken van [eiser] weliswaar omvangrijk, maar het behelst niet veel meer dan het citeren van jurisprudentie en, dat lijkt te volgen uit de inhoud van de vele andere vonnissen die in het voordeel van [eiser] zijn gewezen, (deels) een kopie van processtukken uit eerdere zaken. De kantonrechter is daarom van oordeel dat sprake is van een zeer eenvoudige, niet bewerkelijke zaak, zoals genoemd in de door de rechtspraak in samenwerking met de Nederlandse Orde van Advocaten opgestelde indicatietarieven in IE-zaken. De kantonrechter neemt ook in overweging dat de inbreuk niet opzettelijk is gepleegd. De wetgever maakte bij de invoering van artikel 1019h Rv al onderscheid tussen een zaak waarin de inbreukpleger te goeder trouw heeft gehandeld (in welk geval volgens de wetgever het dan meer voor de hand ligt het liquidatietarief toe te passen) en zaken waarin het gaat om grootschalige namaak of piraterij (in welk geval volgens de wetgever een volledige proceskostenveroordeling meer voor de hand ligt).1 Gelet op dit alles zal de kantonrechter [gedaagde] niet veroordelen in de volledige proceskosten, maar, conform de indicatietarieven in IE-zaken, in de proceskosten begroot conform het liquidatietarief:

- dagvaarding € 82,90
- griffierecht € 226,00
- gemachtigde salaris € 144,00 (2 punten x tarief € 72,-)

Totaal € 452,90

4.10.

De gevorderde nakosten zullen op de hierna onder 5.4. weergegeven wijze worden toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op de auteurs- en persoonlijkheidsrechten van [eiser] ,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 270,00 aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 juli 2018 tot de dag van algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten van [eiser] , die tot de uitspraak van dit vonnis worden bepaald op € 452,90,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen twee weken na aanschrijving door [eiser] volledig aan de veroordeling hiervoor onder 5.2. en 5.3. voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 36,00 aan salaris gemachtigde,

5.5.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en in het openbaar uitgesproken.

CJ

1 Kamerstukken II, 2005-2006, 30 392, nr. 3, p. 26