Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:1907

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-03-2019
Datum publicatie
01-04-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2047
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft beroep tegen een besluit waarbij het bezwaar tegen waterwetvergunningen niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding. De rechtbank is van oordeel dat eiser van de ingrepen in het waterlichaam op de hoogte moet zijn geweest en dat ook alle berichtgeving daarover aanleiding had moeten zijn om informatie in te winnen. In dat geval zou eiser veel eerder van het bestaan van de watervergunningen op de hoogte zijn geweest en had hij veel eerder daartegen bezwaar kunnen maken. Verweerder heeft daarom de ruime termijnoverschrijding terecht niet verschoonbaar geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWA 2019/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 18/2047

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser], te Roermond, eiser,

(gemachtigde: mr. M.J.H. Verburg),

en

de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder,

(gemachtigden: mr. A.J.S. ten Bhömer en [gemachtigde]).

Procesverloop

Bij besluiten van 30 juni 2017 en 15 september 2017 (de primaire besluiten) heeft verweerder aan [vergunninghoudster] (hierna: vergunninghoudster) vergunningen verleend op grond van artikel 6.5, onder c, van de Waterwet.

Bij besluit van 18 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar dat eiser tegen de primaire besluiten heeft gemaakt, niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft schriftelijk gereageerd op het verweerschrift.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2019.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Op 30 juni 2017 heeft verweerder aan vergunninghouder een watervergunning (1) verleend ten behoeve van de wijziging van de inrichting [vergunninghoudster] Noorderplas te Roermond aan de linkerzijde van de Maas tussen kilometernummers [nummer] en [nummer] in Roermond. Op 15 september 2017 heeft verweerder aan vergunninghouder een watervergunning (2) verleend ten behoeve van een drijvend paviljoen met bijbehorende voorzieningen en de aanleg van een kabelbaan voor wakeboarding ter plaatse van [vergunninghoudster] Noorderplas te Roermond.

2. Eiser heeft op 5 april 2018 bezwaar gemaakt tegen watervergunning 1 en 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het wakeboardgebouw eind 2017 feitelijk is gerealiseerd en dat dit voor eiser aanleiding had moeten zijn om nadere inlichtingen in te winnen en vervolgens zo spoedig mogelijk – uiterlijk binnen twee weken – (pro forma) bezwaar in te stellen. Omdat voor eiser vanaf

2 november 2017 zichtbaar was dat het drijvend wakeboardcentrum was gerealiseerd, althans dat daarmee was aangevangen, kon eiser in de visie van verweerder tot en met

15 november 2017 bezwaar indienen. Eiser heeft op 4 april 2018 bezwaar gemaakt en verweerder ziet in de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Omdat volgens verweerder geen twijfel mogelijk is over de niet-verschoonbare termijnoverschrijding, is het bezwaar, zonder eiser daarover te horen, op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

3. Eiser voert aan dat het wakeboardcentrum eind 2017 feitelijk nog niet gereed was. De waterski kabelbaan met stalen masten en skischansen zijn pas in mei 2018 gebouwd. Eiser wijst er verder op dat de watervergunningen niet zijn gepubliceerd en dat hij noch geabonneerd, noch lezer van dagblad de Limburger is, waarin aandacht aan de ontwikkeling is besteed. Verder wijst eiser erop dat in de krant niets is vermeld over watervergunningen. Eiser stelt dat hij pas op 3 april 2018 van zijn buren die recht tegenover het wakeboardcentrum wonen, heeft vernomen dat daarvoor door Rijkswaterstaat vergunningen waren verleend. Daags erna en dus ruim binnen de termijn van 14 dagen nadat hij van de besluiten op de hoogte was gebracht, heeft eiser bezwaar gemaakt bij verweerder. Ten slotte betoogt eiser dat hij uit de diverse gesprekken die met verweerder zijn gevoerd, mocht afleiden dat zijn bezwaar inhoudelijk zou worden behandeld.

4. Bij de behandeling van het beroep ter zitting heeft eisers gemachtigde aanvullend betoogd dat de door verweerder aangehaalde jurisprudentie betrekking heeft op vergunningen voor bouwen en niet op een watervergunning. Eiser heeft de bouw van het wakeboardcentrum niet gezien, maar als dat al het geval zou zijn geweest, dan zou in de rede hebben gelegen om bij de gemeente te informeren of daarvoor een omgevingsvergunning was verleend en niet bij Rijkswaterstaat. Daarbij komt dat watervergunning 1 geen betrekking heeft op de bouw van het wakeboardcentrum. Verder voert de gemachtigde aan dat de zogenoemde 14 dagen termijn uit de jurisprudentie niet begint te lopen vanaf het moment dat informatie ingewonnen had moeten worden, maar vanaf het moment van bekend worden met een besluit. In dit geval heeft eiser op 3 april 2018 van het bestaan van de watervergunningen vernomen en heeft hij meteen daarna bezwaar gemaakt. Eiser is in het verleden in verband met hoogwater geëvacueerd en hecht groot belang aan het voorkomen van ingrepen die een waterstand verhogend effect kunnen hebben of evacuatie kunnen bemoeilijken.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

7. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in onder meer de uitspraak van 8 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3244 heeft overwogen dient in zaken waarbij een belanghebbende, niet zijnde de aanvrager, van het nemen van een besluit niet op de hoogte is gesteld, terwijl geen publicatie heeft plaatsgevonden, die belanghebbende binnen twee weken nadat hij van het bestaan op de hoogte is geraakt, zijn bezwaren kenbaar te maken. Daarnaast mag van een belanghebbende die op de hoogte is van ontwikkelingen waarvoor een vergunning is vereist, worden verwacht dat hij maatregelen neemt om op de hoogte te blijven van de besluitvorming daarover (uitspraken van de Afdeling van 23 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC2550 en van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4702).

8. De rechtbank overweegt dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiser vanuit zijn woning en in elk geval bij het komen van en gaan naar zijn woning direct zicht heeft gehad op de ver gevorderde realisatie van het bouwwerk eind 2017. Dat blijkt afdoende uit het fotomateriaal bij de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift. Gelet hierop acht de rechtbank onaannemelijk dat eiser dit volledig is ontgaan. Dat de kabelbaan c.a. pas in de eerste helft van 2018 volledig is gerealiseerd, kan daaraan niet afdoen. Bij het vorenstaande heeft de rechtbank niet alleen in aanmerking genomen dat eiser op korte afstand van de oever van de Noorderplas woont maar ook dat juist vanwege de door eiser benadrukte calamiteiten in het verleden, als bekend moet worden verondersteld dat voor ingrepen die een waterstand verhogend effect kunnen hebben en evacuatie kunnen bemoeilijken, een waterwetvergunning vereist is. Tevens is in e-mails van 13 oktober 2017, 24 december 2017 en 18 maart 2018, gericht aan bewoners van o.a. De Weerd, waaronder eiser, door vergunninghoudster vermeld dat voor de wakeboardbaan in de Noorderplas al veel eerder watervergunning van Rijkswaterstaat was verkregen. Hierin wordt al medio oktober 2017 niet alleen gerefereerd aan het bouwwerk maar ook aan de daarvoor verleende watervergunningen. Eiser heeft verklaard dat hij deze mails wel heeft gehad, maar niet zo goed heeft doorgenomen en dat hem deze passage in de mails is ontgaan. Ten slotte is ook in de door het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roermond op 14 februari 2018 voor het wakeboardcentrum verleende omgevingsvergunning, waartegen eiser tijdig bezwaar heeft gemaakt, melding gemaakt van de verlening van de beide watervergunningen. Ook dat had voor eiser reden kunnen zijn om daarvan bevestiging te vragen waarna hij meteen, binnen 14 dagen, (ook) tegen de watervergunningen bezwaar had moeten maken.

9. Gelet op het vorenstaande gaat de rechtbank ervan uit dat eiser geruime tijd vóór 5 april 2018 op de hoogte moet zijn geweest van de ingrepen in de Noorderplas, althans daarvan op de hoogte kon zijn en dat het daarom op zijn weg had gelegen om daarover nadere informatie in te winnen bij de gemeente of rechtstreeks bij het ter zake bevoegd gezag (Rijkswaterstaat). Ook op grond van de e-mailberichten had eiser kunnen en moeten informeren of verweerder daadwerkelijk voor alle ingrepen de vereiste watervergunningen had verleend. Dat geldt ook voor de nadien verleende omgevingsvergunning, waarin de watervergunningen zijn vermeld. In dat geval zou eiser veel eerder van het bestaan van de beide watervergunningen op de hoogte zijn gesteld en had hij veel eerder daartegen bezwaar kunnen maken. Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat de wettelijke bezwaar- en beroepstermijnen dienen ter waarborging van de rechtszekerheid van met name, maar niet alleen, de vergunninghouder die er in beginsel op mag vertrouwen dat de vergunning na het ongebruikt verstrijken van die termijnen onherroepelijk is geworden. Eiser heeft alle voormelde feiten, signalen en berichten genegeerd en heeft pas op 4 april 2018 bezwaar gemaakt. Mede om die reden heeft verweerder de ruime termijnoverschrijding terecht niet verschoonbaar geacht. De daartegen gerichte beroepsgronden slagen niet.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 1 maart 2019

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.