Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:1762

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
28-02-2019
Zaaknummer
C/03/252707 / HA ZA 18-373
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2019:4306
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Causaal verband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0349
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/252707 / HA ZA 18-373

Vonnis bij vervroeging van 20 februari 2019

in de zaak van

UVM VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Hoogeveen,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

advocaat mr. D.D. Markvoort,

tegen:

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.F.G. Pennino.

Eiseres in conventie zal hierna UVM genoemd worden en gedaagde in conventie [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] .

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 30; blijkens het proces-verbaal van comparitie is productie 26 teruggegeven aan UVM;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met de producties 1 tot en met 32;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 januari 2019.

1.2

Ten slotte is vonnis gevraagd, waarvan de uitspraak nader is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende vaststaande feiten.

a. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , geboren op [geboortedatum] , is op 31 juli 2007 als passagier achterop een bromfiets betrokken geraakt bij een botsing met een auto. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] is hierbij over het dak/motorkap van de auto gevlogen en op de weg terechtgekomen. In productie 5 UVM (rapport Raasveld expertise d.d. 22 september 2008) is vermeld dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] toevallig weer op haar voeten landde. Onder “Anamnese” in de brief van de psychologen Geusgens en Van den Heuvel (Atrium) van 15 april 2008 (productie 6 UVM) is vermeld dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] op de grond viel. De bromfiets was ten tijde van de botsing verzekerd bij UVM, via de agent Unigarant N.V. (hierna wordt geen onderscheid gemaakt tussen UVM en Unigarant en wordt enkel UVM vermeld).

b. Het bij productie 2 UVM opgenomen verslag spoedeisende hulp Atrium Medisch Centrum van 31 juli 2007 betrekking hebbende op [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] houdt in, voor zover relevant:

“(…)

Omschrijving klacht bij binnenkomst

Pijnlijke knie

(…)

verder geen verwondingen alleen pijnlijke knie rechts

(…)

anamnese

Ongeval. Met scooter, 50 km/uur tegen auto gereden en over auto heen gevlogen.

BWZ:gb amn-N-V-HP-nekklachten-tint-

VG:gb

(…)

therapie en advies

drukverband re knie

opname ter observatie

(…)”.

c. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft zich bij brief van 31 januari 2008 bij UVM gemeld, stellende letselschade te hebben geleden door de botsing (productie 3 dagvaarding). Het letsel is in die brief omschreven als:

  • -

    pijn in rechterbeen;

  • -

    temperatuurgevoeligheid hoger in rechterbeen;

  • -

    gevoelloosheid aan de binnenkant van haar rechterbeen;

  • -

    linkerheup gevoelloos;

  • -

    stekende pijn in de rechterheup.

d. UVM, van mening zijnde dat de bromfietsbestuurder niet aansprakelijk was, heeft de aansprakelijkheidstelling van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] in behandeling genomen en heeft haar beschouwd als schuldloze derde op basis van Bedrijfsregeling 7 van het Verbond van Verzekeraars.

e. De specialistenbrief van neuroloog Dr. R. Beekman (productie 9 [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ) van 20 februari 2008 ter zake patiënt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , houdt in, voor zover relevant:

“(…)

Anamnese

Staat sinds het scooterongeluk 31/7/07 (zoals de rechtbank “08” leest) altijd op met stekende hoofdpijn soms misselijk. Sindsdien pijn in de nek- en schouderspieren. Heeft moeite met concentreren, is na het ongeluk met de opleiding gestopt. (…) tintelingen in handen en voeten. Geen krachtsverlies bemerkt.

Intoxicaties

Roken:+ alcohol: soms

Onderzoek

Hersenzenuwen: gda motoriek: alle groepen: 5/5 sensibiliteit: ongestoord hypertone, drukpijnlijke nek- en schouderspieren coordinatie: ongestoord reflexen: symm 0 vzr bdzs plantair

Aanvullend onderzoek

mri cerebrum, mri cwk: gda NPO: verminderd cognitief functioneren tgv combinatie etiologische factoren, pijnklachten, spanning, mgl organische schade aan de hersenen

Conclusie

Postcommotionele klachten

Advies

i.o.m. dres van de Heuvel: verwijzing neuropsycholoog voor verdere begeleiding, verwijzing poli revalidatie voor adviezen wbt postcommotionele hoofd- en nekklachten”.

f. Bij brief van 8 mei 2008 (productie 4 UVM) schrijft mr. Dohmen namens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] aan UVM dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] het volgende klachtenpatroon heeft:

  • -

    nekpijn;

  • -

    hoofdpijn;

  • -

    rugpijn;

  • -

    klachten van het rechterbeen (gevoelloosheid aan de binnenkant van rechterbeen);

  • -

    vergeetachtigheid;

  • -

    geheugenstoornissen;

  • -

    concentratiestoornissen;

  • -

    stemmingswisselingen;

  • -

    vermoeidheidsklachten;

  • -

    tintelingen in voeten;

  • -

    stekende pijn in rechterheup;

  • -

    verstoorde menstruatiecyclus.

In de brief wordt verder vermeld dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] nog in behandeling is bij een fysiotherapeut, neuropsycholoog (eerste consult op 13 mei a.s.) en dat nog een afspraak zal worden gemaakt bij een revalidatiearts.

g. Op grond van een onderzoek van het (medisch) dossier van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] schrijft Van Amelsfoort, medisch adviseur/RGA bij MediThemis bij brief van 1 december 2008 (productie 7 UVM), voor zover relevant:

“(…)

Commentaar:

Er is causaal verband tussen de hoofd- en nekklachten van betrokkene en de problemen van het concentratievermogen en vertraagde informatieverwerking. De klachten passen bij het beeld dat na een flinke hersenschudding kan optreden danwel een postwhiplashachtig beeld. Ten tijde van de laatste informatie, mei 2008, had betrokkene nog klachten. Ik verwacht dat er inmiddels verbetering is opgetreden. De knieklachten bestonden ook voor het ongeval reeds en passen bij irritatie van het kraakbeen. Dit soort klachten komt veel voor bij jonge vrouwen. Het is niet uitgesloten dat deze klachten zijn toegenomen ten gevolge van het ongeval. Dit kunnen hardnekkige klachten blijken te zijn, echter levert geen b.i. op. Ik stel een controle op huisartsenniveau voor om een beeld van de huidige toestand te krijgen. (…)”.

h. Op verzoek van UVM (via Raasveld expertise) schrijft P. Pliva, medisch adviseur bij Veduma medisch adviseurs (hierna Veduma) op 13 januari 2009 (productie 8 UVM) na onderzoek van een (medisch) dossier van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , voor zover relevant:

“(…)

Het geheel doorlezend zijn er een aantal opvallende zaken namelijk dat een aantal klachten te weten de hoofdpijn, nekpijn, schouderklachten, rugklachten, concentratie-en gedragsproblemen pas na enkele maanden voor het eerst worden beschreven.

De neuroloog beschrijft de klachten als aansluitend aan het ongeval maar dit is 1 jaar na het ongeval terugkijkend en gebaseerd op het verhaal van betrokkene die zelf aangeeft het niet meer zo te weten.

Er is dus geen relatie met het ongeval, iets wat bevestigd wordt door betrokkene zelf die aangeeft in het expertiserapport dat deze klachten na 3 maanden ontstonden.

Wat betreft de cognitieve problemen ontbreekt objectief aangetoonde schade en wordt volledig door andere oorzaken verklaard die zoals hierboven gesteld geen relatie met het ongeluk hebben of meer in de relationele sfeer liggen zoals door de psycholoog genoemd. Er zijn geen aanwijzingen voor een postcommotioneel syndroom. Het ongeval kan wel als een life event gezien worden en klachten verergerd hebben.

Wat betreft de knieklachten bestaat wel een duidelijke relatie met het ongeval. Er was sprake van een kneuzing zonder verdergaande afwijkingen. Er is voor mei 2008 nog een MRI-scan van de knie gemaakt die dit beeld bevestigd. Het herstel duurt lang en naar ik begrijp heeft betrokkene nog fysiotherapie. Normaal gesproken verwacht ik dat een dergelijke kneuzing binnen enkele weken tot maanden hersteld. Waarom het hier zo lang duurt is mij niet duidelijk. De huisarts spreekt ook over retropatellaire chondropathie wat een niet traumatische afwijking is. Ook staat er “ze had voorheen ook last van haar knie” wat ik moeilijk te interpreteren vind. Betekend dit langere tijd of al voor het ongeval? Graag ontvang ik informatie over de knieklachten in de voorgeschiedenis. Hoe is de huidige stand van zaken? Is ze nog bij iemand onder behandeling? Is ze nog doorverwezen naar een orthopaedisch chirurg?

Wat ontbreekt is de medische informatie van de fysiotherapeuten, graag zou ik deze

alsnog ontvangen.”.

i. Bij brief van 10 maart 2009 (productie 9 UVM) schrijft P. Pliva, medisch adviseur bij Veduma, voor zover relevant

“(…)

Uw brief 4 maart 2009:

Meldt fibromyalgie. Men speculeert over een luxatie van de fibromyalgie door het ongeval.

Brief 1 december 2008 van J.E.L.M. van Amelsfoort, medisch adviseur:

Meldt het ongeval en de toedracht. Ziet hoofd-, nek- en kniepijn en schouderklachten naast concentratiestoornissen. Meldt de brieven en ook de armfractuur in de voorgeschiedenis. Voorts meldt men knieklachten enkele weken voor het ongeval en die berusten op klachten van de knieschijf. Men beschrijft dat de klachten van hoofd- en nekpijn kunnen passen bij een hersenschudding en de concentratiestoornissen ook. Ook zou er een postwhiplashsyndroom kunnen zijn.

Ze had in mei 2008 nog klachten. Men verwacht dat er verdere verbetering is opgetreden. De knieklachten die ze voor het ongeval had, passen bij een irritatie van het kraakbeen van de knie. Dit komt veel voor bij jonge vrouwen. Men sluit niet uit dat deze klachten door het ongeval zijn verergerd. De klachten kunnen hardnekkig zijn maar geven geen blijvende invaliditeit. Men stelt een KGO voor.

Mijn commentaar:

Ze heeft blijkbaar fibromyalgie. Ik neem aan dat de voor het ongeval bestaande knieklachten daar een onderdeel van vormden en dat sluit de luxatie door het ongeval eigenlijk uit. Immers, deze klachten waren er al voor het ongeval.

Het pleidooi van de medisch adviseur van de belangenbehartiger dat er sprake was van een hersenschudding, wordt door de feiten niet gedragen. De neuroloog speculeert daarover enkele maanden na het ongeval wel. Aanwijzingen voor een hersenschudding, bewusteloosheid en hoofdpijn rond het ongeval en dergelijke, hebben wij niet. De informatie uit die periode spreekt over een kneuzing van de knie, een letsel dat normaal gesproken binnen enkele weken verdwijnt. Van een whiplashmechanisme was geen sprake en daarom moeten de klachten niet als postwhiplashsyndroom worden gezien, noch los van de periode waarin ze ontstaan (enkele maanden later). De huisarts meldt hoge rugpijn samen met stress op

13 september 2007. Dat is twee maanden na het ongeval. In de periode daarna wordt

M. Pfeiffer overwogen en tot 31 december 2007 worden hoofd- en nekpijn niet genoemd.

In april 2008 wordt de hoofdpijn wel genoemd door de psycholoog. Ook deze meldt dat er geen afwijkingen zijn gevonden op de MRI en dat ze niet bewusteloos is geweest na het ongeval. Er speelt op het geestelijk gebied van alles.

Men denkt dat zorgen over haar gezondheid een rol zou kunnen spelen naast andere zaken. Deze zullen nu beïnvloed worden door de voor haar nieuwe fibromyalgie als oorzaak voor gezondheidsproblemen. Overigens staat de fibromyalgie niet in relatie met ons ongeval.

Advies:

Ze heeft geen duidelijk hersenletsel doorgemaakt en afwijkingen zijn er op dat gebied ook niet gevonden. Waarom de medisch adviseur van de belangenbehartiger spreekt over een flinke hersenschudding is mij niet duidelijk. Van een whiplash is hier geen sprake en de klachten ontstaan ook pas veel te laat om van een van de beide bovenstaande diagnoses te kunnen spreken. Wel kunnen de bestaande knieklachten tijdelijk verergerd zijn door de kneuzing, waarvan de gevolgen hoogstwaarschijnlijk weer verdwenen zijn. Er zijn geestelijke problemen waarin het ongeval een (ondergeschikte) rol zou kunnen spelen. Deze rol zal langzaam zijn overgenomen door de fibromyalgie. Bezwaar tegen informatie van de reumatoloog heb ik niet, al moeten we ons wel realiseren dat dit ook weer informatie achteraf is.”.

j. Het e-mailbericht van 30 september 2010 (productie 14 [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ) namens UVM aan Pennino, de advocaat van Maasen, houdt in dat als [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] niet voor 15 oktober 2010 reageert, UVM een slotbetaling voor wat betreft de schade van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] zal doen van € 5.000,-, waarmee [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] dan in totaal € 7.500,- heeft ontvangen. Een voor UVM bevredigende reactie blijft uit. UVM betaalt vervolgens de aangekondigde € 5.000,-.

k. Bij brief van 8 juli 2013 (productie 15 [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ) meldt Pennino zich namens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] bij UVM. Hij schrijft dat UVM op 12 november 2010 eenzijdig de onderhandelingen heeft afgebroken en dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] nog steeds onverkort aanspraak maakt op vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade door het ongeval van 31 juli 2007.

l. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft als productie 20 een expertiseverslag betreffende zich zelf overgelegd d.d. 27 juni 2014. Het rapport is opgesteld door psycholoog Schrijnemaekers en psychiater Van Leeuwen. Het rapport vermeldt, voor zover relevant:

“(…)

Op grond van de afname van de M.I.N.I., een semigestructureerd interview naar de verschillende DSM-IV-TR psychische stoornissen op as 1, worden momenteel bij betrokkene de volgende psychische stoornissen vastgesteld: posttraumatische stressstoornis, ongedifferentieerde somatoforme stoornis (fibromyalgie), cannabisafhankelijkheid. In verband met het cannabisgebruik wordt momenteel geen stemmingsstoornis vastgesteld. (…)

Betrokkene heeft vanaf haar vierde jaar traumatische ervaringen meegemaakt (fysieke

mishandeling van moeder door partner, verlating door vader, oma fysiek mishandeld door

oom onder invloed van drugs), die met intense angst en hulpeloosheid doorstaan zijn en die

herhaaldelijk via herbelevingen terugkeren. Betrokkene handelt of voelt alsof de

traumatische gebeurtenis opnieuw plaatsvindt. Betrokkene ervaart hevige psychische

spanning heeft last van fysiologische reacties bij blootstelling aan interne en externe cues die het trauma symboliseren. Er is sprake van vermijding van gedachten, verminderde interesse in en deelname aan belangrijke activiteiten en vervlakking van emoties. Betrokkene heeft last van slaapproblemen, prikkelbaarheid en concentratieproblemen. Voorts is er sprake van overdreven schrikreacties en overmatige waakzaamheid. De klachten zijn sinds de gebeurtenissen aanwezig geweest en veroorzaken in significante mate lijden en beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren.(…)”.

m. Bij brief van 15 oktober 2015 (productie 16 [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ) meldt Pennino zich namens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] wederom bij UVM en schrijft wederom dat UVM eenzijdig de onderhandelingen heeft afgebroken op 12 november 2010 en dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] nog steeds onverkort aanspraak maakt op vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade door het ongeval van 31 juli 2007. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ondervindt, aldus de brief, met name hoofdpijnklachten, whiplashklachten (nekklachten, concentratieproblemen etc), vermoeidheidsklachten en rechter knieklachten.

n. Aan de hand van een aantal (medische) stukken betreffende [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] schrijft Coehoorn, verzekeringsarts, RG4 bij MediThemis bij brief van 18 november 2015 (productie 18 UVM), voor zover relevant:

“(…)

Mijn commentaar:

Afgaande op de inhoud van het thans ontvangen dossier is cliënte de afgelopen jaren min of meer tot stilstand gekomen.

Er was/is feitelijk nauwelijks meer echt sprake van een merkelijke participatie op de diverse deelgebieden van het leven. Daaronder uiteraard ook de mogelijkheid om te participeren op de (betaalde) arbeidsmarkt.

Dat afglijden naar het totaal aan de zijlijn staan, is zonder enige twijfel multifactorieel bepaald. En dan niet zozeer in het ontstaan van de klachten maar veeleer wel in het aanhouden, bestendigen en verdiepen daarvan.

Vast staat nog steeds dat het onderhavige ongeval heeft geleid tot het optreden van fysieke pijnklachten in met name de knie maar ook in andere delen van het lichaam. Zie daarvoor ook het advies van mijn voorganger van 01-12-2008. Met de inhoud en strekking daarvan kan ik mij nog altijd goed verenigen.

De klachten van de knie zijn overduidelijk nog steeds aanwezig en genereren bij cliënte overduidelijk nog steeds hinder en beperkingen.

De overigens aanwezige pijnklachten over het lichaam van cliënte, onbekend in de voorgeschiedenis, zijn echter niet verdwenen. De verklaring daarvoor is niet eenvoudig.

Alles ziet er naar uit dat de in de familie van cliënte aanwezig zijnde fibromyalgie en de

psychiatrische problematiek, de traumatisering in de (vroege) jeugd en een aantal andere negatieve factoren en (negatieve) omstandigheden, ieder voor zich maar vooral ook in samenhang bezien, er uiteindelijk voldoende substraat is geweest voor het in gang zetten van een welhaast bijzonder negatieve vicieuze cirkel, waardoor cliënte in diverse opzichten volledig aan de kant is komen te staan. De aanhoudende pijnklachten en de leegheid van het bestaan (op deze nog jonge leeftijd!) heeft zij uiteindelijk niet anders kunnen opvullen/invullen dan met het gebruik van steeds meer cannabis.

De psychodynamische tendensen waarlangs dit heeft kunnen gebeuren zie ik uitstekend

verwoord en beschreven in de mij uitgebreid ter beschikking staande correspondentie.

Waaronder met name die van uit de HSK.

Mede omdat cliënte nog duidelijk pijn ondervindt en er (zonder het succes van de voorgestelde behandeling) nog geen reëel zicht is op een verbetering van de sociaal-medische en sociaaleconomische vooruitzichten, verloopt de verslavingsbehandeling vooralsnog (begrijpelijkerwijs) moeizaam.

De persoonlijkheidsstoornis van cliënte zal daaraan ongetwijfeld mede debet aan zijn.

De rol van het destijds plaatsgevonden ongeval blijft voor mij bij dit alles onmiskenbaar

zichtbaar en van invloed.

Ik durf met recht te beweren dat de kans dat zich zonder ongeval een vergelijkbaar beeld zou hebben ontwikkeld, duidelijk (veel) geringer was en is, als het überhaupt al zou hebben bestaan.

Dat de klachten nu zo hardnekkig en weerbarstig zijn, komt mede ook door de aanhoudende pijnklachten. In weerwil van de (vermeende) diagnose fibromyalgie zie ik het ongeval hiervoor echter nog steeds als verreweg de belangrijkste oorzaak. Fybromyalgie op deze nog jonge leeftijd is namelijk zeldzaam. (…)”.

o. Bij brief van 2 februari 2016 (productie 19 UVM) schrijft Vossen, medisch adviseur bij Veduma, voor zover relevant:

“(…)

Concluderend valt op dat betrokkene bij de behandelaren, zoals hierboven is beschreven, verzuimt te melden dat er al voor datum ongeval sprake was van een uitgebreid beeld van (pijn)klachten. De huisarts schreef ook dat ze “voorheen ook al knieklachten had” (zie advies 13-01-2009) waarmee het ongeval als luxerend moment niet kan worden aangenomen. Daarnaast is het opvallend dat er gesproken wordt over een commotioneel beeld maar dat er geen hersenschudding is geobjectiveerd zodat dit beeld ook niet aan de orde is. Feit is dat de klachten eigenlijk pas maanden na het ongeval worden aangegeven waarmee ook het medisch causale verband met het ongeval niet aannemelijk is en er daarmee ook niet kan worden gesproken over een whiplashbeeld.

Duidelijk is ook dat betrokkene bij de psychiater aangeeft dat zij eigenlijk al jaren in enige mate last had van klachten (zie zijn conclusie en beschouwing).

Daarnaast moet ten aanzien van de psychiatrische expertise worden opgemerkt dat de psychiater geen medisch dossier van betrokkene heeft bestudeerd maar zijn conclusies ontspruiten uit de anamnese (het verhaal zoals door betrokkene verteld is) en eigen onderzoek. De opmerking over betrouwbaarheid is aantoonbaar onjuist, daarnaast heeft de psychiater ook geen vragen gesteld in zijn onderzoek waarmee de betrouwbaarheid kan worden getoetst ten aanzien van vragen als concentratie, geheugen et cetera.

Daarmee is gezien het tijdsverloop, duidelijk dat een medisch causaal verband tussen het klachtencomplex zoals dat wordt geclaimd en het ongeval niet aanwezig is.

Er is sprake van iemand met een persoonlijkheidsstoornis en een uitgebreid PTSS-beeld (vanuit de jeugd) waarbij al in de jeugd meerdere behandelingen zijn gestart maar nooit een adequate behandeling.

Ook is duidelijk dat betrokkene kennelijk vanaf 2010 heeft gewerkt. Dat betekent dat betrokkene duurzaam heeft gewerkt, een ziekmelding in oktober 2012 kan derhalve ook niet in een medisch causaal verband met het ongeval gezien worden.

Wat wel duidelijk wordt uit vooral de psychiatrische expertise, is dat er reden is om een adequate behandeling bij betrokkene op te starten hetgeen tot nu toe niet is gebeurd aldus de psychiater. Echter, dat is niet gerelateerd aan het ongeval.

Wat betreft het advies van de medisch adviseur van de belangenbehartiger, collega Coehoorn: hij stelt dat vaststaat dat het ongeval heeft geleid tot knieklachten. Dit is gezien de informatie van de huisarts, aantoonbaar onjuist. Dit geldt ook voor zijn opmerking dat betrokkene pre-existent niet bekend was met pijnklachten. Daarmee is zijn bewering dat het ongeval heeft geleid tot... niet juist. Ook het tijdsverloop van de problematiek past niet bij het ongeval. Daarnaast is betrokkene vanaf 2010 duurzaam werkzaam geweest hetgeen ook niet past in het beeld.

Kortom, er is met de nu aangeleverde informatie geen reden om het eerdere gezichtspunt (zie de adviezen van collega Pliva) te wijzigen. (…).”.

3 Het geschil en de vorderingen

In conventie:

3.1.1 UVM vordert dat de rechtbank bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat Unigarant door uitbetaling van de voorschotten, in totaal € 7.500,- tegenover [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] voldaan heeft aan de op haar rustende verplichting tot schadevergoeding en verder jegens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] tot niets meer gehouden is:

2. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] veroordeelt tot betaling van de kosten van het geding, met bepaling dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is vanaf 14 dagen volgend op de datum van het vonnis.

UVM legt daaraan ten grondslag dat met de uitbetaling van in totaal € 7.500,- de volledige schade van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] is betaald. Er is geen causaal verband tussen het ongeval en de gestelde voortdurende klachten van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] . Er zijn geen aanwijzingen waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] een hersenschudding heeft opgelopen door het ongeval noch is zij bewusteloos geweest door het ongeval noch heeft zij bij opname op 31 juli 2007 verteld dat zij hoofdpijn had. Er is geen sprake geweest van een whiplashmechanisme in de zin van acceleratie/deceleratietrauma. De klachten zijn te laat ontstaan om nog in verband met het ongeval gebracht te kunnen worden en de gestelde fibromyalgie is niet door het ongeval veroorzaakt. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] had al knieklachten voor het ongeval op 31 juli 2007 evenals angst- en spanningsklachten die werden veroorzaakt door de onstabiele gezinssituatie.

3.1.2 [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] voert verweer.

In reconventie:

3.2.1 [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] vordert dat de rechtbank bij vonnis een deskundigenbericht gelast, waarbij [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] wordt opgeroepen voor een psychiatrisch onderzoek op basis van de IWMD-vraagstelling voor expertises, met veroordeling van UVM tot betaling van de kosten van de deskundige, met veroordeling van UVM in de kosten van de procedure.

Zij legt daaraan ten grondslag dat zij op advies van haar huisarts meteen na de botsing complete rust heeft gehouden. Zodra zij opstond traden er duizeligheidsklachten op en bleef zij last houden van hoofdpijnklachten, die kort na het ongeval op de achtergrond stonden vanwege de complete rust die zij moest houden. Het klachtenpatroon breidde zich vervolgens uit tot nekpijn, hoofdpijn, rugpijn, klachten rechterbeen, vergeetachtigheid, geheugenstoornissen, concentratiestoornissen, stemmingswisselingen, vermoeidheidsklachten, tintelingen in de voeten, stekende pijn rechterheup en verstoorde menstruatiecyclus (nr. 5 antwoord conventie). De betreffende klachten zijn inmiddels chronisch en te wijten aan de botsing.

3.2.2 UVM voert verweer.

4 De beoordeling in conventie en reconventie

4.1

De vorderingen in conventie en reconventie hebben een zodanige samenhang dat zij gezamenlijk zullen worden beoordeeld.

4.2

Kort gezegd is UVM van mening dat de schadelijke gevolgen van de botsing (meer dan) voldoende zijn gecompenseerd met de betaling van in totaal € 7.500,-. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] is van mening dat die gevolgen zeer verstrekkend zijn geweest en dat haar huidige problemen (grotendeels) zijn veroorzaakt door de botsing en dat haar schade veel meer is dan € 7.500,-.

4.3.1

Partijen twisten in conventie en in reconventie over het antwoord op dezelfde vraag: is de huidige conditie van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] geheel of gedeeltelijk veroorzaakt door het ongeluk op 31 juli 2007. Het antwoord op die vraag is niet met voldoende zekerheid te geven aan de hand van de door partijen overgelegde rapporten. Samenvattend gezegd heeft UVM al zonder dat zij het gehele medisch dossier van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] kende, gesteld dat het ongeluk alleen wat knieschade bij [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft veroorzaakt. Alleen al uit het feit dat UVM dit standpunt heeft ingenomen zonder het hele medisch dossier van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] te kennen – zie de als productie 21 door UVM overgelegde brief van Veduma van 13 juli 2016, waarin is vermeld dat voor een meer volledig beeld van de pre-existentie van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] aanvullende informatie, in elk geval het volledige dossier van haar huisarts ondersteunend is – volgt dat niet met alle feiten en omstandigheden is rekening gehouden. Opmerkelijk is verder dat Veduma, de medisch adviseur van UVM, in haar brief van 19 januari 2009 (productie 8 UVM) wel melding maakt van de brief van neuroloog Beekman van 20 februari 2008 (rov. 2.1 sub e), maar vervolgens als commentaar geeft dat de neuroloog “de klachten als aansluitend aan het ongeval (beschrijft) maar dit is 1 jaar na het ongeval terugkijkend en gebaseerd op het verhaal van betrokkene die zelf aangeeft het niet meer zo te weten”. Deze stelling van Veduma is feitelijk onjuist omdat tussen de dag van het ongeval, 31 juli 2007, en de specialistenbrief van neuroloog Beekman minder dan zeven maanden zijn verstreken. Uit verdere stukken van of namens UVM blijkt niet dat zij van deze feitelijke onjuistheid is teruggekomen dan wel duidelijk en voldoende onderbouwd heeft gesteld dat het wat dit betreft niet uitmaakt of er een jaar is verstreken dan wel nog geen zeven maanden.

4.3.2

Uit de door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] overgelegde rapportage volgt evenmin zonder meer dat zij meer schade heeft geleden dan is gecompenseerd met het betaalde bedrag van € 7.500,-. In die rapportage blijft immers onvoldoende duidelijk welke van de klachten die zij naar eigen zeggen heeft, hun oorzaak mogelijk vinden in feiten, voorvallen en gebeurtenissen die hebben plaatsvonden voor het ongeluk. Het betreft dan in elk geval de knieklachten en, zoals is vermeld in de door haar overgelegde psychologische en psychiatrische rapportage van 27 juni 2014 (rov. 2.1 sub l) de door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] vanaf haar vierde jaar meegemaakte traumatische ervaringen (fysieke mishandeling van moeder door partner, verlating door vader, oma fysiek mishandeld door oom onder invloed van drugs). Van belang is verder dat er geen voldoende van gewicht zijnde rapporten zijn overgelegd die op verzoek van partijen gezamenlijk zijn opgemaakt. Kort gezegd hebben beide partijen hun standpunt onderbouwd met eenzijdig opgemaakte rapporten. Alleen al het gebrek aan objectieve rapportage maakt dat alvorens een eindbeslissing kan worden genomen, rapportage van belang is waar beide partijen aan hebben meegewerkt.

4.3.3

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft met alle door haar overgelegde rapporten haar stelling dat zij meer schade heeft geleden dan is vergoed met € 7.500,- voldoende onderbouwd. In zoverre valt niet in te zien dat zij aan het vissen is, zoals UVM heeft aangevoerd. Zonder deskundigenrapport kan verder niet zonder meer tot het oordeel worden gekomen dat de andere klachten dan de knieklachten van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , niet op redelijke termijn zijn geuit. Een deskundige mening is nodig voor het antwoord op de vraag of de klachten die [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft geuit, op een zodanige termijn na de botsing zijn geuit dat deze in causaal verband kunnen worden gebracht met de botsing. Het feit dat een psychiater rapporteert (mede) aan de hand van door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] zelf te geven anamnese, maakt niet dat een dergelijke rapportage niet zinvol kan zijn. Het antwoord op de vraag welke waarde een door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] gegeven anamnese heeft, is een vraag die pas beantwoord mag worden bij de waardering van bewijs en kan niet leiden tot het niet mogelijk maken van bewijsvergaring.

4.3.4

Er zijn, mede gelet op het tijdsverloop tussen de datum van de botsing op 31 juli 2007 en heden, geen redenen om af te wijken van de hoofdregel van art. 195 Rv, zodat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] het voorschot op de kosten van de deskundige zal dienen te storten, waarbij de rechtbank begrijpt dat zij met een toevoeging procedeert. Partijen hebben gecorrespondeerd over te stellen vragen (zie productie 20 UVM, het schrijven van 23 mei 2016 aan psychiater Schoutrop). Het komt geraden voor om dat schrijven als uitgangspunt te nemen voor de aan de te benoemen psychiater te stellen vragen. Partijen mogen zich daarover uitlaten. UVM heeft gemotiveerde bezwaren geuit tegen benoeming van Schoutrop. Zij heeft zelf als mogelijke deskundige voorgesteld psychiater Peterse te Rotterdam, Tilanus te Tilburg of Sno te Zaandam (productie 21 UVM). Partijen worden ook in staat gesteld zich daarover uit te laten evenals over de hoogte van het te betalen voorschot.

4.4

Elke verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank:

in conventie en in reconventie

5.1

verwijst de zaak naar de rol van 20 maart 2019 voor akte uitlating zijdens beide partijen gelijktijdig waarin zij zich kunnen uitlaten over aantal, deskundigheid en, bij voorkeur eensluidend, over de persoon van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen, met inachtneming van hetgeen hiervoor in rov. 4.3.4 is vermeld;

5.2

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken.