Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:1746

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
08-03-2019
Zaaknummer
C/03/259345 / KG ZA 19-15
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. artikel 705 lid 2 Rv. Eiser vordert opheffing van het door gedaagde gelegde conservatoire beslag. Hij stelt, met een beroep op artikel 705 lid 2 Rv, dat, doordat de bodemrechter in eerste aanleg bij vonnis van 11 januari 2017 de vordering van gedaagde heeft afgewezen, summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van die vordering. Gedaagde heeft echter tijdig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank, zodat geen sprake is van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis. Het vonnis in eerste aanleg van 11 januari 2017 kan dan ook niet gelden als uitgangspunt voor een toewijzing van een in dit kort geding gevorderde opheffing van het beslag. (HR ECLI:NL:HR:2006:AV1559) Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vordering van gedaagde ondeugdelijk is en dat zij geen belang (meer) heeft bij het door haar gelegde beslag. De vordering van eiser tot opheffing van het door gedaagde gelegde conservatoire beslag wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/259345 / KG ZA 19-15

Vonnis in kort geding van 26 februari 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. A.L. Stegeman te Heerlen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.B.Th. van 't Grunewold te Roermond.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 15 januari 2019 met 6 producties

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de conclusie van antwoord tevens pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Voorshands staat het volgende vast.

[eiser] heeft als aannemer in opdracht van [gedaagde] - kort gezegd - werkzaamheden verricht aan de woning van [gedaagde] [adres 1] te [woonplaats 2] . Over de uitvoering en het resultaat van die werkzaamheden is tussen partijen een geschil ontstaan. [gedaagde] heeft [eiser] bij deze rechtbank in rechte betrokken en onder meer betaling van [eiser] gevorderd van een (vervangende) schadevergoeding van € 42.014,83 inclusief rente en kosten. [eiser] heeft in die zaak een reconventionele vordering ingesteld.

2.2.

[gedaagde] heeft met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank ter verzekering van de betaling van de vordering op [eiser] van € 42.014,83, op 1 oktober 2015 conservatoir beslag gelegd op het onverdeeld aandeel van [eiser] in de woning van [eiser] aan de [adres 2] te [woonplaats 1] (hierna te noemen: de woning). De woning is gezamenlijk eigendom van [eiser] en zijn, inmiddels, ex-echtgenote.

2.3.

Deze rechtbank heeft inzake de onder rechtsoverweging 2.1 genoemde procedure tussen partijen op 11 januari 2017 vonnis gewezen (productie 1 bij dagvaarding). In conventie is de vordering van [gedaagde] afgewezen en in reconventie is [gedaagde] - onder andere - veroordeeld om aan [eiser] € 11.520,90 te betalen. Het door [gedaagde] gelegde beslag is bij dat vonnis niet opgeheven. Tegen het vonnis van de rechtbank heeft [gedaagde] hoger beroep ingesteld. De zaak staat op de rol voor arrest op 9 april 2019. [gedaagde] heeft het hiervoor genoemde bedrag van € 11.520,90 aan [eiser] betaald.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat:

1. opheffing van het door [gedaagde] gelegde beslag;

2. veroordeling van [gedaagde] tot het verlenen van medewerking aan de inschrijving van dit vonnis als bedoeld in artikel 3:17 lid 1 Rv, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

3. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de met de opheffing c.q. doorhaling gemoeide kosten;

4. veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] stelt, met een beroep op artikel 705 lid 2 Rv, dat, doordat de bodemrechter in eerste aanleg bij vonnis van 11 januari 2017 de vordering van [gedaagde] heeft afgewezen, summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van die vordering. Het op grond daarvan gelegde conservatoire beslag moet daarom worden opgeheven.

4.2.

[gedaagde] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 11 januari 2017, zodat geen sprake is van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis. Het vonnis in eerste aanleg van 11 januari 2017 kan dan ook niet gelden als uitgangspunt voor een toewijzing van een in dit kort geding gevorderde opheffing van het beslag. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, meer in het bijzonder de overwegingen van de Hoge Raad in het arrest van 30 juni 2006 (ECLI:NL:HR:2006: AV1559), geldt immers:

3.6 Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor in 3.4 en 3.5 is overwogen, heeft te gelden dat een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag op de grond dat de vordering tot verzekering waarvan dat beslag is gelegd, door de bodemrechter in eerste aanleg is afgewezen, in het geval tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld, niet zonder meer moet worden toegewezen, ook niet onder het voorbehoud van kennelijke misslagen in de uitspraak van de bodemrechter. Ook in een zodanig geval dienen de wederzijdse belangen van partijen te worden afgewogen. De omstandigheid dat de bodemrechter in eerste aanleg in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, dient daarbij wél te worden meegewogen. Van de voorzieningenrechter kan overigens niet worden gevergd dat hij in zijn vonnis mede een voorlopige beoordeling geeft van de kans van slagen van het door de beslaglegger tegen het vonnis in eerste aanleg ingestelde hoger beroep.

3.7 (…)

Het onderdeel verdedigt dat in een geval als het onderhavige de voorzieningenrechter het beslag in beginsel dient op te heffen, tenzij de beslaglegger aannemelijk maakt dat zijn belangen bij handhaving van het beslag zwaarder wegen dan de belangen van de beslagene bij opheffing daarvan. Een zodanige regel zou de voorzieningen-rechter echter te zeer beperken in de te dezen geboden belangenafweging, waarin alle omstandigheden van het geval moeten worden betrokken, waaronder omstandigheden die niet de deugdelijkheid van de vordering betreffen ter zake waarvan het beslag is gelegd, zoals de mate waarin het beslag bezwaarlijk is voor de beslagene. Ook in een geval als het onderhavige ligt het in de eerste plaats op de weg van degene die opheffing van het conservatoire beslag vordert, met inachtneming van de beperkingen van de kort geding procedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is, waarvoor het afwijzende vonnis in de bodemprocedure, gelet op hetgeen hiervoor in 3.6 is overwogen, dus niet zonder meer beslissend is - of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd (vgl. het hiervoor in 3.5 al aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 14 juni 1996 alsmede HR 22 april 1983, nr. 12142, NJ 1984, 180).

4.3.

Het ligt derhalve op de weg van [eiser] om aan de hand van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat de vordering van [gedaagde] ondeugdelijk is en dat zij geen belang (meer) heeft bij het door haar gelegde beslag.

[eiser] heeft gesteld dat hij na het vonnis in eerste aanleg de resterende opleverpunten grotendeels heeft hersteld en dat slechts drie opleverpunten niet door [gedaagde] zijn geaccordeerd. Reeds daardoor is - kort gezegd - volgens [eiser] het beslag niet meer proportioneel en de handhaving van het beslag niet langer nodig. [gedaagde] heeft betwist dat haar vordering in hoger beroep onvoldoende maatgevend is voor het gelegde beslag. Het zijn volgens [gedaagde] ernstige restpunten die niet door [eiser] zijn opgelost. Bij gebreke van een nadere onderbouwing door [eiser] kan niet tot het oordeel worden gekomen dat [gedaagde] geen (relevante) opeisbare vordering meer op hem heeft. Daardoor is niet summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van het door [gedaagde] ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag.

4.4.

Het vorenoverwogene maakt niet zonder meer dat het voortduren van het conservatoire beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd. De wederzijdse belangen van partijen dienen daartoe te worden afgewogen als bedoeld in rechtsoverweging 4.2.

4.5.1.

[eiser] heeft - samengevat - gesteld dat de woning in de (onverdeelde) gemeenschap met zijn ex-echtgenote valt en dat hij, om het aandeel van de ex-echtgenote ook toebedeeld te kunnen krijgen, aan haar een bedrag van € 16.000,- zal moeten voldoen. [eiser] heeft gesteld dat hij onvoldoende financiële middelen heeft om dat bedrag te kunnen voldoen en gesteld dat hij een dergelijk bedrag alleen kan verkrijgen door een herfinanciering van de woning. [eiser] heeft ter onderbouwing van de door hem gewenste (her)financiering stukken overgelegd (producties 3-5 bij dagvaarding). Die herfinanciering is mogelijk, maar dan moet het conservatoire beslag op de woning worden opgeheven, aldus [eiser] . [eiser] heeft gesteld dat, doordat dit beslag op de woning ligt, (her)financiers niet bereid zijn om een aanvullende dan wel nieuwe hogere financiering te verstrekken. Doordat de verdeling van de gemeenschap met de ex-echtgenote niet kan worden afgewikkeld is bovendien een situatie ontstaan die de gezondheid van [eiser] schaadt, aldus [eiser] . [eiser] heeft gesteld dat gelet hierop het conservatoire beslag moet worden opgeheven, zonder dat vervangende zekerheid (bijv. een bankgarantie) wordt geboden. [eiser] heeft immers onvoldoende financiële middelen om een dergelijke garantie te kunnen bewerkstelligen. Betreffende de verhaalspositie van [gedaagde] heeft [eiser] nog aangevoerd dat het door haar gelegde beslag, doordat dat beslag slechts een aandeel van de woning betreft en de woning nog in de onverdeelde gemeenschap valt, geen effect kan sorteren en dat [gedaagde] reeds daardoor geen belang heeft bij het door haar gelegde beslag. [eiser] is dan ook van mening dat zijn belangen dienen te prevaleren op de belangen van [gedaagde] en dat gelet hierop het conservatoire beslag moet worden opgeheven.

4.5.2.

[gedaagde] heeft betwist dat zij geen belang meer heeft bij het door haar op grond van artikel 702 Rv gelegde conservatoire beslag. Zij heeft aangevoerd dat haar vordering op [eiser] in hoger beroep nog steeds maatgevend is voor het oorspronkelijk gelegde beslag. [gedaagde] wil de financiële zekerheid voor de toekomstige betaling van die vordering op [eiser] behouden. [gedaagde] heeft aangevoerd dat gelet hierop, alsmede nu [eiser] geen vervangende zekerheid voor die vordering heeft gesteld en daartoe kennelijk evenmin in staat is, haar belang bij handhaving van het gelegde conservatoire beslag dient te prevaleren op het belang van [eiser] om de door hem gewenste herfinanciering van de woning te kunnen krijgen en zijn ex-echtgenote te kunnen uitkopen. De omstandigheid dat het conservatoire beslag (kennelijk) nog niet geeffectueerd kan worden maakt het bovenstaande volgens [gedaagde] niet anders, omdat zij eerst op termijn, in het geval van een definitieve beslissing waarin de vordering van [gedaagde] definitief wordt toegewezen, het - dan executoriale - beslag (artikel 704 lid 1 Rv) zal uitwinnen. Overigens heeft [gedaagde] bij gebreke aan wetenschap betwist dat [eiser] geen financiering van de € 16.000,- kan krijgen.

4.6.

Niet valt in te zien dat het belang van [eiser] om de gemeenschap met zijn ex-echtgenote te kunnen vereffenen - wat daar verder ook van zij -, dient te prevaleren op het financiële belang van [gedaagde] om haar vordering op [eiser] te kunnen incasseren. [eiser] wil opheffing van het conservatoire beslag, zodat hij, op de door hem geschetste wijze (de herfinanciering van de woning) aan extra geld kan komen en hij met dat geld zijn ex-echtgenote kan uitkopen en de verdeling van de gemeenschap definitief kan afwikkelen. Dit belang rechtvaardigt niet dat [gedaagde] met een mindere, wellicht zelfs onzekere verhaalspositie ten opzichte van [eiser] genoegen zou moeten nemen, alleen al niet omdat niet voldoende duidelijk is dat [eiser] door handhaving van het beslag voldoende in een zakelijk of financieel belang wordt geschaad. Het financieel belang van [gedaagde] bij het laten liggen van het conservatoire beslag geldt des te meer doordat [eiser] geen vervangende zekerheid heeft gesteld. [eiser] kan niet van [gedaagde] verlangen dat zij haar rechtens relevante verhaalspositie ten opzichte van [eiser] prijs geeft. De omstandigheid dat het uitwinnen van het conservatoire beslag op het aandeel van [eiser] in de woning zonder aanvullende rechtsinspanningen op dit moment niet mogelijk is, maakt niet dat [gedaagde] geen gerechtvaardigd belang heeft bij de handhaving van het door haar gelegde beslag. [gedaagde] heeft immers gemotiveerd aangevoerd dat zij dat beslag heeft gelegd ter zekerheid van de betaling van haar gestelde vordering op [eiser] , een vordering die, aldus [gedaagde] , door het hof zal worden vastgesteld. Het door [eiser] gestelde gezondheidsbelang wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen.

4.7.

Gelet op al het vorenoverwogene dient de vordering van [eiser] tot opheffing van het door [gedaagde] op 1 oktober 2015 gelegde conservatoire beslag, alsmede de in het kader van die hoofdvordering ingestelde nevenvorderingen, als ongegrond te worden afgewezen.

4.8.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 81,00

- salaris advocaat € 816,00

totaal € 897,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 897,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: CM