Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:1617

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
27-02-2019
Zaaknummer
ROE 19/249 en ROE 19/260
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen (onderscheiden, maar identieke) besluiten waarbij last onder bestuursdwang is opgelegd om – kort gezegd – binnen 24 uur 2 illegaal geplaatste woonwagens/caravans van het grondgebied van de gemeente Landgraaf te verwijderen en verwijderd te houden. Spoedeisend belang aanwezig. Niet in geschil dat verweerder tot handhaving bevoegd is. Geen concreet zicht op legalisering en niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerder van handhaving zou moeten afzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummers: 1. ROE 19 / 249

2. ROE 19 / 260

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2019 in de zaken tussen

1. [namen verzoekers sub 1] ,

2. [namen verzoekers sub 2] ,

hierna gezamenlijk aan te duiden als: verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landgraaf, verweerder.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 9 januari 2019 (hierna: de bestreden besluiten) heeft verweerder verzoekers sub 1 en sub 2 een last onder bestuursdwang opgelegd om binnen 24 uur na de bekendmaking hiervan het zonder de vereiste omgevingsvergunning bouwen en in stand laten van een woonwagen/caravan met toebehoren op enige locatie binnen het grondgebied van de gemeente Landgraaf te beëindigen en beëindigd te houden, dan wel, voor zover de woonwagen/caravan niet als bouwwerk zou kwalificeren, de zonder vereiste ontheffing op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening geplaatste kampeermiddelen, zijnde de woonwagen/caravan met toebehoren, te verwijderen en verwijderd te houden op enige locatie binnen het grondgebied van de gemeente Landgraaf.

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen de bestreden besluiten (voor zover tot hen gericht). Zij hebben voorts de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), te treffen. Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. J.G. van Ek, advocaat te Heerlen.

Verweerder heeft de stukken die op de zaken betrekking hebben ingezonden en heeft (in elke zaak) een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2019, waar verzoekers [naam 1 verzoekers sub 1] en [naam 1 verzoekers sub 2] , bijgestaan door de gemachtigde van verzoekers, en verweerder, vertegenwoordigd door C.M.H. Goffin en W.A.G. Jongen, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. H. Doornhof en mr. R. Janssen, beiden advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het tot hen gerichte bestreden besluit en deze rechtbank kan bevoegd worden om van de hoofdzaken kennis te nemen. Hoewel ter zitting is gebleken dat de last onder bestuursdwang ten aanzien van verzoekers sub 1 door verweerder ten uitvoer is gelegd en verzoekers sub 2 de overtreding hebben beëindigd door hun woonwagen/caravan naar het grondgebied van de gemeente Brunssum te verplaatsen, acht de voorzieningenrechter desondanks ook de onverwijlde spoed genoegzaam aangetoond, enerzijds gelet op de inhoud van de last, nu deze ook het opnieuw bouwen of opnieuw plaatsen van een woonwagen/caravan op het grondgebied van verweerders gemeente verbiedt, en anderzijds omdat hij verzoekers vooralsnog volgt in hun stelling dat zij (in elk geval) na 1 maart 2019 niet elders kunnen verblijven.

3. De beoordeling van een verzoek om een voorlopige voorziening vergt, als het spoedeisend belang niet (geheel) ontbreekt, in de regel een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit en, voor zover aangewezen, een afweging van de betrokken belangen. Voor zover de daartoe in deze zaken uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van de bestreden besluiten wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissingen op bezwaar of in de (eventuele) hoofdzaken.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5. Verzoekers hebben de in de bestreden besluiten genoemde overtredingen erkend, zodat niet in geschil is dat verweerder bevoegd is de onderhavige lasten op te leggen.

6. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling; zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 januari 2019, ECLI:NL: RVS:2019:231) zal, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat er geen concreet zich op legalisering bestaat, nu verweerder zowel in zijn verweerschrift als ter zitting heeft aangegeven niet bereid te zijn om mee te werken aan legalisering, welk standpunt de voorzieningenrechter niet rechtens onhoudbaar voorkomt. De gemachtigde van verzoekers heeft dit ter zitting ook erkend, maar aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat handhavend optreden onevenredig zou zijn. In dit verband is gesteld dat verzoekers niet beschikken over een standplaats en nergens anders terecht kunnen. Het gevaar bestaat, volgens verzoekers, dat zij als gevolg van de bestreden besluiten dakloos worden.

8. De voorzieningenrechter overweegt dat niet geconcludeerd kan worden dat handhavend optreden in het onderhavige geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat daarvan behoort te worden afgezien. Van de door verweerder gemaakte belangenafweging kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet gezegd worden dat deze kennelijk onredelijk is. De omstandigheid dat (verder) handhavend optreden mogelijk betekent dat verzoekers de beschikking over hun woonwagen/caravan verliezen, is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan zou moeten worden afgezien van handhaving. Tegenover het belang van verzoekers staat immers het algemeen belang bij een adequate handhaving van de bestemmingsplanvoorschriften en het tegengaan van illegale plaatsing van kampeermiddelen en bewoning binnen de gemeente. Verzoekers hebben door de illegale plaatsing van hun woonwagen/caravan het risico op verlies hiervan genomen. De voorzieningenrechter verwijst in dat verband naar de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2018 (ECLI:NL: RVS:2018:3469). In hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht met betrekking tot de cultuur en de traditie van de woonwagenbewoners heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin aanleiding hoeven zien om in het onderhavige geval van handhaving af te zien. Hoewel de voorzieningenrechter het invoelbaar acht dat verzoekers behoefte hebben aan een standplaats, is (ook) daarin geen bijzondere omstandigheid gelegen voor verweerder om van handhavend optreden af te zien nu dit met zich zou brengen dat iedere illegale plaatsing van woonwagens getolereerd zou moeten worden.

9. De voorzieningenrechter is derhalve van oordeel dat het feit dat verzoekers niet de beschikking hebben over een standplaats (binnen de gemeente Landgraaf) geen bijzondere omstandigheid oplevert op grond waarvan verweerder van handhaving zou moeten afzien.

10. Op grond van voorgaande overwegingen is de voorzieningenrechter van oordeel dat de bestreden besluiten niet onrechtmatig zijn. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat de daartoe strekkende verzoeken zullen worden afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier.

De uitspraak is openbaar gemaakt op 27 februari 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.