Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:1579

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
28-02-2019
Zaaknummer
7476690 AZ VERZ 19-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:4182, Overig
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkneemster en werkgeefster gaan er beiden - maar om verschillende redenen - ten onrechte van uit dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Veroordeling tot loondoorbetaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0231
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer 7476690 AZ VERZ-19-11

Beschikking van de kantonrechter 20 februari 2019

in de verzoekschriftprocedure van

[verzoekster] ,

wonend in [woonplaats] aan de [adres 1] ,

verzoekende partij,

gemachtigde mr. S.J.W.M. Vonken

tegen

de besloten vennootschap [verweerster] B.V.,

zaakdoend in [vestigingsplaats] aan het [adres 2] ,

verwerende partij,

in rechte vertegenwoordigd door mr. Ch.L.J.R. Lückers.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en [verweerster] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 21 januari 2019 ter griffie ontvangen verzoekschrift

  • -

    de op 5 en 6 februari 2019 ter griffie ontvangen nadere producties van de zijde van [verzoekster]

  • -

    het op 5 februari 2019 van [verweerster] ontvangen faxbericht

  • -

    het op 7 februari 2019 ter griffie ontvangen verweerschrift

  • -

    de op 8 februari 2019 ter zitting ontvangen brief van de zijde van [verzoekster] inhoudende een correctie ter zake van de wettelijke grondslag van een deel van het verzoek

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting, waar partijen hun standpunten nader hebben toegelicht, allebei aan de hand van een pleitnota, en waar de kantonrechter aan het einde van de behandeling zijn kijk op de zaak kenbaar heeft gemaakt.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] is sinds 23 augustus 1999 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst van [verweerster] in de functie van secretaresse voor 32 uur per week en tegen een bruto maandloon van € 2.666,00. Aanvankelijk heeft [verzoekster] gewerkt als algemeen secretaresse, de laatste jaren (onduidelijk blijft vanaf wanneer) vooral als medewerkster in de incassopraktijk en de faillissementspraktijk.

2.2.

Op 26 juli 2018 heeft [verweerster] aan [verzoekster] kenbaar gemaakt dat zij zich (vanaf dan) volledig moest gaan oriënteren op de faillissementsdossiers en dus werd ontheven van de incassowerkzaamheden. Vanaf 13 november 2018 moest [verzoekster] zich echter weer (ook) met incassowerkzaamheden gaan bezighouden.

2.3.

Op 20 november 2018 heeft [verzoekster] zich ziekgemeld.

2.4.

Op 20 december 2018 heeft [verweerster] een e-mailbericht aan [verzoekster] verzonden (productie 3 bij verzoekschrift) waarin gerefereerd werd aan een in augustus tussen partijen overeengekomen beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 31 december 2018. Bij e-mailbericht van 31 december 2018 (productie 4 bij verzoekschrift) heeft [verweerster] bevestigd dat er in haar optiek een einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst.

2.5.

Bij brief van 4 januari 2019 (productie 5 bij verzoekschrift) heeft de gemachtigde van [verzoekster] jegens [verweerster] geprotesteerd tegen de - in de optiek van [verzoekster] - opzegging door [verweerster] van de arbeidsovereenkomst en aanspraak gemaakt op het nog niet betaalde loon tot 31 december 2018, de zogenoemde gefixeerde vergoeding, de transitievergoeding en een billijke vergoeding. Daarbij heeft zij tevens ontkend dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is geëindigd.

2.6.

Het loon over december 2018 is door [verweerster] niet tijdig aan [verzoekster] betaald.

2.7.

Op 30 januari 2019 heeft het UWV aan [verzoekster] te kennen gegeven dat zij op

20 november 2018 haar eigen werk niet kon doen. Daarbij baseerde het UWV zich op een verzekeringsgeneeskundig rapport d.d. 24 januari 2019 (productie 7 bij verzoekschrift) van W.P.M. Lemaire, die onder het kopje “Beschouwing” onder meer het navolgende schrijft:

Na eigen onderzoek en na bestudering informatie kom ik tot de conclusie dat er sprake is van arbeidsgerelateerde arbeidsongeschiktheid. Cliënte is per datum heden en per datum ziekmelding ongeschikt eigen werk te achten en zal moeten worden begeleid op adequate wijze door arbo arts, in die zin dat er ook spreekuur contact zal moeten zijn. De situatie is zodanig dat deze problematiek van cliënte niet via telefonisch contact kan worden geadviseerd.”, en onder het kopje “Onderzoeksgegevens”:

Er is kennelijk sprake van een arbeidsconcflict.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekster] verzoekt de veroordeling van [verweerster] tot - kort gezegd- betaling van:

  1. de gefixeerde schadevergoeding ex art. 7: 672 lid 10 BW met rente;

  2. de transitievergoeding met rente

  3. een billijke vergoeding met rente

  4. het onbetaald gelaten loon over december 2018 met rente vanaf 1 januari 2019

  5. de vakantiebijslag over 2018, de niet genoten vakantiedagen en de eindejaarsuitkering, allemaal met rente vanaf 1 januari 2019

  6. de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW over de bedragen genoemde onder 4. en 5.

  7. de proceskosten.

Daarnaast verzoekt zij de veroordeling van [verweerster] tot het opmaken van een deugdelijke eindafrekening (en toezending daarvan aan [verzoekster] , zo begrijpt de kantonrechter dit).

3.2.

[verweerster] stelt dat zij het loon over december 2018, de eindejaarsuitkering, vakantiebijslag en de niet opgenomen vakantiedagen alsnog aan [verzoekster] heeft betaald, kennelijk naar aanleiding van voornoemd bericht van het UWV (dat ook haar bereikt heeft). De ontvangst van die bedragen (kennelijk op 6 februari 2019, zo begrijpt de kantonrechter uit de onbetwist gelaten productie 8 bij het verweerschrift) is door [verzoekster] ter zitting erkend, doch zij heeft haar eis niet formeel dienovereenkomstig verminderd, zodat het oorspronkelijke verzoek nog steeds ter beoordeling voorligt.

3.3.

Kort gezegd heeft [verweerster] - volgens [verzoekster] - de arbeidsovereenkomst opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW.

3.4.

[verweerster] betwist dat zij de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en zij beroept zich er - kort gezegd - op dat partijen in juli dan wel augustus 2018 de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden hebben beëindigd.

4 De beoordeling

4.1.

Zoals ter zitting reeds is besproken, is van een opzegging van de arbeidsovereenkomst door [verweerster] niet gebleken. Uit de e-mailberichten waar [verzoekster] in dit kader naar verwijst, refereert [verweerster] slechts aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden tegen 31 december 2018 die in haar optiek in augustus reeds had plaatsgevonden. Een opzegging door [verweerster] valt daar niet in te ontwaren. En daarmee valt dan al meteen het doek voor de verzochte onderdelen 1, 2 en 3 nu die onderdelen allemaal een opzegging door [verweerster] vereisen.

4.2.

Nu vaststaat dat het loon over december 2018, de eindejaarsuitkering, vakantiebijslag en de niet opgenomen vakantiedagen inmiddels zijn betaald, komen ook die verzoeken niet voor toewijzing in aanmerking.

4.3.

De wettelijke rente en de wettelijke verhoging over de vakantiebijslag en de niet opgenomen vakantiedagen zijn niet toewijsbaar. Immers, nu niet gebleken is van een opzegging van de arbeidsovereenkomst en van de zijde van [verweerster] ook niet verzocht is om te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is geëindigd (en dit laatste ook geenszins is vast komen te staan nu [verweerster] zelf stelt dat dit - volgens haar - mondeling is afgesproken, waarmee dus niet voldaan is aan het schriftelijkheidsvereiste van art. 7:670 b BW), moet er - in deze procedure (!) - van uitgegaan worden dat de arbeidsovereenkomst nog bestaat. De tegen het einde van de zitting door de [verweerster] ingenomen stelling, inhoudende dat nu [verzoekster] zich ‘heeft neergelegd bij de opzegging’, de kantonrechter ‘niet veel speelruimte meer heeft’ - waarmee hij dan kennelijk bedoelde te zeggen dat de kantonrechter er om die reden van uit moet gaan dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd - is dus onjuist: [verzoekster] kan zich niet neerleggen bij iets wat er niet is.

Daarvan uitgaande heeft [verzoekster] thans dus nog geen rechtens afdwingbare vordering ten aanzien van deze posten (en dus ook niet op rente en verhoging daarover).

4.4.

Wat dan resteert voor toewijzing is de wettelijke verhoging over het te laat betaalde loon van december 2018 en over de eindejaarsuitkering, alsmede de wettelijke rente vanaf de datum waarop die respectieve posten gebruikelijk hadden moeten worden betaald tot

6 februari 2019.

4.5.

In de omstandigheid dat beide partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dat met deze beschikking naar alle waarschijnlijkheid nog geen einde is gekomen aan het onderliggende geschil tussen partijen is ter zitting besproken maar partijen zijn desondanks niet tot een vergelijk kunnen komen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] de wettelijke verhoging ex art. 7:625 over het te laat betaalde loon van december 2018 en de eindejaarsuitkering te betalen (inclusief de wettelijke rente vanaf de datum waarop die respectieve posten gebruikelijk hadden moeten worden betaald) tot 6 februari 2019;

5.2.

verklaart de veroordeling onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

wijst af het meer of anders verzochte en compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra en is in het openbaar uitgesproken.

RK