Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:1535

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
7478204 CV EXPL 19-515
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Tweemaal ontslag op staande voet werknemer van coffeeshop houdt geen stand. Minder zware sanctie op verweten gedragingen had volstaan. Loonvordering in kort geding toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer: 7478204 CV EXPL 19-515

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 19 februari 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonend aan de [adres 1] , [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. M.M.J.F. Sijben,

tegen

[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam],

wonend te [woonplaats] en zaakdoende aan de [adres 2] , [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. R.R.J.W. Delsing.

Partijen zullen hierna [eiser] en [handelsnaam] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de mondelinge behandeling van 14 februari 2019

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is eigenaar van [handelsnaam] .

2.2.

[eiser] , geboren op [geboortedatum] , is in de periode van 2008 tot 2011 in dienst geweest van [handelsnaam] . Sedert 18 oktober 2015 is hij opnieuw bij [handelsnaam] in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tegen een loon van laatstelijk € 1.800,00 bruto per maand exclusief vakantiebijslag. Op de arbeidsovereenkomst is de Horeca-Cao van toepassing.

2.3.

Bij brief van 10 januari 2019 heeft (de gemachtigde van) [gedaagde] aan [eiser] meegedeeld (productie 4 bij exploot van dagvaarding):

(…) Afgelopen maandag 7 januari 2019 heeft er tijdens uw werkzaamheden een ernstig incident plaatsgevonden waardoor uw werkgever zich genoodzaakt zag om u per direct op staande voet te ontslaan. Dit heeft de werkgever u ook volstrekt duidelijk medegedeeld. (…)

U had iets eerder de opdracht gekregen om producten bij te vullen. Kennelijk was u het niet eens met deze redelijke opdracht omdat u naar uw werkgever kwam aangestormd. U heeft een zeer fysiek dreigende houding aangenomen (…). Vervolgens heeft u in het bijzijn van (…) derden langdurig tegen de werkgever geschreeuwd waarbij meermaals onder andere is aangegeven dat de werkgever zijn werk niet goed doet, dat hij en “jullie” dat niet kunnen (daarmee Turken bedoelende), waarbij ook meermaals schreeuwend is gedreigd dat u de opdrachten helemaal niet zou vervullen, dat de klanten slecht worden behandeld. En ook nog dat u “hier” niet uw werk kan doen. (…)

Het moge duidelijk zijn dat de werkgever op een zodanige vernederende wijze benaderen absoluut onacceptabel is op een werkplaats. Zeker in het bijzijn van meerdere derden. Dit levert een dringende reden op voor ontslag op staande voet (…)

U heeft de werkgever grovelijk beledigd, ook nog in het bijzijn van meerdere klanten, en door uw houding heeft u de werkgever ernstig bedreigd (…), alsmede heeft u hardnekkig geweigerd te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten die de werkgever u heeft gegeven. Genoemde gronden zijn afzonderlijk en in onderlinge samenhang voldoende redenen om tot het ontslag op staande voet te zijn overgegaan. (…)

Dit betekent dat uw dienstverband per 7 september 2019 is beëindigd. (…)”

2.4.

Bij brief van 11 januari 2019 van zijn gemachtigde heeft [eiser] de nietigheid van het ontslag ingeroepen, zich beschikbaar gesteld de bedongen arbeid te verrichten en aanspraak gemaakt op doorbetaling van het loon (productie 5 bij exploot van dagvaarding).

2.5.

Bij brief van 11 januari 2018 (kantonrechter: bedoeld is 2019), welke brief [eiser] aan [gedaagde] en zijn zoon, bedrijfsleider [naam bedrijfsleider] en vier collega’s heeft doen toekomen, schrijft [eiser] onder meer en voor zover van belang (productie 6 bij exploot van dagvaarding):

“(…) Gister (…) heb ik (…) een ontslagbrief gekregen. Hierin hij suggereert dat ik het aan mezelf te wijten heb dat ik ontslagen werd door een aantal leugens aan elkaar te rijgen. Ik wil hierop reageren door niet alleen de beschuldigingen te weerleggen, maar ook de werksfeer en condities aan te kaarten zodat beter begrepen kan worden waarom het tot dit punt gekomen is. (…)

Het ging ongeveer 1,5 jaar goed, ik had nog nooit vakantie genomen en regelde alles, bovendien beheerde ik zijn voorraad. In die tijd was werkelijk niks fout wat ik deed, ik was geweldig en iemand die mij tegensprak had een probleem met hem. Tot …. Ik mijn eigen woning had en dus niet meer bij de shop sliep (lees bij de voorraad) en op vakantie ging. Toen ik terug kwam moest ik opeens de sleutels aan zijn 18 jarige neefje geven, die vervolgens nagenoeg al mijn taken en verantwoordelijkheden overnam. Ik voelde me gekrenkt maar heb gedacht dat het beter was me er gewoon bij neer te leggen en dan maar te doen wat er voor me overbleef. (…) Mijn werkgever is een ziekelijke narcist die mensen die kanker hebben aanraad hasj te eten en dan mag ik mijn mond niet opendoen anders krijg ik problemen. Hij beweert de meest waanzinnige dingen en leeft in een fantasiewereld waar postzegels 100 miljoen waard zijn (die hij heeft) (…) Hij denkt dat het normaal is om personeel probeert in bed te krijgen. Constant sexuele opmerkingen maken over en tegen dames, ik heb getuigen die gezien hebben dat hij een vrouwelijke collega bij haar borsten greep en riep dat je alles mag als je de baas bent. Mijn baas zegt letterlijk over mijn beste vriendin(collega) tegen mij “dat ze wel 1000 lullen” erin heeft gehad (…) Hij is zo door en door slecht dat hij wetende dat ze als puber verslaafd is geraakt probeert haar met cocaine te bewegen om sex met hem te hebben. (…) Ook de beledigingen naar mij toe, hij zei onder andere “Nederlanders zijn allemaal hoeren en dieven”. Buiten dat moest ik het ook ontgelden omdat ik Atheist ben. Ik werd Satanist genoemd en er werd gezegd dat atheisten geen moraal kunnen hebben. Daarnaast heb ik in Bosnie gediend als Sergeant bij de Infanterie, dat werd regelmatig aangehaald om mij te beschuldigen van kindermoord en verkrachtingen. (…) Ook werd ik als Nederlander regelmatig weggezet als racist (…) [gedaagde] is gewend een loopje met de wet te nemen, verslijt meer personeel dan schoenen, heeft vele conflicten met ex personeel en zelfs met zijn eigen familie. Hij heeft een gebiedsverbod omdat hij zijn eigen vrouw en kind mishandeld heeft, gebruikt heel veel drugs waaronder ook cocaine en is nagenoeg elke dag dronken. Hij is een narcist met macht over mensen en misbruikt die geregeld (…)”

2.6.

Bij brief van 14 januari 2019 heeft [gedaagde] [eiser] opnieuw (voorwaardelijk) op staande voet ontslagen. In de brief staat - voor zover relevant - vermeld (productie 6 bij exploot van dagvaarding):

“(…) Het is cliënt vandaag ter ore gekomen dat u een driepagina’s lange brief gedateerd 11 januari 2019 aan het verspreiden bent waarin u zich zeer lasterlijk uitlaat over cliënt. (…)

Daarenboven heeft u direct na het ontvangen van mijn brief van de 10e januari jl. naar cliënt geschreven: “Ik wist dat je dom was maar dit slaat alles.”

Cliënt persisteert bij zijn standpunt dat het op de 7e januari 2019 gegeven ontslag op staande voet rechtmatig is gegeven. Ik bericht u aanvullend dat uw bejegening van cliënt alsmede het naar derden rondsturen van lasterlijke teksten op zichzelf eveneens grondslag is voor een ontslag op staande voet. U heeft cliënt de heer [gedaagde] wederom grovelijk beledigd, nu in een tekstbericht en in een brief naar derden, maar in het bijzonder naar een minderjarig kind van cliënt.

Dit handelen staat los van uw handelen die tot het ontslag van de 7e januari jl. heeft geleid. Dit handelen is wel zodanig ernstig en verwijtbaar, er is sprake van dringende redenen tot ontslag: ik bericht u namens cliënt dat u per direct op staande voet bent ontslagen, welk ontslag nog dient te gelden als een voorwaardelijk ontslag op staande voet in het uitzonderlijke geval dat het eerste ontslag bij de rechtbank geen stand zal houden. (…)”

2.7.

Bij brief van 14 januari 2019 van zijn gemachtigde heeft [eiser] de nietigheid van het ontslag ingeroepen, zich wederom beschikbaar gesteld de bedongen arbeid te verrichten en aanspraak gemaakt op doorbetaling van het loon (productie 7 bij exploot van dagvaarding).

3 Het geschil

3.1.

Tegen de achtergrond van deze vaststaande feiten heeft [eiser] gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, betaling van het (achterstallig) loon met nevenvorderingen (de wettelijke verhoging en wettelijke rente) alsmede veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna - voor zover relevant - worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld moet worden dat de vordering, die strekt tot betaling van (achterstallig) loon, naar haar aard spoedeisend is. Voorts heeft [gedaagde] ook niet bestreden dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen.

4.2.

In het kader van deze procedure dient beoordeeld te worden of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat gerechtvaardigd is daarop door toewijzing van de vorderingen vooruit te lopen. Daarbij moet de kantonrechter thans uitgaan van de voorshands vaststaande feiten met de beperkte toetsing daarvan (zonder nadere bewijsvoering) die in deze procedure in beginsel slechts mogelijk is.

4.3.

Uitgangspunt voor toewijzing van de loonvordering is dat voldoende aannemelijk moet zijn dat het ontslag op staande voet in een te voeren bodemprocedure geen stand zal houden, waarbij op [gedaagde] de last rust om aannemelijk te maken dat het ontslag op staande voet wél stand zal houden.

4.4.

Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder van de partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij het antwoord op de vraag of er een dringende reden van voldoende gewicht aanwezig is, moeten de omstandigheden van het geval - waaronder de persoonlijke omstandigheden van de werknemer zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van onverwijlde opzegging - in onderling verband en samenhang in aanmerking genomen worden. Ook als de gevolgen ingrijpend zijn, kan afweging daarvan tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

4.5.

Voor de beoordeling van de vraag of de door [gedaagde] aan [eiser] gedane opzegging rechtsgeldig is, zijn de aan [eiser] opgegeven redenen zoals vermeld in de hiervoor verkort weergegeven brieven van 10 en 14 januari 2019 maatgevend, want het gerezen geschil is afgebakend door de daarin als dringende redenen genoemde verwijten.

4.6.

Ten aanzien van hetgeen aan het eerste ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd overweegt de kantonrechter het volgende.

4.7.

De dringende redenen die in de ontslagbrief meegedeeld zijn en dus beoordeeld moeten worden, zijn dat [eiser] hardnekkig geweigerd heeft te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten die de werkgever hem heeft gegeven en zijn werkgever grovelijk heeft beledigd en ernstig heeft bedreigd.

4.8.

Ten aanzien van het verwijt dat [eiser] redelijke opdrachten niet zou hebben opgevolgd heeft [eiser] als verweer aangevoerd dat hij de drank- en snoepapparaten niet kón bijvullen omdat de betreffende producten niet voorradig resp. over de houdbaarheidsdatum waren. [gedaagde] is daar niet specifiek op ingegaan, noch heeft zij haar lezing van de gang van zaken verder onderbouwd, zodat dit voorval op 5 januari 2019 het ontslag op staande voet op geen enkele manier kan dragen.

4.9.

Datzelfde geldt - in zekere zin - voor het verwijt dat [eiser] zich dreigend jegens [gedaagde] zou hebben gedragen en hem grovelijk zou hebben beledigd in het bijzijn van derden. [eiser] betwist op zichzelf niet dat er een woordenwisseling heeft plaatsgevonden en de kantonrechter wil wel aannemen dat er (harde) woorden zijn gevallen. Dat neemt niet weg dat de door [gedaagde] gestelde ernstige bedreigingen en beledigingen in onvoldoende mate zijn komen vast te staan. Zo komt niet uit de verf welke beledigende uitingen en ernstige bedreigingen door [eiser] precies zouden zijn gedaan. De twee in het geding gebrachte (onderling sterk van elkaar afwijkende) getuigenverklaringen zijn daartoe - in het licht bezien van de betwisting door [eiser] dat zijn uitlatingen bedreigend van aard waren - in ieder geval ruimschoots onvoldoende. Niet gebleken is van uitlatingen die een dermate laakbaar karakter hebben, mede bezien ook in het licht van hetgeen hierna nog wordt overwogen, dat deze op zich zelf beschouwd het nemen van een zware maatregel als een ontslag op staande voet (een ultimum remedium) rechtvaardigen, ook niet in samenhang beschouwd met het eventueel niet hebben opgevolgd van een redelijk bevel of opdracht van werkgever.

4.10.

Naar het oordeel van de kantonrechter levert het complex van de door [gedaagde] aangedragen feiten en omstandigheden onvoldoende grond op voor een ontslag op staande voet. De kantonrechter zal verder in het midden laten of het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven. Mutatis mutandis geldt dit ook voor de in de ontslagbrief (verkeerd) vermelde ontslagdatum van 7 januari 2019.

4.11.

Nu aan de voorwaarde is voldaan van de op 14 januari 2019 gegeven tweede onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst, komt de beoordeling daarvan vervolgens aan de orde.

4.12.

Uit de ontslagbrief blijkt dat de verweten gedraging volgens [gedaagde] zelfstandig een ontslag op staande voet zou kunnen - en ook moeten - dragen en dat de eerdere gedragingen (van 5 januari 2019) niet mede redengevend zijn geweest voor het ontslag en niet (mede) daaraan ten grondslag ligt.

4.13.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] met zijn in de brief van 11 januari 2019 gedane uitlatingen niet alleen de grenzen van het goed werknemerschap heeft opgezocht, maar die grenzen zelfs aanmerkelijk heeft overschreden. [eiser] heeft dit nadien ook ingezien en geeft toe dat hij dit niet had moeten doen, maar voert aan dat hij de brief in volle emotie, direct na ontvangst van de ontslagbrief van 10 januari 2019, heeft geschreven.

4.14.

Hoezeer ook laakbaar, aan - alleen - een dergelijk handelen kan naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval niet een zodanig gewicht worden toegekend dat dit een ontslag op staande voet met al haar gevolgen rechtvaardigt. De hierna te noemen relevante omstandigheden zijn naast de persoonlijke en financiële gevolgen van de opzegging voor [eiser] daarvoor bepalend.

4.15.

Bij de beantwoording van de vraag of de aan [eiser] verweten gedraging een ontslag op staande voet kan rechtvaardigen, heeft de kantonrechter - zo stelt hij voorop - de cultuur waarbinnen partijen klaarblijkelijk opereren meegewogen. Door [gedaagde] is niet weersproken dat [gedaagde] jegens [eiser] in het verleden ook wel eens buitengewoon grof taalgebruik heeft gebezigd. In een milieu waarin dergelijk taalgebruik kennelijk getolereerd wordt en waar niet iedere (beledigende) uiting op een goudschaaltje wordt gewogen, kan een bepaald handelen minder snel als verwijtbaar gekwalificeerd worden dan in een organisatie waar duidelijke en stringente regels gelden en ook worden nageleefd.

4.16.

Verder is van belang dat partijen voorafgaand aan deze onverwijlde opzegging niet met elkaar hebben gesproken. Derhalve is geen sprake geweest van hoor en wederhoor. Hoor en wederhoor veronderstelt dat de werknemer duidelijk wordt geïnformeerd over het voornemen van de werkgever om hem op staande voet te ontslaan, wordt uitgenodigd daarop te reageren en daarbij in de gelegenheid wordt gesteld de werkgever te informeren over zijn persoonlijke omstandigheden. Niet gebleken is dat daarvan sprake is geweest. Het een werknemer op een adequate manier in de gelegenheid stellen om zijn visie op de gestelde dringende reden te geven vormt weliswaar geen voorwaarde voor een (terecht) ontslag op staande voet, maar het niet bieden van die gelegenheid getuigt niet van goed werkgeverschap.

4.17.

Voorts zal gewicht worden toegekend aan de duur van het dienstverband alsmede dat niet gebleken is van enige ontevredenheid van [gedaagde] over het functioneren van [eiser] . In ieder geval heeft [gedaagde] op geen enkel moment aanleiding gezien over het functioneren van [eiser] bijzondere op- of aanmerkingen te maken en hem bijvoorbeeld bij terugkerende functionerings- of beoordelingsmomenten gerichte aanwijzingen te geven hoe zijn functioneren te veranderen. Gespreks- en functioneringsverslagen die op minder dan behoorlijk functioneren zouden wijzen, ontbreken en correspondentie die op het tegendeel wijst, is evenmin ingebracht. Dit zo zijnde kan er vooralsnog van uit gegaan worden dat [gedaagde] in de regel geen problemen heeft gehad met het functioneren van [eiser] als zodanig.

4.18.

Tot slot is het onmiskenbare gevolg van een ontslag als het onderhavige dat [eiser] vooralsnog niet in aanmerking komt voor een werkloosheidsuitkering.

4.19.

Al met al moet geconcludeerd worden dat in dit geval een dringende reden voor onverwijlde opzegging ontbreekt, en dat een andere - minder verstrekkende - maatregel hier had volstaan, te meer nu niet gebleken is van eerder getroffen disciplinaire maatregelen. Niet gebleken is dat [gedaagde] [eiser] in een eerder stadium heeft aangesproken op dergelijk vermeend - verwijtbaar - gedrag en/of daaraan een waarschuwing heeft verbonden. Het ontslag op staande voet kan onder de gegeven en hiervoor weergegeven omstandigheden naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen stand houden.

4.20.

Hetgeen hiervoor is overwogen, leidt tot de slotsom dat voldoende aannemelijk is dat zowel de eerste als de tweede onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst in een eventuele bodemprocedure geen stand zal houden. De vordering tot betaling van het (achterstallig) loon zal dan ook worden toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging zal eveneens - tot het gevraagde maximum van 50% - toegewezen worden omdat geen gronden aangevoerd zijn die tot matiging nopen. Het verweer van [gedaagde] dat gelet op het feitencomplex voor toewijzing van de wettelijke verhoging in het geheel geen plaats is, wordt gepasseerd. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt immers dat [gedaagde] de maatregel van ontslag op staande voet niet had mogen toepassen zodat de conclusie moet zijn dat [gedaagde] ten onrechte het loon van [eiser] niet heeft doorbetaald. Deze situatie ligt volledig in haar risicosfeer en komt derhalve geheel voor haar rekening.

4.21.

De wettelijke rente is evenzeer toewijsbaar.

4.22.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 104,54
- griffierecht € 81,00
- salaris gemachtigde € 600,00

Totaal € 785,54

4.23.

De wettelijke rente over de proceskosten komt op de hierna in het dictum weergegeven wijze voor toewijzing in aanmerking.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] binnen twee weken na betekening van dit vonnis te betalen het loon vanaf 1 januari 2019 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig tussen partijen is beëindigd, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en het geheel (de optelsom) nog te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke vervaldata van de loonbetalingen tot aan de dag van algehele voldoening,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 785,54, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na die betekening tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken.

CJ