Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:1483

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-02-2019
Datum publicatie
18-02-2019
Zaaknummer
04/990005-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordelingen voor het zonder vergunning uitvoeren van gasturbineonderdelen naar Iran

Rechtbank Limburg heeft het Venlose bedrijf Euroturbine BV en vier medeverdachten vandaag veroordeeld voor met name het zonder vergunning uitvoeren van gasturbineonderdelen naar Iran.

Wat is er gebeurd?

Nadat het Nederlandse vergunningenbeleid voor de export van gasturbineonderdelen naar Iran begin 2009 was aangescherpt vanwege signalen van proliferatiegevoelige activiteiten, hebben de verdachten samen met een in Bahrein gevestigde dochteronderneming en andere gelieerde ondernemingen juridische schijnconstructies opgezet om de gasturbineonderdelen toch via een omweg aan klanten in Iran te leveren.

De rechtbank heeft geoordeeld dat deze schijnconstructies tot doel hadden om de vergunningplicht te omzeilen en heeft de verdachten veroordeeld voor het handelen in strijd met die vergunningplicht en valsheid in geschrifte. Verdachten zijn ook veroordeeld voor het in structureel verband plegen van die feiten.

De (indirect) aandeelhouder die ook werd verdacht van onjuiste belastingaangiftes en het witwassen van gelden met een criminele herkomst, is voor het overgrote deel van deze feiten vrijgesproken.

Straffen

Aan de in Nederland en Bahrein gevestigde vennootschappen zijn geldboetes opgelegd van respectievelijk € 500.000,-- en € 350.000,--, waarvan de helft voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Bij het bepalen van de straf voor de drie verdachte personen heeft de rechtbank rekening gehouden met het achterliggende doel van de vergunningplicht voor gasturbineonderdelen, namelijk het bewaken van de internationale veiligheid en rechtsorde door het tegengaan van proliferatie.

Het welbewust handelen van de verdachten om de nationale en internationale exportcontrolewetgeving te omzeilen, is dan ook te beschouwen als een ernstige normschending. De vraag of de goederen geëxporteerd mochten worden was namelijk na het opleggen van de vergunningplicht niet meer aan de verdachten, maar aan de Nederlandse autoriteiten. Door dit systeem te ondermijnen en slinkse wegen te zoeken om de goederen toch zonder de vereiste vergunning in Iran te krijgen, hebben de verdachten strafbare feiten gepleegd die in beginsel een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf rechtvaardigen.

Bij het bepalen van de straffen heeft de rechtbank echter ook rekening gehouden met het lange tijdsverloop tussen de aanhouding van de verdachten in april 2010 en de uiteindelijke berechting in 2018/2019. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met het feit dat een voormalige directeur van het bedrijf, die ook deels bij deze feiten betrokken was, door het OM is bestraft met een werkstraf van 120 uren.

De indirect aandeelhouder, door de rechtbank aangemerkt als “de grote baas” is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 11 maanden voorwaardelijk en een werkstraf van 240 uren.

De directeur van het bedrijf is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk en een werkstraf van 200 uren.

De werkneemster die de praktische gang van zaken rondom de verboden exporten regelde, is veroordeeld tot een werkstraf van 180 uren.

Omdat de drie verdachten in 2010 een maand in voorlopige hechtenis hebben gezeten, hoeven ze niet terug naar de gevangenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 04/990005-09

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 18 februari 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 1, 2, 8, 9, 11 en 30 oktober 2018 en 19, 20 en 27 november 2018. Het onderzoek ter terechtzitting is op 4 februari 2019 gesloten.

De verdachte en de raadslieden zijn (in wisselende samenstelling) verschenen. De officieren van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feiten 1, 3 en 5: al dan niet opzettelijk samen met een ander of anderen een hoeveelheid turbineonderdelen heeft uitgevoerd dan wel heeft doen of laten uitvoeren zonder uitvoervergunning en/of die goederen uitgevoerd zonder mededeling van een gewijzigde bestemming en/of die goederen uitgevoerd zonder mededeling aan de autoriteiten die besluiten of een vergunning vereist is;

Feiten 2 en 4: al dan niet opzettelijk samen met een ander of anderen een hoeveelheid turbineonderdelen heeft uitgevoerd dan wel heeft doen of laten uitvoeren zonder uitvoervergunning en/of die goederen uitgevoerd zonder mededeling van een gewijzigde bestemming;

Feiten 6 tot en met 8: samen met een ander of anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd;

Feiten 9 en 10: samen met een ander of anderen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalste factuur, als ware die echt en onvervalst;

Feit 11: deel heeft genomen aan een criminele organisatie die gericht was op ongeoorloofde uitvoer van turbineonderdelen, het plegen van valsheid in geschrifte en gebruikmaking van vervalste of valse geschriften, als waren zij echt en onvervalst;

Feit 12: samen met een ander of anderen onjuiste en/of onvolledige belastingaangiften heeft gedaan;

Feit 13: samen met een ander of anderen zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen van geldbedragen en/of effectendepots.

3 Inleiding en de opbouw van dit vonnis

In deze strafzaak wordt de verdachte en zijn medeverdachten onder andere verweten dat zij

– kort gezegd – gasturbineonderdelen hebben uitgevoerd naar Iran, terwijl daarvoor geen vergunning was aangevraagd of verleend, dat zij daartoe gebruik hebben gemaakt van omleidingsroutes en dat zij voor het creëren van die omleidingsroutes facturen hebben vervalst of gebruik hebben gemaakt van vervalste facturen. Het ook aan de verdachte verweten lidmaatschap van een criminele organisatie ziet eveneens op het – in georganiseerd verband – plegen van deze feiten.

Het verbod om deze gasturbineonderdelen zonder vergunning uit te voeren is vastgelegd in een beschikking van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 10 februari 2009, ondertekend namens deze door de heer [getuige 1] , lid van het Management team Directie Handelsproblematiek en Globalisering. De beschikking is op 10 februari 2009 aan de toenmalige directeur van [medeverdachte 1] , mevrouw [voormalig directeur medeverdachte 1] , persoonlijk uitgereikt door de heer [getuige 2] , destijds senior beleidsmedewerker/expert bij het Ministerie van Economische zaken. De beschikking is in het dossier en gedurende de behandeling van de strafzaak steeds aangeduid als “de catch-all” en zal in dit vonnis ook zo worden genoemd.

Omdat over de rechtmatigheid en de reikwijdte van deze catch-all uitgebreid verweer is gevoerd, zal daarop in dit vonnis eerst worden ingegaan, vervolgens zal worden beoordeeld welke van de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden en waarom. Voorts zal ook worden ingegaan op hetgeen de verdachte onder 12 en 13 ten laste is gelegd, te weten het opzettelijk doen van valse belastingaangiftes en witwassen. Tot slot zal de strafbaarheid van de feiten en van de verdachte, het beslag en de strafoplegging behandeld worden.

Hierbij wordt de volgende indeling aangehouden:

4 De geldigheid van de catch-all beschikking

5 De reikwijdte van de catch-all

6 De beoordeling van het bewijs

7 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

8 De strafbaarheid van de verdachte

9 De straf

10 Het beslag

11 De wettelijke voorschriften

12 De beslissing

4 De geldigheid van de catch-all beschikking

4.1

Het juridisch kader

In de preambule van de Verordening (EG) nr. 1334/2000, welke verordening op 28 september 2000 in werking is getreden en per 27 augustus 2009 is vervangen door de Verordening (EG) nr. 428/2009, is neergelegd dat producten voor tweeërlei gebruik bij uitvoer uit de Europese Gemeenschap aan een doeltreffende controle dienen te worden onderworpen. Voorts is daarin overwogen dat ter naleving van de internationale verplichtingen en verantwoordelijkheden van de lidstaten, met name wat betreft de non-proliferatie, en van de Europese Unie, een doeltreffend gemeenschappelijk controlesysteem voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik noodzakelijk is.

De rechtbank zal voor de leesbaarheid spreken over “de Verordening”, daar de Verordening (EG) nr. 1334/2000 en de Verordening (EG) nr. 428/2009 - voor zover in deze zaak relevant - in materiële zin niet gewijzigd zijn.

Artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening luidt:

"In deze verordening wordt verstaan onder:

a. a) "producten voor tweeërlei gebruik'': “producten, met inbegrip van programmatuur en technologie, die zowel een civiele als een militaire bestemming kunnen hebben, met inbegrip van alle goederen die voor niet-explosieve doeleinden gebruikt kunnen worden en op enige manier bijdragen in de vervaardiging van nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen;"

Artikel 3 van de Verordening luidt, voor zover van belang:

"1. Voor de uitvoer van de producten voor tweeërlei gebruik die voorkomen op de lijst in bijlage I is een vergunning vereist.

2. Overeenkomstig artikel 4 of artikel 5 kan ook een vergunning worden geëist voor de uitvoer naar alle of bepaalde bestemmingen van bepaalde producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst van bijlage I voorkomen."

Artikel 4, eerste lid, van de Verordening luidt:

"Voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst in bijlage I voorkomen, is een uitvoervergunning vereist indien de exporteur door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar hij is gevestigd, is medegedeeld dat de producten in kwestie geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor gebruik in verband met de ontwikkeling, de productie, de behandeling, de bediening, het onderhoud, de opslag, de opsporing, de herkenning of de verspreiding van chemische, biologische of nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen, of voor de ontwikkeling, de productie, het onderhoud of de opslag van raketten die dergelijke wapens naar hun doel kunnen voeren."

Artikel 4, vijfde lid, van de Verordening luidt:

“Een lidstaat kan nationale wetgeving aannemen of handhaven waarbij voor de uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst van bijlage I voorkomen, een vergunning wordt vereist indien de exporteur een gefundeerd vermoeden heeft dat de producten geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een of meer van de in lid 1 genoemde gebruiken.”

Artikel 1:4 van de Algemene douanewet luidt:

“Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, ter uitwerking van interregionaal recht, het Koninkrijk verbindende verdragen en in al hun onderdelen verbindende besluiten van bij zodanige verdragen opgerichte volkenrechtelijke organisaties, regels van uitvoerende aard worden gesteld, die op goederen bij het binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van de gebieden, bedoeld in artikel 1:2, van toepassing zijn.”

Artikel 3:1 van de Algemene douanewet luidt:

“Onverminderd de communautaire bepalingen ter zake kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur verboden of beperkingen ten aanzien van goederen worden vastgesteld, die bij het binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van de gebieden, bedoeld in artikel 1:2, van toepassing zijn.”

Artikel 4 van het Besluit Strategische Goederen luidt:

“Bij ministeriële regeling kan Onze Minister om redenen van openbare veiligheid of uit mensenrechtenoverwegingen een verbod instellen op, of een vergunning verplicht stellen voor de uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik die niet zijn genoemd in bijlage I van verordening 1334/2000 c.q. 428/2009.”

4.2

De bevoegdheid tot het opleggen van de catch-all

De verdediging heeft aangevoerd dat de catch-all onbevoegd is genomen, nu deze namens de Staatssecretaris van Economische Zaken is ondertekend door de heer [getuige 1] , lid van het managementteam. Volgens de verdediging was de minister bevoegd en mocht deze bevoegdheid niet (onder-)gemandateerd worden.
De rechtbank zal dit verweer verwerpen. Uit het Besluit van de Minister van Economische Zaken van 23 maart 2007, nr. WJZ 7029078, houdende vaststelling van de taken van de Staatssecretaris van Economische Zaken volgt dat deze in het bijzonder belast is met de handelspolitiek. Het al dan niet verplicht stellen van een uitvoervergunning, zoals in het onderhavige geval bedoeld, behoort tot de handelspolitiek. Gelet op artikel 46, tweede lid, van de Grondwet is de Staatssecretaris van Economische Zaken in dit geval opgetreden als Minister van Economische Zaken en heeft hij in die hoedanigheid zijn bevoegdheid gebezigd als bedoeld in artikel 4 van het Besluit strategische goederen. Op grond van artikel 20, eerste lid, juncto III B van het Besluit mandaat volmacht en machtiging Economische Zaken 2004 viel exportcontrolebeleid onder de directie Handelspolitiek (2008) respectievelijk Handelspolitiek en Globalisering (2009) van het directoraat-generaal en beschikten deze over de bevoegdheid tot het verlenen van ondermandaat. Dit ondermandaat is verleend in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging voor het directoraat-generaal voor de Buitenlandse Economische Betrekkingen van het Ministerie van Economische Zaken 2008. In de artikelen 4 en 5 van het besluit wordt ondermandaat verleend aan de directeuren, hun plaatsvervangers en Management team-leden van de directies. De heer [getuige 1] was als lid van het Management Team Directie Handelspolitiek & Globalisering op grond van voormeld besluit bevoegd de beschikking te ondertekenen. Ten overvloede zij opgemerkt dat de heer [getuige 1] ten overstaan van de rechter-commissaris op 20 mei 2014 heeft verklaard dat bij afwezigheid van de directeur en plaatsvervangend directeur hij bevoegd was om te tekenen.

4.3

De grondslag van de catch-all

De rechtbank stelt vast dat ter terechtzitting onweersproken is dat onderdelen voor gasturbines naar hun aard ook kunnen worden ingezet voor opwekking van elektriciteit voor een niet-civiel doel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Staatssecretaris zich op het standpunt kunnen stellen dat de producten geschikt zijn voor tweeërlei gebruik in de ruime zin van artikel 2, onder a, van de Verordening, ook in samenhang met de bezorgdheid over leveranties aan bepaalde Iraanse afnemers, gezien hun relaties met Iraanse programma’s waarin proliferatie-gevoelige activiteiten worden ontplooid.

De rechtbank stelt vast dat alleen voor de in bijlage I van de Verordening genoemde producten altijd een uitvoergunning nodig is. Het is echter wel mogelijk dat voor producten voor tweeërlei gebruik (die vallen onder de definitie van artikel 2 van de Verordening), die niet op de bijlage 1 van de Verordening staan, toch een uitvoervergunning vereist is. Dit is het geval wanneer deze producten voor tweeërlei gebruik geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor doeleinden als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Verordening en de in deze bepaling bedoelde mededeling is gedaan.

De rechtbank stelt vast dat de Staatssecretaris aan de catch-all informatie van geheime inlichtingendiensten ten grondslag heeft gelegd waaruit zou blijken dat het Iraanse Ministerie van energie en de daaraan verbonden bedrijven betrokken zijn bij proliferatiegevoelige activiteiten. Weliswaar heeft de verdediging om blootlegging van die informatie gevraagd, maar de rechtbank acht dit een heilloze weg. Volgens de Staatssecretaris zijn er aanwijzingen dat de betrokken goederen in Iran geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor gebruik in verband met de ontwikkeling, de productie, de behandeling, de bediening, het onderhoud of de opslag van massavernietigingswapens of voor de ontwikkeling, de productie, het onderhoud of de opslag van overbrengingsmiddelen die dergelijke wapens naar hun doel kunnen voeren. De onderdelen voor gasturbines kunnen gebruikt worden voor andere doeleinden dan het opwekken van energie voor civiele doeleinden.

4.4

Toetsing aan unierechtelijke beginselen

De rechtbank leidt uit de preambule en de tekst van de Verordening af dat aan de Minister van Economische Zaken een grote mate van beoordelingsvrijheid toekomt welke producten onder de omschrijving “producten voor tweeërlei gebruik” vallen. Dit sluit echter niet uit dat de rechtbank de rechtmatigheid van de uitgereikte catch-all beschikking niet formeel en materieel kan toetsen. De rechtbank is met de verdediging en de officieren van justitie van oordeel dat de totstandkoming en de oplegging van een catch-all - mede gelet op de aard en strekking van de beschikking - in overeenstemming dient te zijn met fundamentele unierechtelijke rechtsbeginselen. Voor zover daarop verweer is gevoerd zal de rechtbank daarop ingaan.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) is geschonden, nu de verdachte niet op deugdelijke wijze is gehoord voordat de catch-all is uitgereikt, er sprake is van een gebrek aan inzage en er sprake is van een ondeugdelijk gemotiveerd besluit. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt.

Het recht op behoorlijk bestuur in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Handvest behelst met name:

- het recht van een ieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen,

- het recht van een ieder om toegang te krijgen tot het dossier hem betreffende, met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid en het beroeps- en het zakengeheim,

- de plicht van de betrokken instanties om hun beslissingen met redenen te omkleden.

De reikwijdte van de gewaarborgde rechten vindt haar grondslag in artikel 52, eerste lid, van het Handvest:

1. Beperkingen op de uitoefening van de in het Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen alleen beperkingen worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen beantwoorden.

4.4.1

De hoorplicht

De rechtbank stelt vast dat er op 10 februari 2009 een gesprek heeft plaats gevonden tussen onder meer dhr. [getuige 2] (EZ), [voormalig directeur medeverdachte 1] , destijds directeur van [medeverdachte 1] , en [getuige 3] van [bedrijf 3] [bedrijf 27] [medeverdachte 1] , een andere onderneming die gasturbineonderdelen levert aan onder andere Iran. Tijdens dit gesprek werd zowel aan de onderneming [bedrijf 3] [bedrijf 27] [medeverdachte 1] als aan [medeverdachte 1] een catch-all uitgereikt. Van de zijde van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) wordt betoogd dat het gesprek de strekking had van het horen van betrokkenen alvorens de catch-all werd uitgereikt. Volgens het OM zijn de betrokkenen vervolgens in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze naar voren te brengen. Van de zijde van [medeverdachte 1] werd betoogd dat [voormalig directeur medeverdachte 1] werd overvallen door de catch-all omdat zij enkel in de hoedanigheid van agent (namelijk [medeverdachte 1] ) van [bedrijf 3] [bedrijf 27] [medeverdachte 1] bij het gesprek aanwezig was. Ze was niet voorbereid en kon aldus geen gefundeerde zienswijze geven.

De rechtbank heeft het gespreksverslag van deze bijeenkomst gelezen en kan het standpunt van de officieren van justitie niet volgen. Uit het gespreksverslag blijkt niet dat er sprake was van een hoor en wederhoor procedure en de rechtbank kan niet uit het verslag herleiden dat [voormalig directeur medeverdachte 1] op enigerlei wijze daadwerkelijk een gefundeerde zienswijze naar voren heeft kunnen brengen, laat staan dat ze voor de uitreiking van de catch-all daarover is gehoord. Dit oordeel wordt gesterkt door de verklaringen van [getuige 2] die alles behalve eensluidend heeft verklaard over de wijze waarop het gesprek is gevoerd en of [voormalig directeur medeverdachte 1] namens [medeverdachte 1] is gehoord. Dat [medeverdachte 1] overvallen was door de uitreiking vindt overigens (mede) bevestiging in de verklaring van [getuige 2] die hij tegenover de rechter-commissaris op 11 december 2014 heeft afgelegd. [getuige 2] heeft verklaard dat “het niet uitgesloten is dat men niet had vermoed dat er in dit voorgesprek een catch-all werd uitgereikt”. De rechtbank is gelet op bovenstaande bevindingen van oordeel dat [medeverdachte 1] niet is gehoord in de zin van artikel 41, eerste lid, eerste gedachtenstreepje, van het Handvest.

De rechtbank is echter niet van oordeel dat het niet voldoen aan de ‘hoorplicht’ als bovenomschreven zal moeten leiden tot het oordeel dat de catch-all onrechtmatig is. De rechtbank wijst hierbij naar artikel 52 van het Handvest waarin staat beschreven dat beperkingen op de uitoefening van de in dit handvest erkende rechten en vrijheden bij wet moeten worden gesteld. Artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat het bestuursorgaan het horen van de belanghebbende(n) achterwege kan laten voor zover de vereiste spoed zich daartegen verzet en voor zover het met de (in dit geval) catch-all beoogde doel slechts kan worden bereikt indien de belanghebbende daarvan niet reeds tevoren in kennis is gesteld. De catch-all brengt naar zijn aard en strekking met zich mee dat er snelheid van handelen is geboden zodat het doel van de beschikking, namelijk dat met onverwijlde spoed (ook op stapel staande) leveringen van gasturbine onderdelen naar Iran worden bevroren, niet kan worden omzeild. Onder deze omstandigheid, met inachtneming van de urgentie om te voldoen aan de verplichtingen uit de non-proliferatie verdragen, is de rechtbank van oordeel dat het Ministerie van Economische Zaken (in de persoon van [getuige 2] ) van het horen van [medeverdachte 1] heeft kunnen afzien.

De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat de catch-all op zichzelf geen verbod behelsde tot het uitvoeren van gasturbineonderdelen naar Iran, maar slechts een vergunningsplicht in het leven riep. Nu in die vergunningsprocedure wel aan de hoorplicht zou worden voldaan, voldoet de gekozen handelwijze bij het opleggen van de catch-all naar het oordeel van de rechtbank aan de door de Unie erkende eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, zoals bedoeld in artikel 52, eerste lid, laatste zin van het Handvest.

Dit verweer treft dan ook geen doel.

4.4.2

De motivering- en inzageplicht

De rechtbank stelt vast dat de catch-all een instrument betreft dat wordt ingezet om te voorkomen dat producten voor tweeërlei gebruik als bedoeld in het Besluit strategische goederen zonder voorafgaande controle Nederland kunnen verlaten en aldus de naleving van internationale verplichtingen, met name wat non-proliferatie betreft, worden geschonden. In de catch-all staat vermeld dat het om gasturbine onderdelen gaat, dat deze onderdelen een andere bestemming dan energie opwekking voor civiele doelen kunnen krijgen en dat er aanwijzingen zijn dat het Iraanse Ministerie van energie en de daaraan verbonden bedrijven betrokken zijn bij proliferatiegevoelige activiteiten.

De rechtbank is van oordeel dat de motivering van de catch-all weliswaar summier is maar wel doeltreffend.

Voor zover de verdediging stelt dat het gebrek aan inzage bijdraagt aan de ondeugdelijke motivering, moet de rechtbank vast stellen dat de catch-all gebaseerd is op staatsgeheime informatie. Dat de catch-all summier is gemotiveerd en dat er sprake is van een gebrek aan inzage is inherent aan die informatie. Wanneer die informatie breed zou worden gedeeld, zou de staatsveiligheid in het gedrang komen en dat is naar het oordeel van de rechtbank zeer onwenselijk. Voor zover de verdediging zich op het standpunt stelt dat de onderbouwde stellingen van de overheid strijdig zijn met informatie van de International Atomic Energy Agency, wijst de rechtbank erop dat de informatie van de IAEA ziet op wetenschappelijke studies en het verkrijgen van technische competenties met betrekking tot de ontwikkeling van nucleaire wapens in de periode van 2003 tot en met 2009. Deze informatie leidt echter niet tot de conclusie dat aan de aanwijzingen ten grondslag liggende informatie die geleid heeft tot de catch-all, van onvoldoende gewicht is en daaraan geen waarde kan worden gehecht. Ook dit verweer houdt geen stand.

4.5

Het evenredigheidsbeginsel (level playing field)

De verdediging heeft naar voren gebracht dat de catch-all nadelige financiële gevolgen voor [medeverdachte 1] heeft en de concurrentiepositie onevenredig benadeelt, waardoor er een disproportionaliteit bestaat tussen het beoogde doel en het belang van de onderneming. Het is vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie dat een maatregel in strijd zou kunnen komen met het evenredigheidsbeginsel, wanneer het nagestreefde doel ook kan worden bereikt met een maatregel waarbij de last voor de rechtzoekende niet-onevenredig zwaar is in vergelijking met het beoogde belang. Van disproportionaliteit is de rechtbank niet gebleken. De catch-all heeft immers niet tot gevolg dat [medeverdachte 1] de producten niet meer naar Iran mag uitvoeren, maar slechts dat zij steeds een voorafgaande vergunning dient aan te vragen, zodat op zorgvuldige wijze getoetst kan worden of de goederen niet worden ingezet of door Iraanse afnemers en hun relaties worden gebruikt voor proliferatiegevoelige doeleinden. De rechtbank begrijpt dat deze beslissingen met de nodige zorgvuldigheid dienen te worden genomen en niet met onverwijlde spoed genomen kunnen worden, maar merkt wel op dat sommige beslissingen op aanvragen onredelijk lang hebben geduurd. Dat [medeverdachte 1] financieel is benadeeld door de weigeringen van aangevraagde uitvoervergunningen staat in de ogen van de rechtbank vast, echter de rechtbank stelt ook vast dat niet alleen [medeverdachte 1] maar ook verschillende Nederlandse concurrenten van het bedrijf dezelfde vergunningsplicht opgelegd hebben gekregen. Dat 90 procent van de omzet van [medeverdachte 1] wordt gegenereerd door handel met Iran en aldus het bestaansrecht van het bedrijf vrijwel afhankelijk is van één afzetmarkt, is de bewuste keuze van de ondernemer en dat door de vergunningsprocedure het bedrijf hard wordt getroffen, ziet de rechtbank als een gevolg van dat ondernemersrisico.

De rechtbank volgt de verdediging in haar standpunt dat er een gebrek is aan een level-playing field binnen in ieder geval de Europese Unie. Echter, individuele lidstaten van de Europese Unie zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van verplichtingen die voortvloeien uit Europese verordeningen. En omdat het aan de individuele lidstaten is om invulling te geven aan de genoemde verplichtingen, is het niet uitgesloten dat verschil ontstaat in de uitleg en toepassing van de regelgeving in de verschillende lidstaten. Zoals ter terechtzitting is gebleken, in bijzonder ook uit de verklaring van de getuige [getuige 24] , is Nederland niet strenger dan het Verenigd Koninkrijk ten opzichte van Iran, maar wel strenger dan bijvoorbeeld Duitsland en Italië.

Dat de Nederlandse overheid heeft besloten om voor (bepaalde) gasturbineonderdelen een catch-all uit te vaardigen is niet onrechtmatig, ook niet in het licht van het gegeven dat andere landen waaronder Duitsland en Italië soepeler in hun beleid zijn.

Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat de catch-all niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel tot stand is gekomen. Het verweer van de verdediging daartoe wordt verworpen.

4.6

Eindconclusie rechtmatigheidstoets

De rechtbank komt tot de conclusie dat hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet leidt tot het buiten toepassing verklaren van de catch-all van 10 februari 2009.

5 De reikwijdte van de catch-all

5.1

Het standpunt van de verdediging

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat een catch-all niet alle goederen vergunningplichtig maakt en dat aan het feit dat voor bepaalde goederen vergunning is aangevraagd en/of afgewezen, niet de conclusie mag worden verbonden dat deze goederen dus onder de reikwijdte van de catch-all vielen.

Terwijl in een eerdere catch-all die [medeverdachte 1] opgelegd kreeg, de vergunningplichtige goederen specifiek werden omschreven, wordt in de catch-all van 10 februari 2009 slechts in het algemeen gerefereerd aan “onderdelen voor gasturbines”. Wat daaronder wordt verstaan wordt in de beschikking niet nader geduid en daarom is het van belang om na te gaan wat door vertegenwoordigers van het Ministerie van Economische Zaken, en met name de heer [getuige 2] , hieromtrent is medegedeeld aan de geadresseerden van de catch-all, zo stelt de verdediging.

[getuige 2] heeft steeds wisselende verklaringen afgelegd over welke goederen onder de catch-all vielen en de verdediging komt, na bestudering van deze verklaringen tot de conclusie dat consumables en “klein materiaal” niet onder de vergunningplicht vielen.

Omdat [getuige 2] blijkens zijn verhoren niet weet wat onder de term “consumables” moet worden verstaan, dient voor de betekenis van die term volgens de verdediging te rade worden gegaan bij andere (vakkundige) bronnen.

Zij verwijst naar de getuigenverklaringen van de heer [getuige 5] bij de rechter-commissaris, en van de heer [getuige 24] ter terechtzitting, websites van producenten of leveranciers van gasturbineonderdelen en de lijsten die de verdediging ter gelegenheid van het pleidooi van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] in het geding heeft gebracht. Op deze lijsten staan alle producten opgesomd die in de tenlastegelegde exporten naar Iran zijn vervoerd. Zes personen die hoogwaardige functies bekleden in de gasturbine-industrie zijn gevraagd ten aanzien van deze producten aan te kruisen of het consumables betreffen. Behalve de goederen die onder feit 3 zijn beschreven is de meerderheid het erover eens dat alle producten op deze lijst consumables zijn.

Volgens de verdediging volgt uit het bovenstaande ten aanzien van de transporten die zijn tenlastegelegd onder de feiten 1, 2, 4, en 5 dat het niet-vergunningplichtige goederen betrof en dat ten aanzien van deze feiten vrijspraak dient te volgen.

5.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben aangevoerd dat de tekst van de catch-all duidelijk is en dat daar gesproken wordt over “gasturbine-onderdelen”. De officieren van justitie hebben verwezen naar de verhoren van [getuige 2] , die heeft verklaard dat er met [medeverdachte 1] afspraken zijn gemaakt betreffende de goederen die uitgezonderd zijn van de vergunningplicht. De officieren van justitie vinden vooral de verklaring in diens laatste verhoor van 13 april 2018 van belang. In dat verhoor verklaarde [getuige 2] dat voor alle gasturbineonderdelen (ook kleine turbineonderdelen) een vergunningplicht gold. Voor consumables gold geen vergunningplicht, maar wel een meldplicht. Over het begrip consumables zijn geen afspraken gemaakt, omdat dit begrip voor beide partijen duidelijk was. Het zijn goederen die tijdens het normale gebruik van een machine verteerd worden zonder dat ze direct bijdragen aan het product.

Alle turbineonderdelen die door verdachte en/of zijn/haar medeverdachten naar Iran zijn vervoerd en waarvan in dit dossier een verwijt wordt gemaakt, waren naar het oordeel van de officieren van justitie vergunningplichtig en niet te beschouwen als “consumables” in de betekenis die [getuige 2] daaraan hecht. Aan [getuige 2] zijn alle exportcontroledossiers voorgehouden en [getuige 2] heeft ten aanzien van al die dossiers verklaard dat het vergunningplichtige onderdelen betrof.

De verdachten wisten dat ook, gezien het feit dat [medeverdachte 1] , in de persoon van [medeverdachte 3] , diverse keren vergunningen heeft aangevraagd voor de uitvoer van onderdelen die zij thans aanduiden als consumables. Bovendien heeft [medeverdachte 1] geen bezwaar gemaakt tegen de afwijzende beschikkingen op deze vergunningsaanvragen, hetgeen wel in de rede had gelegen als [medeverdachte 1] serieus de mening was toegedaan dat [getuige 2] een bindende toezegging had gedaan dat de uitvoer van consumables van de vergunningplicht waren uitgesloten.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

5.3.1

De tekst en strekking van de catch-all

De rechtbank stelt vast dat de vergunningplicht in het leven geroepen is met het opleggen van de catch-all. Voor de beantwoording van de vraag welke goederen onder die vergunningplicht vallen, is de tekst van de catch-all dan ook in beginsel leidend.

In de catch-all staat:

“Mij is bekend geworden dat [medeverdachte 1] voornemens is om onderdelen voor gasturbines te (laten) uitvoeren naar diverse eindgebruikers in Iran.

De onderdelen voor gasturbines kunnen gebruikt worden voor andere doeleinden dan het opwekken van energie voor civiele doeleinden. Ik heb aanwijzingen dat het Iraanse ministerie van energie en de daaraan verbonden bedrijven betrokken zijn bij proliferatiegevoelige activiteiten.

De uitvoer en wederuitvoer van deze goederen zonder vergunning is, nu ik u hiervan mededeling doe, in strijd met (samengevat) artikel 4 lid 1 van de Verordening. In verband hiermee heb ik (..) besloten de uitvoer of wederuitvoer van deze goederen naar Iran zonder vergunning te verbieden. (…)”

De catch-all bezigt de term onderdelen van gasturbines en uit de tekst en context van de catch-all volgt dat de uitvoer van alle gasturbineonderdelen vergunningplichtig wordt. Immers, de reden voor het opleggen van de catch-all is dat met gasturbines elektriciteit kan worden opgewekt en dat deze elektriciteit gebruikt kan worden voor niet-civiele doeleinden en mogelijk in samenhang met de Iraanse afnemers en hun relaties tot proliferatiegevoelige activiteiten. Nu voor het opwekken van elektriciteit met een gasturbine alle onderdelen van een gasturbine noodzakelijke onderdelen zijn, kon aan de tekst van de catch-all zelf nooit het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat bepaalde gasturbineonderdelen niet onder de vergunningplicht vielen.

5.3.2

Uitzondering gemaakt op catch-all?

De vraag is dan vervolgens of op de op zichzelf niet mis te verstane tekst van de catch-all een uitzondering is gemaakt voor de goederen die onderdeel uitmaken van de tenlastegelegde exportdelicten onder de nummers 1, 2, 4 en 5. Wat betreft het derde feit heeft de verdediging immers niet weersproken dat voor deze uitvoer een vergunning vereist was.

Ten aanzien van de feiten 1, 2, 4 en 5 is dat anders. Dit betroffen goederen die door de verdediging worden aangeduid als “consumables” in de betekenis zoals in de gasturbinebranche gebezigd, te weten: alle onderdelen van een gasturbine die aan het einde van hun levensduur worden vervangen in plaats van gerepareerd. Dit in tegenstelling tot de “capital parts”, oftewel “capitals” van een gasturbine, die wel worden gerepareerd. Volgens de vedediging was de uitvoer van deze consumables van de met de catch-all in het leven geroepen vergunningplicht uitgezonderd.

Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van dit verweer, zijn enige inleidende opmerkingen van belang.

5.3.2.1 Opmerkingen vooraf

In deze strafzaak zijn door verschillende personen verklaringen afgelegd over welke goederen wel en welke niet onder de catch-all zouden vallen. Daarbij zijn ook diverse termen gebezigd die ook weer op verschillende manieren worden uitgelegd. Ook is veel gezegd over welke verklaringen meer of minder betrouwbaar zouden zijn en waarom dat het geval is.

De rechtbank stelt voorop dat voor de beantwoording van de vraag of er een uitzondering is gemaakt op de in de catch-all gebezigde term “onderdelen van gasturbines” en zo ja, welke goederen dan onder die uitzondering vallen, niet relevant is wat “in de gasturbinebranche” onder bepaalde termen wordt verstaan en evenmin wat achteraf de uitleg van die termen is van één of meer personen of getuigen in dit dossier.

Wat van belang is, is of destijds, in 2009, ná het opleggen van de (op zich duidelijke) catch-all, maar vóór het (zonder vergunning) verzenden van de betreffende goederen naar Iran, ten aanzien van die goederen door een bevoegde autoriteit een uitzondering was gemaakt op de vergunningplicht, althans dat er zijdens die autoriteit uitlatingen zijn gedaan op grond waarvan [medeverdachte 1] en/of haar medeverdachten mochten begrijpen dat dat het geval was.

De rechtbank hecht dan ook – vanzelfsprekend – de meeste waarde aan omstandigheden (kenbaar uit schriftelijke bescheiden, maar ook uitlatingen en gedragingen van betrokkenen) die zich voor hebben gedaan vóór of kort na 6 april 2010, de dag waarop verdachten zijn aangehouden. Die dag werd voor hen, maar ook voor derden, duidelijk dat zij gehoord werden voor onder meer handelen in strijd met de door de catch-all in het leven geroepen vergunningplicht.

5.3.2.2 Contra-indicaties voor de juistheid van het verweer

Eén van die omstandigheden waar de rechtbank waarde aan hecht is het feit dat [medeverdachte 1] , voor de uitvoer van vrijwel alle goederen waarvan thans wordt aangevoerd dat die niet onder de vergunningplicht vallen, wèl een vergunning heeft aangevraagd.

De verdediging heeft aangevoerd dat aan die omstandigheid geen gewicht kan worden toegekend, omdat “ [medeverdachte 1] nu eenmaal de keuze heeft gemaakt om voor alle lopende orders een vergunning aan te vragen”, maar die redenering kan de rechtbank niet volgen.

Immers uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, volgt dat de bedrijfsactiviteiten van [medeverdachte 1] voor 90% bestonden uit de verkoop van gasturbineonderdelen naar Iran. Ook is gebleken dat de handel van [medeverdachte 1] voor het grootste deel “consumable parts” betrof, in de betekenis zoals die in de gasturbinebranche wordt gebezigd. Hieruit volgt dat de catch-all, waarmee dus feitelijk de gehele bedrijfsvoering van [medeverdachte 1] werd stilgelegd, een levensgrote bedreiging vormde voor het voortbestaan van [medeverdachte 1] en dus ook grote financiële gevolgen kon hebben voor haar directeur ( [medeverdachte 3] ), indirect aandeelhouder ( [verdachte] ) werknemers (waaronder [medeverdachte 4] ) en dochteronderneming ( [medeverdachte 2] ).

Bovendien stonden er op het moment van uitbrengen van de catch-all diverse orders klaar voor verzending, waren hiervoor al kosten gemaakt, dreigden Letters of Credit te verlopen, liepen voorraden op en dreigden bankgaranties te worden getrokken door de klanten.

Daarbij moesten voor het aanvragen van de benodigde exportvergunningen diverse bescheiden worden opgevraagd en ingediend en bovendien zou de beslissing op die vergunningaanvragen mogelijk lang duren en was de uitkomst daarvan onzeker.

In het licht van het voorgaande is het onbegrijpelijk dat [medeverdachte 1] vergunningen heeft aangevraagd voor de uitvoer van goederen waarvan zij thans beweert dat die door het Ministerie van de vergunningplicht waren uitgezonderd. Geen enkele redelijk handelend onderneming of ondernemer zou in een dergelijk geval een vergunning hebben aangevraagd. Immers, indien geen vergunning verplicht was, konden de goederen rechtstreeks vanuit Nederland worden verscheept naar Iran en werd [medeverdachte 1] niet langer in haar voortbestaan bedreigd.

Het feit dat [medeverdachte 1] wèl vergunningen heeft aangevraagd, in de meeste gevallen heeft afgewacht tot daarop was beslist en geen bezwaar heeft ingediend tegen de uiteindelijke afwijzing daarvan, is dan ook een zeer sterke contra-indicatie voor het thans ingenomen standpunt dat er een afspraak met, of een toezegging van het Ministerie was dat geen vergunning vereist was voor de goederen die [medeverdachte 1] heeft uitgevoerd.

Een tweede omstandigheid die eveneens een sterke contra-indicatie is voor de juistheid van het door de verdediging ingenomen standpunt, is dat noch [medeverdachte 4] , noch [medeverdachte 3] in hun verhoren bij de FIOD, de eerste maand na hun aanhouding, melding hebben gemaakt van een met het Ministerie afgesproken uitzondering op de vergunningplicht.

Beiden hebben een maand in voorlopige hechtenis (in beperkingen) gezeten en zijn gedurende die maand meermalen intensief ondervraagd over nagenoeg alle exportcontroledelicten die thans ten laste zijn gelegd en in geen van die verhoren hebben zij aangevoerd dat er geen vergunningplicht was, zodat zij daar ook niet mee in strijd hebben kunnen handelen. Dat is opmerkelijk, nu hen bekend was dat juist dit handelen in strijd met de vergunningplicht hen in strafrechtelijke zin werd verweten.

Zelfs van [medeverdachte 3] , de directeur van [medeverdachte 1] , die de contacten met het Ministerie onderhield en die in zijn strafzaak eveneens het standpunt heeft ingenomen dat het Ministerie een uitzondering heeft gemaakt op de vergunningplicht voor zogenaamde consumables, heeft gedurende zijn eerste negen verhoren met geen woord hierover gerept.

Integendeel, tijdens zijn eerste verhoor heeft hij verklaard, op een vraag welke goederen [medeverdachte 1] uitvoerde:
“Dit betroffen tot 2009 alle aan gasturbines gerelateerde onderdelen. Na het invoeren van de vergunningplicht voor onderdelen van gasturbineonderdelen in februari 2009 zijn het voornamelijk andere goederen geworden zoals slijpstenen en casting (onderstreping rechtbank) consumables. Dit zijn onderdelen die nodig zijn bij het gieten van gasturbineonderdelen. Deze zijn niet vergunningplichtig”1

Pas bij het – door hemzelf geïnitieerde – laatste FIOD verhoor van 12 juli 20172 en zijn daaraan voorafgaande schriftelijke verklaring maakt [medeverdachte 3] voor het eerst melding van een afspraak dat “consumables” niet onder de catch-all zouden vallen en dus niet vergunningplichtig zouden zijn.

Gelet op bovengenoemde omstandigheden kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat het verweer dat consumables, in de zeer ruime betekenis die de verdediging daar thans aan hecht, er achteraf met de haren is bijgesleept.

5.3.2.3 Welke uitzondering dan wel?

Ondanks het feit dat de rechtbank niet mee gaat in het verweer van de verdediging dat alle “consumables” in de ruime zin van het woord van de vergunningplicht waren uitgesloten, staat wel vast dat tussen [medeverdachte 1] en het Ministerie gesproken is over de reikwijdte van de catch-all en dat er ook afspraken zijn gemaakt over uitzonderingen op de met de catch-all in het leven geroepen vergunningplicht. De vraag is dan hoe ruim die uitzonderingen waren en of de goederen die volgens de tenlastegelegde exportcontroledelicten zijn uitgevoerd onder deze uitzonderingen vielen. Voor de beantwoording van die vraag zijn de volgende feiten en omstandigheden relevant.

[verdachte] heeft als enige meteen bij zijn politieverhoren aangevoerd dat de uitgevoerde goederen consumables betroffen die volgens [getuige 2] niet vergunningplichtig waren.

Hij heeft daarbij verklaard dat de vergunningaanvragen voor consumables ten onrechte zijn aangevraagd omdat [medeverdachte 4] en [voormalig directeur medeverdachte 1] gewoon geen verstand van zaken hebben. 3

Als hem gevraagd wordt wat hij onder consumables verstaat, zegt hij

“alles wat eenmalig wordt gebruikt, bijvoorbeeld een teflon ringetje”, maar ook “stalen producten waar geen hoogwaardige nikkellegeringen in zijn verwerkt”.4

Uit dit verhoor blijkt echter niet op basis van welke omstandigheden [verdachte] deze uitlatingen baseert.

Voorts is van belang het e-mailbericht van [medeverdachte 3] aan o.a. [getuige 2] .5 In deze e-mail, gedateerd 26 maart 2009 en met het onderwerp “gespreksnotitie Economische zaken, [bedrijf 2] en [medeverdachte 1] maandag 23 maart 2009”, geeft [medeverdachte 3] een korte samenvatting van dat gesprek. In deze samenvatting staat onder meer en voor zover van belang:

“- De beschikking, ref. BEP/HPG/9030143, gedateerd 10 februari 2009, zoals [medeverdachte 1] die ontvangen heeft, is van toepassing op gasturbineonderdelen. Voor deze categorie producten is [medeverdachte 1] verplicht om een export-vergunning aan te vragen. Voor andere producten, bijvoorbeeld casting (onderstreping rechtbank) consumables zoals op de lijst die bij u is achtergelaten, is geen vergunningsplicht uit hoofde van deze beschikking. Verordening 1334/2000 zal uiteraard voor deze overige goederen gerespecteerd dienen te worden.

(…)

De informatie zoals beschreven in punt 3 en 4 zullen we met spoed samenstellen en opsturen in de hoop zo bij te dragen tot een goede afhandeling van de aankomende aanvragen voor een exportvergunning”6

Wat deze mail betreft verdient het opmerking dat [medeverdachte 3] deze de dag vóór verzending heeft gestuurd aan [verdachte] en [voormalig directeur medeverdachte 1] , met het onderwerp “Kan dit zo weg?”7 en dat daarop kennelijk een reactie is gekomen, nu de uiteindelijk verzonden mail op punten is aangepast. De tekst betreffende de uitzondering op de vergunningplicht, is echter ongewijzigd.

De rechtbank hecht aan deze e-mail veel betekenis. Immers, [medeverdachte 3] had, gezien de grote belangen van [medeverdachte 1] die op het spel stonden, als directeur het meeste belang bij een zo ruim mogelijke uitzondering op de met de catch-all in het leven geroepen vergunningplicht. De door [medeverdachte 3] gekozen bewoordingen van de goederen, waarvan met het Ministerie was afgesproken dat die van de vergunningplicht waren uitgezonderd, dragen dan ook veel bij aan het bewijs voor de uitleg van die uitzondering. En wat schrijft [medeverdachte 3] : De catch-all is van toepassing op gasturbineonderdelen. Voor andere producten, bijvoorbeeld casting consumables, is geen vergunningplicht.

Zo heeft [medeverdachte 3] , en de andere betrokkenen binnen [medeverdachte 1] , destijds de uitzondering kennelijk zelf begrepen.

Dat is overigens in overeenstemming met zijn verklaring bij de FIOD, die – nogmaals - luidt:

(...) Na het invoeren van de vergunningplicht voor onderdelen van gasturbineonderdelen in februari 2009 zijn het voornamelijk andere goederen geworden zoals slijpstenen en casting consumables. Dit zijn onderdelen die nodig zijn bij het gieten van gasturbineonderdelen. Deze zijn niet vergunningplichtig”8

[medeverdachte 3] ging er dus zelf vanuit dat niet-gasturbineonderdelen zoals casting consumables buiten de vergunningplicht vielen. Casting consumables zijn, zoals hij zelf ook uitlegt en ook door [verdachte] ter terechtzitting is verklaard, producten die nodig zijn bij het gieten van onderdelen van gasturbineonderdelen en dan nog specifieker de was en poeders, te weten producten die bij het gietproces verloren gaan.

Van het gesprek van 23 maart 2009, waar [medeverdachte 3] verslag van doet, zijn ook door [getuige 2] aantekeningen gemaakt, die hij als bijlage bij een e-mail van 17 november 2015 aan de rechter-commissaris heeft toegestuurd. Hierin staat – voor zover van belang -:

“- consumables, geen verg. wel melden

- turbineonderdelen: verg. per zending”

In deze aantekeningen gebruikt [getuige 2] de term consumables en niet “casting consumables”. Het wordt uit de aantekeningen niet duidelijk wat de deelnemers in het gesprek daaronder hebben verstaan. Wél is duidelijk dat het iets anders is dan “turbineonderdelen”, want volgens de aantekeningen gold daarvoor wel een vergunningplicht.

[getuige 2] is door de FIOD en later bij de rechter-commissaris diverse keren gehoord over (onder andere) afspraken met betrekking tot uitzonderingen op de vergunningplicht en zijn uitleg van de term consumables.

In zijn eerste verklaring, van 9 maart 2010, zegt [getuige 2] :

“Enige tijd na het gesprek waarin de catch-all beschikking was overhandigd, heb ik een gesprek gehad met onder andere de heer [verdachte] . De heer [verdachte] is volgens mij degene die in de onderneming [medeverdachte 1] het voor het zeggen heeft. Tijdens dit gesprek is de reikwijdte van de catch-all beschikking besproken. Hiernaar was gevraagd vanaf de zijde van [medeverdachte 1] Ik heb toen aangegeven dat 'consumables' voor het gebruik van gasturbines niet onder de reikwijdte van de beschikking vallen, maar wel losse onderdelen voor gasturbines.9

Hier valt op dat [getuige 2] het heeft over consumables, die zouden zijn uitgezonderd van de vergunningplicht. Een definitie van deze term geeft [getuige 2] in dit verhoor niet, wel blijkt uit de rest van de zin dat dit volgens hem wat anders is dan “losse onderdelen voor gasturbines”. Die vallen volgens hem immers wel onder de vergunningplicht.

In zijn verhoor van 5 oktober 2010 verklaart [getuige 2] als volgt:

“Bij nader overleg met de onderneming [medeverdachte 1] is aangegeven dat consumables (smeermiddelen, casting consumables) niet onder de reikwijdte van de beschikking vallen.”10

In dit verhoor gebruikt [getuige 2] weer de term consumables als van de vergunningplicht uitgezonderd, maar geeft hij tussen haakjes een definitie: (smeermiddelen en casting consumables). Met deze definitie sluit hij in ieder geval wat betreft de casting consumables aan bij de uitleg van [medeverdachte 3] , in zijn e-mail van 26 maart 2009.

Uit het bovenstaande leidt de rechtbank af dat er tussen [medeverdachte 1] en het Ministerie is gesproken over hetgeen onder de vergunningplicht viel en dat in die gesprekken is gezegd dat consumables, in de zin van casting consumables, niet onder de vergunningplicht vielen, maar turbineonderdelen wel.

Zijn er dan nog aanwijzingen dat de uitzondering toch nog ruimer moet worden gezien dan de casting consumables? [getuige 2] is op 25 september 2012 wederom over dit onderwerp gehoord. In dit verhoor verklaart hij over dit onderwerp:

"Na het opleggen van deze Catch-All zijn er een aantal bijeenkomsten geweest tussen vertegenwoordigers van [bedrijf 3] - [bedrijf 27] en [medeverdachte 1] enerzijds en het ministerie van EL&I anderzijds. Tijdens deze gesprekken is onder meer gesproken over de reikwijdte van de Catch-All, onder meer of consumables en [cursivering rechtbank] kleine onderdelen wel of niet onder de reikwijdte vallen. Er werd gesproken over boutjes, moertjes en smeermiddelen. Daarvan werd van de zijde van EL&I gezegd dat die niet de focus van de beschikking zijn en dus buiten de vergunningplicht van de Catch-All vallen. Alle andere onderdelen vallen wat ons betreft onder de beschrijving '(onderdelen voor) gasturbines '. Hoewel er in de gesprekken geen formele grenzen zijn getrokken of formele definities zijn gemaakt ten aanzien van de onderdelen voor gasturbines, heeft EL&I wel de indruk gekregen dat de reikwijdte van de opgelegde Catch-All beschikking duidelijk was voor [bedrijf 3] - [bedrijf 27] en [medeverdachte 1] "11

In deze verklaring komt voor het eerst aan de orde dat ook boutjes en moertjes niet onder de vergunningplicht van de catch-all zouden vallen. De verdediging concludeert op basis van deze verklaring dat ook kleine onderdelen volgens [getuige 2] niet onder de reikwijdte van de catch-all zouden vallen, maar die conclusie deelt de rechtbank niet.

[getuige 2] zegt dat gesproken is over consumables en kleine onderdelen. Net als in eerdere verhoren maakt [getuige 2] een onderscheid tussen deze twee begrippen. Het is dus duidelijk dat [getuige 2] kleine onderdelen niet beschouwt als “consumables”.

Hij zegt wel dat er gesproken is over boutjes, moertjes en smeermiddelen en dat die niet de focus van de beschikking zijn en dus buiten de reikwijdte van de catch-all vallen. Alle andere (dus ook kleine) onderdelen dus wel.

[getuige 2] is ter gelegenheid van één van zijn verhoren ten overstaan van de rechter-commissaris, te weten op 11 december 2014, uitgebreid gehoord over de term “consumables” en wat hij daaronder verstaat. Hij heeft daarover het volgende – voor zover van belang – verklaard:

“U vraagt mij wat consumables zijn. Voor mij is dat duidelijk wat daaronder wordt verstaan. Ik noem in dit verband boutjes, moertjes, smeermiddelen, machineolie, water en lucht. In het contact met [medeverdachte 1] bestond er duidelijkheid over wat daarmee werd bedoeld. Nu u mij daar nader naar vraagt, versta ik onder consumables die producten die bij een productieproces verbruikt worden zonder dat direct bijdragen aan het product. Ik geef u het voorbeeld van lucht in de zin van koeling en casting consumable van een mal. U vraagt mij of boutjes en moertjes als consumables kunnen worden beschouwd. Ik zie dit als kleine onderdelen. U vraagt mij of bekend is dat het begrip consumables in de branche wordt gebruikt. Gezien het feit dat we daar nu een discussie over hebben is dat kennelijk het geval. U toont mij een tweetal prints van [bedrijf 32] en een tweetal prints van [bedrijf 33] . U vraagt mij of de daar getoonde voorwerpen overeenkomen met mijn begrip van consumables. Nee, ik heb daar een ander begrip bij. Ik zou deze onderdelen geen consumables noemen. Ik zie afbeeldingen van plaatjes, moertjes en boutjes. Mijn eerste indruk is dat dit eerder kleine onderdelen zijn dan consumables. Ik teken er wel bij aan dat ik niet weet welke afmetingen die voorwerpen hebben. Ik kan niet zeggen of deze voorwerpen op voorhand onder de catch-all vallen of onder de uitzondering. U houdt mij voor document G1-07 pagina 3 en 4. Daar wordt gezegd dat boutjes, moertjes en smeermiddelen niet onder de catch-all vallen. De catch-all bevat een ruime omschrijving: onderdelen. De focus valt op de grote systeemonderdelen. Boutjes en moertjes vallen niet onder de catch-all beschikking en worden daar niet genoemd. Dat blijkt niet uit de beschikking. Dat is later overeengekomen tussen ministerie en onderneming. Als ik naar de prints van de [bedrijf 32] kijk, zie ik daarop complexe onderdelen. Daarover is geen afspraak gemaakt dat dit buiten de catch-all valt.”

In dit verhoor is [getuige 2] onduidelijk of hij boutjes en moertjes onder de term consumables vindt vallen. In eerste instantie zegt hij van wel, maar later corrigeert hij zichzelf. Onder de term consumables vallen volgens hem producten die bij een productieproces verbruikt worden zonder dat deze direct bijdragen aan het product. Als een van de voorbeelden noemt hij een casting consumable en daarmee sluit zijn verklaring weer aan bij de uitleg die [medeverdachte 3] in zijn gespreksverslag heeft gegeven over de uitzondering op de vergunningplicht. In die zin vallen boutjes en moertjes inderdaad niet onder de definitie van consumables, maar zijn dit kleine onderdelen. [getuige 2] zegt zelf wel expliciet dat boutjes en moertjes niet onder de vergunningplicht van de catch-all vallen, zodat de rechtbank daarvan dan ook zal uitgaan. Het standpunt van de verdediging, dat uit deze verklaring ook volgt dat alle kleine onderdelen van de vergunningplicht waren uitgezonderd, wordt niet door de rechtbank gedeeld, omdat [getuige 2] dat niet heeft verklaard en dit evenmin uit zijn verklaring voortvloeit.

[getuige 2] is op 13 april 2018 nogmaals over dit onderwerp gehoord door de FIOD. De verdediging heeft gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid om bij dit verhoor aanwezig te zijn en vragen te stellen.12 In dit verhoor heeft [getuige 2] nog – voor zover van belang – verklaard:

“Vraag:

Zijn er met [medeverdachte 1] afspraken gemaakt over consumables en kleine onderdelen in relatie tot de Catch-all-vergunningplicht? Zo ja, hoe luiden die afspraken?

Antwoord:

Ja, dat er afspraken zijn gemaakt kan ik mij herinneren. Voor de inhoud van die afspraken baseer ik me op mijn eigen aantekeningen die onderdeel uitmaken van de door u aan mij getoonde bijlage. Voor consumables geldt geen vergunningplicht maar wel een meldplicht volgens afspraak met [medeverdachte 1] en [bedrijf 3] . Voor alle turbineonderdelen dus ook kleine turbineonderdelen geldt wel een vergunningplicht.”

(…)

Vraag:

Zijn er met [medeverdachte 1] afspraken gemaakt over export van consumables naar Iran en het al dan niet melden daarvan? Zo ja, hoe luiden die afspraken?

Antwoord:

Ja, er zijn afspraken gemaakt, namelijk dat die niet onder de reikwijdte van de catch-all vallen. Ik zie in mijn aantekeningen op pagina 7 van de door u getoonde bijlage dat er echter wel een afspraak met [medeverdachte 1] is gemaakt dat de export van consumables naar Iran wel gemeld zou worden. (…) We hebben echter nooit een melding van de export van consumables gezien van [medeverdachte 1] .”

(…)

Vraag:

Wat moet in het verband van de afspraken met [medeverdachte 1] worden verstaan onder consumables?

Antwoord:

Ik denk dat er nooit afspraken over de inhoud van het begrip consumables gemaakt zijn, omdat, naar mijn idee, voor beide partijen duidelijk was wat er onder consumables werd verstaan. Ik heb tijdens verschillende verhoren geduid wat ik er onder versta.”

(…)

Vraag:

Wat moet in het verband van de afspraken met [medeverdachte 1] worden verstaan onder kleine onderdelen?

Antwoord:

In het kader van de catch-all geldt er een vergunningplicht voor alle turbineonderdelen, waaronder ik ook kleine onderdelen versta. Ik heb in een verhoor en ook tegen het bedrijf [medeverdachte 1] gezegd dat de focus van de catch-all niet zag op boutjes of moertjes. Maar formeel vallen ook die als kleine onderdelen wel onder de catch-all. Ik wil graag terugverwijzen naar mijn eerder afgelegde verklaring G01-078 p3 en 4 (…) Ik wil graag proberen scherp te definiëren, maar we hebben er nooit scherpe definities over afgesproken. Mijn interpretatie is dat boutjes en moertjes wel onder catch-all vallen.”

De rechtbank begrijpt dat [getuige 2] in dit laatste verhoor terug komt op zijn eerdere uitlatingen dat boutjes en moertjes niet onder de vergunningplicht vielen. Dit was alleen niet de focus van de catch-all. De rechtbank begrijpt de gedachtegang hierachter wel, maar is ook van oordeel dat het, gelet op de grote belangen van [medeverdachte 1] op dit onderdeel, op de weg van [getuige 2] lag om duidelijk te zijn over de omvang van de uitzondering die op de vergunningplicht was gemaakt (ondank het feit dat er geen aanwijzingen zijn dat [medeverdachte 1] zelf van een ruimere uitzondering uitging). Nu hij in ieder geval ten aanzien van casting consumables, smeermiddelen, boutjes en moertjes expliciet heeft verklaard dat die niet onder de vergunningplicht vielen, zal de rechtbank daar ook vanuit gaan. Voor het aanvaarden van een nog ruimere uitzondering op de met de catch-all in het leven geroepen vergunningplicht heeft de rechtbank geen enkele aanwijzing, laat staan bewijs in het dossier aangetroffen, zodat het verweer in zoverre wordt verworpen.

5.3.3

Conclusie ten aanzien van de reikwijdte van de catch-all

De rechtbank stelt vast dat na het opleggen van de catch-all in gesprekken over de reikwijdte daarvan zijdens het Ministerie is gezegd dat niet alle producten daaronder vielen. Ten aanzien van de uitgezonderde producten is de term “consumables” gevallen. De rechtbank stelt ook vast dat over de uitleg van de term consumables geen overeenstemming bestaat. Het Ministerie verstond daaronder, gelet op de verklaringen van [getuige 2] , in eerste instantie smeermiddelen en casting consumables.13 [medeverdachte 1] verstond daaronder destijds “casting consumables”, zoals [medeverdachte 3] in zijn e-mail van 26 maart 2009 omschrijft.14 Later is zijdens het Ministerie hieraan nog toegevoegd dat ook voor boutjes en moertjes geen vergunning vereist was.

Ter gelegenheid van één van de verhoren van [getuige 2] bij de rechter-commissaris is zijdens de verdediging naar voren gebracht dat kennelijk in de gasturbinebranche de term “consumables” wordt gebezigd en dat daaronder een veel breder assortiment van gasturbineonderdelen wordt verstaan dan boutjes, schroefjes, smeermiddelen en casting consumables. Uit het antwoord van [getuige 2] blijkt dat hij daarvan niet op de hoogte was en de uitzondering niet zo ruim heeft bedoeld.

Nu kennelijk geen van de betrokkenen bij vorenbedoelde gesprekken op het Ministerie het nodig heeft gevonden om (schriftelijk) duidelijkheid te scheppen over de producten die niet onder de catch-all vielen, [getuige 2] kennelijk niet bekend was met de betekenis van deze term in de gasturbinebranche en ook [medeverdachte 3] (gezien de inhoud van zijn e-mail en zijn verklaring bij de politie) in de tenlastegelegde periode kennelijk niet deze ruime betekenis hechtte aan de “consumables” die van de vergunningplicht waren uitgesloten, moet er vanuit worden gegaan dat alle gasturbineonderdelen onder de reikwijdte van de catch-all vielen, met uitzondering van die onderdelen waarover destijds kennelijk expliciet overeenstemming bestond. Die overeenstemming bestond over: boutjes, moertjes, smeermiddelen en casting consumables, niet meer en niet minder.

De feiten 1 tot en met 5 op de tenlastelegging zien steeds op de uitvoer van gasturbineonderdelen, anders dan boutjes, moertjes, smeermiddelen of casting consumables. Dat enkele zendingen ook boutjes en moertjes bevatten maakt dat niet anders, nu in ieder geval voor het substantiële en waardevolle deel van de zending een vergunning verplicht was. Voor deze uitvoeren was dan ook op grond van de catch-all een vergunning vereist, zodat het verweer dat dat voor de hele zending niet het geval was, niet kan slagen. De reikwijdte van de catch-all was duidelijk en daardoor was ook duidelijk welke gedragingen verboden waren.

6 De beoordeling van het bewijs

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officieren van justitie achten de tenlastegelegde feiten onder 1 tot en met 13 wettig en overtuigend bewezen, als verwoord in het schriftelijk requisitoir.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte van de tenlastegelegde feiten 1 tot en met 13 dient te worden vrijgesproken, als verwoord in het schriftelijk pleidooi.

6.3

Het oordeel van de rechtbank 15

6.3.1

De verdachten en hun onderlinge relatie

Alvorens in te gaan op de afzonderlijk tenlastegelegde feiten, zal de rechtbank eerst de relaties tussen de verschillende verdachten, te weten de rechtspersonen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de natuurlijke personen [verdachte] , [medeverdachte 3] , [voormalig directeur medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] , bespreken.16

[medeverdachte 1] is gevestigd in Venlo en houdt zich bezig met de advisering- en begeleiding van, handel met en zakelijke dienstverlening aan de gasturbine-industrie. In november 2002 werd het bedrijf overgenomen door [verdachte] .17 [verdachte] was destijds werkzaam bij [bedrijf 3] (hierna: “ [bedrijf 3] ”). Hij was daar tot 2005 directeur.18 In die tijd waren ook [medeverdachte 3] , [voormalig directeur medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] werkzaam bij [bedrijf 3] .19

In 2006 begon [verdachte] voor zichzelf met [medeverdachte 1] . De voornaamste activiteit was het vertegenwoordigen van [bedrijf 3] in Iran, Bahrein en Turkije.20 Op verzoek van [verdachte] zijn [voormalig directeur medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] met hem overgestapt naar [medeverdachte 1] .21 Ook [medeverdachte 3] werd na overleg met [verdachte] in 2007 aangenomen bij [medeverdachte 1] .22

Bij [medeverdachte 1] was [verdachte] verantwoordelijk voor het onderhouden van relaties met bedrijven. Hij was de man die boven het management van het bedrijf stond.23 Tot en met 13 maart 2009 was [voormalig directeur medeverdachte 1] directeur van [medeverdachte 1] . Daarna nam [medeverdachte 3] het directeurschap over.24

[voormalig directeur medeverdachte 1] was voornamelijk belast met de aanvraag en afwikkeling van exportvergunningen.25 [medeverdachte 3] hield zich met name bezig met het onderhouden van de contacten met de klanten en het maken van offertes voor diverse klanten. Voor een aantal zaken diende [medeverdachte 3] toestemming te vragen aan [verdachte] . In zijn dagelijkse werk had [medeverdachte 3] contact met [verdachte] en werden zaken besproken. [medeverdachte 3] had een technische achtergrond.26

[medeverdachte 4] hield zich bezig met de administratieve afhandeling van orders, na aanbod en acceptatie. Zij ontving de orders van [verdachte] of van [medeverdachte 3] .27 [medeverdachte 4] verzorgde de documenten voor het betalingsverkeer en de verschepingsopdrachten van de goederen.28 Zij sprak vier talen: Arabisch, Engels, Frans en Nederlands.29

[medeverdachte 1] was onderdeel van [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ). [bedrijf 4] was 100% aandeelhouder van [medeverdachte 1] . [verdachte] was directeur van [bedrijf 4] .30 Onder [bedrijf 4] vielen (onder andere) ook nog de Franse bedrijven [bedrijf 5] , [bedrijf 6] en [bedrijf 7] .31 [bedrijf 7] was een 100% dochteronderneming van [bedrijf 4] .32 De aandelen in [bedrijf 4] werden gehouden door de Stichting Administratiekantoor [bedrijf 4] . Het Stichtingsbestuur bestond uit de zoon en dochter van [verdachte] .33

In 2006 richtte [verdachte] [medeverdachte 2] op. Dit bedrijf is gevestigd in Bahrein en is opgericht om het Midden-Oosten te bedienen. [medeverdachte 2] is een 100% dochteronderneming van [medeverdachte 1] . [verdachte] was destijds de directeur van [medeverdachte 2] .34 [naam uitvoerend directeur medeverdachte 2] was uitvoerend directeur.35 Het bedrijf behandelde zowel lokale (Bahreinse) als buitenlandse orders. Lokale orders werden door [naam uitvoerend directeur medeverdachte 2] afgehandeld. Hij had niets te maken met de buitenlandse orders. In die zaken gaf [medeverdachte 4] de opdracht om goederen te ontvangen. Omdat Iran geen goederen kon importeren uit Europa, leverde [medeverdachte 1] goederen via [medeverdachte 2] aan Iran. Bij die orders stuurde het hoofdkantoor (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) de goederen naar Bahrein. [naam uitvoerend directeur medeverdachte 2] stuurde de goederen dan door. De financiële zaken werden verricht door [medeverdachte 1] .

Over de aard van de zendingen die naar Iran verzonden dienden te worden, werd door [medeverdachte 1] geen enkele informatie verschaft. [naam uitvoerend directeur medeverdachte 2] werd hiervan niet in kennis gesteld. Hij moest slechts zorgen voor de verzending naar het andere land.36

[verdachte] , [medeverdachte 3] , [voormalig directeur medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] hadden via een “remote desktop control” vanuit hun woonadres of vanuit het kantoor van [medeverdachte 1] in Venlo toegang tot twee computers van [medeverdachte 2] .37 [medeverdachte 3] zorgde voor de technische mogelijkheden.38 Er werd hierbij gebruik gemaakt van de navolgende pseudoniemen en e-mailadressen:

- [verdachte] : management via [email adres 1] ;

- [medeverdachte 3] : [pseudonaam voor medeverdachte 3] via [email adres 2] ;

- [voormalig directeur medeverdachte 1] : [pseudonaam voormalig directeur medeverdachte 1] via [email adres 3] ;

- [medeverdachte 4] : [pseudonaam medeverdachte 4] via [email adres 4] .39

Verder had [medeverdachte 1] nog een vertegenwoordiger in Iran, een bedrijf genaamd [bedrijf 17] , ook wel genaamd [bedrijf 17] . Dit agentschap in Iran was noodzakelijk om zaken te kunnen doen in Iran.40

6.3.2

De catch-all

Op 10 februari 2009 werd door het Ministerie van Economische Zaken aan [medeverdachte 1] te Venlo, ter attentie van de (toenmalige) directeur [voormalig directeur medeverdachte 1] , een catch-all afgegeven, waarin kenbaar werd gemaakt dat de uitvoer of wederuitvoer van gasturbineonderdelen naar Iran zonder vergunning verboden was.41 De catch-all werd aan [voormalig directeur medeverdachte 1] overhandigd tijdens een gesprek bij het Ministerie van Economische Zaken.42 [voormalig directeur medeverdachte 1] heeft verklaard dat iedereen bij [medeverdachte 1] op de hoogte was van de catch-all,43 hetgeen door [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] ook wordt erkend.44

Na het afgeven van de catch-all vonden er nog gesprekken plaats tussen het Ministerie van Economische Zaken en vertegenwoordigers van [medeverdachte 1] , te weten [verdachte] , [medeverdachte 3] en [voormalig directeur medeverdachte 1] , over de reikwijdte van de catch-all en de lopende vergunningaanvragen.45

Bij [medeverdachte 1] bestond in de jaren 2008 en 2009 ongeveer driekwart van de omzet uit handel buiten de Europese Unie.46 [medeverdachte 4] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] , als gevolg van het afgeven van de catch-all, in de financiële problemen terechtkwam en problemen kreeg met haar klanten. Voor de bestaande orders, die al betaald waren, werd gekeken naar een andere route. De goederen zijn uiteindelijk via andere ondernemingen, die in andere landen gevestigd waren, bij de klanten in Iran afgeleverd. [medeverdachte 4] kreeg van [verdachte] de opdracht om de logistiek van deze gewijzigde routes in orde te maken.47

[verdachte] heeft verklaard dat er voor goederen die al waren verkocht voor het afgeven van de catch-all, is gekozen voor een andere route. Hij wist vooraf dat deze leveringen uiteindelijk bij de eindgebruiker in Iran terecht zouden komen.48

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat er gezocht is naar routes om goederen in Iran te krijgen. Bij iedere zending is apart bekeken welke route de betreffende goederen moesten volgen.49

[getuige 26] , financieel directeur bij [bedrijf 4] , heeft verklaard dat hij naar aanleiding van het verbod op export naar Iran aan [verdachte] heeft gevraagd of er wel geld binnenkwam. [verdachte] verzekerde hem dat er geld binnen zou komen via [medeverdachte 2] .50 Uit financieel onderzoek is gebleken dat een substantieel deel van de omzet in 2009 van [medeverdachte 1] is verlegd van [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] .51

6.3.3

De feiten

Feiten 1 en 6:

Vóór het afgeven van de catch-all had [medeverdachte 1] al meerdere koopovereenkomsten gesloten met verschillende Iraanse klanten. Zo bestelde [bedrijf 8] , onder ordernummer 6148852 twee kisten met turbineonderdelen.53 Er was ook een bestelling van [bedrijf 9] onder ordernummer 6111054 voor drie kisten met turbineonderdelen.55 [bedrijf 10] plaatste twee bestellingen onder de ordernummers 60777 en 6292. Beide bestellingen bestonden uit een kist met turbineonderdelen.56

Voor de ordernummers 61488, 61110 en 6292 werden door [medeverdachte 3] , nadat de catch-all was afgegeven, namens [medeverdachte 1] exportvergunningen aangevraagd.57 De aanvragen werden afgewezen.58

Omleidingsroute [medeverdachte 1] – [bedrijf 11] (Duitsland) – [bedrijf 12] (Dubai) – [medeverdachte 2] (Bahrein) – [bedrijf 8] , [bedrijf 9] en [bedrijf 10] (Iran)

[medeverdachte 4] heeft verklaard dat de goederen waarvoor geen vergunning werd verkregen werden opgeslagen in de opslagloods bij [bedrijf 13] (Venlo). De orders 61488, 60777, 6292 en 61110 werden samengevoegd en onder een nieuw ordernummer als één partij verkocht aan [bedrijf 11] in Duitsland.59

De in totaal zeven kisten werden samengevoegd onder ordernummer 62811.60 [medeverdachte 3] benaderde enkele bedrijven via e-mail en bood de kisten met gasturbineonderdelen aan voor een bedrag van € 200.000,-. Deze e-mail werd in kopie verzonden aan [verdachte] en [voormalig directeur medeverdachte 1] .61

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat er voor deze levering van gasturbineonderdelen gezocht is naar een alternatieve route om deze goederen in Iran te krijgen.62

Op 23 oktober 2009 werd door [getuige 4] , namens [bedrijf 11] te Essen (Duitsland), per e-mail een bod gedaan van € 190.000,-. De e-mail was gericht aan [verdachte] .63 [verdachte] gaf daarop per e-mail aan [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [voormalig directeur medeverdachte 1] de opdracht “het in gang te zetten”.64 [medeverdachte 3] mailde naar [bedrijf 11] dat het bod geaccepteerd werd. De mail werd in kopie verzonden aan [verdachte] , [voormalig directeur medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] .65

[getuige 4] ( [bedrijf 11] ) heeft verklaard dat [medeverdachte 1] bij voornoemde transactie aan de touwtjes trok. [medeverdachte 1] verzekerde [getuige 4] dat [bedrijf 12] een bestelling zou plaatsen.66

Via het e-mailadres van [pseudonaam voormalig directeur medeverdachte 1] ( [voormalig directeur medeverdachte 1] ) werd een bericht verstuurd aan [getuige 5] , directeur van [bedrijf 12] te Dubai, waarin werd aangeraden een bestelling te plaatsen ter waarde van
€ 200.000,- bij de klant (de rechtbank begrijpt [bedrijf 11] ).67

Op 4 november 2009 stuurde [bedrijf 12] een bestelling per e-mail naar [medeverdachte 3] , welk bericht in kopie ook naar [medeverdachte 4] werd gestuurd. [medeverdachte 4] antwoordde dat de bestelling bij [bedrijf 11] geplaatst moest worden. Dit bericht werd in kopie ook naar [medeverdachte 3] verzonden.68 Vervolgens plaatste [bedrijf 12] op 7 november 2009 een bestelling bij [bedrijf 11] voor de aanschaf van de goederen voor een bedrag van € 200.000,-.69

[getuige 5] ( [bedrijf 12] ) heeft verklaard dat hij met [verdachte] een afspraak maakte over deze opdracht. [verdachte] vertelde [getuige 5] bij welke onderleverancier hij de onderdelen kon krijgen, in dit geval [bedrijf 11] . [getuige 5] ontving voor dezelfde goederen weer een kooporder van [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ). [getuige 5] sprak met [verdachte] een zogenaamde “handling fee” van 1,5% af.70[bedrijf 12] bracht vervolgens een bedrag van € 203.000,- in rekening bij [medeverdachte 2] .71 De factuur werd op 29 maart 2010 betaald.72

[verdachte] heeft verklaard dat de logistiek van deze zendingen, in overleg met hem, werd geregeld door [medeverdachte 4] .73

[medeverdachte 4] heeft verklaard dat zij, in opdracht van [verdachte] of [medeverdachte 3] , ervoor heeft gezorgd dat de order aan [bedrijf 11] werd geleverd.74 Zij verzorgde de administratieve afwikkeling, zodat het er op leek dat de goederen waren verkocht aan [bedrijf 11] en dat [bedrijf 11] de goederen had doorverkocht aan [bedrijf 12] in Dubai. In feite werd [bedrijf 11] in deze alleen gebruikt om de goederen uiteindelijk toch richting Iran te kunnen vervoeren. [bedrijf 12] verkocht de order vervolgens aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] leverde de goederen in Iran. [medeverdachte 4] kreeg van [verdachte] of [medeverdachte 3] , die dit dan weer van [verdachte] hoorde, te horen via welke ondernemingen de omleidingsroute moest plaatsvinden. [medeverdachte 4] bleef zich, als zichzelf of als (pseudoniem) [pseudonaam medeverdachte 4] , met deze zending bemoeien totdat deze order werd afgeleverd in Iran.75

In november 2009 vond er telefonisch en per e-mail overleg plaats tussen [medeverdachte 4] en het Duitse transportbedrijf [bedrijf 14] over het transport van de zeven kisten vanuit de opslagplaats in Venlo naar het vliegveld in Düsseldorf.76 Op 22 december 2009 werden de kisten opgehaald in de opslagplaats in Venlo.77 Op de douaneaangifte, gedateerd 22 december 2009, stond [bedrijf 11] als verzender/uitvoerder vermeld. De ontvanger was [bedrijf 12] .78

In de administratie van [medeverdachte 1] werd een factuur van 22 december 2009 aangetroffen, waarin [medeverdachte 1] een bedrag van € 186.600,- in rekening bracht bij [bedrijf 11] (factuur INV. 20091222-62811).79 De factuur werd door [bedrijf 11] op 16 juni 2010 betaald.80

Op 23 december 2009 belde [getuige 4] van [bedrijf 11] met [medeverdachte 3] . [getuige 4] deelde mede dat hij een factuur had gestuurd naar [bedrijf 12] en vroeg aan [medeverdachte 3] of dit juist was. [medeverdachte 3] bevestigde dit.81 Deze factuur ad € 200.000,- werd volgens [getuige 4] eind december 2009 betaald door [bedrijf 12] .82

[verdachte] heeft verklaard dat de route werd gekozen voor een paar oude orders van [medeverdachte 1] van voor het afgeven van de catch-all. [verdachte] wist vooraf dat de goederen uiteindelijk bij de eindafnemer in Iran terecht zouden komen. Hij legde contact met [bedrijf 12] en probeerde de goederen aan [bedrijf 12] te verkopen. [bedrijf 12] was niet geïnteresseerd, maar hielpen wel mee om de goederen bij de uiteindelijke afnemer te krijgen. [bedrijf 12] had geen vergunning nodig om vanuit Dubai aan [medeverdachte 2] in Bahrein te leveren.83

In december 2009 werd door [pseudonaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) per e-mail aan een medewerker van [bedrijf 12] uitleg gegeven over de verdeling van de kisten. De kisten van ordernummers 61488, 60777 en 6292 werden cash betaald en konden direct door naar de afnemers. De kisten met ordernummers 61111 moesten in afwachting van de betaling worden vastgehouden.84

Op 28 december 2009 werden alle kisten vanuit Düsseldorf naar Dubai gevlogen.85 [pseudonaam medeverdachte 4] instrueerde daarna de vervoerder in Dubai dat de goederen bestemd voor [bedrijf 8] en [bedrijf 10] via Iran Air direct bij de klanten konden worden afgeleverd.86 Deze goederen werden op 27 januari 2010 vervoerd.87 De goederen voor [bedrijf 9] moesten in Dubai worden opgeslagen in afwachting van de afhandeling van de betaling.88 De goederen voor [bedrijf 9] werden uiteindelijk medio maart via de havens van Bahrein en Bandar Abbas in Iran geleverd.89

Op 3 januari 2010 stuurde [medeverdachte 2] een factuur naar [bedrijf 8] voor order 61488 en [bedrijf 10] voor de orders 60777 en 6292.90 Op 3 maart 2010 stuurde [medeverdachte 2] een factuur naar [bedrijf 9] voor order 61110.91

[naam uitvoerend directeur medeverdachte 2] heeft verklaard dat de factuur voor ordernummer 6292 in eerste instantie door [medeverdachte 1] aan de zending werd toegevoegd. De factuur was opgesteld door [medeverdachte 1] op briefpapier van [medeverdachte 2] . Er stond een kopie van de stempelafdruk van [medeverdachte 2] op en de factuur was voorzien van de handtekening van [naam uitvoerend directeur medeverdachte 2] . Nadat de autoriteiten in Bahrein deze factuur weigerden te autoriseren, kreeg [naam uitvoerend directeur medeverdachte 2] alle relevante factuurgegevens opgestuurd per email en heeft [naam uitvoerend directeur medeverdachte 2] alsnog een (originele) factuur opgemaakt.92

Feiten 2 en 7:

Op 4 maart 2009 heeft het Iraanse bedrijf [bedrijf 15] een zogenoemde purchase order geplaatst voor de levering van gasturbineonderdelen (shroud blokken) bij [medeverdachte 1] onder ordernummers 61748 (ad € 128.088,-) en 61750 (ad € 107.572,-).93

[medeverdachte 3] vroeg namens [medeverdachte 1] de exportvergunningen aan.94 Deze aanvragen werden op 16 november 2009 afgewezen.95

Omleidingsroute [medeverdachte 1] – [bedrijf 7] (Frankrijk) – [bedrijf 12] (Dubai) – [medeverdachte 2] (Bahrein) – [bedrijf 15] (Iran)

De orders van [medeverdachte 1] werden bij schrijven van 11 augustus 2009, gericht aan de klant [bedrijf 15] , overgedragen aan [medeverdachte 2] . De brief werd (middels een digitale handtekening) ondertekend door [medeverdachte 3] . In de brief stond vermeld dat de verantwoordelijkheid (afspraken en garanties) bij [medeverdachte 1] bleef.96 Per brief van [medeverdachte 2] werd aan [bedrijf 15] bevestigd dat zij de betaling via een zogenaamde letter of credit accepteerden.97 Voornoemde stukken werden als bijlagen bij een door [voormalig directeur medeverdachte 1] verstuurde e-mail meegezonden. De e-mail met bijlagen werd in kopie verzonden aan [verdachte] en [medeverdachte 3] .98

Op 4 november 2009 stuurde [getuige 5] van [bedrijf 12] te Dubai een e-mailbericht naar [medeverdachte 4] met een bestelling van de ordernummers 61748 en 61750. Het betrof een bestelling van dezelfde goederen als die eerder door [bedrijf 15] bij [medeverdachte 1] waren gekocht. Het bericht werd in kopie naar [medeverdachte 3] , [verdachte] en [voormalig directeur medeverdachte 1] gestuurd.99

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat voor ordernummers 61748 en 61750 is gezocht naar een alternatieve route. Hij wist dat de goederen uiteindelijk naar Iran moesten.100

[voormalig directeur medeverdachte 1] heeft verklaard dat, nadat de vergunningaanvragen voor de transporten waren afgewezen, de goederen via [bedrijf 7] naar Bahrein zijn gegaan. De goederen zijn via Frankrijk uitgevoerd. Zij gaat er van uit dat de goederen uiteindelijk bij [bedrijf 15] zijn aangekomen. Uiteindelijk is het [medeverdachte 1] geweest die is opgetreden als exporteur in de zin van de verordening.101

[medeverdachte 4] heeft verklaard dat zij opdracht kreeg van [verdachte] en [medeverdachte 3] om de orders via [bedrijf 7] naar [bedrijf 12] te sturen. [medeverdachte 4] heeft deze opdracht uitgezet. Ook maakte zij in opdracht van [verdachte] en [medeverdachte 3] de factuur op en verstuurde zij deze. De factuur kreeg een nieuw volgnummer, te weten 62812 en had betrekking op de ordernummers 61748 en 61750. De order ging uiteindelijk gewoon naar [bedrijf 15] in Iran. [medeverdachte 4] wist dat zij bij een omleidingsroute betrokken was op het moment dat zij [medeverdachte 2] ging helpen.102

In de administratie van [medeverdachte 1] werd een kopie van een factuur van 11 januari 2010 (invoice 2010-003) aangetroffen voor ordernummer 62812. Hierbij bracht [medeverdachte 1] een bedrag van € 204.660,- in rekening bij [bedrijf 12] .103 Deze factuur bleek ten tijde van het onderzoek (op 6 december 2010) nog niet te zijn betaald.104 [getuige 5] heeft verklaard dat deze factuur niet is betaald door [bedrijf 12] . [bedrijf 12] heeft ook geen geld ontvangen van [medeverdachte 2] .105

Op 18 november 2009 vroeg [medeverdachte 4] een offerte aan bij transportbedrijf [bedrijf 13] voor het vervoer van in totaal 10 kisten van ordernummers 61748 en 61750.106 Er werd een offerte uitgebracht voor het vervoer op 19 november 2009 van de opslagplaats in Venlo naar [bedrijf 7] in Belfort (Frankrijk).107 [medeverdachte 4] gaf opdracht het transport uit te voeren.108 Op de factuur van [bedrijf 13] aan [medeverdachte 1] werden drie ordernummers vermeld, te weten 61748, 61750 en 62812.109

Op 8 januari 2010 stuurde [medeverdachte 4] twee pro forma facturen naar [bedrijf 7] . Hierop stond het briefhoofd van [bedrijf 7] . Ook stond hierop vermeld dat de goederen waren verkocht aan [bedrijf 12] te Dubai.110 [getuige 22] (werkzaam bij [bedrijf 7] ) heeft verklaard dat deze facturen niet door [bedrijf 7] zijn opgemaakt, maar door [medeverdachte 1] .111

Op de douaneaangifte van de betreffende ordernummers van 11 januari 2010 stond [bedrijf 7] als exporteur vermeld. De goederen werden vervoerd van Belford (Frankrijk) naar Bahrein.112 Uit een e-mailbericht van [pseudonaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) aan [bedrijf 12] op 12 januari 2010 blijkt dat de shroud blokken inmiddels naar Bahrein waren verzonden. [pseudonaam medeverdachte 4] verzocht [bedrijf 12] om twee pro forma facturen op te maken voor [medeverdachte 2] en deze naar haar toe te sturen, zodat zij de goederen kon uitvoeren vanaf Bahrein naar hun klanten. Door [getuige 6] van [bedrijf 12] werd aan dit verzoek voldaan. Tevens vroeg hij de facturen goed na te kijken en aan te geven als er iets veranderd moest worden.113

Blijkens de factuur van 15 februari 2010 werden de goederen voor een bedrag van
€ 207.729,90 door [bedrijf 12] aan [medeverdachte 2] verkocht.114 [getuige 5] heeft verklaard dat hij geen geld heeft ontvangen van [medeverdachte 2] . Hij maakte met [verdachte] een afspraak over een handling fee van 1,5%.115

Daarvoor, blijkens een factuur van 12 januari 2010, werden de goederen door [medeverdachte 2] aan [bedrijf 15] gefactureerd voor een bedrag van € 235.660,-.116

Op 17 januari 2010 werden de goederen van Bahrein naar Iran vervoerd.117

Feiten 3 en 8:

Omleidingsroute [medeverdachte 1] – [bedrijf 16] (Saoedi-Arabië) – [medeverdachte 2] (Bahrein) – [bedrijf 17] (Iran)

Op de server van [medeverdachte 1] is een bestand aangetroffen, genaamd ET62580. Dit betreft een document, gedateerd 10 oktober 2009 en ondertekend door [medeverdachte 3] waarin namens [medeverdachte 1] een offerte wordt uitgebracht aan het bedrijf [bedrijf 16] te Saoedi-Arabië (hierna: “ [bedrijf 16] ”) voor turbineonderdelen, te weten drie sets FS6 blades, onder ordernummer 62680.118 Op de server is ook een bestand aangetroffen dat een purchase order bevat, gedateerd 14 december 2009, op briefpapier van [bedrijf 16] . Deze purchase order verwijst naar de offerte, maar de bedragen op deze order staan vermeld in Saoedische Rials, in plaats van in euro’s.119 [getuige 7] , werkzaam bij [bedrijf 16] , heeft verklaard dat hij niets weet van de bestelling van drie sets turbineonderdelen.120

In de administratie van [medeverdachte 1] werd een factuur van 30 december 2009 (INV. 62680) aangetroffen. De factuur was van [medeverdachte 1] gericht aan [bedrijf 16] en had betrekking op vijf kisten met drie sets turbineonderdelen.121 [medeverdachte 4] heeft verklaard dat zij deze factuur van [medeverdachte 1] aan [bedrijf 16] heeft opgemaakt op verzoek van haar bazen.122

De goederen werden door [medeverdachte 1] ingekocht bij [bedrijf 3] . De inkooporder, die betrekking had op drie sets FS6 blades ter waarde van € 120.758,82, was ondertekend door [medeverdachte 3] . Op de inkooporder stond vermeld: “Inquiry Bandar Abbas Oil Refenery”.123 Op de factuur van 18 december 2009 van [bedrijf 3] aan [medeverdachte 1] stond vermeld dat de onderdelen onderworpen zijn aan exportcontrole, dat het niet is toegestaan de goederen te verschepen of te verkopen aan Iran en dat voor de export uit de Europese Unie een vergunning noodzakelijk is.124

Op de uitvoeraangifte van 30 december 2009 stond [medeverdachte 1] als exporteur vermeld van vijf kisten inhoudende turbineonderdelen.125

[medeverdachte 4] regelde het transport en de uitvoerformaliteiten.126 Zij heeft verklaard dat zij van [verdachte] een purchase order kreeg van [bedrijf 16] , met het verzoek het transport naar Saoedi-Arabië te regelen. Zij heeft documenten gezien waaruit bleek dat de goederen van order 62680 uiteindelijk bij [bedrijf 17] (de rechtbank begrijpt: [bedrijf 17] , ook wel [bedrijf 17] ) in Iran zijn afgeleverd door [medeverdachte 2] te Bahrein.127

Op 30 december 2009 belde [medeverdachte 4] met het transportbedrijf [bedrijf 18] over een zending van vijf kisten die naar Bahrein moesten voor een klant in Saoedi-Arabië.128 De kisten werden een dag later door [bedrijf 18] opgehaald bij [bedrijf 13] te Venlo.129

[medeverdachte 4] stuurde een e-mail naar [pseudonaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) met in de bijlage een rekening van [bedrijf 16] te Saoedi-Arabië aan [medeverdachte 2] te Bahrein voor drie sets turbineonderdelen. De factuur dateerde van 30 december 2009.130 [getuige 7] ( [bedrijf 16] ) heeft verklaard dat deze factuur niet voorkwam in de administratie van [bedrijf 16] .131

Ook stuurde [medeverdachte 4] een e-mail met een [getuige 23] als bijlage naar [pseudonaam medeverdachte 4] . Uit dit stuk bleek dat de vijf kisten werden vervoerd in naam van [bedrijf 16] van Amsterdam naar Bahrein ter attentie van [medeverdachte 2] .132

In januari 2010 stuurde [pseudonaam medeverdachte 4] een e-mail naar [medeverdachte 4] met instructies voor de export.133 Later stuurde [pseudonaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) een e-mailbericht naar [naam uitvoerend directeur medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ), met het verzoek enkele documenten, waaronder de exportfactuur van [medeverdachte 2] , aan [bedrijf 17] te Iran te printen en te waarmerken.134

De vijf kisten werden vanuit Amsterdam naar Bahrein vervoerd, waar de goederen op 12 januari 2010 werden geleverd.135 Een dag later vertrokken de goederen naar Teheran (Iran).136

In de administratie van [medeverdachte 1] werd een rekening aangetroffen van [medeverdachte 2] aan [bedrijf 17] te Iran, gedateerd 4 januari 2010.137

Feiten 4 en 9:

Op 1 december 2008 bracht [medeverdachte 1] onder ordernummer 61801 een offerte uit voor gasturbineonderdelen, te weten in totaal 59 FS9 onderdelen, voor een bedrag van
€ 239.669,65.138 Door [bedrijf 19] te Iran werd een bestelling geplaatst voor deze 59 onderdelen.139 In de periode van 28 februari 2009 tot en met 5 oktober 2009 kocht [medeverdachte 1] de onderdelen in.140

Op 12 juni 2009 vroeg [medeverdachte 3] namens [medeverdachte 1] een exportvergunning aan.141 Deze werd op 23 november 2009 afgewezen.142 In de tussentijd, op 4 augustus 2009, werd er namens [bedrijf 19] een letter of credit geopend ten gunste van [medeverdachte 1] .143

Omleidingsroute [medeverdachte 1] – [bedrijf 20] (Verenigd Koninkrijk) – [bedrijf 12] (Dubai) – [medeverdachte 2] (Bahrein) – [bedrijf 19] (Iran)

Op 27 juli 2009 stuurde [getuige 8] ( [bedrijf 17] , ook wel [bedrijf 17] ) een e-mailbericht naar [medeverdachte 4] en in kopie aan [voormalig directeur medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . In de e-mail werd verwezen naar ordernummer 61801. [getuige 8] vroeg [medeverdachte 4] de status door te geven van de order. Ook wilde hij advies of het acceptabel is om de letter of credit naar het kantoor in Bahrein te wijzigen. In dat geval had hij verschillende documenten nodig, welke documenten hem op 6 augustus 2009 door [voormalig directeur medeverdachte 1] werden verstrekt.144

In augustus 2009 vond e-mailverkeer plaats tussen [getuige 8] en [voormalig directeur medeverdachte 1] , die in kopie werd gestuurd aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . [getuige 8] wilde weten hoe het zat met de verzending van reserveonderdelen naar [bedrijf 19] met ordernummer 61801. [getuige 8] gaf aan dat de klant had aangegeven dat zij de bestelling zouden annuleren als de herziene pro forma morgen niet werd overgelegd. Uiteindelijk reageerde [voormalig directeur medeverdachte 1] door te schrijven dat er aan de kwestie gewerkt werd en dat ze het zouden bespreken met [verdachte] .145

Op 20 november 2009 voerde [verdachte] een telefoongesprek met [getuige 9] (directeur [bedrijf 20] ). [verdachte] deelde [getuige 9] mede dat hij afzonderlijke onderdelen had. [verdachte] zei dat hij wist dat [getuige 9] ze niet zou kopen, maar er was iemand die ze wel wilde kopen. Aan deze klant kon [verdachte] ze echter niet verkopen. [verdachte] vroeg [getuige 9] om de goederen te kopen en dan door te verkopen aan die klant. [getuige 9] gaf desgevraagd aan voor deze dienst 3% te willen ontvangen. [verdachte] gaf aan dat dit goed was.146

Op 9 december 2009 stuurde [medeverdachte 3] , onder verwijzing naar ordernummer 62836, een e-mailbericht naar [getuige 9] , waarin hij refereerde aan een eerder gevoerd telefoongesprek. [medeverdachte 3] schreef dat de minimumprijs voor de onderdelen € 100.000,- “ex work” was. In de bijlage bevond zich een overzicht van de onderdelen: 59 FS9 onderdelen.147

Op 14 december 2009 belden [verdachte] en [getuige 9] met elkaar. [verdachte] deelde mede dat [getuige 9] een aankooporder bij hem moest plaatsen. [getuige 9] zou dan een officiële aankooporder van de koper krijgen. Verder vertelde [verdachte] dat [getuige 9] een offerte/prijsopgaaf plus 3% naar de eindgebruiker moest sturen. [getuige 9] zei dat hij er in feite € 3.000,- bovenop moest doen, hetgeen [verdachte] bevestigde.148

Diezelfde dag stuurde [getuige 9] een e-mailbericht naar [verdachte] en [medeverdachte 3] , met als bijlage de bestelling van de onderdelen. In de mail stond de verkoopprijs ad € 103.000,- vermeld. [getuige 9] verzocht [verdachte] en [medeverdachte 3] een bevestiging te sturen als dit was wat ze bedoelden. Als er wijzigingen nodig waren, dan moesten zij [getuige 9] adviseren voordat [getuige 9] zou bevestigen aan de eindgebruiker.149 [verdachte] belde met [getuige 9] om te zeggen dat [getuige 9] een aankooporder van [bedrijf 12] kreeg. [getuige 9] gaf aan dat ze probeerden een transport naar Frankrijk te organiseren. [verdachte] gaf aan dat ze het zo moesten doen als [medeverdachte 4] aangaf.150

[pseudonaam medeverdachte 4] stuurde een e-mail naar [bedrijf 12] , waarin zij verzocht morgen een aankoopopdracht te sturen naar [bedrijf 26] . De kisten moesten in transito blijven en zouden rechtstreeks naar [medeverdachte 2] worden gestuurd. [medeverdachte 4] gaf verder instructie voor het transport en de aan te leveren documenten.151 In de bijlage bij deze e-mail bevond zich een overzichtslijst met 59 gespecificeerde onderdelen voor een totaalprijs van € 103.000,-.152

[getuige 5] ( [bedrijf 12] ) heeft verklaard dat hij over deze order afspraken met [verdachte] heeft gemaakt.153

Op 23 december 2009 vonden er meerdere gesprekken plaats tussen [medeverdachte 4] en [getuige 9] , waarin de organisatie van het transport werd besproken.154

[medeverdachte 4] liet op 24 december 2009 per e-mail aan transportbedrijf [bedrijf 13] weten dat er zes kisten klaarstonden in de opslagruimte, waarbij werd verwezen naar ordernummer 61801.155 Op 29 december 2009 vond het transport van de kisten naar Dubai plaats.156

Op 3 januari 2010 stuurde [medeverdachte 4] een e-mailbericht naar [getuige 9] . In de bijlage bevond zich een rekening op naam van [bedrijf 20] Ltd te Wexham (INV. 20091231-62836) voor een bedrag van € 100.000,-.157

Op 11 januari 2010 belde [verdachte] met [medeverdachte 4] . Uit het gesprek blijkt dat [getuige 5] ( [bedrijf 12] ) boos is. [getuige 6] (medewerker van [bedrijf 12] ) had gebeld met [getuige 9] ( [bedrijf 26] ) om te zeggen dat hij de factuur rechtstreeks naar [medeverdachte 2] moest sturen. [getuige 9] belde vervolgens naar [medeverdachte 4] om te vragen wat dat voor een onzin was. Hij wilde weten waarom zij die dingen niet rechtstreeks, maar via hem, naar [medeverdachte 2] stuurden. [verdachte] vroeg of de goederen weg waren bij [getuige 9] . [medeverdachte 4] zei dat de goederen al in Dubai waren.158

In de administratie van [medeverdachte 1] werd een factuur aangetroffen van [bedrijf 12] aan [medeverdachte 2] d.d. 15 december 2010 (ordernummer 61801) voor een bedrag van € 104.545.159 [getuige 5] ( [bedrijf 12] ) heeft verklaard dat de rekening op 29 maart 2010 werd betaald door [medeverdachte 2] . Op 3 april 2010 betaalde [getuige 5] de rekening van [bedrijf 26] .160

Uit een vervoersdocument blijkt dat de zes kisten met 59 onderdelen op 25 januari 2010 zijn vervoerd namens [medeverdachte 2] naar [bedrijf 19] in Iran.161

[getuige 9] heeft verklaard dat er één zakelijke transactie heeft plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 26] onder ordernummer 62836. In november 2009 nam [verdachte] contact met hem op over overtollige reserveonderdelen voor gasturbines die [medeverdachte 1] wilde verkopen. [verdachte] had reeds een klant voor deze onderdelen, te weten [bedrijf 12] . [bedrijf 12] zou de goederen echter niet rechtstreeks van [medeverdachte 1] kunnen kopen. [medeverdachte 1] bood daarom aan de goederen te verkopen aan [bedrijf 26] , als [bedrijf 26] de goederen vervolgens zou verkopen aan [bedrijf 12] .

[getuige 9] kwam met [medeverdachte 1] overeen dat hij de onderdelen voor € 100.000,- zou kopen en vervolgens voor € 103.000,- zou verkopen aan [bedrijf 12] . [getuige 9] was niet betrokken bij de onderhandelingen tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 12] .

De goederen zijn van Nederland naar Dubai vervoerd. Ze zijn niet via het Verenigd Koninkrijk vervoerd.

[getuige 9] heeft de betaling van de goederen van [bedrijf 12] pas op 6 april 2010 ontvangen. Toen hij de betaling van [bedrijf 12] had ontvangen, heeft hij de factuur van [medeverdachte 1] betaald.162

Feiten 5 en 10:

Op 4 december 2008 stuurde [medeverdachte 1] een offerte naar [bedrijf 21] te Teheran (Iran) voor acht sets FS9 onderdelen voor een bedrag van € 526.944,-, onder verwijzing naar ordernummer 61864.163

Bij [medeverdachte 2] werd een afschrift aangetroffen van een contract, gedateerd 1 februari 2008, tussen [bedrijf 21] en [medeverdachte 1] voor levering van vier sets shroud blokken met ordernummer 60907.164

In de administratie van [medeverdachte 1] werden twee inkooporders aangetroffen van shroud blokken, onder verwijzing naar 11864 en 10907.165 [medeverdachte 4] heeft verklaard dat de ordernummers later zijn gewijzigd naar respectievelijk 61864 en 60907.166

Omleidingsroute [medeverdachte 1] – [bedrijf 6] (Frankrijk) – [medeverdachte 2] (Bahrein) – [bedrijf 21] / [bedrijf 21] (Iran)

Op 5 juni 2009 liet [medeverdachte 1] per mail aan [getuige 10] ( [bedrijf 21] ) weten dat de 12 sets naar verwachting in een keer verstuurd konden worden. [getuige 10] mailde terug dat de laatste pro forma factuur gecontroleerd moest worden. Als alles klopte, zou hij [bedrijf 21] vragen om een aankoopopdracht op te maken ten gunste van [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ). Op 6 juni 2009 werd door [medeverdachte 4] aan dit verzoek voldaan.167 Op de pro forma invoice werd onder andere verwezen naar de ordernummers 60907 en 61864. Als verkoper stond [medeverdachte 2] vermeld en als koper [bedrijf 21] . De pro forma invoice was ondertekend door [medeverdachte 3] .168

Op 23 juni 2009 stuurde [medeverdachte 4] een e-mail naar [getuige 11] van [bedrijf 6] (Offemont, Frankrijk), waarin [medeverdachte 4] aangaf dat de container op 24 juni Venlo zou verlaten en op weg zou zijn naar [bedrijf 6] . Er moest een verzekering worden afgesloten voor een bedrag van € 2.280.054,-. Ook stuurde [medeverdachte 4] een factuur en een paklijst die met het transport meegegeven moesten worden.169 De factuur (INVOICE NO. 20090624-C1-C2-C3-C4-C5 B) die was bijgevoegd was op naam van [bedrijf 6] en gericht aan [medeverdachte 2] voor een bedrag van € 2.280.054,-.170

Op de uitvoeraangifte, gedateerd 26 juni 2009, stond [bedrijf 6] in Offemont (Frankrijk) als exporteur en [medeverdachte 2] als aankoper vermeld.171

Op 3 juli 2009 informeerde [medeverdachte 4] bij de transporteur [bedrijf 18] of de boot op 1 juli 2009 was vertrokken.172

Op 8 september 2009 bevestigde [pseudonaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) aan [bedrijf 22] te Dubai dat de container was aangekomen in Dubai. Namens [bedrijf 22] werden de exportdocumenten opgevraagd bij [bedrijf 21]173 Op de bijgevoegde vrachtbrief stond [medeverdachte 2] als exporteur vermeld en [bedrijf 21] als geadresseerde.174

Volgens een paklijst zijn de goederen vervolgens van [bedrijf 21] (Dubai) verscheept naar Iran. Op de paklijst stond vermeld: project [bedrijf 34] ( [bedrijf 21] ).175 Het bedrijf [bedrijf 21] is een 100% dochteronderneming van [bedrijf 21] .176

Overige leveringen:

Uitvoer uit Australië van Inconel

In Australië werd een uitvoeraangifte ingediend voor castinggoederen welke toebehoorden aan het Australische bedrijf [bedrijf 23] . De ontvanger was [medeverdachte 1] . Het transport zou plaatsvinden op 1 maart 2009.177 De uitvoeraangifte ziet op goederen die [medeverdachte 1] bij [bedrijf 23] heeft ingekocht.178

Uit exportdocumenten blijkt dat de goederen zouden worden verscheept vanuit Australië en na enkele overladingen zouden worden afgeleverd in Bandar Abbas in Iran.179

Door de Australische autoriteiten werd de zending tegengehouden in afwachting van nadere

informatie over de geadresseerde en de eindgebruiker van de zending.180 [medeverdachte 4] belde naar

aanleiding hiervan met [getuige 12] , werkzaam bij transportbedrijf [bedrijf 18] , met het

verzoek om de container naar Frankrijk te sturen en vervolgens naar Iran. [getuige 12] gaf aan

dat hij dat bij zijn agent zou navragen. [medeverdachte 4] zei dat [getuige 12] tegen die agent niets

mocht zeggen over Iran. Hij moest zeggen dat Dubai de eindbestemming was. [medeverdachte 4] gaf

aan dat zij tegen de leverancier zou zeggen dat er een fout is gemaakt en dat de zending

normaal gesproken naar Frankrijk had moeten gaan, maar dat het nu verstuurd werd naar

Dubai en van Dubai naar Frankrijk. De container ging in werkelijkheid van Dubai naar Iran,

maar de Australische overheid mocht nooit weten dat het naar Iran ging.181

In een telefonisch gesprek met het bedrijf [bedrijf 23] vertelde [medeverdachte 4] dat de goederen naar Dubai zouden gaan en van daaruit naar Frankrijk. De vervoerder had een fout gemaakt.182 Tijdens een telefoongesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] werd er besproken wat [medeverdachte 4] tegen de Australische ambassade moest gaan zeggen. [verdachte] gaf [medeverdachte 4] het volgende advies: "En rustig blijven, gewoon heel respectvol en sorry enne ik hoop dat je het begrijpt

bababa, weet je. Gewoon underdog spelen."183 Ook tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] werd over deze kwestie gesproken. [medeverdachte 3] zei dat er schriftelijk bewijs werd gevraagd om te overleggen aan de Australische overheid, om daarmee de zaak in de doofpot te krijgen.184

Levering aan [bedrijf 24] ( [bedrijf 24] )

In 2008 werd door [voormalig directeur medeverdachte 1] namens [medeverdachte 1] een offerte uitgebracht aan het Iraanse bedrijf [bedrijf 24] met ordernummer 61318.185 Deze werd per mail verzonden aan [getuige 13] ( [bedrijf 17] , ook wel [bedrijf 17] ) en in kopie verzonden naar [voormalig directeur medeverdachte 1] .186 Uiteindelijk werd een bestelling gedaan,187 welke als bijlage bij een mail door [getuige 13] aan [voormalig directeur medeverdachte 1] werd verzonden.188 [voormalig directeur medeverdachte 1] bevestigde de bestelling per mail en stuurde deze in kopie naar [verdachte] .189

Op 16 juli 2009 liet [voormalig directeur medeverdachte 1] per mail aan [getuige 13] weten dat er geen exportvergunning werd verleend voor de uitvoer naar Iran. Voor de orders waarvoor al goederen waren aangekocht werd een uitweg gezocht. Een optie was om de letter of credit ten gunste van [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ) te laten opmaken.190

Er werd een exportdocument ingediend, gedateerd 14 augustus 2009. Hierop stond als exporteur [bedrijf 5] in [bedrijf 25] (onderdeel van [bedrijf 4] , Frankrijk) vermeld. De ontvanger was [medeverdachte 2] .191 De container werd op 18 augustus 2009 op naam van [bedrijf 6] (ook onderdeel van [bedrijf 4] ) naar Bahrein vervoerd.192

Uit een mail van [medeverdachte 4] blijkt dat de container op 12 september 2009 in Bahrein zou arriveren.193

[pseudonaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) informeerde per mail bij [pseudonaam voormalig directeur medeverdachte 1] ( [voormalig directeur medeverdachte 1] ) wie de [medeverdachte 2] P/I zou doen. [pseudonaam voormalig directeur medeverdachte 1] stuurde daarna een aangepaste offerte van ordernummer 61318 op naam van [medeverdachte 2] door naar [getuige 13] .194 [getuige 13] liet per mail aan [pseudonaam medeverdachte 4] weten dat [bedrijf 24] instemde dat zij ordernummer 61318 van [medeverdachte 2] zou afnemen.195 Uit vervoersdocumenten blijkt dat de goederen op 22 februari 2010 vanuit Bahrein naar Iran zijn vervoerd.196

Op 6 april 2010 werden de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 3] , [voormalig directeur medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] aangehouden.197

6.3.4

Nadere bewijsoverwegingen van de rechtbank feiten 1 tot en met 5
[medeverdachte 1] is exporteur gebleven

De rechtbank stelt vast dat op 10 februari 2009 een catch-all werd uitgereikt aan [medeverdachte 1] . Deze verbood de export van gasturbineonderdelen naar Iran, tenzij er een vergunning werd verkregen. Uit de verklaringen van [verdachte] , [medeverdachte 3] , [voormalig directeur medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] blijkt dat zij op de hoogte waren van de catch-all en de daaruit voortvloeiende vergunningplicht.

[medeverdachte 1] had op het moment van het uitreiken van de catch-all enkele lopende orders met Iraanse klanten. Voor zover er vergunningen werden aangevraagd voor deze orders, werden deze afgewezen. Ook nadien heeft [medeverdachte 1] nog contracten afgesloten met Iraanse ondernemingen (feiten 2, 3 en 4). In enkele gevallen werden hiervoor vergunningen aangevraagd, maar ook deze werden afgewezen.

De rechtbank stelt voorts vast dat alle orders van gasturbineonderdelen uiteindelijk werden afgeleverd bij de klanten van [medeverdachte 1] in Iran. Dit wordt bevestigd door de verklaringen van [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , zoals weergegeven onder 6.3.2. De leveringen verliepen niet rechtstreeks vanuit Nederland naar de Iraanse klant, maar via andere, “tussengeschoven” bedrijven in Duitsland ( [bedrijf 11] ), Frankrijk ( [bedrijf 7] , [bedrijf 6] ), het Verenigd Koninkrijk ( [bedrijf 26] ), Dubai ( [bedrijf 12] ), Saoedi-Arabië ( [bedrijf 16] ) en - in alle gevallen - uiteindelijk Bahrein ( [medeverdachte 2] ). De bedrijven in voornoemde landen waren niet onderworpen aan een vergunningplicht. Namens de verdachten is betoogd dat het legale omleidingsroutes betroffen. De rechtbank is echter van oordeel dat deze omleidingsroutes schijnconstructies waren, enkel en alleen om de vergunningplicht van [medeverdachte 1] te omzeilen.

Dit geldt in de eerste plaats voor het bedrijf [bedrijf 16] (feit 3). Uit de bewijsmiddelen volgt dat dit bedrijf niet eens heeft geweten dat zij werd gebruikt als “tussengeschoven” bedrijf om een omleidingsroute naar Iran mogelijk te maken. De documenten die aan de levering aan [bedrijf 16] ten grondslag liggen zijn alleen aangetroffen in de administratie van [medeverdachte 1] en volgens de getuige [getuige 7] onbekend bij het bedrijf zelf. De goederen zijn ook, weliswaar op naam van [bedrijf 16] , rechtstreeks verzonden naar Bahrein, alwaar [medeverdachte 2] heeft zorggedragen voor verzending naar Iran.

Wat betreft de andere tenlastegelegde exporten was er wel sprake van wetenschap en/of medewerking van de “tussengeschoven” bedrijven [bedrijf 11] , [bedrijf 12] , [bedrijf 26] en [bedrijf 7] , doch ook bij deze exporten is de rechtbank van oordeel dat dit schijnconstructies waren met het enkele doel om de vergunningplicht van [medeverdachte 1] te omzeilen.

Er was immers in geen enkel geval sprake van in het handelsverkeer gebruikelijke transacties, waarbij de koper na het verkrijgen van de eigendom van de goederen hierover volledig kon beschikken. Er werd een omleidingsroute georganiseerd, waarbij [medeverdachte 1] de touwtjes in handen bleef houden en de “tussengeschoven” bedrijven nimmer de beschikkingsmacht over de goederen verkregen, en alles erop was gericht om uiteindelijk de goederen te leveren aan de oorspronkelijke klant in Iran. Hierbij werden andere bedrijven “gebruikt”, zo blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 4] . Uit een telefoongesprek tussen [medeverdachte 4] en [verdachte] wordt gesproken over [getuige 9] , die zich beklaagde over de gang van zaken. Ook hieruit leidt de rechtbank af dat het ook voor de “tussengeschoven” bedrijven duidelijk was dat het geen gebruikelijke handelstransactie was. Deze bedrijven hadden geen enkele intentie om zelf eigenaar te worden van de goederen. Het stond de bedrijven die meewerkten aan de omleidingsroute ook niet vrij om de goederen te verkopen aan wie zij wilden. Vooraf werd besproken van wie de bedrijven de goederen moesten kopen en aan wie zij de goederen vervolgens moesten doorverkopen. Ook konden de bedrijven niet zelf bepalen tegen welke prijs de goederen werden doorverkocht. Er werd een “handling fee” afgesproken als beloning voor [bedrijf 12] , [bedrijf 11] en [bedrijf 26] voor hun medewerking en, zoals [verdachte] het ter zitting omschreef “kleine inspanning” aan de omleidingsroutes.

Dat het om een schijnconstructie ging, blijkt ook uit het betalingsverkeer. Voor zover er al betalingen hebben plaatsgevonden, is opvallend dat in enkele gevallen facturen pas werden betaald op het moment dat het “tussengeschoven” bedrijf zelf haar geld had ontvangen. Die bedrijven liepen op die manier dus geen enkel ondernemingsrisico. In enkele gevallen is niet gebleken dat de facturen tussen bedrijven onderling zijn betaald. [getuige 5] heeft verklaard dat in geval van de inkoop en verkoop van shroud blokken (feit 2) überhaupt nooit een betaling heeft plaatsgevonden.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachten - anders dan de verdediging heeft betoogd - opzettelijk in strijd met de vergunningplicht van [medeverdachte 1] handelden. Ondanks hun wetenschap van het bestaan van de vergunningplicht, hebben zij de goederen toch via een omweg, zonder vergunning, bij de oorspronkelijke klanten van [medeverdachte 1] in Iran weten te krijgen. Voor zover er vergunningen werden aangevraagd, werden deze afgewezen. Uiteindelijk werd de beslissing op de vergunningaanvraag niet eens meer afgewacht en werd direct een omleidingsroute georganiseerd (feiten 2 en 4) of werd er überhaupt geen vergunning aangevraagd (feiten 3 en 5). Bij één order werd er nota bene in een offerte (feit 3) nadrukkelijk op gewezen dat de ingekochte goederen onderworpen waren aan exportcontrole, dat het niet was toegestaan de goederen te verschepen of te verkopen aan Iran en dat voor de export uit de Europese Unie een vergunning noodzakelijk is. Hier werd echter geen gevolg aan gegeven.

De administratieve afwikkeling moest ervoor zorgen dat het er op leek dat de goederen waren verkocht aan andere bedrijven, zo is af te leiden uit de verklaring van [medeverdachte 4] . Bij een Inconel zending vanuit Australië werd gezegd dat het verzwegen moest worden dat de zending naar Iran ging. Tekenend daarbij is ook het advies van [verdachte] aan [medeverdachte 4] om de overheid vooral maar stroop om de mond te smeren en de underdog te spelen. De rechtbank leidt hieruit af dat er op heimelijke wijze te werk werd gegaan, waarbij voorkomen moest worden dat de verantwoordelijke overheidsinstanties zouden bemerken dat [medeverdachte 1] , ondanks de catch-all, toch haar klanten in Iran bediende.

Bij het organiseren van de omleidingsroutes werd steeds op dezelfde wijze te werk gegaan. Vooraf was al duidelijk welke route gevolgd moest worden om de goederen in Iran te krijgen. Zo heeft [medeverdachte 3] verklaard dat per zending de route werd bepaald. Klanten werden benaderd en er werden afspraken gemaakt. [getuige 5] , [getuige 4] en [getuige 9] hebben verklaard dat zij vooraf al wisten van wie zij de goederen zouden kopen en aan wie zij deze moesten doorverkopen. Daarbij werden ook afspraken gemaakt over de winst die zij voor deze diensten mochten maken. Tijdens de hele constructie was het [medeverdachte 1] die de regie bleef voeren over de zending richting Iran, zo blijkt niet alleen uit de feitelijke gang van zaken, maar ook uit de verklaring van [getuige 4] . Uit onderschept e-mailverkeer blijkt dat de bedrijven regelmatig contact zochten met [medeverdachte 1] om te vragen of hun werkwijze, bijvoorbeeld bij de facturering, klopte. [medeverdachte 1] coördineerde de omleidingsroute tot aan de levering van de goederen in Iran. De “tussengeschoven” bedrijven hebben zich zelf op geen enkele wijze daadwerkelijk bezig gehouden met het transport of de export van de goederen. Dit werd allemaal door [medeverdachte 1] , in de persoon van meestal [medeverdachte 4] , geregeld.

Tussenconclusie

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat [medeverdachte 1] bij de tenlastegelegde feiten 1 tot en met 5, steeds de exporteur van de betreffende vergunningplichtige gasturbineonderdelen is gebleven en zodoende heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 4, eerste lid van de Verordening.

Medeplegen

Uit de gang van zaken en de verklaringen van de verdachten kan worden afgeleid dat de verdachten ieder hun eigen rol hadden bij het organiseren van de omleidingsroute.

[verdachte] was degene die de onderhandelingen deed en afspraken maakte over de verkoop van de goederen, zo blijkt uit de verklaringen van [getuige 5] , [getuige 4] en [getuige 9] . Hij beschikte over een groot netwerk in de gasturbinewereld en was directeur van [bedrijf 4] . Niet alleen was [bedrijf 4] 100% aandeelhouder van [medeverdachte 1] , ook andere bedrijven als [bedrijf 7] , [bedrijf 6] en [bedrijf 5] , die een rol speelden bij de omleidingsroutes, vielen onder de [bedrijf 4] groep. [verdachte] was bovendien oprichter en directeur van [medeverdachte 2] . [verdachte] was hierdoor beleidsbepaler bij [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en de zustervennootschappen via [bedrijf 4] . Door [verdachte] ’s invloed via [bedrijf 4] , was [medeverdachte 1] in staat bij de omleidingsroute gebruik te maken van de dochter- en zustervennootschappen van [bedrijf 4] .

Uit de verklaringen van [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en de correspondentie blijkt ook dat [verdachte] “de grote man” was en hij degene was die de beslissingen nam. Hij gaf opdrachten aan [medeverdachte 3] , [voormalig directeur medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] . Hij werd per e-mail (cc) op de hoogte gehouden van de correspondentie die plaatsvond omtrent de omleidingsroutes. Ook werd met hem overleg gevoerd over de te nemen acties. [verdachte] was bovendien betrokken bij de overleggen met het Ministerie van Economische Zaken.

[voormalig directeur medeverdachte 1] was tot maart 2009 directeur van [medeverdachte 1] . In haar functie heeft zij de catch-all in ontvangst genomen en was zij betrokken bij gesprekken met het Ministerie van Economische Zaken. [voormalig directeur medeverdachte 1] was mede verantwoordelijk voor de aanvraag en afwikkeling van exportvergunningen. Zij wist dus wat de regels waren. Ook na haar directeurschap was [voormalig directeur medeverdachte 1] betrokken bij de feitelijke gang van zaken. Zo werd zij veelal in de “cc” opgenomen als er e-mailberichten werden gestuurd. Ook verstuurde zij zelf e-mailberichten met in de bijlage documenten die noodzakelijk waren voor de omleidingsroute. Ook hield zij bedrijven op de hoogte van de stand van zaken met betrekking tot lopende orders, die vanwege de catch-all niet rechtstreeks aan de klant konden worden geleverd.

[medeverdachte 3] nam in maart 2009 het directeurschap van [voormalig directeur medeverdachte 1] over. In zijn naam werden vergunningen aangevraagd. Hij had contacten met het Ministerie van Economische Zaken omtrent de catch-all en de vergunningsaanvragen. Bij correspondentie van het Ministerie van Economische Zaken was hij vaak de geadresseerde.

[medeverdachte 3] was verantwoordelijk voor het opzetten van de mogelijkheid om vanuit [medeverdachte 1] in te loggen op de server van [medeverdachte 2] (remote desktop control). Hierdoor werd het heel eenvoudig gemaakt om te communiceren uit naam van [medeverdachte 2] , en daarmee derden in de waan te laten dat [medeverdachte 2] een geheel zelfstandige entiteit was, terwijl feitelijk vanuit [medeverdachte 1] in Venlo aan de touwtjes werd getrokken.

[medeverdachte 3] was betrokken bij het tot stand brengen van orders en liet toe dat zijn digitale handtekening werd gebruikt voor de ondertekening van de overdracht van opdrachten van de [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] .

Tijdens de omleidingsroute werd [medeverdachte 3] via mail (cc) op de hoogte gehouden van de gang van zaken.

[medeverdachte 3] was daarnaast formeel als directeur degene die de bevoegdheid had om de omleidingsroutes toe te staan, dan wel te verbieden. Niet gebleken is dat hij van de bevoegdheid om die handelwijze te verbieden, gebruik heeft gemaakt. Integendeel, [medeverdachte 3] wist van de hoed en de rand en heeft deze handelwijze gefaciliteerd en daartoe ook instructies aan [medeverdachte 4] gegeven.

[medeverdachte 4] was – na verkregen opdrachten – verantwoordelijk voor de logistieke gang van zaken bij de feitelijke uitvoering van omleidingsroutes, waarbij zij de nodige documenten opmaakte en rondstuurde. Ook maakte zij documenten op in naam van andere bedrijven. Tijdens het hele traject bleef zij controle houden en stuurde daar waar nodig mensen aan, ook directeuren of medewerkers van de tussengeschoven bedrijven. Als er problemen waren, dan werden deze door [medeverdachte 4] gesignaleerd en ondernam zij actie. [medeverdachte 4] handelde veelal in opdracht van [verdachte] en [medeverdachte 3] . Zij was zelf echter ook actief bij het aandragen van mogelijke omleidingsroutes.

[medeverdachte 1] was de adressant van de catch-all. Bij alle handelingen door [verdachte] , [medeverdachte 3] , [voormalig directeur medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] werd namens [medeverdachte 1] gehandeld. De handelingen vonden plaats in de sfeer van de rechtspersoon. [medeverdachte 1] hield zich namelijk overwegend bezig met - kort gezegd - de handel in gasturbineonderdelen met Iraanse klanten. Door de catch-all werd de handel van de [medeverdachte 1] en haar inkomsten enorm aan banden gelegd. Door in strijd met de catch-all gebruik te maken van de omleidingsroutes, kon de [medeverdachte 1] alsnog inkomsten genereren, door de omzet te verleggen naar [medeverdachte 2] . Omdat [medeverdachte 2] een 100% dochter was kwam de uiteindelijke winst na consolidatie toch weer bij [medeverdachte 1] terecht.

[medeverdachte 2] was de laatste schakel in de omleidingsroutes. Deze rechtspersoon was een 100% dochteronderneming van [medeverdachte 1] en werd gebruikt om de goederen uiteindelijk bij de oorspronkelijke klant in Iran te krijgen. De [medeverdachte 2] nam orders van de [medeverdachte 1] over, om op die manier de betaling vanuit Iran makkelijk te maken. Uit de verklaring van [getuige 26] (financieel directeur bij [bedrijf 4] ) blijkt dat de [medeverdachte 2] onmisbaar was voor het laten voortduren van de handel met Iran. De inkomsten van de [medeverdachte 1] zouden via de [medeverdachte 2] alsnog binnen gehaald worden. Dit bleek ook uit de cijfers: een substantieel deel van de inkomsten verschoof van de [medeverdachte 1] naar de [medeverdachte 2] .

[medeverdachte 2] liet toe dat de medewerkers van [medeverdachte 1] onder een valse identiteit in haar naam met derden communiceerden.

Door de verdediging is aangevoerd dat er geen sprake kan zijn van medeplegen van een kwaliteitsdelict door (mede)verdachten die de vereiste kwaliteit niet bezitten. De catch-all is immers alleen aan [medeverdachte 1] gericht. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de opvatting dat een kwaliteitsdelict niet kan worden medegepleegd door iemand die de desbetreffende kwaliteit mist, onjuist is. Alle medeverdachten waren ervan op de hoogte dat [medeverdachte 1] als contractspartij in de beschreven gevallen telkens de verplichtingen jegens de contractuele wederpartij in Iran hoe dan ook wilde nakomen. Daarvoor was export nodig van de goederen uit de Europese Unie. Dit verweer wordt dan ook verworpen.

Tussenconclusie medeplegen

Uit het voorgaande blijkt dat alle verdachten een belangrijke rol speelden bij de omleidingsroutes. De rechtbank is van oordeel dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten en dus van medeplegen. Zij overweegt daartoe als volgt.

De bedrijfsstructuur en de onderlinge verhoudingen, maakten dat er tussen de verdachten al een zekere loyaliteit bestond. [verdachte] heeft bij de start van [medeverdachte 1] zijn personeelsbestand zorgvuldig samengesteld. Hij benaderde [medeverdachte 4] , [voormalig directeur medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , die hij kende uit zijn tijd als directeur van [bedrijf 3] , om voor [medeverdachte 1] te komen werken. Dit zorgde kennelijk voor een sterke onderlinge verbondenheid. Terwijl alle verdachten wisten van het handelen in strijd met de catch-all, hebben zij die handelwijze in stand gehouden en voortgezet. Dit blijkt ook onder meer uit het feit dat ook na de catch-all nieuwe orders werden aangenomen vanuit Iran, waarvoor geen exportvergunning werd aangevraagd of de beslissing op de vergunningaanvraag niet werd afgewacht en direct met de omleidingsroute werd gestart. Geen van de verdachten heeft zich tegen de gang van zaken verzet. Sterker nog, een ieder heeft zijn steentje bijgedragen. De handelwijze van de verdachten stopte pas toen zij op 6 april 2010 werden aangehouden.

Bij het organiseren van de omleidingsroute was de een actiever dan de ander. Zij waren echter allen afhankelijk van elkaar, waarbij een ieder een intellectuele of materiële bijdrage leverde in de verschillende fasen van de omleidingsroute. Die bijdrage van iedere verdachte was onmisbaar. De rechtspersonen waren onmisbaar omdat in hun naam gehandeld kon worden. De [medeverdachte 1] was het instrument van waaruit het plan werd uitgevoerd. De [medeverdachte 2] was nodig voor de laatste stap richting Iran (“contractsovername”, betalingsverkeer). [verdachte] was onmisbaar vanwege zijn vennootschapsrechtelijke positie en zijn contacten. [medeverdachte 3] was onmisbaar omdat hij directeur van [medeverdachte 1] was en in die hoedanigheid ook contacten met de overheid had en in de positie was om de gekozen handelwijze toe te staan en daartoe instructies te geven. Hij had bovendien een technische achtergrond en kon daarmee de te verzenden goederen op waarde schatten, juist in het licht van de catch-all. [medeverdachte 4] was onmisbaar vanwege haar organisatorische kwaliteiten en talenkennis. Zij was op de hoogte van alle facetten rondom de export (documenten, betalingen). De genoemde kwaliteiten van alle verdachten werden benut en waren nodig bij het organiseren van de omleidingsroute, in andere woorden: de een kon niet zonder de ander.

Conclusie bewijs feiten 1 tot en met 5

Alles overwegende acht de rechtbank bewezen dat de verdachten tezamen en in vereniging zich schuldig hebben gemaakt aan – kort gezegd – het opzettelijk handelen in strijd met de catch-all, zoals primair tenlastegelegd onder de feiten 1 tot en met 5.

6.3.5

Partiële vrijspraak

Onder die feiten is cumulatief/alternatief ook ten laste gelegd dat de verdachten bij de autoriteiten niet kenbaar hebben gemaakt dat er sprake was van een gewijzigde bestemming van de goederen. Zoals hiervoor reeds aangegeven is de rechtbank van oordeel dat het van begin af aan de bedoeling was om de gasturbineonderdelen in Iran te krijgen. Om dat te bewerkstelligen werd gebruik gemaakt van fictieve omleidingsroutes. Er was dus nimmer sprake van een echte bestemmingswijziging van de goederen. Die bestemming is altijd Iran gebleven. De rechtbank zal de verdachten dan ook vrijspreken van deze verdenking.

Daarnaast is onder de feiten 1 tot en met 5 cumulatief/alternatief nog ten laste gelegd dat de verdachten aan de autoriteiten niet kenbaar hebben gemaakt dat zij producten wilden uitvoeren die voor tweeërlei gebruik waren, terwijl zij wisten dat “die geheel of ten dele bestemd waren voor” – kort gezegd – proliferatie gevoelige doeleinden. Deze verdenking impliceert dat de verdachten er kennis van droegen dat de door hen uitgevoerde gasturbineonderdelen bestemd waren voor proliferatiegevoelige doeleinden én dat de producten ook daarvoor zijn gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat dit niet is komen vast te staan, zodat vrijspraak dient te volgen van deze verdenking.

6.3.6

Nadere bewijsoverwegingen feiten 6 tot en met 10

Tijdens het onderzoek zijn verschillende facturen aangetroffen, te weten:

- een factuur van [medeverdachte 1] aan [bedrijf 11] (feit 6);

- een factuur van [medeverdachte 1] aan [bedrijf 12] (feit 7);

- een factuur van [medeverdachte 1] aan [bedrijf 16] (feit 8);

- een factuur van [medeverdachte 1] aan [bedrijf 26] (feit 9);

- een factuur van [bedrijf 6] aan [medeverdachte 2] (feit 10).

De facturen van [medeverdachte 1] aan [bedrijf 11] , [bedrijf 12] en [bedrijf 16] werden aangetroffen in de administratie van de [medeverdachte 1] . De facturen van de [medeverdachte 1] aan [bedrijf 26] en van [bedrijf 6] aan [medeverdachte 2] werden per e-mail verstuurd. Nu er geen sprake was van een realistische handelstransactie tussen voornoemde rechtspersonen, zijn de facturen geen weergave van de werkelijke situatie en zijn deze enkel bedoeld om de omleidingsroute “echt” te laten lijken. De rechtbank heeft voor dit oordeel aansluiting gezocht bij de jurisprudentie inzake BTW-carrousselfraude en met name bij het arrest van het Hof den Bosch d.d. 28 februari 2006 (LJN AV2759), op dit onderdeel in stand gelaten door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2007:BA2570). Wat betreft de factuur aan [bedrijf 16] is de rechtbank daarbij van oordeel dat, gelet op de verklaring van [getuige 7] , [bedrijf 16] helemaal niet betrokken is geweest bij deze omleidingsroute en deze alleen op papier, in de administratie van [medeverdachte 1] is geconstrueerd.

Zoals reeds is overwogen waren verdachten allen op de hoogte van de omleidingsroutes en hebben zij daaraan, in de strafrechtelijke deelnemingsvorm van medeplegen, meegewerkt. De betreffende facturen maken een essentieel onderdeel uit van deze omleidingsroutes, zodat ook wat betreft deze feiten het medeplegen bewezen wordt geacht.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachten de facturen van [medeverdachte 1] aan [bedrijf 11] , [bedrijf 12] en [bedrijf 16] valselijk hebben opgemaakt en dat de verdachten valse facturen van [medeverdachte 1] aan [bedrijf 26] en van [bedrijf 6] aan [medeverdachte 2] hebben afgeleverd terwijl de verdachten wisten dat deze facturen bestemd waren om als echt en onvervalst gebruikt te worden. De feiten 6 tot en met 10 kunnen dan ook bewezen worden.

6.3.7

Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 11

Aan de verdachten is nog ten laste gelegd dat zij hebben deelgenomen aan een criminele organisatie, bestaande uit [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [voormalig directeur medeverdachte 1] . Deze criminele organisatie had tot oogmerk het plegen van misdrijven, te weten het handelen in strijd met - kort gezegd - de exportregelgeving en het plegen van valsheid in geschrifte en het gebruik maken van vervalste of valse geschriften, dan wel zodanige geschriften afleveren of voorhanden hebben. Door bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 10 en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen, is de rechtbank van oordeel dat ook de verdenking van deelname aan een criminele organisatie bewezen kan worden verklaard. De verdachten hebben zich na afgifte van de catch-all op 10 februari 2009 namelijk structureel beziggehouden met strafbare feiten die zagen op het omzeilen van de catch-all.

De rechtbank zal in de bewezenverklaring de periode beperken van 10 februari 2009 tot en met 6 april 2010.

6.3.8

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 12: onjuiste en/of onvolledige aangifte inkomstenbelasting

Onder feit 12 is aan de verdachte verweten dat hij, al dan niet samen met een ander of anderen, onjuiste en/of onvolledige belastingaangiften heeft gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] onjuiste en onvolledige aangifte heeft gedaan over het jaar 2002. Zij komt tot dit oordeel op grond van:

  • -

    de verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 18 oktober 2018;

  • -

    het geschrift, te weten een memo “Bonus payment procedure” d.d. 17 juni 2002 (F3-D-002), p. 65004;

  • -

    het geschrift, te weten een bevestiging van het openen van een bankrekening d.d. 17 juni 2002 (F3-D-003), p. 65005;

  • -

    het geschrift, te weten een salarisoverzicht 2002 d.d. 5 april 2002 (F3-D-009), p. 65027;

  • -

    het geschrift, te weten een afschrift van de bankrekening d.d. 29 oktober 2002 (F3-D-004), p. 65006;

  • -

    het geschrift, te weten een kopie aangiftebiljet 2002 d.d. 18 november 2003 (F3-D-007), p. 65010 tot en met 65013.

6.3.8.1 Het oordeel van de rechtbank

Uit de brief “BONUS 2001 payment procedure” van 17 juni 2002 (F3-D-002) maakt de rechtbank op dat de betaling van de bonus over 2001 op verzoek van [verdachte] vanuit een andere entiteit dan [bedrijf 27] zou plaatsvinden naar een door hem gewenste bankrekening in Zwitserland. Vervolgens zou een rekening van [bedrijf 3] Zwitserland aan [bedrijf 27] volgen. De reden voor deze gang van zaken zou het tekort aan reserves van [bedrijf 27] in 2001 zijn en de zichtbaarheid van de bonus bij het accounting team en mogelijk ander personeel indien de normale procedure zou worden gevolgd. In de brief wordt benadrukt dat deze gang van zaken eenmalig is en dat [verdachte] zelf verantwoordelijk is voor de gevolgen van deze wijze van uitbetaling voor wat betreft zijn persoonlijke belastingaangifte en dat [bedrijf 3] daarvoor geen enkele verantwoordelijkheid wenst te nemen. Op 17 juni 2002 heeft [verdachte] een Zwitserse bankrekening geopend, waarop de bonus vervolgens is gestort. Zowel de kopie-salarisstroken als de door [verdachte] ingediende aangifte inkomstenbelasting 2002 maken geen melding van de bonus die hij in 2002 heeft ontvangen, noch van een in Zwitserland lopende bankrekening.

Gezien onder meer de inhoud van de genoemde brief en het feit dat [verdachte] er uitdrukkelijk op gewezen wordt dat deze wijze van betaling voor wat betreft zijn belastingaangifte voor zijn rekening en risico komt acht de rechtbank de verklaring van [verdachte] dat hij de aangifte van deze bonus vergeten is niet aannemelijk. Daar komt bij dat, ook nadat [verdachte] door zijn accountant op de hoogte was gebracht van de inkeerregeling, hij wederom heeft nagelaten deze bonus op te nemen in de aangifte inkomstenbelasting. De rechtbank gelooft niet dat [verdachte] het doen van aangifte over dit bedrag gewoon is vergeten.

[verdachte] heeft nog aangevoerd dat het bedrag vanaf 2009 in de box 3 heffing is betrokken. Nu sprake is van een bijzondere beloning voor verrichte arbeid, behoort deze thuis in box 1 en niet in box 3 van de aangifte inkomstenbelasting. [verdachte] heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan het onjuist en onvolledig doen van aangifte Inkomstenbelasting over het jaar 2002. Per saldo hoefde [verdachte] minder inkomstenbelasting betalen dan verplicht. Het vermelden van dit bedrag vanaf 2009 in box 3 heffing doet niet af aan de wederrechtelijkheid van het handelen van [verdachte] .

De rechtbank is, gelet op de bovengenoemde bewijsmiddelen, van oordeel dat bij [verdachte] sprake was van opzet op het doen van onjuiste en onvolledige aangifte over het jaar 2002.

Onder verwijzing naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder feit 13 ten laste gelegde, zal [verdachte] worden vrijgesproken van het meer of anders onder feit 12 ten laste gelegde.

6.3.9

Vrijspraak voor feit 13 (gewoonte)witwassen

6.3.9.1 Het standpunt van de officieren van justitie

De in de tenlastelegging genoemde van [bedrijf 3] [bedrijf 27] uitgegane betalingen zijn vermogenscomponenten die afkomstig zijn uit valsheid in geschrift en/of verduistering. [verdachte] was destijds directeur van [bedrijf 3] [bedrijf 27] Door het met toestemming van [verdachte] of in zijn opdracht uitvoeren van betalingen onder de omschrijving commissiebetalingen of betalingen voor gasturbineonderdelen, die voorts via allerlei bancaire omwegen op rekeningen terecht kwamen van familieleden en waarover [verdachte] gevolmachtigd was te beschikken, eigende [verdachte] zich die gelden toe en beschikte hij als heer en meester over die gelden. Aan de betalingen ontbreekt een geldige titel.

Het aanvankelijke zwijgen van [verdachte] over de aard van deze betalingen is een proceshouding die - bezien tegen de Murray-jurisprudentie - voor zijn rekening en risico komt. Pas in een zeer laat stadium, te weten ter zitting van 8 oktober 2018, heeft [verdachte] een verklaring afgelegd. Hij heeft inmiddels zijn verklaringen kunnen afstemmen op het gehele dossier en de hem welgevallige verklaring van onder meer de getuige [getuige 14] , de bestuurder van [bedrijf 28] . Dit betekent alleen al om die reden dat de verklaringen van [verdachte] als onaannemelijk ter zijde kunnen worden gesteld.

6.3.9.2 Het standpunt van de verdediging

Relatie betrokkenen

De heren [zwager van verdachte] en [broer van verdachte] en mevrouw [getuige 17] zijn allen familieleden van elkaar en van [verdachte] . Daarnaast hebben deze personen in Iran, waar zij wonen, ook onderling zakelijke relaties, onafhankelijk van [verdachte] . [verdachte] wordt binnen de familie gezien en aangewezen als de vertrouwenspersoon en beheerder van het aanzienlijke familievermogen en hij draagt de financiële zorg voor de familieleden. Dit beheer ziet onder meer op studiefondsen, beleggingsrekeningen en spaarrekeningen. Vanwege de slechte financiële situatie in Iran wilden de heren [zwager van verdachte] en [broer van verdachte] hun geld in Europa onderbrengen. Daartoe opende [zwager van verdachte] in 1993 en [broer van verdachte] in 2004 rekeningen in Nederland bij de ING bank. Zij verzochten hun broer [verdachte] het geld op deze rekeningen te beheren, waartoe hij een volmacht verkreeg. Het geld op deze rekeningen behoort niet toe aan [verdachte] . [verdachte] heeft van deze rekeningen ook nooit geld opgenomen. Ten aanzien van de geldstromen die onder feit 13 van de tenlastelegging als witwashandelingen zijn opgevoerd, heeft de verdediging de volgende verklaringen gegeven.

Geldstromen [bedrijf 3] [bedrijf 27] - [getuige 18] - [broer van verdachte].

[getuige 18] was destijds European Trade Manager bij het Iraanse bedrijf [bedrijf 28] dat onder meer als handelsagent optrad van [bedrijf 3] [bedrijf 27] in Saoedi-Arabië. Voor de werkzaamheden die in dat kader zijn verricht, ontving [bedrijf 28] commissies die op verzoek van [bedrijf 28] werden uitbetaald op de rekening van [getuige 18] in Duitsland. Zowel [getuige 18] als de managing director van [bedrijf 28] , de heer [getuige 14] , bevestigen dit in hun verklaring. Naar aanleiding van vragen die door de FIOD hierover aan [bedrijf 3] [bedrijf 27] zijn gesteld, is nooit aangegeven dat er betalingen zouden hebben plaatsgevonden voor onverschuldigde commissies. [bedrijf 3] [bedrijf 27] heeft ook geen aangifte gedaan van verduistering. Ook is zijdens [bedrijf 3] [bedrijf 27] niet verklaard dat deze betalingen eigenlijk commissiebetalingen aan [verdachte] waren. De betalingen aan [getuige 18] waren dus kennelijk daadwerkelijk verschuldigde commissiebetalingen en kwamen niet toe aan [verdachte] .

[bedrijf 28] deed vanaf 2004 investeringen in de mijnindustrie in Iran, welke werden betaald met Iraanse Rials. [bedrijf 28] wilde in Iran de beschikking krijgen over Iraanse Rials terwijl [broer van verdachte] euro’s beschikbaar wilde krijgen buiten Iran. Om de euro’s (die feitelijk toebehoorden aan [bedrijf 28] ) op de Duitse bankrekening van [getuige 18] te converteren naar Iraanse Rials, werd het geld van de Duitse bankrekening van [getuige 18] overgeschreven naar de Nederlandse bankrekening van [broer van verdachte] zodat beiden hun valuta geconverteerd kregen. Dit is ter zitting door de getuige [broer van verdachte] bevestigd. Uit overgelegde cheques blijkt dat [broer van verdachte] tegenover de in Nederland ontvangen euro’s, in Iran aanzienlijke bedragen ter beschikking heeft gesteld aan de heer [getuige 14] . De gang van zaken vindt steun in de overgelegde producties.

Geldstromen [bedrijf 3] [bedrijf 27] – [getuige 19] - [broer van verdachte].

De betalingen van [bedrijf 3] [bedrijf 27] op de rekening van [getuige 19] betreffen commissiebetalingen aan [bedrijf 27] Teheran. [getuige 19] was bestuurder van het Iraanse bedrijf [bedrijf 29] dat werkzaamheden verrichte voor [bedrijf 27] Teheran. Op zijn verzoek zijn de commissiebetalingen in euro’s op een door hem aangewezen Duitse bankrekening gestort. Voor de overboeking van deze bedragen naar [broer van verdachte] geldt wederom dat hier sprake is van het converteren van euro’s naar rials en omgekeerd, doordat [broer van verdachte] in Iran aan [getuige 19] grote bedragen aan Iraanse rials beschikbaar had gesteld en [getuige 19] op zijn beurt het equivalent hiervan in euro’s overmaakte via zijn Duitse bankrekening naar de Nederlandse bankrekening van [broer van verdachte] . Ook dit blijkt uit aanwezige cheques. Dat het niet uit verkapte commissiebetalingen aan [verdachte] vanuit [bedrijf 3] [bedrijf 27] gaat, blijkt volgens de verdediging ook uit het feit dat vanaf de Duitse rekening van [getuige 19] in totaal een veel hoger bedrag naar [broer van verdachte] is overgemaakt (€ 737.000,00 en € 545.532,930) dan hij van [bedrijf 3] [bedrijf 27] heeft ontvangen (€ 390.000,00).

Geldstromen [bedrijf 3] [bedrijf 27] - [getuige 17]-[zwager van verdachte].

De betalingen aan [getuige 17] betroffen commissiebetalingen van [bedrijf 3] [bedrijf 27] aan [bedrijf 27] Teheran. Deze betalingen werden gedaan op de rekening van mevrouw [getuige 17] , die boardmember was van [bedrijf 27] Teheran. Vanaf de rekening van [getuige 17] werd, twee jaar na ontvangst van de betalingen van [bedrijf 3] [bedrijf 27] een bedrag overgemaakt naar [zwager van verdachte] als terugbetaling van een door hem verstrekte geldlening aan [bedrijf 27] Teheran. [broer van verdachte] heeft vanaf zijn Nederlandse rekening geld gestort op de rekening van [getuige 17] vanwege liquiditeitsproblemen van [bedrijf 27] Teheran. [verdachte] stond buiten beide betalingen.

Geldstromen [bedrijf 31].

Namens [bedrijf 3] [bedrijf 27] heeft [zwager van verdachte] destijds in Iran de koopprijs vanwege de leverantie van schoepen betaald aan de Iraanse leverancier [bedrijf 30] . Omdat daarna bleek dat het niet de juiste schoepen waren, heeft [bedrijf 3] [bedrijf 27] de juiste schoepen gekocht bij het in de Verenigde Arabische Emiraten gevestigde bedrijf [bedrijf 31] . [bedrijf 3] heeft aan [bedrijf 31] verzocht om de – reeds door [zwager van verdachte] vooruitbetaalde en - te restitueren koopprijs over te maken naar [zwager van verdachte] .

Handgeschreven brief [verdachte]

Uit de inhoud van de, bij de doorzoeking in de woning van [verdachte] aangetroffen, handgeschreven brief van [verdachte] aan zijn echtgenote kan niet worden afgeleid dat de geldbedragen aan hem kunnen worden toegerekend. Het betreft een handleiding voor zijn vrouw met een overzicht van zaken waartoe hij gevolmachtigd is alsmede een instructie wat te doen indien hem iets ernstigs zou overkomen. Met de woorden “wat we hebben” zijn bedoeld de bezittingen die aan de gehele familie toekomen. Dat blijkt ook uit een passage verderop in de brief waar al het onroerend goed in Iran staat opgesomd en waar dezelfde woorden worden gebruikt. Het gaat hier om vermogensbestanddelen van zijn familieleden waarvan het beheer aan hem is toevertrouwd.

De verdediging concludeert dat geen sprake is van witwassen, nu niet zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen en door [verdachte] een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is gegeven. Het had op de weg van het OM gelegen om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaring van [verdachte] , blijkende alternatieve herkomst van de gelden. Van meet af aan heeft [verdachte] in dit onderzoek verklaringen gegeven over de rekeningen en de reden waarom hij als gemachtigde is aangesteld.

De verdediging heeft verwezen naar de volgende verklaringen:

Op 7 april 2010 verklaart [verdachte] :

Nadat hem is gevraagd naar ongeopende enveloppen die aangetroffen zijn in zijn kantoor:

“Dat is waarschijnlijk post ten name van [zwager van verdachte] en [broer van verdachte] . Dat is familie van mij. Na de revolutie hebben zij geld buiten Iran gebracht. Met hun paspoortgegevens zijn de rekeningen hier geopend. Het zijn beleggingsrekeningen, maar niet actief. Het is in wezen hun pensioengeld. Ik ben gevolmachtigd tot de rekeningen.”

en op 3 mei 2010:

“Verder beheer ik nog een stuk vermogen van mijn broer en mijn zwager. Mijn broer en zwager hebben dit geld na de revolutie in Iran vanuit Iran via verschillende manieren naar mij toe gestuurd. Dat is niet via een officiële Iraanse bank gegaan, maar via verschillende personen. Het zogenaamde Hawalla-bankieren, zo noemen ze het tenminste in India. De reden dat mijn broer en zwager dit geld naar mij toe hebben gestuurd was dat er op dat moment in Iran geen eigendomsveiligheid meer was vanwege de revolutie. Mijn vader en oom waren al geconfronteerd met onteigening door de Iraans overheid. Het vermogen van mijn broer en zwager beheer ik met gebruikmaking van een rekening bij de ING. Het rekeningnummer weet ik niet. Deze rekening staat ook op hun naam. [zwager van verdachte] en [broer van verdachte] . [broer van verdachte] is mijn broer en [zwager van verdachte] is mijn zwager. Zij hebben mij een volmacht gegeven om het hier te managen…”wat de volmacht voor de rekening op naam van [zwager van verdachte] en [broer van verdachte] precies inhoudt weet ik niet. Deze volmacht is van meer dan 20 jaar geleden. Ik heb in ieder geval nog nooit geld van deze rekening opgenomen”.

Het klaagschrift met alle onderliggende stukken, deel uitmakende van dit dossier, dat in 2012 namens [broer van verdachte] en [zwager van verdachte] is ingediend vormt een bevestiging en nadere onderbouwing van het al eerder ingenomen standpunt van [verdachte] . De conclusie kan geen andere zijn dan dat van witwassen geen sprake is, aldus ten slotte de verdediging.

6.3.10

Het oordeel van de rechtbank

Nadat [verdachte] zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht heeft beroepen, heeft hij vanaf 3 mei 2010 bij de FIOD verklaard over de “Agency-agreement van 25 februari 2002” die ten grondslag lag aan de uitbetaling van een deel van de gelden, het zogenoemde systeem van “Hawalla-bankieren” met als doel Iraanse rials te converteren in euro’s en de reden waarom hij als gemachtigde/beheerder van de gelden op de bankrekeningen van zijn familieleden [zwager van verdachte] en [broer van verdachte] is aangesteld. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] daarmee een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven waaruit zou volgen dat de gelden op de rekeningen van [broer van verdachte] en [zwager van verdachte] niet van misdrijf afkomstig zijn en ook niet via een schijnconstructie tot zijn vermogen zijn gaan behoren. Het had vervolgens op de weg van het OM gelegen om nader onderzoek naar die verklaring te doen, bijvoorbeeld door [bedrijf 3] [bedrijf 27] – die overigens nooit aangifte van verduistering of enig ander misdrijf heeft gedaan – over de gang van zaken betreffende de volgens het OM verdachte overboekingen te bevragen.

Daar komt bij dat de vervolgens in de klaagschriften (30 mei 2011 en 11 april 2012) door [zwager van verdachte] en [broer van verdachte] beschreven gang van zaken voor wat betreft de geldstromen [getuige 18] / [getuige 19] / [getuige 17] / [bedrijf 31] , nagenoeg volledig overeenkomt met zowel de door [verdachte] als [broer van verdachte] ter zitting afgelegde verklaringen die zij onderbouwen met de daarbij overgelegde stukken. Alle betrokkenen hebben op eenduidige wijze verklaard. Ook in de klaagschriften is aangegeven dat door klagers een aanzienlijk deel van hun vermogen vanuit Iran naar Nederland werd verplaatst door gebruik te maken van een systeem waarbij Iraanse rials werden geconverteerd in euro’s en [verdachte] zelf verklaarde hierover ook reeds vanaf april 2010.

Het klaagschrift dat in 2012 door [zwager van verdachte] en [broer van verdachte] is ingediend bevestigt de bij de FIOD in 2010 afgelegde verklaringen door [verdachte] en onderbouwt deze nog nader met de bijlagen 1 t/m 27. Alhoewel het klaagschrift niet door [verdachte] , maar door [zwager van verdachte] en [broer van verdachte] is ingediend, beschikte het OM, overigens ook dezelfde functionarissen van het OM, dus in 2012 reeds over veel relevante informatie en een groot deel van de onderliggende stukken. Het OM heeft deze stukken op eigen initiatief toegevoegd aan het dossier, waarmee zij te kennen heeft gegeven niet alleen op de hoogte te zijn van de daarin ingenomen standpunten maar deze stukken ook relevant te achten voor de beoordeling van de onderhavige zaak.

Het OM had vanaf 2010, in ieder geval vanaf 2012 nader onderzoek kunnen en moeten doen naar de door [verdachte] gestelde herkomst van het geld. Het standpunt van [verdachte] , in samenhang met de stukken en verklaringen uit de klaagschriften, was voldoende concreet en min of meer verifieerbaar. Het verwijt aan [verdachte] dat zijn verweer “tardief” is, is onder deze omstandigheden niet terecht. [verdachte] heeft in de eerste jaren van het onderzoek zelf en via zijn familieleden voldoende tegenwicht geboden tegen de verdenking van witwassen.

Een nader onderzoek naar de verklaring van [verdachte] door het OM is achterwege gebleven, hoewel de verklaring van [verdachte] betreffende de herkomst van de gelden op de rekeningen van zijn zwager en broer niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Vast staat dat [verdachte] nimmer een euro van deze rekeningen heeft opgenomen. Het OM heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die het vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dat de gelden op de rekeningen van [broer van verdachte] en [zwager van verdachte] uit enig misdrijf -direct of indirect- afkomstig zijn en evenmin dat deze gelden tot het vermogen van [verdachte] behoren. De slotsom moet dan ook zijn dat er onvoldoende bewijs voor (gewoonte)witwassen is, zodat [verdachte] hiervan (feit 13) zal worden vrijgesproken.

6.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1.

op 22 december 2009, binnen het grondgebied van de Europese Unie, opzettelijk tezamen en in vereniging met [bedrijf 11] / [bedrijf 11] - [bedrijf 11] en anderen, terwijl het goederen betrof, heeft gehandeld danwel heeft doen of laten handelen in strijd met artikel 4, eerste lid van verordening 428/2009, hebbende hij en (een of meer van) zijn mededader(s) toen daar een hoeveelheid producten voor tweeërlei gebruik die niet op de

lijst in bijlage I bij genoemde verordening voorkomen, te weten

-een hoeveelheid turbineonderdelen (6-OPV, ordernummer 61488/62811),

-een hoeveelheid turbineonderdelen (7-OPV-01, ordernummer 61110/62811),

-een hoeveelheid turbineonderdelen (8-OPV, ordernummer 60777/62811) en

-een hoeveelheid turbineonderdelen (9-OPV, ordernummer 6292/62811),

zijnde goederen of producten ten aanzien waarvan de exporteur als bedoeld in artikel 2 van genoemde verordening bij (een zogenaamde catch-all) beschikking van 10 februari 2009 van/namens de Staatssecretaris van Economische Zaken de in artikel 4, eerste lid, van genoemde verordening bedoelde mededeling was gedaan, uitgevoerd danwel doen of laten uitvoeren zonder uitvoervergunning;

2.

op 11 januari 2010, binnen het grondgebied van de Europese Unie, opzettelijk tezamen en in vereniging met [bedrijf 7] en anderen, terwijl het goederen betrof, heeft gehandeld danwel heeft doen of laten handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, van verordening 428/2009, hebbende hij en (een of meer van) zijn mededader(s) toen daar een hoeveelheid producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst in bijlage I bij genoemde verordening voorkomen, te weten

- een hoeveelheid turbineonderdelen (10-OPV, ordernummer 61748/61750/62812),

zijnde goederen of producten ten aanzien waarvan de exporteur als bedoeld in artikel 2 van genoemde verordening bij (een zogenaamde catch-all) beschikking van 10 februari 2009 van/namens de Staatssecretaris van Economische Zaken de in artikel 4, eerste lid, van genoemde verordening bedoelde mededeling was gedaan, uitgevoerd danwel doen of laten uitvoeren zonder uitvoervergunning;

3.

op 30 december 2009, binnen het grondgebied van de Europese Unie, opzettelijk tezamen en in vereniging met anderen, terwijl het goederen betrof, heeft gehandeld danwel heeft doen of laten handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, van verordening

428/2009, hebbende hij en (een of meer van) zijn mededader(s) toen daar een hoeveelheid producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst in bijlage I bij genoemde verordening voorkomen, te weten

- een hoeveelheid turbineonderdelen (11-OPV, ordernummer 62680),

zijnde goederen of producten ten aanzien waarvan de exporteur als bedoeld in artikel 2 van genoemde verordening bij (een zogenaamde catch-all) beschikking van 10 februari 2009 van/namens de Staatssecretaris van Economische Zaken de in artikel 4, eerste lid, van genoemde verordening bedoelde mededeling was gedaan, uitgevoerd danwel doen of laten uitvoeren zonder uitvoervergunning;

4.

op 28 december 2009, binnen het grondgebied van de Europese Unie, opzettelijk tezamen en in vereniging met [bedrijf 20] en anderen, terwijl het goederen betrof, heeft gehandeld danwel heeft doen of laten handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, van

verordening 428/2009, hebbende hij en (een of meer van) zijn mededader(s) toen daar een hoeveelheid producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst in bijlage I bij genoemde verordening voorkomen, te weten

- een hoeveelheid turbineonderdelen (13-OPV-01, ordernummer 62836/61801),

zijnde goederen of producten ten aanzien waarvan de exporteur als bedoeld in artikel 2 van genoemde verordening bij (een zogenaamde catch-all) beschikking van 10 februari 2009 van/namens de Staatssecretaris van Economische Zaken de in artikel 4, eerste lid, van genoemde verordening bedoelde mededeling was gedaan, uitgevoerd danwel doen of laten uitvoeren zonder uitvoervergunning;

5.

op 26 juni 2009, binnen het grondgebied van de Europese Unie, (telkens) al dan niet opzettelijk tezamen en in vereniging met [bedrijf 6] en anderen, terwijl het goederen betrof, heeft gehandeld danwel heeft doen of laten handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, van verordening 1334/2000, hebbende hij en (een of meer van) zijn mededader(s) toen daar een hoeveelheid producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst in bijlage I bij genoemde verordening voorkomen, te weten

- een hoeveelheid turbineonderdelen (14-OPV-01, ordernummer 61864/60907),

zijnde goederen of producten ten aanzien waarvan de exporteur als bedoeld in artikel 2 van genoemde verordening bij (een zogenaamde catch-all) beschikking van 10 februari 2009 van/namens de Staatssecretaris van Economische Zaken de in artikel 4, eerste lid, van genoemde verordening bedoelde mededeling was gedaan, uitgevoerd danwel doen of laten uitvoeren zonder uitvoervergunning;

6.

op 22 december 2009, in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met anderen, een factuur INV. 20091222-62811 (D-702) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en (een of meer van) zijn mededader(s) alstoen aldaar valselijk en in strijd met de waarheid op deze factuur aangegeven of vermeld dat [bedrijf 11] - [bedrijf 11] te Essen in Duitsland als koper een factuurbedrag terzake de verkoop en/of de levering door of namens [medeverdachte 1] in Nederland als verkoper van de in die factuur genoemde goederen diende te betalen, terwijl er in werkelijkheid sprake was van een tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 11] - [bedrijf 11] opgezette schijntransactie met het vooropgezette doel om in het kader van een zogenaamd omleidingstraject het exportbeleid van de Nederlandse overheid te omzeilen, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

7.

op 11 januari 2010, in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met anderen, een factuur INVOICE 2010-003 (D-184) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en (een of meer van) zijn mededader(s) alstoen aldaar valselijk en in strijd met de waarheid op deze factuur aangegeven of vermeld dat [bedrijf 12] te Dubai, UAE, als koper een factuurbedrag terzake de verkoop en/of de levering door of namens [medeverdachte 1] in Nederland als verkoper van de in die factuur genoemde goederen diende te betalen, terwijl er in werkelijkheid sprake was van een tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 12] opgezette schijntransactie met het vooropgezette doel om in het kader van een zogenaamd omleidingstraject het exportbeleid van de Nederlandse overheid te omzeilen, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

8.

op 30 december 2009, in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met anderen, een factuur INV.62680 (IP04-08 8491) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en (een of meer van) zijn mededader(s) alstoen aldaar valselijk en in strijd met de waarheid op deze factuur aangegeven of vermeld dat [bedrijf 16] te Saoedi-Arabië als koper een factuurbedrag terzake de verkoop en/of de levering door of namens [medeverdachte 1] in Nederland als verkoper van de in die factuur genoemde goederen diende te betalen, terwijl in werkelijkheid geen sprake was van een tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 16] overeengekomen transactie, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

9.

op 3 januari 2010, in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een vals geschrift heeft afgeleverd, terwijl hij, verdachte, en (een of meer van) zijn mededader(s) wisten dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, te weten een valse of vervalste factuur INV. 20091231-62836 (D-566) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, bestaande die valsheid hierin dat op deze factuur valselijk en in strijd met de waarheid was aangegeven of vermeld dat [bedrijf 20] Ltd te Wexham als koper een factuurbedrag terzake de verkoop en/of de levering door of namens [medeverdachte 1] in Nederland als verkoper van de in die factuur genoemde goederen diende te betalen, terwijl er in werkelijkheid sprake was van een tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 20] Ltd opgezette schijntransactie met het vooropgezette doel om in het kader van een zogenaamd omleidingstraject het exportbeleid van de Nederlandse overheid te omzeilen, bestaande dat afleveren hierin dat hij, verdachte, en (een of meer van) zijn mededader(s) genoemde factuur per email (D-565) hebben verzonden aan [getuige 9] werkzaam bij [bedrijf 20] Ltd;

10.

op 23 juni 2009, in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een vals geschrift heeft afgeleverd, terwijl hij, verdachte, en (een of meer van) zijn mededader(s) wist dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, te weten een valse of vervalste factuur INVOICE N0. 20090624-C1-C2-C3-C4-C5 B (D-626) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - bestaande die valsheid hierin dat op deze factuur valselijk en in strijd met de waarheid was aangegeven of vermeld dat [medeverdachte 2] te Bahrein als koper een factuurbedrag terzake de verkoop en/of de levering door of namens [bedrijf 6] te Offemont als verkoper van de in die factuur genoemde goederen diende te betalen, terwijl er in werkelijkheid sprake was van een tussen [bedrijf 6] en [medeverdachte 2] opgezette schijntransactie met het vooropgezette doel om in het kader van een zogenaamd omleidingstraject het exportbeleid van de Nederlandse overheid te omzeilen, bestaande dat afleveren hierin dat hij, verdachte, en (een of meer van) zijn mededader(s) genoemde factuur per email (D-624) hebben verzonden aan [getuige 11] werkzaam bij [bedrijf 6] ;

11.

in de periode vanaf 10 februari 2009 tot en met 6 april 2010 binnen het grondgebied van de Europese Unie, het Koninkrijk Bahrein, de Verenigde Arabische Emiraten en Saudi-Arabië heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit verdachte en [medeverdachte 3] , [voormalig directeur medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en/of een of meer andere natuurlijke persoon/-personen en/of rechtspersoon/-personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

-overtreding van artikel 1, lid 1, Regeling houdende strafbaarstelling van ongeoorloofde uitvoer van producten en technologie voor tweeërlei gebruik;

-overtreding van artikel 1, lid 3, Regeling houdende strafbaarstelling van ongeoorloofde uitvoer van producten en technologie voor tweeërlei gebruik;

-overtreding van artikel 2 Besluit strategische goederen;

-overtreding van artikel 3, lid 2, Besluit strategische goederen;

-overtreding van artikel 225, lid 1 en/of lid 2, Wetboek van Strafrecht;

12.

op 26 november 2003 in de gemeente Venlo opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de Inkomstenbelasting en/of Premie volksverzekeringen ten name van hem, verdachte, over het jaar 2002 (D-1255 en F3-D-007) onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk, in dat door de bevoegde Inspecteur der belastingen, althans de Belastingdienst uitgereikt en/of bij deze ingeleverde aangifte voor de Inkomstenbelasting en/of Premie volksverzekeringen voornoemd -zakelijk weergegeven- een te laag bedrag aan belastbaar inkomen box 1 opgegeven, terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

7 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1:

medeplegen van het overtreden van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 3:1 van de Algemene douanewet, betrekking hebbend op goederen die ingevolge regelingen van internationaal of nationaal recht worden aangemerkt als strategische goederen, meermalen opzettelijk gepleegd

Feiten 2, 3, 4 en 5:

medeplegen van het overtreden van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 3:1 van de Algemene douanewet, betrekking hebbend op goederen die ingevolge regelingen van internationaal of nationaal recht worden aangemerkt als strategische goederen, opzettelijk gepleegd

Feiten 6, 7 en 8:

medeplegen van valsheid in geschrift

Feiten 9 en 10 :

medeplegen van opzettelijk afleveren van het valse of vervalste geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst

Feit 11:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

Feit 12:

opzettelijk een bij de Algemene wet inzake rijksbelastingen voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

8 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

9 De straf

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben op grond van hetgeen zij bewezen hebben geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van het voorarrest. De officieren van justitie hebben ter onderbouwing van hun eis het volgende aangevoerd. Verdachte heeft samen met de medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met hun wijze van handeldrijven zowel de internationale regelgeving als de nationale wetgeving naast zich neer gelegd en ondermijnd. De verdachten hebben hiermee het met de exportcontroleregelgeving beoogde doel, het uitoefenen van druk op Iran om het land te bewegen om haar houding en gedrag te veranderen, welbewust structureel genegeerd. Zij hebben enkel het financiële gewin van de onderneming voor ogen gehad. Zij hebben dat financiële gewin gesteld boven het belang van non-proliferatie. Doordat verdachten meermalen valsheid in geschrift hebben gepleegd door facturen op te maken en te gebruiken waarop fake-transacties werden vermeld, hebben zij het vertrouwen dat binnen het maatschappelijk verkeer en in het bijzonder binnen de internationale handel gesteld moet kunnen worden in de echtheid van dergelijke documenten ernstig beschaamd. Verdachten zijn gedurende jaren werkzaam geweest in de branche van de internationale handel in gasturbineonderdelen en hebben veel kennis en ervaring verzameld op het terrein van exportcontrolewetgeving en de wijze van handhaving daarvan. Dit heeft hen er echter niet van weerhouden om exportdelicten, verzwijgingsdelicten en valsheidsdelicten te plegen.

De verdachte had onmiskenbaar de leidinggevende rol binnen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Hij was de beleidsbepalende persoon, de grote baas.

De verdachte heeft tevens grote geldbedragen witgewassen en inkomstenbelastingfraude gepleegd. Door de gepleegde fiscale fraude heeft verdachte het vertrouwen, dat aan de inhoud van belastingaangiftes mag worden ontleend, geschaad. De strafbaarstelling van belastingfraude beschermt bovendien niet alleen de gemeenschapsbelangen die door belastingheffing worden gediend, maar ook de belangen van eerlijke belastingbetalers. Belastingfraude kan immers leiden tot verdere verzwaring van de belastingdruk voor alle Nederlanders. De handelingen van verdachte dragen bovendien bij aan het ondermijnen van de belastingmoraal.

Door het aanhouden en overboeken van gelden met een criminele oorsprong heeft verdachte de legale economie aangetast. Witwassen vormt, mede vanwege de corrumperende invloed ervan, een bedreiging voor het reguliere handelsverkeer.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat bij een bewezenverklaring van de feiten kan worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast is het mogelijk om een taakstraf op te leggen. Ter onderbouwing van hun standpunt heeft de verdediging het volgende aangevoerd. Het is onbegrijpelijk dat [voormalig directeur medeverdachte 1] , directeur van [medeverdachte 1] ten tijde van de catch-all van 10 februari 2009, wegkomt met een transactie van 120 uur taakstraf. Het verschil in strafwaardig handelen wordt door het OM niet uitgelegd. Ten opzichte van verdachte is dat gegeven onverklaarbaar en onverdedigbaar. Bij de strafoplegging dient verder rekening te worden gehouden met de forse overschrijding van de redelijke termijn, het gegeven dat het OM niet terughoudend en zakelijk is geweest met de uitlatingen in de pers en het gegeven dat de verdachte sinds 2010 geen salaris meer heeft ontvangen, inmiddels op leeftijd en gepensioneerd is. De verdachte is verder nooit met politie en justitie in aanraking is geweest. Ten slotte dient rekening te worden gehouden met het feit dat de verdachte geruime tijd in voorlopige hechtenis en beperkingen heeft doorgebracht, hetgeen voor hem en zijn gezin een grote impact heeft gehad op privé en sociaal vlak.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank de volgende elementen in ogenschouw genomen:

  1. Ernst van de bewezen verklaarde feiten;

  2. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM;

  3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte;

  4. Bijzondere omstandigheden van het geval;

  5. Slotsom

Ad 1. De ernst van de bewezen verklaarde feiten

Voorop gesteld moet worden dat de rechtbank in de zaak van verdachte [verdachte] aanzienlijk minder bewezen heeft verklaard dan de officieren van justitie hebben gevorderd.

Zo zijn –kort gezegd- delen van de exportdelicten onder 1 tot en met 5 niet bewezen verklaard, behalve het jaar 2002 zijn de overige tenlastegelegde valse of onjuiste belastingaangiftes over de jaren 2003 tot en met 2008 niet bewezen verklaard en is verdachte van het gehele feit 13, bestaande uit meer dan tien uitgeschreven witwasbeschuldigingen, eveneens vrijgesproken.

Dit betekent dat de rechtbank alleen al om deze reden tot een lagere straf zal komen dan door de officieren van justitie voorgesteld.

Als het gaat om de wel bewezen verklaarde exportdelicten en bijbehorende valsheidsdelicten, is het volgende van belang.

Op grond van internationale verplichtingen (de eerste sancties werden al vanaf 2006 vanuit de VN vastgesteld) heeft Nederland als lidstaat van de Europese Unie de verantwoordelijkheid om (wettelijke) maatregelen te nemen die als doel hebben verdere proliferatie van –kort gezegd- wapenprogramma’s tegen te gaan en, als het gaat om Iran, de mogelijke verdere verspreiding van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen terug te dringen. Op grond van internationale en nationale wetgeving probeert Nederland de export van bepaalde goederen naar Iran te controleren, juist met het oog op het voorkomen van proliferatie. Langs die weg wordt geprobeerd Iran – in internationaal verband- te bewegen af te zien van verdere ontwikkeling van nucleaire activiteiten of wapenprogramma’s. Achterliggend doel is om zo een bijdrage te leveren aan het bevorderen van de internationale veiligheid. Een aantal landen, waaronder Iran, wordt internationaal verdacht doelen na te streven die een gevaar kunnen vormen voor de internationale rechtsorde.

Sinds 2015 hebben zich ontwikkelingen voorgedaan in de relatie tussen de westerse landen en Iran die hebben geleid tot het zogenoemde Iran-akkoord. Niettemin blijkt uit een brief van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan de voorzitter van de Tweede kamer van 29 augustus 2018 dat de huidige Europese Verordening voldoet als een goed functionerend kader voor exportcontrole. Ook het instrument van de catch-all heeft zijn nut bewezen.

Uit die brief blijkt volgens de rechtbank dat de Nederlandse overheid geen gewijzigd inzicht heeft over de strafwaardigheid van de exportdelicten en evenmin over de handhaving van de exportcontrolewetgeving.

In de betreffende EG-Verordening (nr 428/2009, artikel 24) is bepaald dat elke lidstaat bij inbreuk op de verordening en de uitvoeringsbepalingen doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sancties dient vast te stellen, aldus het OM in zijn requisitoir. Daarin is voorzien, aldus de rechtbank in de nationale wetgeving.

Wel volgt hieruit dat het welbewust handelen van verdachte en zijn medeverdachten om ‘omleidingsroutes’ te bedenken en uit te voeren om daarmee de nationale en internationale exportcontrolewetgeving te omzeilen, als een ernstige normschending moet worden gezien, juist bezien tegen de achtergrond van de hiervoor geschetste doeleinden van die regelgeving. De rechtbank denkt hierbij met name aan het achterliggende doel van het bewaken van de internationale veiligheid en het voorkomen van inbreuken op de internationale rechtsorde.

Het kan en mag niet zo zijn dat individuele (financiële) belangen van een onderneming of personen gesteld worden boven internationale en nationale wetgeving, in feite boven het waarborgen van de internationale veiligheid. De afweging of (dual-use-)goederen naar Iran kunnen worden uitgevoerd is na de catch-all niet meer aan verdachte of zijn medeverdachten maar dient juist te worden beoordeeld door de Nederlandse autoriteiten. Door dit systeem te ondermijnen en slinkse wegen te zoeken om de goederen toch in Iran te krijgen, hebben verdachte en zijn medeverdachten strafbare feiten gepleegd die in beginsel een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf rechtvaardigen. Handhaving van dit type wetgeving dient er ook toe te leiden dat anderen ervan worden weerhouden op dezelfde manier handel te drijven (‘afschrikwekkend’) en de verdachte en zijn medeverdachten te laten inzien dat dergelijk gedrag normoverschrijding is (‘doeltreffend’).

Daartoe is een passende sanctie noodzakelijk (‘evenredig’).

Daarmee zijn de strafdoelen gegeven: generale en speciale preventie alsmede normhandhaving.

De vraag moet worden beantwoord hoe deze strafdoelen kunnen worden bereikt, in andere woorden welke strafsoort en –maat moet worden bepaald, in het licht van de andere elementen: de redelijke termijn, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de bijzondere omstandigheden van het geval.

Ad 2. Redelijke termijn

Bij de straftoemeting dient de rechtbank ook rekening te houden met een overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Het Europese Hof van de Rechten van de Mens neemt als uitgangspunt dat binnen een termijn van twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis dient te worden gewezen. In de onderhavige zaak gaat de rechtbank uit van het moment waarop verdachte in verzekering is gesteld als het moment waarop de redelijke termijn is aangevangen, te weten 6 april 2010. Gelet op voormeld uitgangspunt zou uiterlijk op 6 april 2012 een vonnis gewezen moeten zijn. Tussen 6 april 2012 en de datum van het vonnis – 18 februari 2019 – ligt een periode die de redelijke termijn met ruim 6 jaar en 9 maanden overschrijdt. De vraag is nu of die overschrijding aan het OM kan worden tegengeworpen? De rechtbank stelt vast dat het overzichtsproces-verbaal op 8 november 2011 is gesloten. Op 30 september 2013 heeft een regiebijeenkomst plaats gevonden bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken binnen deze rechtbank. De beslissing door de rechter-commissaris op de getuigenverzoeken, ingediend door de verdediging van de verdachte, is genomen op 27 november 2013. De getuigen worden in Nederland alsmede in het buitenland gehoord in de periode van begin 2014 tot en met mei 2016. Vanaf mei 2016 vinden met name nog enige activiteiten plaats in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 3] .

De sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek vindt plaats op 4 augustus 2017. De kennisgeving van verdere vervolging gaat uit op 8 augustus 2017. De verdachte wordt op

17 augustus 2018 gedagvaard.

De rechtbank stelt vast dat van enige inactiviteit sprake is in de periode tussen het sluiten van het overzichtsproces-verbaal en de regiebijeenkomst bij de rechtercommissaris. Verder stelt de rechtbank vast dat er na mei 2016 in de zaak van de verdachte geen activiteiten hebben plaatsgevonden. Evenmin vinden substantiële activiteiten plaats tussen het moment waarop de kennisgeving verdere vervolging is uitgegaan en het moment waarop de verdachte is gedagvaard. De raadkamerprocedure (2016/2017) over het al dan niet alsnog horen van getuigen of benoemen van deskundigen kan geen reële invloed hebben gehad op het tijdsverloop. Dat in de tussenliggende periode op initiatief van het OM (en niet van de verdediging) de getuige [getuige 2] nogmaals is verhoord, komt ook op het conto van het OM. Ten slotte zal de rechtbank rekening houden met de periode tussen dagvaarding en het wijzen van het vonnis.

De rechtbank ziet géén reden om rekening te houden met de periode begin 2014 tot en met mei 2016 waarin diverse getuigen zijn gehoord. Deze verhoren hebben (met name) op initiatief van de verdediging plaatsgevonden. Dat er periodes van (enige) inactiviteit tussen de verhoren zitten, is te verklaren. Het plannen van het horen van getuigen kost tijd en daarnaast zijn rechtshulpverzoeken uitgegaan voor het horen van getuigen in het buitenland. Het is de rechtbank bekend dat hiermee veel tijd gepaard gaat en dat daarmee de gewenste voortvarendheid stokt. In ieder geval kan het OM niet worden verweten in die periode stil te hebben gezeten. Daarvan is overigens ook niet gebleken.

Dat er sprake is van tijdsverloop kan mede worden gerechtvaardigd door de omvang, complexiteit en ingewikkeldheid van de zaak.

Alles overwegende stelt de rechtbank vast dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer 4 jaar, te weten de eerder geconstateerde overschrijding met 6 jaar en 9 maanden onder aftrek van de periode waarin de getuigenverhoren hebben plaats gevonden. Uit de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de rechtbank bij een dergelijke overschrijding van de redelijke termijn bij de straftoemeting kan handelen op de wijze die haar gerade voorkomt. Onder punt 5 wordt hierop terug gekomen.

Ad 3. Persoonlijke omstandigheden van verdachte

Uit het dossier blijkt dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest. Verdachte is 65 jaar en heeft verteld met pensioen te zijn. Verder heeft hij aangegeven op verzoek van anderen terug te zijn getreden uit de in deze zaak een rol spelende vennootschappen zoals [bedrijf 4] Investment en [medeverdachte 1] . Ook wordt rekening gehouden met het feit dat verdachte vanaf 6 april 2010 tot en met 6 mei 2010 in voorlopige hechtenis heeft gezeten onder het (zware) regime van algehele beperkingen.

Verdachte heeft ook in zijn slotwoord aangegeven fouten te hebben gemaakt waarvoor hij zich verantwoordelijk voelt.

Sinds de aanhouding van verdachte in april 2010 tot heden is niet gebleken van nieuwe strafbare feiten in het kader van de exportwetgeving of enig andere strafbaar feit.

Ad 4. Bijzondere omstandigheden van het geval

De verdediging heeft aangevoerd dat met het expliciet noemen door het OM van de namen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in strijd is gehandeld met het persbeleid van het OM, de geldende privacywetgeving en de onschuldpresumptie opgenomen in artikel 6 lid 2 EVRM. De verdediging heeft daartoe een aantal artikelen uit dagbladen van het jaar 2010 overgelegd, alsmede publicaties uit dagbladen in 2018 en – kennelijk – een persbericht gedateerd 30 oktober 2018 van het Functioneel Parket, onderdeel van het OM. De verdediging meent dat op grond hiervan sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering en verzoekt de rechtbank die schending te betrekken bij de strafmaat.

Het OM heeft aangegeven dat de vermelding van de twee rechtspersonen in het persbericht van 30 oktober 2018 in de pas loopt met de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging (2012A009) van het OM. Het OM is niet verantwoordelijk voor de inhoud van publicaties in dagbladen in 2010 en 2018.

De rechtbank oordeelt als volgt. Het verweer van de verdediging voldoet niet aan de in de jurisprudentie gestelde eisen (HR 30 maart 2004 NJ 2004/376). Zo ontbreekt een duidelijke en gemotiveerde weergave van het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en – als het gaat om de rechtspersonen – het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Ook blijkt niet waarom en op welke wijze het OM verantwoordelijk is voor de publicaties (en een foto) in de dagbladen uit 2010. Datzelfde geldt voor de publicaties in 2018, nu die kennelijk grotendeels zijn gebaseerd op in het openbaar gehouden zittingen in deze zaak. Ook is niet duidelijk waarom het OM verantwoordelijk is voor, of in strijd met het recht heeft gehandeld door, publicaties op het internet.

Weliswaar staan in het persbericht van 30 oktober 2018 de namen van de betrokken rechtspersonen vermeld, maar de rechtbank kan uit dat bericht – overigens ook een samenvatting van het requisitoir van het OM als gegeven tijdens de openbare zitting – niet afleiden dat voor niet-ingewijden uit dat bericht herleiding tot verdachte [verdachte] voor de hand ligt.

Om al deze redenen wordt het strafmaatverweer verworpen.

Opgemerkt moet worden, zoals al opgenomen onder de bewijsoverwegingen hiervoor, dat verdachte een initiërende en faciliterende rol heeft gespeeld. Als beleidsbepaler binnen [bedrijf 4] Investment en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] beschikte hij niet alleen over het noodzakelijke netwerk van collega’s in de branche, binnen zijn invloedsfeer liggende ondernemingen, de noodzakelijke kennis van gasturbine(onderdelen) én toegang tot alsmede netwerken in Iran, hij heeft daar ook bewust gebruik van gemaakt en het spel gespeeld en naar zijn hand gezet.

Bij de uitvoering van het voornemen de goederen hoe dan ook naar Iran te krijgen heeft hij gebruik gemaakt van de kennis en vaardigheden van zijn medeverdachten en de rechtspersonen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

De kenschets van het OM dat [verdachte] als de ‘grote baas’ kan worden gezien, deelt de rechtbank.

Bij het wegen van de rollen van de verschillende verdachten en hun onderlinge verhouding kan de rechtbank niet voorbijgaan aan de rol van [voormalig directeur medeverdachte 1] , ook genoemd als deelnemer aan de criminele organisatie onder feit 11. Het OM heeft haar zaak op 15 mei 2014 afgedaan met een strafbeschikking van 120 uur taakstraf.

De rechtbank vindt het verschil in strafmodaliteit en –duur tussen de afdoening in de zaak van [voormalig directeur medeverdachte 1] en de voorgestelde straffen van verdachte en de medeverdachten opmerkelijk en disproportioneel. [voormalig directeur medeverdachte 1] was als directeur en later als ‘vrijwilliger’ betrokken bij [medeverdachte 1] met name op het vlak van de exportwetgeving en de relatie tot het Ministerie.

De door het OM gekozen straf voor [voormalig directeur medeverdachte 1] heeft dan ook een mitigerende invloed op de bepaling van de straf voor verdachte.

Ad 5. Slotsom

Hoewel in beginsel een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de bewezenverklaarde feiten passend en geboden is, zal de rechtbank geen straf opleggen die ertoe leidt dat verdachte naar de gevangenis dient terug te keren. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de strafdoelen: generale en speciale preventie alsmede normhandhaving ook worden bereikt door een aanzienlijke voorwaardelijke straf en een taakstraf. De keuze voor deze strafmodaliteiten is mede ingegeven door de geconstateerde schending van de redelijke termijn, de genoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte en de gekozen afdoening door het OM in de zaak [voormalig directeur medeverdachte 1] .

Om de ernst van de bewezenverklaarde feiten tot uitdrukking te brengen en zo het doel van normhandhaving mede te dienen, alsmede gelet op het feit dat de handhaving van deze exportwetgeving cruciaal is voor het bewaken van de internationale veiligheid en rechtsorde, zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen van 12 maanden waarvan 11 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaar. Deze hoge voorwaardelijke straf dient er tevens voor om verdachte te weerhouden van het plegen van soortgelijke feiten, strafdoel speciale preventie.

Om verdachte duidelijk te maken dat normen zijn overtreden en zeker overschrijding van internationale normen dient te worden bestraft zal nog een taakstraf worden opgelegd van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis.

10 Het beslag

10.1

Standpunt officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd de onder de verdachte inbeslaggenomen banksaldi/effectenportefeuilles [zwager van verdachte] / [broer van verdachte] , waarde € 5.528.095, waarop zowel beslag op grond van artikel 94 Sv als beslag op basis van artikel 94a Sv rust, verbeurd te verklaren.

10.2

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het beslag dient te worden opgeheven.

10.3

Oordeel rechtbank

De rechtbank zal niet beslissen tot verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen banksaldi/ effectenportefeuilles aangezien verdachte van het tenlastegelegde onder 13 wordt vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat het ten laste gelegde met betrekking tot deze geldbedragen is begaan. De rechtbank zal daarom het klassieke beslag (artikel 94 Sv) op de banksaldi/effectenportefeuilles opheffen.

De rechtbank zal geen teruggave van de inbeslaggenomen banksaldi/effectenportefeuille gelasten, omdat er op het inbeslaggenomene tevens conservatoir beslag (artikel 94a Sv) rust, in afwachting van de door de officieren van justitie reeds aanhangig gemaakte ontnemingsprocedure.

11 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 140 en 225 van het Wetboek van Strafrecht,

1, 2 en 6 van de Wet economische delicten,

69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

1:4 en 3:1 van de Algemene Douanewet,

2 van het Besluit strategische goederen,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

12 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder 13;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 6.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat onder 1, 2, 3, 4, 5 en 12 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 7 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 11 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

- zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

  • -

    veroordeelt de verdachte voorts tot een taakstraf voor de duur van 240 uren,

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Beslag

- heft op het klassieke beslag (art 94 wetboek van Strafvordering) op de banksaldi/effectenportefeuilles.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.G.L. van der Aa, voorzitter, mr. A.P.A. Bisscheroux en mr. M.E.M.W. Nuijts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk en mr. M.J.M. Penders, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 februari 2019.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) op of omstreeks 22 december 2009, althans in of omstreeks de maand december 2009 in de gemeente Venlo, in elk geval (elders) in Nederland en/of in Duitsland en/of (elders) binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap/de Europese Unie, (telkens) al dan niet opzettelijk tezamen en in vereniging met [bedrijf 11] / [bedrijf 11] - [bedrijf 11] en/of anderen of een ander, althans alleen, terwijl het goederen betrof, heeft gehandeld danwel heeft doen of laten handelen in strijd met artikel 4, eerste lid van verordening 428/2009, hebbende hij en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen daar (telkens) (een) hoeveelheid/hoeveelheden producten voor tweeërlei gebruik die niet op de

lijst in bijlage I bij genoemde verordening voorkomen, te weten

-een hoeveelheid/hoeveelheden turbineonderdelen (6-OPV, ordernummer 61488/62811) en/of

-een hoeveelheid/hoeveelheden turbineonderdelen (7-OPV-01, ordernummer 61110/62811) en/of

-een hoeveelheid/hoeveelheden turbineonderdelen (8-OPV, ordernummer 60777/62811) en/of

-een hoeveelheid/hoeveelheden turbineonderdelen (9-OPV, ordernummer 6292/62811),

zijnde een goed/goederen en/of een product/producten ten aanzien waarvan de exporteur als bedoeld in artikel 2 van genoemde verordening bij (een zogenaamde catch-all) beschikking van 10 februari 2009 van/namens de Staatssecretaris van Economische Zaken de in artikel 4, eerste lid, van genoemde verordening bedoelde mededeling was gedaan, uitgevoerd danwel doen of laten uitvoeren zonder uitvoervergunning;

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 februari 2009 tot en met 6 april 2010 in de gemeente(n) Venlo en/of Den Haag en/of Groningen en/of (elders) in Nederland , (telkens) al dan niet opzettelijk tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, terwijl Onze Minister van Economische Zaken bij (een zogenaamde catch-all) beschikking van 10 februari 2009, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van

verordening 1334/2000 danwel artikel 4, eerste lid, van verordening 428/2009 had bepaald dat de uitvoer en/of de wederuitvoer van onderdelen voor gasturbines naar Iran zonder vergunning verboden was, terwijl [medeverdachte 1] adressaat van deze beschikking was, zodra voor hem en/of (een of meer van) voornoemde ander(en) aannemelijk was dat de

desbetreffende onderdelen voor gasturbines, te weten

-een hoeveelheid/hoeveelheden turbineonderdelen (6-OPV, ordernummer 61488/62811) en/of

-een hoeveelheid/hoeveelheden turbineonderdelen (7-OPV-01, ordernummer 61110/62811) en/of

-een hoeveelheid/hoeveelheden turbineonderdelen (8-OPV, ordernummer 60777/62811) en/of

-een hoeveelheid/hoeveelheden turbineonderdelen (9-OPV, ordernummer 6292/62811),

een andere bestemming (dan Iran, te weten Duitsland en/of de Verenigde Arabische Emiraten en/of het Koninkrijk Bahrein) zouden krijgen dan in de beschikking was vermeld,

(telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting onder opgave van redenen van deze gewijzigde bestemming mededeling te doen aan Onze Minister van Economische Zaken;

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 juni 2009 tot en met 27 januari 2010 in de gemeente(n) Venlo en/of Den Haag en/of Groningen en/of (elders) in Nederland , (telkens) al dan niet opzettelijk tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of anderen of een ander, althans alleen, terwijl het goederen betrof, heeft gehandeld in strijd met artikel 4, vierde lid, van verordening 1334/2000 danwel artikel 4, vierde lid,

van verordening 428/2009, hebbende hij en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen daar (telkens), terwijl [medeverdachte 1] als exporteur er kennis van droeg dat producten voor

tweeërlei gebruik welke deze wenste uit te voeren en die niet op de lijst van bijlage I bij genoemde verordening(en) voorkwamen, te weten

-een hoeveelheid/hoeveelheden turbineonderdelen (8-OPV, ordernummer 60777/62811),

die geheel of ten dele bestemd waren voor een van de in artikel 4, lid 1, van genoemde verordening(en) genoemde doeleinden, dit niet medegedeeld aan de in artikel 4, lid 1, van genoemde verordening(en) bedoelde autoriteiten, die besluiten of het dienstig is dat voor de betrokken uitvoer een vergunning wordt vereist;

2.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) op of omstreeks 11 januari 2010, althans in of omstreeks de maand januari 2010 in de gemeente(n) Venlo, in elk geval (elders) in Nederland en/of in Frankrijk en/of (elders) binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap/de Europese Unie, (telkens) al dan niet opzettelijk tezamen en in vereniging met [bedrijf 7] en/of anderen of een ander, althans alleen, terwijl het goederen betrof, heeft gehandeld danwel heeft doen of laten handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, van verordening 428/2009, hebbende hij en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen daar (telkens) (een) hoeveelheid/hoeveelheden producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst in bijlage I bij genoemde verordening voorkomen, te weten

- een hoeveelheid/hoeveelheden turbineonderdelen (10-OPV, ordernummer 61748/61750/62812),

zijnde een goed/goederen en/of een product/producten ten aanzien waarvan de exporteur als bedoeld in artikel 2 van genoemde verordening bij (een zogenaamde catch-all) beschikking van 10 februari 2009 van/namens de Staatssecretaris van Economische Zaken de in artikel 4, eerste lid, van genoemde verordening bedoelde mededeling was gedaan, uitgevoerd danwel doen of laten uitvoeren zonder uitvoervergunning;

en/of

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 februari 2009 tot en met 15 maart 2010 in de gemeente(n) Venlo en/of Den Haag en/of Groningen en/of (elders) in Nederland , (telkens) al dan niet opzettelijk tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, terwijl Onze Minister van Economische Zaken bij (een zogenaamde catch-all) beschikking van 10 februari 2009, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van

verordening 1334/2000 danwel artikel 4, eerste lid, van verordening 428/2009 had bepaald dat de uitvoer en/of de wederuitvoer van onderdelen voor gasturbines naar Iran zonder vergunning verboden was, terwijl [medeverdachte 1] adressaat was van deze beschikking, zodra voor hem en/of (een of meer van) voornoemde ander(en) aannemelijk was dat de

desbetreffende onderdelen voor gasturbines, te weten

-een hoeveelheid/hoeveelheden turbineonderdelen (10-OPV, ordernummer

61748/61750/62812),

een andere bestemming (dan Iran, te weten Frankrijk en/of de Verenigde Arabische Emiraten en/of het Koninkrijk Bahrein) zouden krijgen dan in de beschikking was vermeld, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting onder opgave van redenen van deze gewijzigde bestemming mededeling te doen aan Onze Minister van Economische Zaken;

3.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) op of omstreeks 30 december 2009, althans in of omstreeks de maand december 2009 in de gemeente(n) Venlo en/of Roermond, in elk geval (elders) in Nederland en/of (elders) binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap/de Europese Unie, (telkens) al dan niet opzettelijk tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of anderen of een ander, althans alleen, terwijl het goederen betrof, heeft gehandeld danwel heeft doen of laten handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, van verordening

428/2009, hebbende hij en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen daar (telkens)

(een) hoeveelheid/hoeveelheden producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst in bijlage I bij genoemde verordening voorkomen, te weten

- een hoeveelheid/hoeveelheden turbineonderdelen (11-OPV, ordernummer 62680),

zijnde een goed/goederen en/of een product/producten ten aanzien waarvan de exporteur als bedoeld in artikel 2 van genoemde verordening bij (een zogenaamde catch-all) beschikking van 10 februari 2009 van/namens de Staatssecretaris van Economische Zaken de in artikel 4, eerste lid, van genoemde verordening bedoelde mededeling was gedaan, uitgevoerd danwel doen of laten uitvoeren zonder uitvoervergunning;

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 februari 2009 tot en met 28 februari 2010 in de gemeente(n) Venlo en/of Den Haag en/of Groningen en/of (elders) in Nederland , (telkens) al dan niet opzettelijk tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, terwijl Onze Minister van Economische Zaken bij (een zogenaamde catch-all) beschikking van 10 februari 2009, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van verordening 1334/2000 danwel artikel 4, eerste lid, van verordening 428/2009 had bepaald dat de uitvoer en/of de wederuitvoer van onderdelen voor gasturbines naar Iran zonder vergunning verboden was, terwijl [medeverdachte 1] adressaat van deze beschikking was, zodra voor hem

en/of (een of meer van) voornoemde ander(en) aannemelijk was dat de desbetreffende onderdelen voor gasturbines, te weten

-een hoeveelheid/hoeveelheden turbineonderdelen (11-OPV, ordernummer 62680), een andere bestemming (dan Iran, te weten het Koninkrijk Saoedi-Arabie en/of de Verenigde Arabische Emiraten en/of het Koninkrijk Bahrein) zouden krijgen dan in de beschikking was vermeld, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting onder opgave van redenen van

deze gewijzigde bestemming mededeling te doen aan Onze Minister van Economische Zaken;

en/of

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 februari 2009 tot en met 28 februari 2010 in de gemeente(n) Venlo en/of Den Haag en/of Groningen en/of (elders) in Nederland, (telkens) al dan niet opzettelijk tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of anderen of een ander, althans alleen, terwijl het goederen betrof, heeft gehandeld in strijd met artikel 4, vierde lid, van verordening 1334/2000 danwel artikel 4, vierde lid,

van verordening 428/2009, hebbende hij en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen daar (telkens), terwijl [medeverdachte 1] als exporteur er kennis van droeg dat producten voor

tweeërlei gebruik welke deze wenste uit te voeren en die niet op de lijst van bijlage I bij genoemde verordening voorkwamen, te weten

-een hoeveelheid/hoeveelheden turbineonderdelen (11-OPV, ordernummer 62680),

geheel of ten dele bestemd waren voor een van de in artikel 4, lid 1, van genoemde verordening(en) genoemde doeleinden, dit niet medegedeeld aan de in artikel 4, lid 1, van genoemde verordening(en) bedoelde autoriteiten, die besluiten of het dienstig is dat voor de betrokken uitvoer een vergunning wordt vereist;

4.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) op of omstreeks 28 december 2009, althans in of omstreeks de maand december 2009 in de gemeente(n) Venlo en/of Haarlemmermeer, in elk geval (elders) in Nederland, en/of (elders) binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap/de Europese Unie, (telkens) al dan niet opzettelijk tezamen en in vereniging met [bedrijf 20] en/of anderen of een ander, althans alleen, terwijl het goederen betrof, heeft gehandeld danwel heeft doen of laten handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, van

verordening 428/2009, hebbende hij en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen daar (telkens) (een) hoeveelheid/hoeveelheden producten voor tweeërlei gebruik die niet op de

lijst in bijlage I bij genoemde verordening voorkomen, te weten

- een hoeveelheid/hoeveelheden turbineonderdelen (13-OPV-01, ordernummer

62836/61801),

zijnde een goed/goederen en/of een product/producten ten aanzien waarvan de exporteur als bedoeld in artikel 2 van genoemde verordening bij (een zogenaamde catch-all) beschikking van 10 februari 2009 van/namens de Staatssecretaris van Economische Zaken de in artikel 4, eerste lid, van genoemde verordening bedoelde mededeling was gedaan, uitgevoerd danwel doen of laten uitvoeren zonder uitvoervergunning;

en/of

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 februari 2009 tot en met 28 februari 2010 in de gemeente(n) Venlo en/of Den Haag en/of Groningen en/of (elders) in Nederland , (telkens) al dan niet opzettelijk tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, terwijl Onze Minister van Economische Zaken bij (een zogenaamde catch-all) beschikking van 10 februari 2009, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van verordening 1334/2000 danwel artikel 4, eerste lid, van verordening 428/2009 had bepaald dat de uitvoer en/of de wederuitvoer van onderdelen voor gasturbines naar Iran zonder vergunning verboden was, terwijl [medeverdachte 1] adressaat van deze beschikking was, zodra voor hem

en/of (een of meer van) voornoemde ander(en) aannemelijk was dat de desbetreffende onderdelen voor gasturbines, te weten

-een hoeveelheid/hoeveelheden turbineonderdelen (13-OPV-01, ordernummer

62836/61801),

een andere bestemming (dan Iran, te weten het Verenigd Koninkrijk en/of de Verenigde Arabische Emiraten en/of het Koninkrijk Bahrein) zouden krijgen dan

in de beschikking was vermeld, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting onder opgave van redenen van deze gewijzigde bestemming mededeling te doen aan Onze Minister van

Economische Zaken;

5.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) op of omstreeks 26 juni 2009, althans in of omstreeks de maand juni 2009 in de gemeente Venlo, in elk geval (elders) in Nederland, en/of in Frankrijk en/of (elders) binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap/de Europese Unie, (telkens) al dan niet opzettelijk tezamen en in vereniging met [bedrijf 6] en/of anderen of een ander, althans alleen, terwijl het goederen betrof, heeft gehandeld danwel heeft doen of laten handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, van verordening 1334/2000, hebbende hij en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen daar (telkens) (een) hoeveelheid/hoeveelheden producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst in bijlage I bij genoemde verordening voorkomen, te weten

- een hoeveelheid/hoeveelheden turbineonderdelen (14-OPV-01, ordernummer

61864/60907),

zijnde een goed/goederen en/of een product/producten ten aanzien waarvan de exporteur als bedoeld in artikel 2 van genoemde verordening bij (een zogenaamde catch-all) beschikking van 10 februari 2009 van/namens de Staatssecretaris van Economische Zaken de in artikel 4, eerste lid, van genoemde verordening bedoelde mededeling was gedaan, uitgevoerd danwel doen of laten uitvoeren zonder uitvoervergunning;

en/of

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 februari 2009 tot en met 30 november 2009 in de gemeente(n) Venlo en/of Den Haag en/of Groningen en/of (elders) in Nederland , (telkens) al dan niet opzettelijk tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, terwijl Onze Minister van Economische Zaken bij (een zogenaamde catch-all) beschikking van 10 februari 2009, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van verordening 1334/2000 danwel artikel 4, eerste lid, van verordening 428/2009 had bepaald dat de uitvoer en/of de wederuitvoer van onderdelen voor gasturbines naar Iran zonder vergunning verboden was, terwijl [medeverdachte 1] adressaat van deze beschikking was, zodra voor hem

en/of (een of meer van) voornoemde ander(en) aannemelijk was dat de desbetreffende onderdelen voor gasturbines, te weten

- een hoeveelheid/hoeveelheden turbineonderdelen (14-OPV-01, ordernummer

61864/60907),

een andere bestemming (dan Iran, te weten Frankrijk en/of de Verenigde Arabische Emiraten en/of het Koninkrijk Bahrein) zouden krijgen dan in de beschikking was vermeld, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting onder opgave van redenen van deze gewijzigde bestemming mededeling te doen aan Onze Minister van Economische Zaken;

en/of

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 februari 2009 tot en met 30 november 2009 in de gemeente(n) Venlo en/of Den Haag en/of Groningen en/of (elders) in Nederland , (telkens) al dan niet opzettelijk tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of anderen of een ander, althans alleen, terwijl het goederen betrof, heeft gehandeld in strijd met artikel 4, vierde lid, van verordening 1334/2000 danwel artikel 4, vierde lid,

van verordening 428/2009, hebbende hij en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen daar (telkens), terwijl [medeverdachte 1] als exporteur er kennis van droeg dat producten voor

tweeërlei gebruik welke deze wenste uit te voeren en die niet op de lijst van bijlage I bij genoemde verordening(en) voorkwamen, te weten

- een hoeveelheid/hoeveelheden turbineonderdelen (14-OPV-01, ordernummer

61864/60907),

geheel of ten dele bestemd waren voor een van de in artikel 4, lid 1, van genoemde verordening(en) genoemde doeleinden, dit niet medegedeeld aan de in artikel 4, lid 1, van genoemde verordening(en) bedoelde autoriteiten, die besluiten of het dienstig is dat voor de betrokken uitvoer een vergunning wordt vereist;

6.

hij op of omstreeks 22 december 2009, in elk geval in of omstreeks de maand december 2009, in de gemeente Venlo, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een factuur INV. 20091222-62811 (D-702) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

alstoen aldaar valselijk en/of in strijd met de waarheid in/op deze factuur aangegeven of vermeld dat [bedrijf 11] - [bedrijf 11] te Essen in Duitsland als koper (een) factuurbedrag(en) terzake de verkoop en/of de levering door of namens [medeverdachte 1] in Nederland als verkoper van de in die factuur genoemde goederen diende te betalen, (terwijl in werkelijkheid geen sprake was van een tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 11] - [bedrijf 11]

Services GMBH overeengekomen transactie zoals gebruikelijk in het handelsverkeer en/of terwijl er in werkelijkheid sprake was van een tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 11] - [bedrijf 11] opgezette (schijn)transactie met het (vooropgezette) doel om (in het kader van een zogenaamd omleidingstraject) het exportbeleid van de Nederlandse overheid te omzeilen en/of zichzelf/henzelf financieel te bevoordelen in strijd met het exportbeleid van de Nederlandse overheid) zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

7.

hij op of omstreeks 11 januari 2010, in elk geval in of omstreeks de maand januari 2010, in de gemeente Venlo, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een factuur INVOICE 2010-003 (D-184) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of heeft

vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) alstoen aldaar valselijk en/of in strijd met de waarheid in/op deze factuur aangegeven of vermeld dat [bedrijf 12] te Dubai, UAE, als koper (een) factuurbedrag(en) terzake de verkoop en/of de levering door of namens [medeverdachte 1] in Nederland als verkoper van de in die factuur genoemde goederen diende te betalen, (terwijl in werkelijkheid geen sprake was van een tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 12] overeengekomen transactie zoals gebruikelijk in het handelsverkeer en/of

terwijl er in werkelijkheid sprake was van een tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 12] opgezette (schijn)transactie met het (vooropgezette) doel om (in het kader van een zogenaamd omleidingstraject) het exportbeleid van de Nederlandse overheid te omzeilen en/of zichzelf/henzelf financieel te bevoordelen in strijd met het exportbeleid van de Nederlandse overheid) zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

8.

hij op of omstreeks 30 december 2009, in elk geval in of omstreeks de maand december 2009, in de gemeente Venlo, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een factuur INV.62680 (IP04-08 8491) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

alstoen aldaar valselijk en/of in strijd met de waarheid in/op deze factuur aangegeven of vermeld dat [bedrijf 16] te Saoedi-Arabië als koper (een) factuurbedrag(en) terzake de verkoop en/of de levering door of namens [medeverdachte 1] in Nederland als verkoper van de in die factuur genoemde goederen diende te betalen, (terwijl in werkelijkheid geen sprake was van een tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 16] overeengekomen transactie zoals gebruikelijk in het handelsverkeer en/of terwijl er in werkelijkheid sprake was van een tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 16] opgezette (schijn)transactie met het (vooropgezette) doel om (in het kader van een zogenaamd omleidingstraject) het exportbeleid van de Nederlandse overheid te omzeilen en/of zichzelf/henzelf financieel te bevoordelen in strijd met het exportbeleid van de Nederlandse overheid) zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

9.

hij op of omstreeks 3 januari 2010, in elk geval in of omstreeks de maand januari 2010, in de gemeente Venlo, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst en/of opzettelijk een vals of vervalst geschrift heeft afgeleverd en/of voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, te weten een valse of vervalste factuur INV. 20091231-62836 (D-566) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -,

bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op deze factuur valselijk en/of in strijd met de waarheid was aangegeven of vermeld dat [bedrijf 20] Ltd te Wexham als koper (een) factuurbedrag(en) terzake de verkoop en/of de levering door of namens [medeverdachte 1] in Nederland als verkoper van de in die factuur genoemde goederen diende te betalen, (terwijl

in werkelijkheid geen sprake was van een tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 20] Ltd overeengekomen transactie zoals gebruikelijk in het handelsverkeer en/of terwijl er in werkelijkheid sprake was van een tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 20] Ltd opgezette (schijn)transactie met het (vooropgezette) doel om (in het kader van een zogenaamd omleidingstraject) het exportbeleid van de Nederlandse overheid te omzeilen en/of zichzelf/henzelf financieel te bevoordelen in strijd met het exportbeleid van de Nederlandse overheid), bestaande dat gebruikmaken en/of afleveren hierin dat hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) genoemde factuur per email (D-565) heeft/hebben verzonden aan [getuige 9] werkzaam bij [bedrijf 20] Ltd, althans heeft/hebben verstrekt aan [bedrijf 20] Ltd;

10.

hij op of omstreeks 23 juni 2009, in elk geval in of omstreeks de maand juni 2009, in de gemeente Venlo, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst en/of opzettelijk een vals of vervalst geschrift heeft afgeleverd en/of voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, te weten een valse of vervalste factuur INVOICE N0. 20090624-C1-C2-C3-C4-C5 B (D-626) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op deze factuur valselijk en/of in strijd met de waarheid was aangegeven of vermeld dat [medeverdachte 1]

[medeverdachte 2] te Bahrein als koper (een) factuurbedrag(en) terzake de verkoop en/of de levering door of namens [bedrijf 6] te Offemont als verkoper van de in die factuur genoemde goederen diende te betalen, (terwijl in werkelijkheid geen sprake was van een tussen [bedrijf 6] en [medeverdachte 2] overeengekomen transactie zoals gebruikelijk in het handelsverkeer en/of terwijl er in werkelijkheid sprake was van een tussen [bedrijf 6] en [medeverdachte 2] opgezette (schijn)transactie met het (vooropgezette) doel om (in het kader van een zogenaamd omleidingstraject) het exportbeleid van de Nederlandse overheid te omzeilen en/of zichzelf/henzelf financieel te bevoordelen in strijd met het exportbeleid van de Nederlandse overheid), bestaande dat gebruikmaken en/of afleveren hierin dat hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) genoemde factuur per email (D-624) heeft/hebben verzonden aan [getuige 11] werkzaam bij [bedrijf 6] , althans heeft/hebben verstrekt aan [bedrijf 6] ;

11.

hij in of omstreeks de periode vanaf 2 januari 2008 tot en met 6 april 2010 te Venlo en/of Groningen en/of Den Haag en/of Weert en/of Hegelsom en/of Roggel en/of Haarlemmermeer en/of Roermond en/of (elders) in Nederland en/of in Duitsland en/of in het Verenigd Koninkrijk en/of in Frankrijk en/of (elders) binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap/de Europese Unie en/of in het Koninkrijk Bahrein en/of in de Verenigde Arabische Emiraten en/of Saudi-Arabië heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit verdachte en/of [medeverdachte 3] en/of [voormalig directeur medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer andere natuurlijke persoon/-personen en/of rechtspersoon/-personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, waaronder/te weten:

-overtreding van artikel 1, lid 1, Regeling houdende strafbaarstelling van ongeoorloofde uitvoer van producten en technologie voor tweeërlei gebruik;

-overtreding van artikel 1, lid 3, Regeling houdende strafbaarstelling van ongeoorloofde uitvoer van producten en technologie voor tweeërlei gebruik;

-overtreding van artikel 2 Besluit strategische goederen;

-overtreding van artikel 3, lid 2, Besluit strategische goederen;

-overtreding van artikel 225, lid 1 en/of lid 2, Wetboek van Strafrecht;

12.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 26 november 2003 tot en met 3 september 2010 in de gemeente(n) Venlo en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de Inkomstenbelasting en/of Premie volksverzekeringen ten name van hem, verdachte, over de/het ja(a)r(en) 2002 en/of 2003 en/of 2004 en/of 2005 en/of 2006 en/of 2007 en/of 2008 (D-1255, D-1256, D-1257, D-1258 en D-1259, D-1260 en D-1261, alsmede F3-D-007, D-1156, D-1157, D-1158, D-1159, D-1160, D-1161 en proces-verbaal OVJ-01, bijlagen 1 en 2) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn medeverdachte(n), toen daar, (telkens) opzettelijk, in die/dat door de bevoegde Inspecteur der belastingen, althans de Belastingdienst uitgereikt(e) en/of bij deze ingeleverde aangifte(n) voor de Inkomstenbelasting en/of Premie volksverzekeringen voornoemd -zakelijk weergegeven- een te laag bedrag aan belastbaar inkomen en/of inkomen box 1 en/of een te laag bedrag aan belastbaar inkomen en/of inkomen box 3 opgegeven, terwijl die feiten/dat feit er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;

13.

hij (op een of meer tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van de maand juni 2003 tot en met de maand mei 2010, althans (op een of meer tijdstip(pen)) in of omstreeks de/het ja(a)r(en) 2003 tot en met 2010, in de gemeente(n) Venlo en/of (elders) in Nederland en/of in Köln en/of in Düsseldorf en/of (elders) in Duitsland en/of in Teheran en/of (elders) in Iran,

(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

van een of meer voorwerp(en) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een of meer voorwerp(en) was en/of wie een of meer voorwerp(en) voorhanden heeft gehad en/of een of meer voorwerp(en) heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen, te weten

A. geldstroom [getuige 20] / [getuige 19] :

- ( op een of meer tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van de maand juni 2003 tot en met de maand oktober 2005, een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) tot een totaal bedrag groot 855.547,02 euro of daaromtrent, door die/dat geldbedrag(en) voornoemd over te maken, althans te doen of laten overmaken naar de bankrekening bij de Deutsche Bank AG in Köln met bankrekening nummer 1011493 ten name van [getuige 20] en/of die/dat geldbedrag(en) voornoemd (als onderdeel van het saldo op die bankrekening) op die bankrekening te houden, in elk geval voorhanden te hebben (par. 4.1.5 van 17-OPV-01) en/of

- ( op een of meer tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van de maand maart 2004 tot en met de maand juni 2005, een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) tot een totaal bedrag groot 728.000 euro of daaromtrent, door die/dat geldbedrag(en) voornoemd over te maken, althans te doen of laten overmaken vanaf de bankrekening bij de Deutsche Bank AG in Köln met

bankrekening nummer 1011493 ten name van [getuige 20] naar de bankrekening bij de ING bank te Venlo met bankrekening nummer 664788696 ten name van [broer van verdachte] en/of die/dat geldbedrag(en) voornoemd (als onderdeel van het saldo op die bankrekening) op die bankrekening te houden, in elk geval voorhanden te hebben (par. 4.1.5 en 4.2.1 van 17-OPV-01) en/of

- ( op een of meer tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van de maand oktober 2005 tot en met de maand maart 2006, een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) tot een totaal bedrag groot 390.000 euro of daaromtrent, door die/dat geldbedrag(en) voornoemd over te maken, althans te doen of laten overmaken naar de bankrekening bij de Deutsche Bank AG in Düsseldorf met bankrekening nummer 750827800 ten name van [getuige 19] en/of die/dat geldbedrag(en) voornoemd (als onderdeel van het saldo op die bankrekening) op die bankrekening te houden, in elk geval voorhanden te hebben (par. 4.1.4 van 17-OPV-01) en/of

- ( op een of meer tijdstip(pen)) in of omstreeks de maand april 2004, een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) tot een totaal bedrag groot 737.000 euro of daaromtrent, door die/dat geldbedrag(en) voornoemd over te maken, althans te doen of laten overmaken vanaf de bankrekening bij de Deutsche Bank AG in Düsseldorf met bankrekening nummer 750827800 ten name van [getuige 19] naar de bankrekening bij de ING bank te Venlo met bankrekening nummer 664788696 ten name van [broer van verdachte] en/of die/dat geldbedrag(en) voornoemd (als onderdeel van het saldo op laatstgenoemde bankrekening) op laatstgenoemde bankrekening te houden, in elk geval voorhanden te hebben (par. 4.1.3, 4.1.4 en 4.2.1) en/of

- ( op een of meer tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van de maand mei 2006 tot en met de maand november 2006, een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) tot een totaal bedrag groot 545.532,93 euro of daaromtrent, door die/dat geldbedrag(en) voornoemd over te maken, althans te doen of laten overmaken vanaf de bankrekening bij de Deutsche Bank AG in Düsseldorf met bankrekening nummer 750827800 ten name van [getuige 19] naar de bankrekening bij de ING bank te Venlo met bankrekening nummer [rekeningnummer 1] ten name van [broer van verdachte] en/of die/dat geldbedrag(en) voornoemd (als onderdeel van het saldo op

laatstgenoemde bankrekening) op laatstgenoemde bankrekening te houden, in elk geval voorhanden te hebben (par. 4.1.3, 4.1.4 en 4.2.1) en/of

- ( op een of meer tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van de maand april 2004 tot en met de maand november 2005, een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) tot een totaal bedrag groot 1.350.531,15 euro of daaromtrent, door die/dat geldbedrag(en) over te maken, althans te doen of laten overmaken vanaf de bankrekening met bankrekening nummer 664788696 naar de bankrekening nummer [rekeningnummer 1] , (telkens) bij de ING bank te Venlo, (telkens) ten name van [broer van verdachte] en/of die/dat geldbedrag(en) voornoemd (als onderdeel van het saldo op die bankrekening) op laatstgenoemde bankrekening te houden, in elk geval

voorhanden te hebben (par. 4.2.1 van 17-OPV-01) en/of

- ( op een of meer tijdstip(pen)) in of omstreeks de maand oktober 2006, een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) tot een totaal bedrag groot 1.000.000 euro of daaromtrent, door die/dat geldbedrag(en) over te maken, althans te doen of laten overmaken vanaf de bankrekening met bankrekening nummer [rekeningnummer 1] naar de bankrekening nummer [rekeningnummer 2] , (telkens) bij de ING bank te Venlo, (telkens) ten name van [broer van verdachte] en/of die/dat geldbedrag(en) voornoemd op laatstgenoemde bankrekening (als onderdeel van het saldo op die bankrekening) te houden, in elk geval voorhanden te hebben (par. 4.2.1 van 17-OPV-01) en/of

B. geldstroom [getuige 17] :

- ( op een of meer tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van de maand juni 2004 tot en met de maand september 2004, een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) tot een totaal bedrag groot 250.000 euro of daaromtrent, door die/dat geldbedrag(en) voornoemd over te maken, althans te doen of laten overmaken vanaf de bankrekening bij de ABN-Amro met bankrekeningnummer 486553973 ten name van [bedrijf 3] [bedrijf 27] naar de bankrekening bij de [bank] te Teheran met bankrekening nummer 11400014 ten name van [getuige 17]

en/of die/dat geldbedrag(en) voornoemd (als onderdeel van het saldo op die bankrekening) op die bankrekening te houden, in elk geval voorhanden te hebben (par. 4.1.2 van 17-OPV-01) en/of

- ( op een of meer tijdstip(pen)) in of omstreeks de maand juli 2004, een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) tot een totaal bedrag groot 55.000 euro of daaromtrent, door die/dat geldbedrag(en) voornoemd over te maken, althans te doen of laten overmaken vanaf de bankrekening bij de ING Bank te Venlo met bankrekening nummer 664788696 ten name van [broer van verdachte] naar de bankrekening bij de [bank] te Teheran met bankrekening nummer 11400014 ten name van [getuige 17] en/of die/dat geldbedrag(en) voornoemd (als onderdeel van het saldo op die bankrekening) op die bankrekening te houden, in elk geval voorhanden te hebben (par. 4.2.1 van 17-OPV-01) en/of

- ( op een of meer tijdstip(pen)) in of omstreeks de maand mei 2006, een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) tot een totaal bedrag groot 310.000,- euro of daaromtrent, door die/dat geldbedrag(en) voornoemd over te maken, althans te doen of laten overmaken vanaf de bankrekening bij de [bank] te Teheran met bankrekening nummer 11400014 ten name van [getuige 17] naar de bankrekening bij de ING Bank te Venlo met bankrekening nummer [rekeningnummer 4] ten name van [zwager van verdachte] en/of die/dat geldbedrag(en) voornoemd (als onderdeel van het saldo op die bankrekening) op die bankrekening te houden, in elk geval voorhanden te

hebben (par. 4.2.1 van 17-OPV-01) en/of

C. geldstroom [bedrijf 31] :

- ( op een of meer tijdstip(pen)) in of omstreeks de maand september 2005, een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) tot een totaal bedrag groot 489.000,- euro of daaromtrent, door die/dat geldbedrag(en) voornoemd over te maken, althans te doen of laten overmaken naar de bankrekening bij de ING Bank te Venlo met bankrekening nummer 681741325 ten name van [zwager van verdachte] en/of die/dat geldbedrag(en) voornoemd (als onderdeel van het saldo op die bankrekening) op die bankrekening te houden, in elk geval voorhanden te hebben (par. 4.1.6 van 17-OPV-01) en/of

- ( op een of meer tijdstip(pen)) in of omstreeks de maand september 2005, een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) tot een totaal bedrag groot 488.747,50 euro of daaromtrent, door die/dat geldbedrag(en) voornoemd over te maken, althans te doen of laten overmaken vanaf de bankrekening bij de ING Bank te Venlo met bankrekening nummer 681741325 ten name van [zwager van verdachte] naar de bankrekening bij de ING Bank te Venlo met bankrekening nummer [rekeningnummer 4] ten name van [zwager van verdachte] en/of die/dat geldbedrag(en) voornoemd (als onderdeel van het saldo op die bankrekening) op die bankrekening te houden, in elk geval voorhanden te hebben (par. 4.1.6 van 17-OPV-01) en/of

D. Beslagen bankrekeningen:

- op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de maand april 2010 en/of de maand mei 2010

* een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) tot een totaal bedrag groot 1.086.916,98 euro of daaromtrent op de bankrekening bij de ING Bank met bankrekening nummer [rekeningnummer 2] ten name van [broer van verdachte] en/of

* een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) tot een totaal bedrag groot 191.419,13 euro of daaromtrent op de bankrekening bij de ING Bank met bankrekening nummer [rekeningnummer 1] ten name van [broer van verdachte] en/of

* een effectendepot bij de ING Bank met bankrekening nummer [rekeningnummer 3] ten name van [broer van verdachte] met een effectenportefeuille met een totale waarde groot 1.542.421,10 euro of daaromtrent en/of

* een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) tot een totaal bedrag groot 169.777,37 euro op de bankrekening bij de ING Bank met bankrekening nummer [rekeningnummer 4] ten name van [zwager van verdachte] en/of

* een effectendepot bij de ING Bank met bankrekening nummer [rekeningnummer 5] ten name van [zwager van verdachte] met een effectenportefeuille met een totale waarde groot 794.518,14 euro of daaromtrent,

door die/dat geldbedrag(en) en/of effectendepot(s) voornoemd (telkens) (als onderdeel van de/het saldi/saldo op die bankrekening(en)) te houden, in elk geval voorhanden te hebben (F3-AH-016B),

terwijl hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn medeverdachte(n) (telkens) wist(en) dat die/dat voorwerp(en) (telkens) - onmiddellijk of middellijk -,geheel of ten dele, afkomstig waren/was uit enig misdrijf,

en aldus van het plegen van witwassen al dan niet een gewoonte heeft gemaakt.

1 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] d.d. 6 april 2010, p. 40088.

2 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] d.d. 12 juli 2017.

3 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 13 april 2017, p. 40034.

4 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 13 april 2017, p. 40031 en 40034.

5 Het geschrift, te weten een e-mailbericht d.d. 26 maart 2009 (D-543), p. 61761.

6 De rechtbank merkt op dat zij, ondanks een verzoek daartoe, niet in het bezit is gesteld van de bij [getuige 2] achtergelaten lijst waarnaar [medeverdachte 3] refereert.

7 Het geschrift, te weten een e-mailbericht d.d. 25 maart 2009 (D-306), p. 61037.

8 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] d.d. 6 april 2010, p. 40088.

9 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 9 maart 2010, p. 50002, cursivering rechtbank.

10 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 5 oktober 2010, p. 50004.

11 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 25 september 2012, p. 50722 en 50723.

12 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 13 april 2017, niet doorgenummerd.

13 Al zegt [getuige 2] in zijn laatste FIOD verhoor dat ook boutjes en schroefjes wél onder de catch all vielen.

14 Casting consumables zijn, zo hebben [medeverdachte 3] en [verdachte] ter terechtzitting verklaard, producten die gebruikt worden tijdens het gietproces van turbineonderdelen en daarbij verloren gaan.

15 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, onder dossiernummer 45567, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 71971.

16 In de verschillende processen-verbaal wordt voor wat betreft de verdachten [medeverdachte 4] en [voormalig directeur medeverdachte 1] ook verwezen naar respectievelijk [getuige 21] en [voormalig directeur medeverdachte 1] , zijnde de achternamen van hun echtgenoten. De rechtbank zal hierna voor zover wordt verwezen naar [getuige 21] en [voormalig directeur medeverdachte 1] , steeds hun meisjesnamen, te weten respectievelijk [medeverdachte 4] en [voormalig directeur medeverdachte 1] gebruiken.

17 Het proces-verbaal OPV-0 d.d. 18 januari 2012, p. 14.

18 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 april 2010, p. 40003.

19 Het proces-verbaal OPV-0 d.d. 18 januari 2012, p. 15 en 16.

20 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 april 2010, p. 40003 en 40005.

21 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 6 april 2010, p. 40188.

22 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] d.d. 6 april 2010, p. 400086 en 40087.

23 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 april 2010, p. 40005.

24 Het proces-verbaal OPV-0 d.d. 18 januari 2012, p. 14.

25 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 april 2010, p. 40005.

26 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] d.d. 6 april 2010, p. 40086 en 40087.

27 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 6 april 2010, p. 40188 en 40189.

28 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] d.d. 6 april 2010, p. 40089.

29 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 6 april 2010, p. 40188.

30 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 april 2010, p. 40003 en 40004.

31 Het proces-verbaal 1-OPV-02 d.d. 27 november 2012, p. 1107.

32 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 april 2010, p. 40004.

33 Het proces-verbaal OPV-0 d.d. 18 januari 2012, p. 15.

34 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 april 2010, p. 40003 en 40004.

35 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 13 april 2010, p. 40033.

36 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam uitvoerend directeur medeverdachte 2] d.d. 6 april 2010 , p. 50095, 50097 en 50099.

37 Het proces-verbaal 1-OPV-02 d.d. 27 november 2012, p. 1088.

38 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 6 april 2010, p. 40195.

39 Het proces-verbaal 1-OPV-02 d.d. 27 november 2012, p. 1088.

40 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 april 2010, p. 40003 en 40004.

41 Het geschrift, te weten de catch-all beschikking d.d. 10 februari 2009 (D-029), p. 60182 en 60183.

42 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 5 oktober 2010, p. 50004.

43 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [voormalig directeur medeverdachte 1] d.d. 6 april 2010, p. 40137.

44 De processen-verbaal van verhoor verdachten [verdachte] d.d. 6 april 2010, p. 40010, [medeverdachte 3] d.d. 6 april 2010, p. 40091 en [medeverdachte 4] d.d. 19 april 2010, p. 40230.

45 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 9 maart 2010, p. 50001.

46 Het proces-verbaal OPV-1 d.d. 10 juni 2011, p. 1034.

47 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 19 april 2010, p. 40230.

48 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 7 april 2010, p. 40015.

49 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] d.d. 8 april 2010, p. 40109.

50 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 25] d.d. 6 mei 2010, p. 40313.

51 Het proces-verbaal OPV-1 d.d. 10 juni 2011, p. 1034.

52 Het geschrift, te weten een purchase order d.d. 9 maart 2009 (D-059), p. 60268 (vertaling D-059a, p. 60269).

53 Het geschrift, te weten een offerte d.d. 22 mei 2008 (D-060), p. 60270 en 60271 en het geschrift, te weten een pro forma invoice d.d. 26 januari 2009 (D-061), p. 60274.

54 Het geschrift, te weten een purchase order d.d. 14 maart 2009 (D-037), p. 60199 (vertaling D-037a, p. 60200).

55 Het geschrift, te weten een offerte d.d. 7 december 2007 (D-038), p. 60202 en 60203 en het geschrift, te weten een E-aangifte uitvoer d.d. 28 januari 2009 (D-031), p. 60188.

56 De geschriften, te weten een pro forma invoice d.d. 26 januari 2008 (D-089), p. 60326, een pro forma invoice d.d. 26 januari 2009 )D-080), p. 60397, een E-aangifte uitvoer d.d. 28 januari 2009 (D-079), p. 60303 en een offerte d.d. 10 mei 2007 (D-084), p. 60314.

57 De geschriften, te weten een aanvraag exportvergunning d.d. 30 maart 2009 (D-056), p. 60265, een aanvraag exportvergunning d.d. 10 april 2009 (D-034), p. 60195 en een aanvraag exportvergunning d.d. 20 maart 2009 (D-081), p. 60308.

58 De geschriften, te weten een afwijzing exportvergunning d.d. 11 augustus 2009 (D-053), p. 60255, een afwijzing exportvergunning d.d. 11 augustus 2009 (D-030), p. 60184 en een brief van de belastingdienst, afdeling CDIU d.d. 10 augustus 2009 (D-086), p. 60317.

59 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 7 april 2010, p. 40196 en 40198.

60 Het geschrift, te weten een vrachtbrief d.d. 21 december 2009 (IP04-03-02354), p. 70815.

61 Het geschrift, te weten een e-mailbericht van 6 oktober 2009 (D-532), p. 61714, in combinatie met het proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 19 januari 2011 (AH-060f), p. 20821.

62 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] d.d. 8 april 2010, p. 40109.

63 Het geschrift, te weten een e-mailbericht van 23 oktober 2009 (D-547), p. 61771 en 61772.

64 Het geschrift, te weten een e-mailbericht van 23 oktober 2009 (D-588), p. 61882.

65 Het geschrift, te weten een e-mailbericht van 23 oktober 2009 (D-591), p. 61897.

66 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 4] d.d. 1 februari 2011, p. 40359.

67 Het geschrift, te weten een e-mailbericht van 29 oktober 2009 ((D-592), p. 61899 en 61900.

68 Het geschrift, te weten een e-mailberichten van 4 november 2009 (D-961), p. 62890 en 62891.

69 Het geschrift, te weten een purchase order d.d. 7 november 2009 (D-809), p. 62467.

70 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] d.d. 8 december 2010, p. 40250 en 40251.

71 Het geschrift, te weten een invoice d.d. 15 februari 2010 (D-809), p. 62443.

72 Het geschrift, te weten een bankafschrift d.d. 29 maart 2010 (D-704), p. 62231.

73 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 7 april 2010, p. 40015.

74 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 7 april 2010, p. 40196 en 40198.

75 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 7 april 2010, p. 40201.

76 Het geschrift, te weten een e-mailbericht d.d. 9 november 2009 (IP04-01-68), p. 70751 tot en met 70754.

77 Het geschrift, te weten een e-mailbericht d.d. 21 december 2009 (IP04-03-2426), p. 70820.

78 Het geschrift, te weten een douaneaangifte d.d. 22 december 2009 (D-859), p. 62600 en 62601.

79 Het proces-verbaal 6-OPV d.d 15 augustus 2011, p. 6012, in combinatie met het geschrift, te weten een invoice d.d. 22 december 2009 (D-702), p. 62228.

80 Het geschrift, te weten een bankafschrift d.d. 9 augustus 2010 (D-1091), p. 63172.

81 Het geschrift, te weten een tapgesprek van 23 december 2010 (T10-09-020), p. 70449.

82 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 4] d.d. 30 mei 2008, p. 40335.

83 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 7 april 2010, p. 40014 en 40015.

84 Het geschrift, te weten een e-mailbericht van 27 december 2009 (IP04-13-16001), p. 71331 en 71332.

85 Het geschrift, te weten een douaneaangifte d.d. 22 december 2009 (D-859), p. 62600 en 62601 en het geschrift, te weten een tracking result d.d. 28 december 2009 (D-071), p. 20292.

86 Het geschrift, te weten een e-mailbericht d.d. 3 januari 2010 (D-472), p. 61431.

87 Het geschrift, te weten een e-mailbericht d.d. 28 januari 2010 (D-477), p. 61463.

88 Het geschrift, te weten een e-mailbericht d.d. 3 januari 2010 (D-472), p. 61431.

89 Het geschrift, te weten een shipment advice d.d. 3 maart 2010 (D-283), p. 61009.

90 De geschriften, te weten invoices d.d. 3 januari 2010 (IP04-10-10793), p. 71152, 71153 en 71154.

91 Het geschrift, te weten een invoice d.d. 3 maart 2010 (D-277), p. 61003.

92 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam uitvoerend directeur medeverdachte 2] d.d. 6 april 2010, p. 50103.

93 De geschriften, te weten faxberichten van 4 maart 2009 (D-091), p. 60333, 60335, 60337 en 60339.

94 Het geschrift, te weten een aanvraag exportvergunning d.d. 16 juni 2009 (D-253), p. 60909.

95 Het geschrift, te weten een afwijzing exportvergunning d.d. 16 november 2009 (D-259), p. 60940 en 60941.

96 Het geschrift, te weten een schrijven d.d. 11 augustus 2009 (D-256), p. 60923.

97 De geschriften, te weten twee brieven d.d. 11 augustus 2009 (D-265), p. 60921 en 60922.

98 Het geschrift, te weten een e-mailbericht d.d. 11 augustus 2009 (D-256), p. 609919.

99 Het proces-verbaal OPV-10 d.d. 7 december 2011, p. 10009 en het geschrift, te weten een e-mailadres van 4 november 2009 (IP04-14-17606), p. 71400 en 71402.

100 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] d.d. 8 april 2010, p. 40109.

101 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [voormalig directeur medeverdachte 1] d.d. 6 april 2010, p. 40146.

102 Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 4] d.d. 6 april 2010, p. 40193 en 40194.

103 Het geschrift, te weten een invoice d.d. 11 januari 2010 (D-184), p. 60646.

104 Het geschrift, te weten een financieel overzicht d.d. 6 december 2010 (D-676), p. 62166.

105 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 5] d.d. 8 december 2010, p. 40250.

106 Het geschrift, te weten een e-mailadres d.d. 18 november 2009 (D-261), p. 60944 en 60945.

107 Het geschrift, te weten een transportopdracht d.d. 18 januari 2009 (D-261), p. 60946 en 60947.

108 Het geschrift, te weten een e-mailadres d.d. 18 november 2009 (D-261), p. 60944.

109 Het geschrift, te weten een factuur d.d. 18 november 2009 (D-262), p. 60951.

110 Het geschrift, te weten een e-mailbericht d.d. 8 januari 2010 (IP04-11-14505), p. 71234, 71236 en 71237.

111 Het geschrift, te weten een verhoor van getuige [getuige 22] , p. 50310.

112 Het geschrift, te weten een douaneaangifte d.d. 11 januari 2010 (IP04-13-17364), p. 71395.

113 De geschriften, te weten e-mailberichten van 12 januari 2010 (D-264), p. 60960.

114 Het geschrift, te weten een invoice d.d. 15 februari 2010

115 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 5] d.d. 8 december 2010, p. 40250.

116 De geschriften, te weten invoices d.d. 12 januari 2010 (D-266), p. 60965 en 90966.

117 Het geschrift, te weten een e-mailbericht van 20 januari 2010 (D-388), p. 61188.

118 Het geschrift, te weten een offerte d.d. 10 oktober 2009 (D-248), p. 60898 en 60899.

119 Het geschrift, te weten een purchase order d.d. 14 december 2009 (D-249), p. 60901.

120 Het geschrift, te weten een verhoor van de getuige [getuige 7] (G39-01), p. 50514 en 50515.

121 Het proces-verbaal 11-OPV d.d. 19 augustus 2011, p. 11012, in combinatie met het geschrift, te weten een invoice d.d. 30 december 2009 (IP04-08-8491), p. 71068.

122 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 29 april 2010, p. 40238.

123 De geschriften, te weten een purchase order d.d. 17 december 2009 (IP04-01-47), p. 70747.

124 Het geschrift, te weten een invoice d.d. 18 december (D-250), p. 60902 en 60903.

125 Het geschrift, te weten een uitvoeraangifte d.d. 30 december 2009 (D-094), p. 60351, 60352 en 60353.

126 Het proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 5 maart 2010 (AH-078), p. 21045.

127 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 14 april 2010, p. 40218 en 40219.

128 Het geschrift, te weten een uitgewerkt telefoongesprek van 30 december 2009 (T03-17-1464), p. 70157.

129 Het geschrift, te weten een uitgewerkt telefoongesprek van 30 december 2009 (T03-17-1476), p. 70163.

130 Het geschrift, te weten een e-mailbericht van 30 december 2009 met bijlagen (IP04-08-8761), p. 71085 en 71086.

131 Het geschrift, te weten een verhoor van de getuige [getuige 7] (G39-01), p. 50514 en 50515.

132 Het geschrift, te weten een e-mailbericht met bijlage d.d. 30 december 2009 (IP04-08-9101), p. 71099 en 71100.

133 Het geschrift, te weten een e-mailbericht d.d. 3 januari 2010 (IP04-10-10923), p. 71158.

134 Het geschrift, te weten een e-mailbericht 9 januari 2010 (D-235 en D-235a), p. 60866, 60867 en 60868.

135 Het geschrift, te weten een statusverzoek (D-095), p. 60355.

136 Het proces-verbaal OPV-11 d.d. 19 augustus 2011, p. 11011 en het geschrift, te weten een vervoersoverzicht (D-241), p. 60889.

137 Het proces-verbaal OPV-11 d.d. 19 augustus 2011, p. 11012 en het geschrift, te weten een sales invoice d.d. 4 januari 2010 (D-245), p. 60893.

138 Het geschrift, te weten een offerte d.d. 1 december 2008 (D-554), p. 61811, 61812 en 61813.

139 Het geschrift, te weten een purchase order d.d. 4 april 2009 (D-553a), p. 61810.

140 Het geschrift, te weten een inventarisoverzicht d.d. november 2009 (IP04-01-0094), p. 70765.

141 Het geschrift, te weten een exportvergunningsaanvraag d.d. 12 juni 2009 (D-550), p. 61803.

142 Het geschrift, te weten een afwijzing exportvergunning d.d. 23 november 2009 (D-556), p. 61816 en 61817.

143 Het geschrift, te weten een letter of credit d.d. 4 februari 2009 (D-558), p. 61820.

144 Het geschrift, te weten een e-mailbericht van 27 juli 2009 (D-572), p. 61848 en 61849.

145 De geschriften, te weten e-mailberichten d.d. 2 en 4 augustus 2009 (D-573), p. 61852 en 61853.

146 Het geschrift, te weten een tapgesprek van 20 november 2009 (T01-02-81), p. 70013 en 70014.

147 Het geschrift, te weten een e-mailadres d.d. 9 december 2009 (D559a), p. 61828, 61829 en 61830.

148 Het geschrift, te weten een telefoongesprek van 14 december 2009 (T03-12-964), p. 70125 en 70126.

149 Het geschrift, te weten een e-mailbericht d.d. 14 december 2009 (D-561a), p. 61832 en 61835.

150 Het geschrift, te weten een telefoongesprek van 18 december 2009 (T03-13-1300), p. 70133 en 70134.

151 Het geschrift, te weten een e-mailbericht van 19 december 2009 (D-568a), p. 61842.

152 Het geschrift, te weten een overzichtslijst (D-569), p. 61843 en 61844.

153 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 5] d.d. 9 december 2010, p. 40286.

154 De geschriften, te weten telefoongesprekken van 23 december 2009 (T011-09-0060), p. 70508 en 70509, (T011-09-0066), p. 70510 en 70511 en (T011-09-0069), p. 70512 en 70513.

155 Het geschrift, te weten een e-mailbericht d.d. 24 december 2009 (Ip04-05-4509), p. 71005.

156 Het geschrift, te weten een [getuige 23] d.d. 28 december 2009 (D-817), p. 62497.

157 De geschriften, te weten een e-mailbericht d.d. 3 januari 2010 (D-565), p. 61838 en een rekening d.d. 31 december 2009 (D-566), p. 61839.

158 Het geschrift, te weten een telefoongesprek van 11 januari 2010 (T04-21-225), p. 20584 en 20585.

159 Het proces-verbaal OPV-13-01 d.d. 9 januari 2012, p. 13009, in combinatie met het geschrift, te weten een rekening d.d. 15 februari 2010 (D-570), p. 61845.

160 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 5] d.d. 9 december 2010, p. 402867.

161 Het geschrift, te weten een LLC d.d. 25 januari 2010 (D-586), p. 61879.

162 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9] d.d. 23 november 2011 (G51-01a), p. 50716, 50717 en 50718.

163 Het geschrift, te weten een offerte d.d. 4 december 2008 (D-596), p. 61908.

164 Het geschrift, te weten een overeenkomst d.d. 1 februari 2008 (D-611), p. 61926 en 61940, in combinatie met het proces-verbaal OPV-14-01 d.d. 20 januari 2011, p. 14006.

165 De geschriften, te weten een purchase order d.d. 30 november 2008 (D-212), p. 60793 en een purchase order d.d. 27 februari 2008 (D-213), p. 60794.

166 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 19 april 2010, p. 40229.

167 De geschriften, te weten e-mailberichten d.d. 5 en 6 juni 2009 (D-671a), p. 62151 en 61152.

168 Het geschrift, te weten een proforma invoice d.d. 18 april 2009 (D-671a), p. 62152 en 62153.

169 Het geschrift, te weten een e-mailbericht d.d. 23 juni 2009 (D-624), p. 61964.

170 Het geschrift, te weten een invoice (D-626), p. 61968.

171 Het geschrift, te weten een uitvoeraangifte d.d. 26 juni 2009 (D-643), p. 61991.

172 Het geschrift, te weten een e-mailbericht d.d. 3 juli 2009 (D-641), p. 61989.

173 De geschriften, te weten e-mailberichten d.d. 8 september 2009 (D-654), p. 62057.

174 Het geschrift, te weten een vrachtbrief d.d. 1 september 2009 (D-653), p. 62055.

175 Het geschrift, te weten een paklijst (D-663), p. 62118.

176 De verklaring van de getuige [getuige 24] ter terechtzitting d.d. 9 oktober 2018.

177 Het geschrift, te weten een uitvoeraangifte (D-1217), p. 63552.

178 Het geschrift, te weten een invoice d.d. 25 februari 2009 (D-871), p. 62643 tot en met 62646.

179 Het proces-verbaal 02-OPV-01 d.d. 9 juni 2012, p. 2016, in combinatie met het geschrift, te weten een boekingsbevestiging d.d. 25 februari 2009 (D-028), p. 60164.

180 Het geschrift, te weten een schrijven van de Australische overheid d.d. 2 maart 2009 (D-1221), p. 63562.

181 Het geschrift, te weten een telefoongesprek d.d. 3 maart 2009 (AH-023), p. 20262.

182 Het geschrift, te weten een telefoongesprek d.d. 3 maart 2009 (AH-023), p. 20265.

183 Het geschrift, te weten een telefoongesprek d.d. 3 maart 2009 (AH-023), p. 20267 en 20268.

184 Het geschrift, te weten een telefoongesprek d.d. 8 juli 2009 (AH-039), p. 20452.

185 Het geschrift, te weten een offerte d.d. 17 april 2008 (D-1005), p. 63053.

186 Het geschrift, te weten een e-mailbericht d.d. 17 april 2005 (D-1003), p. 63048.

187 Het geschrift, te weten een bestelling d.d. 25 augustus 2008 (D-1018), p. 63070.

188 Het geschrift, te weten een e-mailbericht d.d. 9 september 2008 (D-1017), p. 63068.

189 Het geschrift, te weten een e-mailbericht d.d. 22 september 2008 (D-1019), p. 63076.

190 Het geschrift, te weten een e-mailbericht d.d. 17 juli 2009 (D-1034), p. 63094 en de bijlage (D-1033), p. 63094.

191 Het proces-verbaal OPV-15 d.d. 29 augustus 2011, p. 15008, in combinatie met het geschrift, te weten een exportdocument (D-1039), p. 63102.

192 Het geschrift, te weten een vervoersdocument d.d. 18 augustus 2009 (D-1042), p. 63113.

193 Het geschrift, te weten een e-mailbericht van 5 september 2009 (D-1047), p. 63118.

194 De geschriften, te weten te weten e-mailberichten en een bijlage (D-1044 en D-1045), p. 63115 en

195 Het geschrift, te weten een e-mailbericht d.d. 25 augustus 2009 (D-1044), p. 63115.

196 Het geschrift, te weten een [getuige 23] d.d. 22 februari 2010 (D-1063), p. 63141.

197 Het proces-verbaal 0-OPV d.d. 18 januari 2012, p. 20.