Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:1424

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-02-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
03/700397-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor poging doodslag. Poging zware mishandeling bewezen. Daarnaast veroordeling voor gebruik verborgen camera in woning en heimelijk gesprekken opnemen.

Veroordeling tot voorwaardelijke gevangenisstraf en maximale taakstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700397-17

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 februari 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [Geboortegegevend] ,

wonende te [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.J. Serrarens, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 februari 2019. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag, door met een mes in te steken op [slachtoffer] . Van het feit zijn ook subsidiaire varianten ten laste gelegd (poging tot zware mishandeling en mishandeling).

Feit 2: [slachtoffer] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht.

Feiten 3 en 4: stiekem een camera in een woning heeft geplaatst en beelden en gesprekken heeft opgenomen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer] op verschillende plaatsen in diens lichaam met een mes heeft gestoken. Het slachtoffer is door de messteken weliswaar niet zwaargewond geraakt, maar het handelen van de verdachte levert een poging tot doodslag op, omdat er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] zou overlijden. Het is een feit van algemene bekendheid dat het steken met een mes dodelijk kan zijn als het slachtoffer op meerder plaatsen in het lichaam wordt geraakt. De verdachte was heel kwaad en emotioneel en heeft [slachtoffer] gestoken met het mes. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zich bewust was van het gevaar van iemand steken met een mes. De verdachte heeft bewust de kans aanvaard dat de dood als gevolg zo intreden. Er is dus sprake van voorwaardelijk opzet.

Ten aanzien van feit twee heeft de officier van justitie tot vrijspraak gerekwireerd, omdat de bewoordingen ‘ben je de mijne’ objectief gezien niet als een bedreiging kunnen worden gezien.

De feiten drie en vier acht de officier van justitie bewezen, gelet op de bekennende verklaring van de verdachte.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte geen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Hij wilde [slachtoffer] alleen wegjagen, immers hij heeft niet met het mes gestoken naar [slachtoffer] , maar alleen met het mes gezwaaid. Het letsel van [slachtoffer] bestaat uit snijwondjes en duiden er niet op dat de verdachte gericht op hem heeft ingestoken. Bovendien heeft de verdachte [slachtoffer] niet geraakt in de buurt van vitale organen. De betekent dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit één primair, de poging tot doodslag. De raadsvrouw is van mening dat er wel aanmerkelijke kans bestond dat door het zwaaiende mes zwaar lichamelijk letsel kon opreden. Ook in dat geval moet partieel worden vrijgesproken van de passage dat de verdachte op [slachtoffer] heeft ingestoken.

De verdachte moet ook van feit twee worden vrijgesproken, nu de uitlating van de verdachte niet kan worden beschouwd als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Ten aanzien van de feiten drie en vier refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

3.3.1

Feit 1

Op 26 oktober 2017 heeft J.J. [slachtoffer] aangifte gedaan van poging doodslag dan wel zware mishandeling. Aangever heeft verklaard dat hij die dag in de woning van [getuige] , gelegen aan de [adres] , aanwezig was. Het dochtertje, zoontje en een vriendin van [getuige] waren ook in de woning aanwezig. Aangever hoorde gerommel vanuit de richting van de voordeur. De tussendoor vloog open en voordat aangever zich had omgedraaid voelde hij keihard een vuist achter in zijn nek. Hij draaide zich om en zag dat het [verdachte] (de verdachte) was, de ex-partner van [getuige] . De verdachte keek ontzettend kwaad naar aangever en begon letterlijk op hem in te rammen met beide vuisten. De verdachte sloeg aangever in zijn nek en op zijn linker bovenarm/schouder. Aangever probeerde weg te komen, maar dat lukt niet omdat zijn voet klem zat tussen de stoel en het bankje van de tafel. Aangever kon alleen maar zijn linkerarm opheffen om de slagen af te weren. Op een gegeven moment liep de verdachte naar de keuken. Aangever stond nog steeds bij de tafel. Aangever zag dat de verdachte een keukenla opentrok. Hij pakte er een groot keukenmes uit en hield dat in zijn linkerhand en in zijn andere hand hield hij een bestek mes vast. Met beide messen in zijn handen, kwam de verdachte op aangever af gerend. Hij schreeuwde ‘ik maak je af’ en ‘ik maak je dood’. De verdachte hakte met het keukenmes in de richting van aangever. Aangever weerde het mes af met zijn linkerhand. De verdachte bleef doorhakken met het grote mes waardoor aangever gewond raakte aan de bovenzijde van zijn linkerhand en zijn linker onderarm. Aangever had ook pijn aan zijn hoofd en voelde op een gegeven moment het bloed over zijn hoofd stromen. Aangever kon de verdachte bij zijn polsen vastpakken. De verdachte schreeuwde dat aangever hem los moest laten. Ook [getuige] schreeuwde dat aangever de verdachte los moest laten. Aangever heeft toen losgelaten en is weggerend naar de buren.2

Door een forensisch geneeskundige werden bij aangever meerdere littekens met en zonder korstvorming op de huid geconstateerd. Die littekens passen bij oppervlakkige kras- en snijverwondingen.3

Getuige [naam] heeft verklaard dat zij niet heeft gehoord dat de verdachte heeft geroepen dat hij aangever wilde dood maken of van het leven wilde beroven. De verdachte heeft wel tegen aangever gezegd dat hij de woning moest verlaten. De getuige heeft ook niet gezien dat de verdachte een steekbeweging naar aangever heeft gemaakt met het mes.4

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij het mes heeft gepakt omdat hij aangever wilde wegjagen uit de woning. Hij heeft aangever niet gestoken met het mes. Hij heeft alleen zwaaiende bewegingen met het mes gemaakt om hem af te schrikken. Het is nooit zijn bedoeling geweest om aangever de doden.

Poging doodslag?

De rechtbank stelt voorop dat uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken duidelijk is geworden dat de verdachte niet de intentie heeft gehad om aangever te doden. De vraag die voorligt is echter of er voorwaardelijk opzet op de dood van aangever kan worden afgeleid uit het handelen van de verdachte. Hierbij dient de rechtbank te beoordelen of de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de dood bij aangever zou kunnen intreden. De beantwoording van deze vraag is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard en de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht.

De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte daadwerkelijk steekbewegingen heeft gemaakt richting aangever. Aangever verklaart weliswaar dat verdachte met het mes ‘naar hem hakte’5, maar dit wordt niet ondersteund door de verklaring van de enige andere directe getuige: [naam] .6

De verdachte heeft toegegeven met het mes te hebben gezwaaid. De rechtbank acht dat bewezen. Uit het bewijsmateriaal valt evenwel niet de conclusie te trekken dat dit zwaaien in de buur van de hals of keel van [slachtoffer] , of van enig ander vitaal lichaamsdeel, heeft plaatsgevonden. Daarom kan niet de conclusie worden getrokken dat verdachte willens en wetens het aanmerkelijk risico op de dood van [slachtoffer] heeft op de koop toe heeft genomen.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit.

Poging zware mishandeling?

Uit de bewijsmiddelen volgt dat er een worsteling heeft plaatsgevonden tussen aangever en de verdachte, waarbij de verdachte een mes in zijn handen heeft gehad. Door zich te verweren heeft aangever op zijn handen, armen en hoofd oppervlakkige kras- en snij verwondingen opgelopen. Dit letsel is niet zo ernstig dat er juridisch gezien sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Dat neemt niet weg dat de verdachte gemakkelijk zwaar lichamelijk letsel had kunnen veroorzaken bij aangever, bijvoorbeeld in de vorm van verwondingen aan pezen, zenuwen en gewrichten. Met andere woorden: er bestond een aanmerkelijke kans op. Deze kans heeft de verdachte ook aanvaard door op een korte afstand van aangever zwaaiende bewegingen te maken met het mes. De rechtbank acht derhalve een poging op tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewezen.

Feiten 3 en 4
De rechtbank volstaat ten aanzien van het tenlastegelegde onder de feiten 3 en 4 met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en de raadsman ten aanzien van dat feit geen vrijspraak heeft bepleit.

Feit 3

De rechtbank acht het aan de verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte, ter terechtzitting afgelegd;

- het proces-verbaal van bevindingen;7

- het proces-verbaal van bevindingen ter zake handmatig uitlezen GSM.8

Feit 4

De rechtbank acht het aan de verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte, ter terechtzitting afgelegd;

- het proces-verbaal van bevindingen;9

- het proces-verbaal van bevindingen ter zake handmatig uitlezen GSM.10

Vrijspraak ten aanzien van feit 2

Volgens vaste jurisprudentie is voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen (vgl. HR 7 juni 2005, LJN AT3659).

De rechtbank is van oordeel dat de bewoordingen ‘als ik jou tegen kom ben je de mijne’

weliswaar schrik teweeg konden brengen bij aangever, maar objectief gezien niet bedreigend genoeg zijn om in redelijkheid de vrees te doen ontstaan dat de verdachte tot handelingen zou hebben kunnen overgaan die de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel tot gevolg konden hebben.
Dit betekent dat de verdachte van het tenlastegelegde onder 2 zal worden vrijgesproken.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

Feit 1 subsidiair

op 26 oktober 2017 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan J.J. [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door:

- met een keukenmes, in zijn, verdachtes, hand, zich in de richting van die [slachtoffer] heeft begeven en

- tijdens een gevecht zwaaiende bewegingen in de richting van die [slachtoffer] heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Feit 3

op 26 oktober 2017 in de gemeente Heerlen met een technisch hulpmiddel, te weten

een camera met een daarin bevestigde microfoon, een gesprek dat in een woning gelegen aan de Delfstofweg 18, werd gevoerd, opzettelijk zonder dat hij deelnemer aan dat gesprek was en anders dan in opdracht van een deelnemer aan dat gesprek, heeft opgenomen.

Feit 4

op 26 oktober 2017 in de gemeente Heerlen, gebruik makende van een technisch hulpmiddel, waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van personen, te weten [getuige] en [getuige] en onbekend gebleven personen, aanwezig in een woning, te weten een woning gelegen aan de [adres] , afbeeldingen heeft vervaardigd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 subsidiair:

poging tot zware mishandeling

Feit 3:

met een technisch hulpmiddel opzettelijk zonder daartoe gerechtigd te zijn, opnemen van gegevens die in een woning, door middel van een geautomatiseerd werk worden overgedragen

Feit 4:

gebruikmakende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig in een woning, een afbeelding vervaardigen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen waarvan 337 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Als bijzondere voorwaarde dient te worden opgenomen dat de verdachte niet zelfstandig contact mag opnemen met aangever [slachtoffer] . Daarnaast is als straf gevorderd dat de verdachte een taakstraf van 240 uren zal verrichten.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om de verdachte een taakstraf op te leggen conform het advies van de reclassering.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van de nieuwe partner van zijn ex-partner. Daarbij heeft hij gebruik gemaakt van een mes en heeft hij hem verwond. De situatie moet voor het slachtoffer buitengewoon bedreigend zijn geweest en gevoelens van onveiligheid hebben opgeroepen. Bovendien zijn ook anderen getuige geweest van hetgeen die avond heeft plaatsgevonden. Ook voor hen geldt dat het gebeurde onrust en gevoelens van onveiligheid moet hebben opgeroepen. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij met zijn gedrag niet alleen zijn ex-partner en haar (thans) nieuwe partner heeft getroffen, maar ook de kinderen dupeert die hij samen met zijn ex-partner heeft. Kinderen moeten erop kunnen vertrouwen dat hun ouders elkaar met respect behandelen en op een volwassen manier met elkaar omgaan. Dit geldt des te meer als ouders van elkaar gescheiden zijn. Door te handelen zoals de verdachte heeft gedaan, heeft hij het vertrouwen van zijn kinderen ernstig beschaamd.

Daarnaast heeft de verdachte stiekem een camera in de woonkamer van zijn ex-partner geplaatst en heeft hij gesprekken die zij voerde met een vriendin opgenomen en afgeluisterd. Door aldus te handelen heeft de verdachte op onaanvaardbare wijze inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur zonder meer op zijn plaats is.

In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het volgende.

Uit het uittreksel justitiële documentatie d.d. 15 januari 2019 volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en aan hem nimmer enige voorwaardelijke of onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd.

Uit het reclasseringsadvies van 24 januari 2019 volgt dat de reclassering geen delict gerelateerde criminogene factoren heeft kunnen ontdekken. De verdachte heeft zijn leven op een constructieve wijze opgepakt. Hij heeft een vaste woonruimte, een nieuwe baan en hij is bezig met een schuldhulptraject. Het contact met zijn ex-partner lijkt redelijk te verlopen. De verdachte heeft geen gevoelens meer van wraak of frustratie jegens het slachtoffer of jegens zijn ex-partner. De reclassering schat het recidiverisico in als laag en adviseert om – in geval van bewezenverklaring – een voorwaardelijke straf zonder reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde op te leggen.

De rechtbank acht een contactverbod met het slachtoffer op zijn plaats, nu het slachtoffer ter terechtzitting heeft aangegeven daar nog behoefte aan te hebben. De rechtbank zal een zelfstandig contactverbod met het slachtoffer opleggen, zodat de verdachte wel naar de woning van zijn ex-partner kan gaan om zijn kinderen op te halen.

De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de feiten de straf rechtvaardigt die door de officier van justitie is gevorderd. Dit ondanks het feit dat de rechtbank het handelen van de verdachte minder zwaar kwalificeert dan de officier van justitie. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de verdachte niet meer terug hoeft naar de gevangenis en zal zij een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 365 dagen waarvan 337 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met daaraan de bijzondere voorwaarde gekoppeld dat de verdachte geen zelfstandig contact mag opnemen met [slachtoffer] .

Met enkel het opleggen van deels voorwaardelijke straf komt evenwel de ernst van de feiten onvoldoende tot uitdrukking. De rechtbank zal daarom tevens de door de officier van justitie gevorderde taakstraf van 240 uur aan de verdachte opleggen..

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 45, 57, 139a, 139f en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 1 primair en feit 2;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 337 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

  • -

    wordt verboden zelfstandig contact te leggen met aangever [slachtoffer] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.P. van Deventer, mr. H.H. Dethmers en
mr. A.H. Hamm-van de Water, rechters, in tegenwoordigheid van
mr. N.M.J.G.A. van Hinsberg, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van
15 februari 2019.

Buiten staat

Mr. H.H. Dethmers en mr. A.H. Hamm-van de Water zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 26 oktober 2017 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, [slachtoffer] van het

leven te beroven, door:

- met (een) (keuken)mes(sen), althans een scherp en puntig voorwerp, in zijn,

verdachtes, hand, zich (lopend) in de richting van die [slachtoffer] heeft begeven

en/of

- ( vervolgens) een of meer malen met voorgenoemd(e) mes(sen), althans een

scherp, op die [slachtoffer] in heeft gestoken en/of

- ( vervolgens) (tijdens een gevecht) stekende en/of snijdende en/of zwaaiende

bewegingen in de richting van die [slachtoffer] heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 26 oktober 2017 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door:

- met (een) (keuken)mes(sen), althans een scherp en puntig voorwerp, in zijn,

verdachtes, hand, zich (lopend) in de richting van die [slachtoffer] heeft begeven

en/of

- ( vervolgens) een of meer malen met voorgenoemd(e) mes(sen), althans een

scherp, op die [slachtoffer] in heeft gestoken en/of

- ( vervolgens) (tijdens een gevecht) stekende en/of snijdende en/of zwaaiende

bewegingen in de richting van die [slachtoffer] heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 26 oktober 2017 in de gemeente Heerlen [slachtoffer] heeft

mishandeld door:

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in de nek en/of op de

(linker)arm en/of schouder en/of rug, althans het lichaam, heeft geslagen

en/of

- ( vervolgens) een of meermalen met (een) (keuken)mes(sen), althans een scherp

en puntig voorwerp een of meer malen, op die [slachtoffer] in heeft gestoken en/of

- ( vervolgens) (tijdens een gevecht) stekende en/of snijdende en/of zwaaiende

bewegingen in de richting van die [slachtoffer] heeft gemaakt;

2.

hij op of omstreeks 26 oktober 2017 in de gemeente Heerlen [slachtoffer] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware

mishandeling, door die [slachtoffer] een Facebook-bericht te sturen met de tekst "Als

ik je tegenkom ben je de mijne", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking;

3.

hij op of omstreeks 26 oktober 2017 in de gemeente Heerlen en/of Landgraaf,

althans in het arrondissement Limburg, met een technisch hulpmiddel, te weten

een camera (met een daarin bevestigde microfoon), (een) gesprek(ken) dat in

een woning gelegen aan de [adres] , werd(en) gevoerd, opzettelijk zonder

dat hij deelnemer aan dat/die gesprek(ken) was en anders dan in opdracht van

een/de deelnemer(s) aan dat gesprek, heeft opgenomen;

4.

hij op of omstreeks 26 oktober 2017 in de gemeente Heerlen en/of Landgraaf,

althans in het arrondissement Limburg, gebruik makende van een technisch

hulpmiddel, waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was

gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van (een) perso(o)n(en), te weten [getuige]

en/of [getuige] en/of [slachtoffer] en/of (een) onbekend

gebleven perso(o)n(en), aanwezig in een woning, te weten een woning gelegen

aan de [adres] , (een) afbeelding(en) heeft vervaardigd;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer [nummer] , gesloten d.d. 22 december 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 185.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , dossierpagina 23 tot en met 26.

3 De letstelbeschrijving van forensisch geneeskundige [naam] , verbonden aan GGD Limburg, dossierpagina 36 en 37.

4 Proces-verbaal verhoor getuige [naam] , dossierpagina 55.

5 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , dossierpagina 25.

6 Proces-verbaal verhoor getuige [naam] , dossierpagina 55.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 121.

8 Het proces-verbaal van bevindingen ter zake handmatig uitlezen GSM, dossierpagina’s 124 en 125.

9 Het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 121.

10 Het proces-verbaal van bevindingen ter zake handmatig uitlezen GSM, dossierpagina’s 124 en 125.