Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:1299

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-02-2019
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
7267527 BM VERZ 18-4186 en 7267596 MS VERZ 18-935
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek onderbewindstelling en mentorschap ingediend door ‘gewaarborgde hulp’ (PGB) en voormalig feitelijk zorgverlener. Niet-ontvankelijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Team Toezicht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummers: 7267527 BM VERZ 18-4186 en 7267596 MS VERZ 18-935

Uitspraakdatum: 1 februari 2019

Beschikking op het verzoek tot instelling bewind en mentorschap

ingediend door:

[verzoeker sub 1] , t.h.o.d.n. [handelsnaam],

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] ,

wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] ,

en

[verzoeker sub 2] ,

geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] ,

wonende te [woonplaats 2] , [adres 2] ,

hierna tezamen te noemen: de verzoekers,

in de zaak van:

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedatum 3] ,

wonende te [woonplaats 3] , [adres 3] ,

hierna te noemen: de betrokkene.

procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 oktober 2018,

- de brief met bijlage van verzoeker [verzoeker sub 1] , ontvangen op 29 oktober 2018,

- de aantekeningen van het gesprek dat verzoekers, betrokkene, een van de voorgestelde bewindvoerders, de mentor en de vader van de betrokkene en zijn partner op 14 november 2018 voerden met een medewerker van het team Toezicht,

- de brief van de gemachtigde van betrokkene, mr. R.C. Breuls, advocaat, kantoorhoudende te Geleen, ontvangen op 26 november 2018.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 december 2018. Verschenen zijn:

  • -

    de verzoekers,

  • -

    de betrokkene, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. R.C. Breuls,

  • -

    de heer [naam broer betrokkene] , broer van de betrokkene,

  • -

    de heer [naam vader betrokkene] , vader van de betrokkene,

  • -

    de voorgestelde bewindvoerder, de heer J.J.M. Lienaerts,

  • -

    de voorgestelde mentor, de heer N.J. Huijts.

De kantonrechter heeft na de mondelinge behandeling nog kennisgenomen van:

- de brief met bijlagen van verzoeker [verzoeker sub 2] , ontvangen op 10 december 2018, maar per abuis niet bij de stukken van de mondelinge behandeling gevoegd,

- de brief van de voorgestelde bewindvoerders J.J.M. Lienaerts en J.A.W.H. Spronken, ontvangen op 27 december 2018. In deze brief delen zij mede hun bereidverklaring tot benoeming van bewindvoerders in te trekken,

- de brief met bijlage van verzoeker [verzoeker sub 1] , ontvangen op 28 december 2018,

- de brief van de gemachtigde van betrokkene, mr. R.C. Breuls, ontvangen op 14 januari 2019.

De uitspraak is vervolgens bepaald op heden.

verzoek

Het verzoek strekt tot instelling van bewind over de goederen die (zullen) toebehoren aan, alsmede instelling van mentorschap ten behoeve van de betrokkene.

beoordeling

Op grond van het bepaalde in art 1:431 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien deze tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden. Daarnaast kan de kantonrechter op grond van het bepaalde in artikel 1:450 BW een mentorschap instellen, indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.

Instelling van bewind kan op grond van het bepaalde in artikel 1:432 BW worden verzocht door de rechthebbende, zijn echtgenoot of geregistreerde partner dan wel andere levensgezel, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en in de zijlijn tot en met de vierde graad, degene die ingevolge artikel 1:253a of 1:253t BW het gezag over de rechthebbende uitoefent, zijn voogd, curator of mentor, dan wel het openbaar ministerie en de instelling waar de rechthebbende wordt verzorgd of die aan de rechthebbende begeleiding biedt. Een soortgelijke bepaling geldt voor het mentorschap (artikel 1:451 lid 2 BW).

Blijkens de wetsgeschiedenis is de achterliggende gedachte bij voormelde wetsartikelen dat bij afwezigheid of het niet optreden van een partner of familieleden, de instelling die de betrokkene verzorgt of begeleidt in ieder geval wel omgang en contact met de betrokkene heeft en daarom in staat kan worden geacht in te schatten of de betrokkene, zoals hier verzocht, een bewindvoerder of mentor nodig heeft. Het moet dan wel gaan om een instelling die bij of krachtens de Wet Maatschappelijke Ondersteuning begeleiding aan de rechthebbende biedt die gericht is op het behouden van structuur in en regie over het dagelijkse leven1 en om een instelling die feitelijke zorg biedt aan de rechthebbende2.

Verzoeker [verzoeker sub 2] heeft verklaard dat hij is gemachtigd als “gewaarborgde hulp”. Als “gewaarborgde hulp” is hij verantwoordelijk voor alle in en aan het aan de betrokkene toegekende PersoonsGebonden budget (PGB) verbonden verplichtingen, de keuze van zorgverleners en de levering van goede zorg. Verzoeker [verzoeker sub 1] heeft ter zitting verklaard dat hij vanaf 2016 optrad als zorgverlener van betrokkene. Hij heeft vanaf medio juni 2018 zijn taak overgedragen aan de heer [naam zorgverlener] , die tot 1 januari 2019 onder zijn leiding feitelijk zorg verleent aan de betrokkene. [verzoeker sub 1] wordt tot die datum nog wel vanuit het PGB betaald. Per 1 januari 2019 zal [verzoeker sub 1] de (begeleiding van de door [naam zorgverlener] feitelijk verleende) zorgverlening beëindigen. Uit de na de zitting van 19 december 2018 overgelegde stukken blijkt dat [naam zorgverlener] per laatstgemelde datum zelfstandig zorg aan betrokkene verleent. Verzoeker [verzoeker sub 2] heeft in het gesprek met de medewerker van het team Toezicht gesteld dat hij als “gewaarborgde hulp” bevoegd is tot indiening van het onderhavige verzoek.

De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, verzoekers niet bevoegd zijn tot indiening van het verzoek. Verzoeker [verzoeker sub 1] is al vanaf medio juni 2018 niet meer de feitelijke zorgverlener van betrokkene. Verzoeker [verzoeker sub 2] is enkel “gewaarborgde hulp” en biedt als zodanig geen feitelijke zorg aan betrokkene. Verzoekers zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in hun verzoek. Gelet hierop komt de kantonrechter aan beoordeling van de noodzaak tot onderbewindstelling en/of instelling van mentorschap niet toe.

De gemachtigde van betrokkene heeft verzocht om verzoekers te veroordelen in de kosten, het salaris van de advocaat-gemachtigde daaronder begrepen. De kantonrechter ziet echter geen aanleiding om de door (de gemachtigde van) de betrokkene verzochte veroordeling in de kosten toe te wijzen.

beslissing

De kantonrechter:

- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek;

- ziet geen aanleiding om de door (de gemachtigde van de) betrokkene verzochte veroordeling in de kosten toe te wijzen.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.F.J. Aalderink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.3

JS

1 Memorie van Toelichting bij artikel 1:431 BW, Kamerstukken II 2011/12, 33054, pagina 7.

2 Hof Arnhem-Leeuwarden, 17 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2465.

3 Tegen deze beschikking kan – door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, door de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden binnen drie maanden vanaf de uitspraakdatum en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.