Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:1253

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
12-02-2019
Zaaknummer
C/03/257078 / FA RK 18-4274
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Uniform hulp aanbod bij informele rechtsingang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2019/33 met annotatie van Graaf, J.H. de
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 29 januari 2019

Zaaknummer: 03/257078 / FA RK 18-4274

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake de minderjarige:

[minderjarige],

geboren op [2003] te [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige]

wonend te [woonplaats],

kind van:

[belanghebbende 1] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonend te [woonplaats],

geen advocaat gesteld hebbend,

en

[belanghebbende 2],

hierna te noemen: de vader,

wonend te [woonplaats],

geen advocaat gesteld hebbend.

Met toepassing van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost-Nederland, locatie Maastricht verder te noemen: de raad, door de rechtbank als adviseur bij deze zaak betrokken.

1 Het verloop van de procedure

De minderjarige [minderjarige] heeft, gebruik makend van de mogelijkheid tot informele rechtsingang als bedoeld in artikel 1:377g van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) door middel van een brief van de Kinder- en Jongerenrechtswinkel Limburg gedateerd 7 november 2018, ingekomen bij de rechtbank op 9 november 2018, verzocht om het hoofdverblijf te wijzigen alsmede indien noodzakelijk een bijzonder curator te benoemen.

[minderjarige] is op 27 november 2018 gehoord door de kinderrechter.

De moeder en de vader zijn vervolgens door de kinderrechter opgeroepen ter zitting van 15 januari 2019.

2 De feiten

[minderjarige] is geboren te [geboorteplaats] op [2003] uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de moeder en de vader. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]. [minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder maar verblijft bij de vader.

3 De informele verzoeken van [minderjarige]:

3.1.

[minderjarige] heeft verzocht haar hoofdverblijf te wijzigen in die zin dat zij voortaan het hoofdverblijf bij de vader heeft. Zij heeft aanvullend, tijdens het gesprek met de kinderrechter, gesteld dat zij geen contact meer wil met haar moeder. Haar verzoek tot het benoemen van een bijzonder curator heeft zij niet langer gehandhaafd.

3.2.

De moeder heeft ter zitting verklaard dat [minderjarige] ongeveer zes maanden geleden vertrokken is nadat er een grapje werd gemaakt. De moeder erkent dat zij het met de scheiding heel moeilijk heeft gehad. Ze zou heel graag met haar dochter willen praten doch dat lukt niet. Ze weet dat [minderjarige] psychologische hulp heeft gezocht maar wordt niet op de hoogte gehouden van het verloop van de behandeling en de noodzaak daartoe. [minderjarige] heeft tegen de moeder gezegd dat als zij haar zou forceren bij haar te blijven wonen zij zichzelf iets aan zou doen en het dan haar schuld is. De moeder wil dat haar dochter gelukkig is en haar graag zien. Ze heeft al diverse hulpinstanties benadert doch iedereen zegt dat ze niet kunnen helpen. Tussen de ouders is enkel mail contact maar dat verloopt moeizaam.

3.3.

De vader heeft ter zitting verklaard dat hij van mening is dat [minderjarige] contact moet hebben met haar moeder en dat hij haar ook heeft geprobeerd daar naar toe te sturen doch [minderjarige] laat zich niet sturen. Hij wil haar niet verder forceren. Het gaat wel iets beter met [minderjarige] maar ze loopt inderdaad bij een psycholoog. Ook de vader krijgt geen informatie over wat daar wordt besproken en hoe de behandeling verloopt. De vader heeft geen idee hoe hij zijn dochter in beweging krijgt richting de moeder toe en wenst net als de moeder hulp hierbij doch ook hij heeft gehoord van de benaderde hulpinstanties dat ze hem niet kunnen helpen. De ouders hebben na de scheiding niet normaal met elkaar meer kunnen communiceren.

3.4.

De raad vindt het zorgelijk dat de ouders geen goed beeld hebben van de problemen waarmee hun dochter worstelt en daarmee de reden waarom ze psychologische hulp heeft. Het is ook zorgelijk dat ouders daarbij niet samen optrekken en de communicatie er niet is. Het bevreemdt dat de hulpinstanties ouders hierbij niet hebben kunnen helpen. De zorgen zijn groot en worden naar de visie van de raad mede veroorzaakt door het voorbeeld dat de ouders geven door niet met elkaar te praten. De raad adviseert de rechtbank het Uniform Hulp Aanbod in te zetten en daarbij ouders en [minderjarige] aan te melden voor ouders na scheiding.

3.5.

De ouders hebben ieder afzonderlijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verklaart dat zij zullen deelnemen en ook [minderjarige] zullen laten deelnemen aan het hulpverleningstraject Ouderschap na echtscheiding dat thans is genaamd “Nieuw Ouderschap”. Zij hebben samen met de raad tijdens een onderbreking van de zitting de voorwaarden doorgenomen en daarmee ingestemd en ook uitdrukkelijk tegenover de kinderrechter verklaard dat zij zich maximaal zullen inzetten om het traject te laten slagen. De ouders hebben ook ingestemd dat deze beschikking wordt toegezonden aan de jeugdhulpaanbieder.

4 De beoordeling:

4.1.

De kinderrechter acht het verzoek van [minderjarige] om het hoofdverblijf te wijzigen ontvankelijk. In artikel 1:253a lid 4 BW wordt artikel 1:377g BW van overeenkomstige toepassing verklaard. Hieruit leidt de rechtbank af dat de in artikel 1:377g BW genoemde informele rechtsingang voor minderjarigen van twaalf jaar en ouder ook open staat voor minderjarigen die een ambtshalve beslissing wensen betreffende het in artikel 1:253a lid 2 onder b BW genoemde hoofdverblijf. Daarnaast heeft [minderjarige] mondeling nog gevraagd geen contactregeling met haar moeder op te leggen.

4.2.

In het gesprek met [minderjarige] alsmede ter zitting met haar ouders is gebleken dat [minderjarige] last heeft van het feit dat de ouders niet dan wel nauwelijks met elkaar communiceren waardoor [minderjarige] ruimte krijgt te doen wat zij wil. Beide ouders maken zich zorgen over [minderjarige] en willen het anders doch het is ze niet gelukt dit zelf voor elkaar te krijgen noch daarvoor de geschikte hulpverlening te vinden. De ouders en [minderjarige] zijn gewikkeld in een conflictscheiding die ernstige gevolgen heeft voor vooral [minderjarige].

4.3.

De ouders hebben ter zitting ingestemd met hun deelname en de deelname van [minderjarige] aan het jeugdhulptraject nieuw ouderschap. De ouders realiseren dat de kinderrechter pas beslist over de verzoeken van [minderjarige] als het jeugdhulptraject is afgerond en de rapportage van de jeugdhulpverlener voor de rechtbank beschikbaar is gekomen.

De rechtbank heeft met de ouders en in aanwezigheid van de raad gesproken over het traject ouderschap na echtscheiding dat na de zitting inmiddels van naam bleek te zijn gewijzigd in: Nieuw Ouderschap. In dit hulpverleningstraject dienen de ouders in samenwerking met die hulpverlening te komen tot een onderling gedragen besluit over het hoofdverblijf van [minderjarige] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (de contactregeling). De in te zetten hulpverlening dient er toe bij te dragen dat ouders werken aan herstel van onderling vertrouwen en constructief en respectvol in gesprek met elkaar te leren over [minderjarige] (maar ook de andere kinderen van partijen). Hierbij dient het belang van [minderjarige] leidend te zijn. De ouders hebben samen uitdrukkelijk verklaard dat hoewel zij nog een minderjarig kind naast [minderjarige] hebben dit kind bij dit traject niet wordt betrokken.

De ouders hebben ter zitting toegezegd dat zij zich maximaal zullen inzetten om dit traject te laten slagen en dat zij ermee instemmen dat de eindevaluatie of eindrapportage van de jeugdhulpverlener voor de rechtbank en de raad ter beschikking komen. Indien blijkt dat de ouders of één van hen zich niet maximaal hebben ingespannen om het jeugdhulptraject te laten slagen, kan de rechtbank daaraan gevolgen verbinden. De rechtbank heeft dit aan ouders voorgehouden en de ouders hebben aangegeven zich hiervan ook bewust te zijn.

De raad informeert de woongemeente van [minderjarige] (in verband met de financiering van de jeugdhulp) over de gemaakte afspraak inhoudende de inzet van het specifieke jeugdhulptraject.

De ouders hebben toestemming gegeven dat de raad na de zitting contact opneemt met het lokale jeugdteam van de woonplaats van [minderjarige] en dat deze instanties informatie mogen uitwisselen over de vraag of er zwaarwegende contra-indicaties zijn voor het inzetten van het afgesproken jeugdhulptraject. Indien de raad blijkt van een dergelijke zwaarwegende contra-indicatie zal de raad de rechtbank en de ouders daarover informeren. In dat geval wordt (nog) niet gestart met het afgesproken jeugdhulptraject omdat wordt ingeschat dat die indicatie(s) zich daartegen verzetten. De raad zal in dat geval eerst onderzoek doen en advies uitbrengen. Daarbij zal de raad ook stilstaan bij de vraag of een jeugdhulptraject alsnog moet worden ingezet voordat wordt beslist op de verzoeken van [minderjarige].

Indien het jeugdhulptraject niet wordt gestart, zal de raad onderzoek doen en advies uitbrengen aan de rechtbank over de vragen die samenhangen met de verzoeken met betrekking tot [minderjarige], waarbij ook de eventuele rapportage van de jeugdhulpverlener kan worden meegewogen.

Indien het jeugdhulptraject voortijdig wordt beëindigd, zal de raad binnen 2 weken na ontvangst van de eindrapportage of eindevaluatie van de jeugdhulpverlener aan de rechtbank kenbaar maken of de raad onderzoek gaat doen ter advisering over de vragen die samenhangen met de verzoeken van [minderjarige].

De ouders stemmen ermee in dat deze tussenbeschikking (via de raad) aan de door de raad ingeschakelde jeugdhulpaanbieder wordt gegeven, zodat de jeugdhulpaanbieder daarvan gebruik kan maken bij het intake gesprek met de ouder(s).

De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen om te zijner tijd binnen 2 weken schriftelijk aan de rechtbank onder vermelding van het zaaknummer te reageren op de rapportage van de jeugdhulpaanbieder (en het rapport en advies van de raad, indien de raad onderzoek heeft gedaan). De ouders dienen aan te geven wat die rapportage(s) en het resultaat van het door de ouders gevolgd jeugdhulptraject betekent voor de verzoeken van [minderjarige]. Voorts dient te worden aangegeven of en zo ja waarom een nieuwe mondelinge behandeling noodzakelijk is vóórdat de rechtbank op die verzoeken beslist. Indien de raad heeft geadviseerd dat een specifiek jeugdhulptraject (alsnog) moet worden gevolgd, dienen de ouders zich daarover uit te laten en met name aan te geven of zij instemmen met dat jeugdhulptraject voordat de rechtbank op de verzoeken van [minderjarige] beslist.

4.4.

De kinderrechter zal bij brief [minderjarige] over de afspraken die ouders ter zitting hebben gemaakt informeren.

5 Beslissing

De rechtbank:

stelt de ouders in de gelegenheid om deel te nemen aan het jeugdhulptraject Nieuw Ouderschap;

geeft voorwaardelijk opdracht aan de raad om onderzoek te doen en advies uit te brengen aan de rechtbank over de vraag of de verzoeken van [minderjarige] tot hoofdverblijf bij haar vader en geen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met haar moeder in het belang van [minderjarige] zijn indien het jeugdhulptraject niet wordt gestart of voortijdig wordt beëindigd;

bepaalt dat de raad bij zijn advies zal betrekken de eventuele rapportage van de jeugdhulpaanbieder en zich ook zal uitlaten over de vraag of het wenselijk is dat de ouders en [minderjarige] alsnog deelnemen aan een specifiek jeugdhulptraject voordat de rechtbank op de voorliggende verzoeken beslist;

bepaalt dat de ouders binnen twee weken, na ontvangst van de rapportage van de jeugdhulpaanbieder en het rapport van de raad, schriftelijk aan de rechtbank kunnen reageren over wat het resultaat van het gevolgde traject betekent voor de verzoeken van [minderjarige] en of en zo ja waarom een nieuwe mondelinge behandeling noodzakelijk is;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.M. van Uum, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van E.J.P. Willems, griffier op 29 januari 2019.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.