Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:125

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-01-2019
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
C/03/255373 / HA RK 18-246
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit is niet rechtsgeldig genomen wegens strijd met artikel 2:227 lid 7 BW, raadgevende stem.

Het arbeidsrechtelijke dienstverband is blijven voortbestaan.

Vernietiging van ontslagbesluit bij verzoek: Artikel 7:686a BW,

vordering tot rectificatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0964
OR-Updates.nl 2020-0291
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rekestnummer: C/03/255373 / HA RK 18-246

Beschikking van 9 januari 2019

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. H.A. Hoving,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

advocaat mr. A.J.D. Bekius.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en [verweerster] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties 1 tot en met 16

  • -

    de brief van 20 november 2018 met producties 17 tot en met 21 van [verzoeker]

  • -

    het verweerschrift met producties 1 tot en met 50

  • -

    de mondelinge behandeling op 21 november 2018

  • -

    de pleitnota van [verzoeker] .

1.2.

Ten slotte is de zaak op beschikking gezet.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] is op 1 februari 2006 bij [bedrijf]

en op 1 maart 2009 bij [verweerster] in dienst getreden, laatstelijk in de functie van [functienaam 1] . Zijn salaris bedroeg laatstelijk € 19.666,67 bruto per maand, inclusief vakantietoeslag.

2.2.

Op 31 juli 2018 werd [verzoeker] met onmiddellijke ingang geschorst c.q. op non-actief gesteld. Bij die gelegenheid werd door [naam] (hierna [naam] ) tevens een uitnodiging voor een buitengewone aandeelhoudersvergadering aan [verzoeker] overhandigd, met als agendapunt het vennootschapsrechtelijke ontslag van [verzoeker] als statutair bestuurder . Tevens werd daarbij aangegeven dat sprake was van arbeidsrechtelijke opzeggingsgronden. Tussen (de advocaten van) partijen is na 31 juli 2018 veelvuldig gecorrespondeerd.

2.3.

Op 31 juli 2018 heeft [naam] aan de stafleden van [verweerster] medegedeeld dat afscheid was genomen van [verzoeker] en dat daarvoor goede redenen bestonden. Tevens heeft hij op diezelfde dag aan de directeuren van de andere [naam Holding 1] bedrijven binnen Nederland medegedeeld – voor zover hier relevant - dat [verzoeker] [naam Holding 1] had verlaten en dat zijn definitieve opvolger [naam opvolger] (hierna [naam opvolger] ) zou zijn. Tevens werd daarbij aangegeven dat die informatie per direct vrijgegeven kon worden.

2.4.

De buitengewone aandeelhoudersvergadering heeft uiteindelijk op 30 augustus 2018 plaatsgevonden. Bij die gelegenheid heeft [verzoeker] geen raadgevende stem uitgebracht, als bedoeld in artikel 2:227 lid 7 BW.

2.5.

Bij besluit buiten vergadering van 30 augustus 2018 werd [verzoeker] met onmiddellijke ingang ontslagen uit zijn functie van statutair bestuurder van [verweerster] , met gelijktijdige opzegging van de arbeidsovereenkomst ingaande 1 november 2018.

3 De geschillen tussen partijen

3.1.

[verzoeker] verzoekt, kort samengevat, om:

primair:

  1. vernietiging van het ontslagbesluit van 30 augustus 2018,

  2. een veroordeling tot loondoorbetaling,

  3. een veroordeling tot vergoeding van schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

  4. een veroordeling tot het verzenden van een rectificatie, op straffe van een dwangsom,

  5. een veroordeling tot het betalen van een jubileumuitkering van € 600,00,

  6. een veroordeling tot betaling van buitengerechtelijke kosten van € 9.039,76 en de volledige - nog op te geven - overige kosten van rechtsbijstand,

subsidiair, in het geval onderdelen 1 en 2 van het primair gevorderde/verzochte wordt afgewezen en het dienstverband eindigt op 1 december 2018:

  1. een veroordeling tot betaling van loon over de maand november 2018 van
    € 23.086,00 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 1 december 2018,

  2. een veroordeling tot verzilvering van tien vakantiedagen van € 9.833,33, vermeerderd met rente,

  3. een veroordeling tot betaling van de contractuele vergoeding van € 193.934,00 bruto, vermeerderd met rente, althans een transitievergoeding van € 90.139,00 bruto

  4. een veroordeling tot betaling van een billijke vergoeding van € 236.000,00 bruto en € 60.000,00 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente,

zowel primair als subsidiair: betaling van de proceskosten.

3.2.

[verweerster] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

3.4.

[verweerster] verzoekt, kort samengevat, om:

  1. een gebod tot afgifte van de bedrijfsauto, de bedrijfstelefoon, alle bij hem in bezit zijnde bedrijfsdocumenten en alle overige bij hem in bezit zijnde zaken van [verweerster] , op straffe van een dwangsom,

  2. een verklaring voor recht dat [verzoeker] ten opzichte van [verweerster] aansprakelijk is,

  3. een veroordeling tot betaling van schadevergoeding van € 166.072,38, vermeerderd met rente, een en ander te verrekenen met het in conventie toegewezen bedrag,

  4. een veroordeling tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

  5. betaling van de proceskosten en de nakosten.

3.5.

[verzoeker] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Nu [verzoeker] in het buitenland woonachtig is en de vordering uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en wel op grond van artikel 4 van de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 (EEX-Vo 2012), nu de gedaagde, [verweerster] , gevestigd is in Nederland.

4.2.

De rechtbank zal hierna eerst de diverse verzoeken en vorderingen van [verzoeker] bespreken. Daarna gaat de rechtbank in op de verzoeken en/of vorderingen van [verweerster] .

Vernietiging van het ontslagbesluit van [verweerster] BV van 30 augustus 2018 op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a en b BW

4.3.

[verzoeker] stelt dat [verweerster] hem niet in staat heeft gesteld een raadgevende stem uit te brengen in de algemene vergadering van aandeelhouders, waarin het vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit is genomen, zodat dit besluit op grond van artikel 15 lid 1 sub a en b BW juncto artikel 2:227 lid 7 BW vernietigbaar is. Ter onderbouwing van die stelling heeft [verzoeker] twee gronden genoemd.

4.4.

In de eerste plaats weigert [verweerster] de door [verzoeker] opgevraagde stukken te verstrekken. [verzoeker] stelt deze stukken nodig te hebben om zijn standpunt in de vergadering van aandeelhouders te kunnen opstellen. Weliswaar heeft [verweerster] een aantal van de gevraagde stukken verstrekt maar dat is bij lange na niet voldoende om adequaat verweer te voeren. Het recht van [verzoeker] om in de vergadering van aandeelhouders zijn visie op het voorgenomen besluit te geven en zijn adviesrecht uit te oefenen wordt zo illusoir.

Daarnaast heeft het helemaal geen zin meer voor [verzoeker] om zijn advies nog uit te brengen want het standpunt van [verweerster] staat al onwrikbaar vast. Dat blijkt wel uit de diverse uitingen en handelingen van de bestuurder van de aandeelhouder van [verweerster] - [naam Holding 1] - [naam] (hierna [naam] ).

4.5.

[verweerster] heeft het volgende verweer gevoerd.

In de eerste plaats is [verweerster] van mening dat een vordering tot vernietiging van een ontslagbesluit zoals hier aan de orde is niet in een verzoekschrift kan worden gevorderd. Vorderingen op grond van 2:15 lid 3 BW moeten bij dagvaarding worden ingediend. [verzoeker] is dus niet ontvankelijk in zijn verzoek, aldus [verweerster] .

Mocht [verzoeker] wel ontvankelijk zijn, dan voert [verweerster] nog het volgende aan.

[verzoeker] beschikte over alle informatie die hij nodig had om een inhoudelijk en gefundeerd advies uit te brengen aan de aandeelhouders. Enerzijds zijn hem daartoe voldoende stukken ter hand gesteld en anderzijds was hij, als bestuurder, als geen ander op de hoogte van de zaken die hem verweten worden. Hij kon prima reageren op grond van de informatie waarover hij uit de aard van zijn functie beschikte.

Verder bestrijdt [verweerster] dat het horen van [verzoeker] slechts een wassen neus was en dat het ontslagbesluit al onwrikbaar vast stond. Inderdaad zijn door [naam] bepaalde uitingen gedaan – hij moest toch verklaren waarom [verzoeker] niet meer werkzaam was binnen de onderneming – maar daarbij is er voor gewaakt om [verzoeker] niet te beschadigen. Bovendien vertegenwoordigt [naam] maar 49% van de aandelen in [verweerster] . De andere aandeelhouders hadden [naam] zonder meer kunnen overstemmen als zij door het advies van [verzoeker] overtuigd zouden zijn geraakt van diens gelijk.

4.6.

In de eerste plaats is de rechtbank, anders dan [verweerster] , van oordeel dat de vordering tot vernietiging van het ontslagbesluit van 30 augustus 2018 zo nauw verband houd met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst dat deze vordering op grond van artikel 7:686a lid 3 BW bij verzoekschrift kan worden ingediend. [verzoeker] is dus ontvankelijk in deze vordering.

4.7.

[verzoeker] heeft een zogenaamde “dubbele rechtspositie”. Hij is zowel statutair bestuurder van [verweerster] als werknemer. Voor zijn rechtspositie als bestuurder zijn de regels van het vennootschapsrecht van belang. Voor de rechtspositie als werknemer de regels van het arbeidsrecht. Op zijn ontslag als bestuurder is artikel 2:244 lid 1 BW van toepassing. Op zijn ontslag als werknemer onder andere artikel 7:671 lid 1 BW.

4.8.

Op 30 augustus 2018 is [verzoeker] ontslagen als bestuurder (het vennootschapsrechtelijke besluit) en is tevens de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen
1 november 2018 (het arbeidsrechtelijke besluit).

De vraag die de rechtbank eerst zal moeten beantwoorden is of het vennootschapsrechtelijke besluit rechtsgeldig is genomen, of niet. Mocht dat niet het geval zijn, dan komt de vraag aan de orde wat daarvan dan het gevolg is voor het arbeidsrechtelijke ontslagbesluit.

4.9.

Artikel 2:15 BW bepaalt - voor zover hier van belang - dat een besluit van een orgaan van een vennootschap vernietigbaar is wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen of wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Artikel 2:227 lid 7 BW bepaalt – voor zover hier van belang – dat bestuurders in de algemene vergadering van aandeelhouders een raadgevende stem hebben. Die raadgevende stem heeft de bestuurder ook in de algemene vergadering van aandeelhouders waar het gaat over zijn ontslag als bestuurder. Daarbij wordt algemeen aangenomen dat het uitbrengen van die raadgevende stem ook zin moet hebben. Onder “zinvol” verstaat de rechtbank in dit verband dat de bestuurder in de gelegenheid wordt gesteld om zijn advies zodanig te motiveren dat van een gefundeerd advies sprake is. Daarnaast moet het advies nog reëel kunnen bijdragen tot de inhoud van het te nemen besluit. Het advies mag dus niet enkel nog voor de vorm worden uitgebracht, wat wel het geval is als het niets meer kan bijdragen aan de besluitvorming. [verzoeker] stelt dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zo een zinvol advies uit te brengen.

4.10.

Wat betreft de vraag of [verzoeker] nog de gelegenheid heeft gehad om een zinvol advies uit te brengen overweegt de rechtbank als volgt. De redelijkheid en billijkheid die de organen en personen die bij de vennootschap zijn betrokken jegens elkaar in acht moeten nemen brengt met zich mee dat [verzoeker] in het bezit moet worden gesteld van documenten die in het bezit zijn van [verweerster] , als hij die nodig heeft voor het uitbrengen van een gefundeerd advies. Maar het kan niet zo zijn dat [verzoeker] onbeperkt recht heeft op het verstrekken van documenten. Het moet wel gaan om documenten die hij nodig heeft in het kader van het opstellen van zijn advies. Daarbij overweegt de rechtbank dat het hierbij in eerste instantie niet aankomt op “bewijzen”. Eenvoudig gesteld, [verzoeker] moet in staat worden gesteld zijn verhaal te vertellen. Als hij daarvoor stukken nodig heeft, bijvoorbeeld omdat hij iets niet (meer) weet, dan moeten die aan hem worden verstrekt. Maar hij hoeft niet de stukken te krijgen waarmee hij zijn advies van “a tot z” kan bewijzen. Pas als de aandeelhouders zijn advies in twijfel trekken omdat zij menen dat bepaalde feiten anders zijn dan [verzoeker] beweert, en het antwoord op die discussie uit de stukken kan komen die [verweerster] in bezit heeft, brengt de hiervoor bedoelde redelijkheid en billijkheid mee dat die stukken moeten worden verschaft aan [verzoeker] .

4.11.

Tegen de achtergrond van wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen is zij van oordeel dat niet is komen vast te staan dat zodanige stukken aan [verzoeker] zijn onthouden dat hij niet in staat zou zijn gesteld om een gefundeerd advies uit te brengen. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank dat enerzijds wel degelijk stukken aan [verzoeker] zijn verstrekt en anderzijds de bezwaren tegen zijn persoon steeds zijn handelen als bestuurder betreffen. Zo zou hij bijvoorbeeld bevoegdheden hebben overtreden en waarschuwingen hebben genegeerd. De rechtbank acht [verzoeker] uit hoofde van zijn functie zeer goed in staat om daar gefundeerd op te reageren. Bovendien voert [verzoeker] wel aan welke stukken hij mist maar niet wat hij uit die betreffende stukken wil halen en waarom hij deze nodig heeft voor het uitbrengen van zijn advies. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan deze klacht van [verzoeker] .

4.12.

Wat betreft zijn stelling dat het besluit van de aandeelhouders al vast stond en zijn advies dus een “wassen neus” was, wijst [verzoeker] op het volgende.

Op 31 juli 2018 is hij door de bestuurder van [naam Holding 1] (hierna [naam Holding 1] ) geschorst. Nog diezelfde dag deelt [naam] aan de stafleden van [verweerster] mee:

Wir haben uns von [verzoeker] getrennt, gehen Sie davon aus, dass die Firma gute Gründe dafur hat, auf die Sie vertrauen können. Machen Sie bitte weiter mit Ihre tägliche Arbeit”.

4.13.

Tevens heeft [naam] op deze dag de directeuren van de andere [naam Holding 1] bedrijven binnen Nederland bericht. De strekking van dit bericht is – voor zover hier relevant - dat [verzoeker] [naam Holding 1] heeft verlaten en dat zijn definitieve opvolger [naam opvolger] (hierna [naam opvolger] ) zal zijn. Deze informatie kan per direct vrijgegeven worden.

Dat beide berichten zijn verspreid wordt niet door [verweerster] ontkend.

4.14.

Met [verzoeker] leest de rechtbank deze communicatie als de mededeling van een vaststaand feit. “Wir haben uns getrennt” en “ [verzoeker] heeft ons bedrijf verlaten en zijn opvolger is [naam opvolger] ” zijn toch uitlatingen die moeilijk anders begrepen kunnen worden dan dat er sprake is van een onomkeerbaar feit.

De uitleg van [verweerster] – we moesten toch iets meedelen aan personeel en concern – snijdt in dit verband geen hout. Er bestaat immers een groot verschil tussen een mededeling waarvan de strekking is dat iemand tijdelijk niet zijn functie uitoefent of de mededeling dat iemand het bedrijf heeft verlaten en zijn opvolger al bekend is. Zo een laatste uiting past bij een besluit dat feitelijk al genomen is, los van de aanstaande aandeelhoudersvergadering en het advies dat [verzoeker] daarin zal uitbrengen.

4.15.

[verweerster] bestrijdt dat er sprake is van een al vaststaand besluit. Daarbij wijst zij er op dat [naam Holding 1] maar 49% van de aandelen in [verweerster] bezit. Zo [naam] al een besluit genomen zou hebben, vooruitlopend op de aandeelhoudersvergadering, dan is van een definitief besluit van de aandeelhoudersvergadering nog geen sprake. De andere aandeelhouders, [naam Holding 2] en [naam Holding 3] , bezitten immers gezamenlijk de meerderheid van de aandelen en zouden [naam] hebben kunnen overstemmen. Het advies van [verzoeker] zou dus wel degelijk nog zin gehad kunnen hebben.

4.16.

De rechtbank passeert dit verweer. Het betreft een theoretische mogelijkheid die echter niet op realiteit is gebaseerd. In de eerste plaats voert [verzoeker] aan dat hij de bestuurders van [naam Holding 2] en [naam Holding 3] nooit heeft ontmoet, ook niet bij zijn benoeming tot [functienaam 1] . Beide vennootschappen werden steeds vertegenwoordigd door, laatstelijk, [naam] . Dat dat bij de aandeelhoudersvergadering, waarbij zijn ontslag aan de orde zou komen, anders zou zijn is niet gesteld en ook niet gebleken zodat het voor de hand ligt dat ook op die vergadering [naam] alle drie de aandeelhouders zou vertegenwoordigen.

Dat [naam] met de pet op van bestuurder van [naam Holding 2] en/of [naam Holding 3] anders tegen de noodzaak van het ontslag van [verzoeker] zou aankijken dan als bestuurder van [naam Holding 1] is hoogst onaannemelijk.

Bovendien heeft [naam] zich door de wijze van communiceren over het ontslag van [verzoeker] feitelijk in een positie gebracht waarbij op de schreden terugkeren enkel nog zou kunnen met groot gezichtsverlies. Ook dat maakt het zeer onwaarschijnlijk dat het ontslagbesluit in de vergadering van aandeelhouders werkelijk nog open stond voor discussie.

4.17.

De conclusie uit het vorenstaande is dan ook dat [verzoeker] voor een “fait accompli” is geplaatst en dat zijn advies, als hij dat had uitgebracht, geen enkele invloed zou hebben gehad op de beslissing van de aandeelhouders. Die beslissing stond voor het uitbrengen van dat advies immers al onherroepelijk vast. Het uitbrengen van een advies had dan ook geen enkele zin meer en daarmee staat voor de rechtbank vast dat [verweerster] inbreuk heeft gemaakt op het adviesrecht van de bestuurder op grond van
artikel 2:227 lid 7 BW.

Daarmee staat ook vast dat het vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit is genomen in strijd met een wettelijke bepaling zodat dit besluit vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW.

4.18.

[verweerster] heeft uiterst subsidiair nog een beroep gedaan op artikel 2:8 lid 2 BW, inhoudende dat krachtens de wet van toepassing zijnde bepalingen – in casu de artikelen 2:227 lid 7 jo 2:15 BW - buiten toepassing blijven indien toepassing daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Die situatie doet zich volgens [verweerster] hier voor.

De rechtbank volgt [verweerster] niet in dat verweer. De rechtbank beschouwt het als een belangrijk recht voor de statutair bestuurder – wiens rechtspositie op zich al minder sterk is dan die van een doorsnee werknemer – dat hij in een situatie waar zijn voorgenomen ontslag aan de orde is, de kans krijgt om zijn standpunt naar voren te brengen ten overstaan van de eigenaren van het bedrijf op een moment dat dat nog van belang is voor de meningsvorming van de gezamenlijke eigenaren. Uiteraard kunnen er omstandigheden denkbaar zijn waarbij dat anders ligt, bijvoorbeeld als de bestuurder de besluitvorming frustreert of anderszins sprake is van zeer zwaarwegende belangen die enig uitstel van de aandeelhoudersvergadering onmogelijk maken. Daarvan is in dit geval echter niet gebleken. Het is dan ook zeker niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat aan [verzoeker] een beroep toekomt op de vennootschapsrechtelijke bescherming waarop hij aanspraak kan maken.

4.19.

Afrondend concludeert de rechtbank dat het vennootschapsrechtelijke ontslagbesluit van [verzoeker] niet rechtsgeldig is genomen en dat het daarom behoort te worden vernietigd. De rechtbank gaat daar dan ook toe over. Dat betekent dat [verzoeker] ook na 30 augustus 2018 bestuurder van [verweerster] is gebleven.

Wat dat betekent voor het arbeidsrechtelijke ontslag van [verzoeker] zal de rechtbank hierna bespreken.

Veroordeling van [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van het overeengekomen loon en alle emolumenten op grond van het voortduren van de arbeidsovereenkomst tot de datum waarop dit dienstverband rechtsgeldig zal zijn geëindigd.

4.20.

Om aanspraak te kunnen maken op doorbetaling van het loon en de emolumenten ná 1 november 2018 is het nodig dat ook de arbeidsovereenkomst na die datum is blijven voortbestaan. Volgens [verzoeker] is daar ook sprake van nu het vennootschapsrechtelijke ontslagbesluit – de bodem onder het arbeidsrechtelijke ontslagbesluit – door de rechtbank wordt vernietigd zodat het arbeidsrechtelijke ontslagbesluit vanzelf ophoud te bestaan.

4.21.

[verweerster] bestrijd dat standpunt. Zelfs als het vennootschapsrechtelijke ontslagbesluit wordt vernietigd betekent dat niet dat ook een einde komt aan het arbeidsrechtelijke ontslagbesluit. Volgens [verweerster] vindt zij steun voor dat argument in de WWZ, artikel 7:671 lid 1 BW en de memorie van toelichting op dit punt. Artikel 7:671 lid 1 BW bepaald immers dat de werkgever de arbeidsovereenkomst met de werknemer kan opzeggen zonder schriftelijke instemming van die werknemer als het zich bij die werknemer handelt om een bestuurder van een besloten vennootschap. Die rechtsregel brengt met zich mee dat opzegging van de arbeidsovereenkomst met een bestuurder ook zelfstandig, los van het vennootschapsrechtelijke ontslagbesluit, kan plaatsvinden, aldus [verweerster] . De jurisprudentie waarop [verzoeker] zich beroept, en waaruit volgt dat vernietiging van het vennootschapsrechtelijke ontslagbesluit ook het einde van het arbeidsrechtelijke ontslagbesluit betekent, is deels achterhaalt door de invoering van de WWZ en berust deels op een verkeerde lezing van de diverse uitspraken, aldus [verweerster] .

4.22.

De rechtbank volgt [verweerster] niet in deze interpretatie van het betreffende wetsartikel en de aangehaalde jurisprudentie. In de door [verzoeker] aangehaalde vonnissen van de rechtbank Noord Holland van 17 april 2018 (ECLI:NL:RBNHO:2018:3264) en de rechtbank Midden Nederland van 24 mei 2018 (ECLI:NL:RBMNE: 2018:2547) wordt in een vergelijkbaar geval verwezen naar de “15-april” arresten van de Hoge Raad. In deze arresten is uitgemaakt dat een vennootschapsrechtelijk ontslag(besluit) in beginsel ook de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van de bestuurder tot gevolg heeft. In het vennootschapsrechtelijke ontslagbesluit is immers de arbeidsrechtelijke opzegging gelegen. Dat betekent volgens de hiervoor genoemde vonnissen echter ook dat als het vennootschapsrechtelijke besluit “sneuvelt” de arbeidsrechtelijke opzegging het zelfde lot is beschoren en dus de arbeidsovereenkomst in stand is gebleven. Aan [verweerster] kan worden toegegeven dat de Hoge Raad zich nog nooit in die zin heeft uitgelaten, in ieder geval niet voor zover de rechtbank bekend is. Echter, een andere uitleg is bezwaarlijk voorstelbaar. Wat is anders de grondslag voor het arbeidsrechtelijke ontslagbesluit? [verweerster] heeft zich daar ook niet over uitgelaten.

De conclusie uit het vorenstaande is dat het arbeidsrechtelijke dienstverband is blijven voortbestaan. De loonvordering van [verzoeker] zal worden toegewezen.

Veroordeling van [verweerster] tot vergoeding van de schade die [verzoeker] heeft geleden door de onrechtmatige schorsing/op non actiefstelling van 31 juli 2018, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet

4.23.

[verzoeker] baseert deze vordering op de stelling dat hij onrechtmatig zou zijn geschorst en daardoor schade zou hebben geleden. [verweerster] heeft aangevoerd dat hij zijn vordering niet heeft onderbouwd.

4.24.

[verzoeker] heeft zeer uitvoerig beargumenteerd waarom het vennootschapsrechtelijke ontslagbesluit, en in het kielzog daarvan het arbeidsrechtelijke ontslagbesluit, moeten worden vernietigd. Daarentegen is weliswaar gevorderd, maar niet gesteld laat staan onderbouwd dat de schorsing en/of non actiefstelling onrechtmatig zou zijn geweest. Daar komt bij dat het enkele feit dat achteraf een ontslagbesluit om formele redenen wordt vernietigd, niet automatisch met zich mee brengt dat de schorsing of non-actiefstelling onrechtmatig was. Bij een beslissing tot schorsing of non-actiefstelling, behoeven de feiten die daaraan ten grondslag liggen nog niet onbetwist vast te staan. Het betreffen ordemaatregelen, waarbij beslissend is of die feiten - voor zover niet appert onjuist - van dien aard en ernst zijn dat daaraan redelijkerwijs de conclusie kan worden verbonden dat de bestuurder (tijdelijk) niet kan worden gehandhaafd. [verzoeker] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou volgen dat [verweerster] niet in redelijkheid tot de schorsing/non-actiefstelling had mogen overgaan, gezien de voorliggende verwijten.

4.25.

De rechtbank komt dan ook niet toe aan de vaststelling dat de schorsing en/of op non actiefstelling onrechtmatig zouden zijn geweest. De daarop gebaseerde schadevordering, op te maken bij staat, zal worden afgewezen.

Veroordeling van [verweerster] tot het verzenden aan diverse genoemde personen van een rectificatie op verbeurte van dwangsommen.

4.26.

[verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift de tekst van de rectificatie opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank vormt de navolgende zin de dragende overweging van deze rectificatie:

“Waar [naam Holding 1] gecommuniceerd heeft dat zij gegronde redenen had voor het uiteengaan van [naam Holding 1] en [verzoeker] , heeft de rechtbank geoordeeld dat hiervan geen sprake is”.

Feit is echter dat de rechtbank niet aan dat oordeel is toegekomen. Zij heeft immers geoordeeld dat het ontslagbesluit niet op de juiste wijze is genomen. Aan een inhoudelijke beoordeling daarvan is de rechtbank niet toegekomen. De tekst van de rectificatie geeft dus het oordeel van de rechtbank niet correct weer.

Nu [verzoeker] bovendien niet de mogelijkheid heeft geopend voor de rechtbank om naar eigen inzicht een rectificatie te formuleren zal de rechtbank daartoe ook niet overgaan en deze vordering van [verzoeker] afwijzen.

Veroordeling van [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van een jubileum uitkering van € 600,- netto.

4.27.

[verzoeker] is op 1 februari 2006 in dienst getreden bij [bedrijf] . Op 1 maart 2009 is hij in dienst getreden bij [verweerster] . [verzoeker] is van mening dat voor het becijferen van zijn jubileumaanspraken gekeken moet worden naar de eerste dag waarop hij voor een bedrijf van het [naam Holding 1] concern heeft gewerkt. [verweerster] is daarentegen van mening dat voor het al dan niet bestaan van een jubileum enkel gekeken moet worden naar de tijd die [verzoeker] bij haar in dienst is geweest. Nu geteld moet worden vanaf 1 maart 2009 is van een 12 ½ jarig jubileum nog geen sprake.

4.28.

Nu partijen van mening verschillen over de bij [naam Holding 1] geldende jubileumregeling had het op de weg van [verzoeker] gelegen om aan te tonen hoe die regeling werkt. Bijvoorbeeld door de betreffende passage uit het personeelshandboek, of ander document waarin dat is vastgelegd, te overleggen. Dat heeft [verzoeker] nagelaten. Evenmin heeft hij op andere wijze bewijs bijgebracht van de inhoud van regeling of zelfs maar specifiek bewijs aangeboden. De rechtbank zal [verzoeker] op dit punt niet meer toelaten tot het leveren van nader bewijs. Het recht op een jubileumuitkering van € 600 netto is niet komen vast te staan en de rechtbank zal deze vordering afwijzen.


Veroordeling van [verweerster] tot betaling van daadwerkelijk gemaakte buitengerechtelijke kosten en nog op te geven overige kosten van rechtsbijstand.

4.29.

[verzoeker] heeft een bedrag van € 9.039,76 aan buitengerechtelijke (incasso-) kosten gevorderd. De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat dergelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen, indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. [verzoeker] weliswaar gesteld dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten, maar heeft – ondanks het verweer tegen die stelling - geen omschrijving van de werkzaamheden gegeven, zodat die stelling als onvoldoende onderbouwd terzijde wordt geschoven. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten moet daarom worden afgewezen.

4.30.

Hoewel [verzoeker] nog “overige kosten van rechtsbijstand” vordert is die vordering verder niet gespecificeerd, noch onderbouwd, zodat die vordering reeds om die reden voor afwijzing gereed ligt.

4.31.

Nu de primaire vorderingen onder 1 en 2 van [verzoeker] zijn toegewezen, behoeft de subsidiaire vordering geen beoordeling en bespreking meer.

4.32.

[verweerster] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van [verzoeker] begroot op:

Vast recht € 291,00
Salaris advocaat € 2.148,00 (2 x tarief 1.074,00)
Totaal € 2.439,00

5 De beoordeling van de verzoeken van [verweerster]

5.1.

Voor wat betreft de rechtsmacht van de Nederlandse rechter overweegt de rechtbank als volgt.

5.2.

De Nederlandse rechter is gelet op het bepaalde in artikel 8 lid 3 in samenhang met artikel 22 lid 2 EEX-Vo 2012 bevoegd kennis te nemen van de tegenverzoeken van [verweerster] . Daar komt bij dat [verweerster] gemotiveerd uiteen heeft gezet waarom de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van haar tegenverzoeken/vorderingen, waartegen [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling geen verweer heeft gevoerd. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een stilzwijgende forumkeuze voor de Nederlandse rechter na het ontstaan van het geschil.

Veroordeling van [verzoeker] om binnen twee dagen na betekening van de beschikking aan [verweerster] af te geven de bedrijfsauto, de bedrijfstelefoon, alle in het bezit van [verzoeker] zijnde bedrijfsdocumenten en alle overige bij hem in bezit zijnde zaken van [verweerster] .

5.3.

Als niet weersproken staat vast dat [verzoeker] gelet op het bepaalde in artikel 6.6 van de arbeidsovereenkomst persoonlijk geen gebruik meer mag maken van de bedrijfsauto vanaf het moment dat hij zijn werkzaamheden feitelijk niet meer uitvoert ongeacht de redenen waarom en hij de auto in dat geval dient in te leveren. [verzoeker] is sinds 31 juli 2018 feitelijk niet meer werkzaam. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak laten weten dat hij niet alleen de bedrijfsauto, maar ook de zakelijke telefoon, bedrijfsdocumenten en eventuele andere eigendommen van [verweerster] , die hij in zijn bezit heeft, voor 1 december 2018 zal inleveren. Gelet op deze toezegging van [verzoeker] zal de rechtbank hem zekerheidshalve veroordelen tot afgifte van genoemde zaken, een dwangsom is naar overtuiging van de rechtbank echter niet nodig.

De gevorderde verklaring voor recht, alsmede de gevorderde veroordeling van [verzoeker] tot vergoeding van de schade die [verweerster] door zijn handelen heeft geleden. Voor zover die schade niet eenvoudig kan worden vastgesteld vordert [verweerster] verwijzing naar de schadestaatprocedure.

5.4.

[verweerster] stelt zich op het standpunt dat [verzoeker] zijn functie heeft uitgeoefend in strijd met artikel 2:9 BW (verplichting tot behoorlijke taakvervulling, aansprakelijkheid voor onbehoorlijk bestuur). Mocht daarvan geen sprake zijn, dan is er in ieder geval sprake van onrechtmatig handelen (artikel 6:162 BW). [verweerster] heeft door het handelen van [verzoeker] zeer aanzienlijke schade geleden en wenst deze op [verzoeker] te verhalen. [verzoeker] voert verweer.

5.5.

De eerste vraag die de rechtbank in dit kader moet beantwoorden is of [verweerster] in deze procedure ontvankelijk is in haar vordering. Het betreft een zaak die normaal gesproken bij dagvaarding aanhangig gemaakt dient te worden. De vordering is echter ingediend bij verzoekschrift in een procedure die in de kern gaat over de beëindiging van het dienstverband tussen [verweerster] en [verzoeker] . [verweerster] is ontvankelijk in haar vordering indien het een zogenaamde connexe vordering ex artikel 7:686a lid 3 BW betreft. Is daarvan in dit geval sprake?

5.6.

Bij connexe vorderingen gaat het om allerlei vorderingen die bij de beëindiging van een arbeidsovereenkomst of het herstel daarvan aan de orde kunnen komen omdat ze verband houden met de beëindiging of juist het herstel van het dienstverband. In de memorie van toelichting worden voorbeelden genoemd als betaling van achterstallig loon, vorderingen terzake een concurrentiebeding of terzake een transitievergoeding. Hoewel er algemeen van wordt uitgegaan dat een grote diversiteit mogelijk is van soorten vorderingen die op deze wijze kunnen worden aangebracht is de rechtbank wel van oordeel dat er steeds een verband moet zijn met een beëindiging of het herstel van een dienstbetrekking. En daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake.

5.7.

In de eerste plaats is er van een beëindiging van het dienstverband geen sprake, in tegendeel. De rechtbank komt juist tot de conclusie dat door de vernietiging van het vennootschapsrechtelijke ontslagbesluit ook het arbeidsrechtelijke ontslagbesluit is komen te vervallen, waardoor het dienstverband nog voortduurt. De door [verweerster] gevorderde schadevergoeding kan dus geen verband houden met de beëindiging van het dienstverband, dat er immers niet is.

5.8.

Van herstel van een dienstbetrekking is wel sprake, althans in die zin dat vast komt te staan dat er nooit sprake is geweest van beëindiging ervan. Het betreffende ontslagbesluit is immers vernietigd. Een vordering van de werkgever die in dat geval samenhangend zou kunnen zijn is bijvoorbeeld een vordering tot terugbetaling van een al uitgekeerde transitievergoeding. Echter, de vordering tot schadevergoeding door de werkgever voor schade die de werknemer in de uitoefening van zijn functie heeft veroorzaakt houdt - naar het oordeel van de rechtbank - naar zijn aard geen verband met het herstel van het dienstverband van de werknemer. Dat past zogezegd niet bij elkaar.

5.9.

Wellicht ten overvloede wijst de rechtbank er ook nog op dat zij, indien het wel zou gaan om connexe vorderingen - een inhoudelijk oordeel zou moeten geven over het functioneren van [verzoeker] . Indien dat oordeel zou inhouden dat de schadevordering wordt toegewezen impliceert dat ook dat het dienstverband zou moeten eindigen. Het is voor de rechtbank immers moeilijk voorstelbaar dat er een situatie denkbaar is waar de hoge drempel voor werknemersaansprakelijkheid voor door de werkgever geleden schade gehaald wordt zonder dat dat betekent dat er voldoende reden is om aan het dienstverband met die werknemer een einde te maken. Aan een beslissing over het voortbestaan van dat dienstverband komt de rechtbank, gelet op het procesverloop, echter niet meer toe. Daarvoor is een nieuwe procedure nodig.

5.10.

[verweerster] heeft bij de mondelinge behandeling al aangekondigd dat, mocht het komen tot een vernietiging van het vennootschappelijke ontslagbesluit en in het kielzog daarvan vernietiging van het arbeidsrechtelijke ontslagbesluit, zij een nieuw vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit zal nemen met de daaraan verbonden arbeidsrechtelijke gevolgen. De rechtbank acht het zeer aannemelijk dat dan een nieuwe procedure, waarin hetzelfde aan de orde is als in deze procedure, zal volgen. Doorstaat het vennootschapsrechtelijke ontslagbesluit in die procedure wel de toetst der kritiek, dan zal het inhoudelijk vooral gaan om het al dan niet verwijtbaar handelen van [verzoeker] . Daarbij zou dan de onwenselijke situatie kunnen ontstaan dat de rechter in de onderhavige procedure anders tegen het handelen van [verzoeker] (is er sprake van handelen in strijd met artikel 2:9 BW en/of artikel 6:162 BW?) zou aankijken dan de rechter in die nieuwe procedure, terwijl het om exact het zelfde feitencomplex gaat. Dat beschouwt de rechtbank als een zeer onwenselijke uitkomst, die daarom voorkomen moet worden.

5.11.

Voornoemde omstandigheden vormen voor de rechtbank dan ook aanleiding om deze tegenvorderingen van [verweerster] af te wijzen.

5.12.

[verweerster] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Aan de zijde van [verzoeker] worden deze begroot op € 537,00 (0,5 x 1 x tarief € 1.074,00).

6 De beslissing

De rechtbank

ten aanzien van de verzoeken van [verzoeker] :

6.1.

vernietigt het ontslagbesluit buiten vergadering van [verweerster] van
30 augustus 2018 op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a en b BW,

6.2.

veroordeelt [verweerster] tot de op de gebruikelijke wijze en onverkorte doorbetaling aan [verzoeker] van het overeengekomen loon en alle emolumenten op grond van het voortduren van zijn arbeidsovereenkomst tot de datum waarop dit dienstverband rechtsgeldig zal zijn geëindigd,

6.3.

veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 2.439,00,

ten aanzien van de verzoeken van [verweerster]:

6.4.

gebiedt [verzoeker] om binnen 2 dagen na betekening van deze beschikking aan [verweerster] af te geven:

  • -

    i) de bedrijfsauto

  • -

    ii) de bedrijfstelefoon

  • -

    iii) alle bij hem in bezit zijnde bedrijfsdocumenten

  • -

    iv) alle overige bij hem in bezit zijnde zaken van [verweerster] ,

6.5.

veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 537,00,

zowel ten aanzien van de verzoeken van [verzoeker] als die van [verweerster]:

6.6.

wijst af het anders of meer verzochte/gevorderde,

6.7.

verklaart deze beschikking – voor zover nodig – uitvoerbaar bij voorraad,

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A.J. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2019.1

1 type: SS coll: