Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:1212

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
7401206 AZ VERZ 18-129
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkneemster weigert meermaals te hervatten in aangepaste werkzaamheden terwijl zij daar volgens de arbo-arts en het deskundigenoordeel van het UWV wel toe in staat is.

De arbeidsovereenkomst is op verzoek van de werkgever ontbonden op grond van art. 7:686 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 7401206 AZ VERZ 18-129

Beschikking van 8 februari 2019

in de zaak van

[verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verzoekende partij, verwerende partij in het tegenverzoek,

gemachtigde mr. R.P.H.W. Haas

tegen

[verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] ,

wonend te [woonplaats] ,

verwerende partij, verzoekende partij in het tegenverzoek,

gemachtigde mr. P.J.C. Bolton.

Partijen zullen hierna [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] en [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen

  • -

    het verweerschrift, tevens verzoekschrift met tegenverzoek, met bijlagen

  • -

    het aanvullend verzoekschrift van [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] , waarin [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] haar verzoek en de grondslag daarvan heeft gewijzigd

  • -

    de door [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] nagezonden bijlagen

  • -

    de mondelinge behandeling op 5 februari 2019 waarbij [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] een pleitnota heeft overgelegd.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] exploiteert een schoenenwinkel. Naast de twee vennoten ( [naam vennoten] ) zijn drie werknemers werkzaam in de winkel.

2.2.

[verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] is één van voornoemde drie werknemers. Zij is sinds 1 oktober 2005 op grond van een arbeidsovereenkomst voor [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] werkzaam in de functie van verkoopster.

2.3.

[verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] heeft zich op 2 januari 2018 ziek gemeld. Vervolgens heeft zij op

17 januari 2018 een operatie ondergaan in verband met een niet-functionerend hypofyse adenoom.

2.4.

In de daarop volgende periode heeft [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] diverse malen tevergeefs getracht om persoonlijk contact te krijgen met [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] . Ook heeft [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] meermaals gevraagd de sleutel van het winkelpand in te leveren. Achterliggende gedachte daarvan was dat de werknemer die [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] verving dan die sleutel zou kunnen gebruiken. Op 14 mei 2018 hebben partijen voor het eerst na de ziekmelding “face tot face” met elkaar gesproken. Daarbij is ook (nogmaals) gevaagd aan [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] om de sleutel in te leveren op 16 mei 2018. [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] heeft dat niet gedaan. Eerst nadat [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] bij aangetekende brief [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] heeft gesommeerd de sleutel te overhandigen, heeft [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] de sleutel eind mei 2018 ingeleverd.

2.5.

Op 29 augustus 2018 is [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] door de bedrijfsarts [naam bedrijfsarts] van ArboPro (hierna [naam bedrijfsarts] ) gezien. Hij rapporteert naar aanleiding daarvan aan [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] dat [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] herstellende is, dat de prognose voor herstel en re-integratie goed is en dat terugkeer in het eigen werk op termijn wordt verwacht. Wel signaleert [naam bedrijfsarts] moeizame arbeidsverhoudingen die herstel en terugkeer in de weg kunnen staan. Hij adviseert een gesprek met (eventueel) een derde partij en merkt op dat, als partijen er niet uit komen, bezien kan worden hoe “wegen zich kunnen scheiden”.

2.6.

Bij brief van 3 september 2018 heeft ArboPro [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] uitgenodigd voor een gesprek met de casemanager [naam casemanager] (hierna: [naam casemanager] ) en met [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] op 7 september 2018. In deze brief wordt verwezen naar het advies van [naam bedrijfsarts] van 29 augustus 2018.

2.7.

Op 4 september 2018 heeft [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] bericht dat zij op 7 september 2018 verhinderd is. [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] is vervolgens opgeroepen voor een gesprek op 6 september 2018 met de casemanager en met [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] .

2.8.

[verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] is niet verschenen op 6 september 2018.

2.9.

Bij brief van 6 september 2018 heeft [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] medegedeeld dat zij de betaling van het loon opschort met ingang van die dag.

2.10.

[verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] heeft vervolgens bij brief van 13 september 2018 schriftelijk geprotesteerd tegen de opschorting van de loonbetaling.

2.11.

Bij brief van 20 september 2018 heeft [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] zich op het standpunt gesteld dat het loon terecht opgeschort is en [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] opgeroepen voor een gesprek met de bedrijfsarts op 27 september 2018, waarvoor zij nog een oproep zal ontvangen.

2.12.

Bij brief van 20 september 2018 heeft [naam casemanager] [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] (en [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] ) uitgenodigd voor het gesprek op 27 september 2018. Ook in deze brief is verwezen naar het advies van [naam bedrijfsarts] van 29 augustus 2018.

2.13.

Op 27 september 2018 is [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] op het gesprek verschenen. [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] heeft het gesprek kort na aanvang beëindigd.

2.14.

Op 3 oktober 2018 is [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] opnieuw gezien door [naam bedrijfsarts] . [naam bedrijfsarts] heeft naar aanleiding daarvan het volgende gerapporteerd:

“(…)

- aanvankelijk verzuim a.g.v. ziekte en/of gebrek

- inmiddels lijkt er primair sprake te zijn van een conflictsituatie

- STECR richtlijn arbeidsconflicten van toepassing, eerder is al mediation aangeboden geworden

- juristen van 2 kanten ingeschakeld (i.e. werkgever / werkneemster)

- kwestie dient uiteindelijk opgelost te worden via een andere weg dan de weg van verzuim

- beëindigen van verzuimstatus per 15-10-2018”

2.15.

[verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] heeft vervolgens meermaals telefonisch contact met [naam bedrijfsarts] opgenomen omdat zij het niet eens was met voornoemd advies. [naam bedrijfsarts] heeft daarop in een ongedateerde aan [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] gerichte notitie (bijlage 14 van het verzoekschrift) medegedeeld dat hij zijn advies handhaaft.

2.16.

Bij brief van 9 oktober 2018 heeft [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] aan [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] voorgesteld om in een gezamenlijke bespreking te bezien of de (gestelde) conflictsituatie opgelost kan worden.

2.17.

Op 15 oktober 2018 heeft [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] haar werkzaamheden bij [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] hervat.

2.18.

Op 16 oktober 32018 heeft [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] aan [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] onder meer medegedeeld:

“Wij hebben via mr. R. Haas en mr. Bolton laten weten dat we nog steeds niet weten waar de gestelde conflictsituatie vandaan zou komen.

En dat we er alles aan willen doen om te bezien hoe de situatie zou kunnen worden verbeterd.

In ons gesprek gaf dan ook je aan, dat je niet wist waardoor dit zo zou zijn geïnterpreteerd door de bedrijfsarts en case manager van Arbo Prop, en dit niet het geval was!”

2.19.

Op 19 oktober 2018 heeft [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] zich ziekgemeld.

2.20.

Bij e-mailbericht van 24 oktober 2018 heeft [naam casemanager] aan [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] (onder meer) medegedeeld dat niet wordt teruggekomen van het eerdere advies.

2.21.

Op 7 november 2018 heeft het UWV op verzoek van [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] een deskundigenoordeel uitgebracht waarin staat dat [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] niet in staat is haar eigen werk in de volle omvang te verrichten. Wel wordt zij in staat geacht tot het verrichten van passende arbeid waarbij rekening wordt gehouden met haar beperkingen ten aanzien van gebogen houdingen en frequent bukken.

2.22.

Bij e-mail van 12 november 2018 heeft [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] aan [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] medegedeeld dat zij het deskundigenoordeel waaruit blijkt dat “we gaan werken aan een geleidelijke urenopbouw” heeft ontvangen. [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] heeft [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] uitgenodigd daarover te komen praten op 13 november 2018 om 16.00 uur.

2.23.

[verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] heeft zich op 13 november 2018 een half uur voor het geplande gesprek afgemeld.

2.24.

Diezelfde dag heeft [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] verzocht om (aan de hand van een opbouwschema) te hervatten met ingang van 14 november 2018. [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] heeft aan [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] het opbouwschema met de met ingang van 14 november 2018 door [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] te werken uren verzonden.

2.25.

Op 14 november 2018 is [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] in de winkel verschenen. Partijen hebben toen een discussie gehad over het opbouwschema en over de weigering van [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] om [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] verlof toe te staan op 1 december 2018. [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] is na korte tijd weer vertrokken.

2.26.

Bij brief van 14 november 2018 heeft [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] aan [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] medegedeeld dat, indien zij op 1 december 2018 niet verschijnt dit gevolgen kan en zal hebben voor haar dienstverband.

2.27.

Bij brief van 15 november 2018 heeft [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] de “allerlaatste” waarschuwing gegeven en haar gesommeerd medewerking te verlenen aan haar re-integratieverplichtingen.

2.28.

[verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] stond volgens het opbouwschema ingedeeld voor werkzaamheden op 16, 17 en 21 november 2018. Zij heeft zich die dagen niet gemeld voor het verrichten van werkzaamheden bij [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] .

2.29.

Op 21 november 2018 heeft [naam bedrijfsarts] telefonisch contact gehad met [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] . Naar aanleiding daarvan heeft [naam bedrijfsarts] aan [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] bericht dat [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] op 22 november 2018 dient te hervatten voor drie uur per dag.

2.30.

Bij e-mail van 21 november 2018 heeft [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] aan [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] bericht dat zij met ingang van 22 november 2018 voor drie uur per dag (van 15.00 tot 18.00 uur) dient te hervatten en dat zij de drie daarop volgende dagen deze uren dient te werken.

2.31.

[verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] heeft geen werkzaamheden meer voor [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] verricht.

2.32.

[verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] heeft zich op 26 november 2018 wederom ziek gemeld bij [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] .

2.33.

[naam bedrijfsarts] heeft vervolgens geadviseerd dat [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] in staat is haar werkzaamheden te hervatten in aangepast werk en tijdens aangepaste uren.

2.34.

Bij brief van 27 november 2018 heeft [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] aan (de gemachtigde van) [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] medegedeeld dat zij ernstig in strijd handelt met haar re-integratieverplichtingen, zodat de “loonstop” zal blijven gelden en dat als [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] niet met onmiddellijke ingang haar medewerking verleent aan haar re-integratieverplichtingen [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] zal overgaan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Verder merkt [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] op dat een definitief verstoorde arbeidsverhouding in het verschiet ligt.

2.35.

[verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] heeft ook daarna geen werkzaamheden meer voor [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] verricht. Evenmin is zij, hoewel zij daartoe was opgeroepen, verschenen op het spreekuur van [naam bedrijfsarts] op 28 november 2018.

2.36.

[verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] heeft op 28 november 2018 [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] in kort geding gedagvaard en daarbij gevorderd [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] te veroordelen tot (onder meer) betaling van het loon vanaf

1 oktober 2018. Bij vonnis van 14 december 2018 is [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] (voor zover hier van belang) veroordeeld tot betaling van het loon van 1 oktober 2018 tot en met 14 november 2018.

2.37.

Partijen hebben op 3 december 2018 (in aanwezigheid van hun gemachtigden) met elkaar gesproken, maar dit heeft niet geleid tot een oplossing van het geschil.

3 Het geschil

3.1.

[verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] verzoekt:

  1. de arbeidsovereenkomst met [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] te ontbinden tegen de kortst mogelijke termijn, primair op grond van art. 7:686 BW, althans subsidiair op grond van art. 7:669 lid 3 aanhef en onder e BW, althans meer subsidiair op grond van art. 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW;

  2. subsidiair en meer subsidiair vast te stellen dat [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] geen billijke vergoeding aan [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] verschuldigd is omdat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de kant van [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] ;

  3. subsidiair en meer subsidiair te bepalen dat [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] geen recht heeft op de transitievergoeding, althans te bepalen dat de transitievergoeding ten hoogste
    € 6.791,00 bruto bedraagt;

  4. [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] verweer behelst primair dat het verzoek van [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] dient te worden afgewezen. Subsidiair verzoekt zij om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding.

3.3.

[verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] verzoekt [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] te veroordelen tot betaling van:

  1. het loon (inclusief vakantietoeslag en 25% wettelijke verhoging), vanaf 14 november 2018 totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindig

  2. de wettelijke rente over het loon vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van voldoening,

  3. de proceskosten.

3.4.

[verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] stelt dat het tegenverzoek van [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] afgewezen dient te worden.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] primair gebaseerd op art. 7:686 BW: een tekortkoming van [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] in de nakoming van de arbeidsovereenkomst. Ten aanzien van deze grondslag overweegt de kantonrechter als volgt.

4.2.

[verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] is op grond van art. 7:660a aanhef en onder a en c BW verplicht gevolg te geven aan door [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] gegeven redelijke voorschriften en om passende arbeid te verrichten waartoe [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] haar in staat stelt. Partijen hebben gediscussieerd over de vraag of [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] is tekortgeschoten in de nakoming van deze verplichtingen.

4.2.1.

Dat [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] in de periode tot 14 november 2018 daarin is tekortgeschoten is niet komen vast te staan. Zij diende volgens [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] immers volledig te hervatten in haar eigen werk terwijl uit het deskundigenoordeel van het UWV (achteraf) is gebleken dat [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] niet in staat was haar eigen werk in de volle omvang te verrichten.

4.2.2.

Met ingang van 14 november 2018 heeft [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] echter in staat gesteld werkzaamheden te verrichten conform het deskundigenoordeel. [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] heeft zich toen en ook nu in deze procedure op het (uiterst) formele standpunt gesteld dat een concrete uitwerking van het deskundigenoordeel door [naam bedrijfsarts] ontbrak. Gesteld noch gebleken is echter dat [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] met ingang van 14 november 2018 van haar verlangde dat zij werkzaamheden verrichtte die indruisen tegen het deskundigenoordeel. Zo stelt [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] niet dat zij in gebogen houding moest werken of frequent moest bukken of dat het voorgestelde opbouwschema uitging van teveel uren per dag. Daar komt nog bij dat [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] niet betwist dat, hoewel een schriftelijk advies van [naam bedrijfsarts] ontbrak, de werkhervatting in aangepast werk conform het opbouwschema wel mondeling is kortgesloten met [naam bedrijfsarts] en kennelijk door [naam bedrijfsarts] akkoord is bevonden. De kantonrechter verwijst in dat verband naar het e-mailbericht van 16 november 2018 (productie 4 als onderdeel van bijlage 30). 4.2.3. [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] heeft ook nog aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met haar psychische beperkingen. Zij verwijst in dat verband naar de door [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] overgelegde bijlage 14 (zie 2.14) waarin [naam bedrijfsarts] melding maakt van het volgende:

“ (…)

  • -

    naast de fysieke klachten benoemde je huisarts het aspect psyche en m.n. de geconstateerde sub assertiviteit

  • -

    in dat kader heb je gesprekken gehad met o.a. je huisarts en de POH GGZ

  • -

    ik kan mij vinden in het gevoerde behandelplan”

De verzekeringsarts van het UWV die het deskundigenoordeel heeft opgesteld, vermeldt dat het door haar/hem verricht onderzoek mede is gebaseerd op het medisch dossier van [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] . Het moet er dus voor gehouden worden dat de verzekeringsarts ook over de informatie omtrent [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] psychische gesteldheid beschikte en dat in het oordeel heeft betrokken.

4.2.4.

Door [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] is verder in het geheel niet onderbouwd dat het deskundigenoordeel en de daarop voortbordurende beoordelingen van [naam bedrijfsarts] , inhoudende dat zij in staat is om in aangepast werk voor enkele uren per dag bij [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] te hervatten onjuist zijn.

4.2.5.

[verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] standpunt dat het arbeidsconflict tussen partijen aan werkhervatting in de weg stond en dat [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] onvoldoende inspanning heeft verricht om via mediation tot normalisering van de arbeidsverhoudingen te komen kan haar niet baten op grond van de volgende overwegingen. Het heeft er alle schijn van dat [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] in augustus 2018 tegenover [naam bedrijfsarts] melding heeft gemaakt van een arbeidsconflict/moeizame arbeidsverhoudingen. [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] heeft toen diverse pogingen ondernomen om met [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] daarover te praten. Die pogingen waren tevergeefs. Enerzijds omdat [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] tegenover [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] ontkende dat er (van haar kant) sprake was van een arbeidsconflict en anderzijds door tot 3 december 2018 verdere gesprekken waartoe zij door [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] werd uitgenodigd hierover uit de weg te gaan. Op die datum was de arbeidsverhouding tussen partijen door de opstelling van [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] echter zodanig verstoord dat dit gesprek niets meer opgeleverd heeft.

4.2.6.

Op grond van voorgaande overwegingen is de kantonrechter van oordeel dat [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] zonder goede grond heeft geweigerd om met ingang van 14 november 2018 te hervatten in aangepaste werkzaamheden. Hoewel zij daarna nog enkele keren door [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] is opgeroepen, heeft [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] volhardt in die weigering. Hieruit volgt dat [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] de verplichtingen als vermeld in art. 660a lid 1 sub a en c BW met ingang van 14 november 2018 tot op heden niet is nagekomen.

4.3.

Het opzegverbod van 7:670 lid 1 aanhef en onder a BW staat niet in de weg aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dat verbod is op grond van art. 7:670a lid 1 BW namelijk niet van toepassing indien de werknemer de verplichting van art. 7:660a BW weigert na te komen en de werkgever de werknemer schriftelijk heeft aangemaand tot nakoming van deze verplichtingen of om die reden met inachtneming van art. 7:629 lid 7 BW de betaling van het loon heeft gestaakt. De kantonrechter stelt vast dat aan deze in art. 7:670a lid 1 BW vermelde voorwaarden om het opzegverbod buiten toepassing te laten is voldaan.

4.4.

Op grond van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming door [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] van de verplichtingen van art. 7:660a lid 1 sub a en c BW zal de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden worden. De tekortkoming van [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] is te kwalificeren als ernstig verwijtbaar. Hieruit volgt dat aan haar geen transitievergoeding wordt toegekend. Evenmin zal aan haar een billijke vergoeding worden toegekend omdat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] . Verder zal wegens het ernstig verwijtbare gedrag van [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] de einddatum van de arbeidsovereenkomst op heden worden bepaald (art. 7:671b lid 8 aanhef en onder a BW).

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het tegenverzoek van [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] zal worden afgewezen. Omdat zij zonder goede grond heeft geweigerd met ingang van 14 november 2018 te hervatten in aangepaste werkzaamheden is er geen reden om af te wijken van de hoofdregel dat de werknemer geen recht heeft op loon gedurende de tijd dat hij geen werkzaamheden heeft verricht.

4.6.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] tot op heden begroot op:

griffierecht € 119,00

salaris gemachtigde € 600,00

Totaal: € 719,00

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] en [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] ,

5.2.

bepaalt dat de arbeidsovereenkomst met ingang van heden is geëindigd,

5.3.

veroordeelt [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [verzoekster, verweerster in het tegenverzoek] tot op heden begroot op € 719,00,

5.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.H.J. Otto en is in het openbaar uitgesproken.

Type: RW